فاطر
Fatir
The Poor Before God
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
Lof zij God, Oorsprong van de hemelen en de aarde, die van de Gemachtigden gezanten heeft gemaakt, georganiseerd in afdelingen – per twee, per drie, per vier.
ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ فَاطِرِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ جَاعِلِ ٱلْمَلَٰٓئِكَةِ رُسُلًا أُو۟لِىٓ أَجْنِحَةٍۢ مَّثْنَىٰ وَثُلَٰثَ وَرُبَٰعَ
Hij voegt aan de schepping toe wat het Hem behaagt,
يَزِيدُ فِى ٱلْخَلْقِ مَا يَشَآءُ
want God is tot alles in staat.
إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ قَدِيرٌۭ
Wat God de mensen opent als welwillendheid, niemand kan het bij zich vasthouden,
مَّا يَفْتَحِ ٱللَّهُ لِلنَّاسِ مِن رَّحْمَةٍۢ فَلَا مُمْسِكَ لَهَا
en wat Hij vasthoudt, niemand kan het loslaten na Hem.
وَمَا يُمْسِكْ فَلَا مُرْسِلَ لَهُۥ مِنۢ بَعْدِهِۦ
En Hij is de Almachtige, de Wijze.
وَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ
O mensen, herinner jullie de weldaad van God over jullie.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ ٱذْكُرُوا۟ نِعْمَتَ ٱللَّهِ عَلَيْكُمْ
Is er een schepper anders dan God die jullie voorziet vanuit de hemel en de aarde?
هَلْ مِنْ خَٰلِقٍ غَيْرُ ٱللَّهِ يَرْزُقُكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ
Geen godheid behalve Hij.
لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ
Hoe worden jullie dan van het spoor gebracht?
فَأَنَّىٰ تُؤْفَكُونَ
En indien zij jou ontkennen, zijn gezanten vóór jou reeds ontkend.
وَإِن يُكَذِّبُوكَ فَقَدْ كُذِّبَتْ رُسُلٌۭ مِّن قَبْلِكَ
En tot God keren alle zaken terug.
وَإِلَى ٱللَّهِ تُرْجَعُ ٱلْأُمُورُ
O mensen, de belofte van God is gewis waarheid.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِنَّ وَعْدَ ٱللَّهِ حَقٌّۭ
Laat het leven hienieden jullie dan niet bedriegen,
فَلَا تَغُرَّنَّكُمُ ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَا
en laat de grote bedrieger jullie niet bedriegen omtrent God.
وَلَا يَغُرَّنَّكُم بِٱللَّهِ ٱلْغَرُورُ
De Afleider is gewis een vijand voor jullie: neem hem dus tot vijand.
إِنَّ ٱلشَّيْطَٰنَ لَكُمْ عَدُوٌّۭ فَٱتَّخِذُوهُ عَدُوًّا
Hij roept zijn partij slechts opdat zij onder de metgezellen van de Brand zijn.
إِنَّمَا يَدْعُوا۟ حِزْبَهُۥ لِيَكُونُوا۟ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلسَّعِيرِ
Zij die verloochenen zullen een strenge pijn hebben,
ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لَهُمْ عَذَابٌۭ شَدِيدٌۭ
en zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht zullen vergeving en een grote beloning hebben.
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ لَهُم مَّغْفِرَةٌۭ وَأَجْرٌۭ كَبِيرٌ
Hij voor wie het kwaad van zijn werk is verfraaid, zodat hij het schoon ziet?
أَفَمَن زُيِّنَ لَهُۥ سُوٓءُ عَمَلِهِۦ فَرَءَاهُ حَسَنًۭا
Want God doet dwalen wie het Hem behaagt, en leidt wie het Hem behaagt.
فَإِنَّ ٱللَّهَ يُضِلُّ مَن يَشَآءُ وَيَهْدِى مَن يَشَآءُ
Laat jouw Zelf zich dus niet verteren van ontreddering om hen,
فَلَا تَذْهَبْ نَفْسُكَ عَلَيْهِمْ حَسَرَٰتٍ
want God is Alwetend over wat zij doen.
إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌۢ بِمَا يَصْنَعُونَ
God is het die de winden heeft gezonden, die wolken opheffen; Wij hebben ze naar een dode landstreek gedreven, en door hen hebben Wij de aarde opnieuw leven gegeven na haar dood.
وَٱللَّهُ ٱلَّذِىٓ أَرْسَلَ ٱلرِّيَٰحَ فَتُثِيرُ سَحَابًۭا فَسُقْنَٰهُ إِلَىٰ بَلَدٍۢ مَّيِّتٍۢ فَأَحْيَيْنَا بِهِ ٱلْأَرْضَ بَعْدَ مَوْتِهَا
Zo zal de Ontvouwing zijn.
كَذَٰلِكَ ٱلنُّشُورُ
Wie de macht wil, aan God behoort de macht geheel toe.
مَن كَانَ يُرِيدُ ٱلْعِزَّةَ فَلِلَّهِ ٱلْعِزَّةُ جَمِيعًا
Naar Hem stijgt het goede woord op,
إِلَيْهِ يَصْعَدُ ٱلْكَلِمُ ٱلطَّيِّبُ
en het deugdelijke werk, Hij verheft het.
وَٱلْعَمَلُ ٱلصَّٰلِحُ يَرْفَعُهُۥ
En zij die slechte daden complotteren zullen een strenge pijn hebben,
وَٱلَّذِينَ يَمْكُرُونَ ٱلسَّيِّـَٔاتِ لَهُمْ عَذَابٌۭ شَدِيدٌۭ
en het complot van dezen is gedoemd teloor te gaan.
وَمَكْرُ أُو۟لَٰٓئِكَ هُوَ يَبُورُ
God heeft jullie geschapen uit aarde, vervolgens uit een druppel, vervolgens heeft Hij jullie tot paren gemaakt.
وَٱللَّهُ خَلَقَكُم مِّن تُرَابٍۢ ثُمَّ مِن نُّطْفَةٍۢ ثُمَّ جَعَلَكُمْ أَزْوَٰجًۭا
Geen vrouwtje draagt noch werpt, behalve met Zijn weten.
وَمَا تَحْمِلُ مِنْ أُنثَىٰ وَلَا تَضَعُ إِلَّا بِعِلْمِهِۦ
Geen wezen ziet zijn leven verlengd, noch zijn leven verkort, zonder dat het in een register staat;
وَمَا يُعَمَّرُ مِن مُّعَمَّرٍۢ وَلَا يُنقَصُ مِنْ عُمُرِهِۦٓ إِلَّا فِى كِتَٰبٍ
want dit is gemakkelijk voor God.
إِنَّ ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٌۭ
De twee zeeën zijn niet gelijk:
وَمَا يَسْتَوِى ٱلْبَحْرَانِ
deze is zoet, dorstlessend, aangenaam om te drinken, en gene is zout, bitter.
هَٰذَا عَذْبٌۭ فُرَاتٌۭ سَآئِغٌۭ شَرَابُهُۥ وَهَٰذَا مِلْحٌ أُجَاجٌۭ
En van elke eten jullie vers vlees, en winnen jullie een sieraad dat jullie dragen,
وَمِن كُلٍّۢ تَأْكُلُونَ لَحْمًۭا طَرِيًّۭا وَتَسْتَخْرِجُونَ حِلْيَةًۭ تَلْبَسُونَهَا
en je ziet de schepen daarin de golven klieven, opdat jullie zoeken naar Zijn gunst, en misschien zullen jullie dankbaar zijn.
وَتَرَى ٱلْفُلْكَ فِيهِ مَوَاخِرَ لِتَبْتَغُوا۟ مِن فَضْلِهِۦ وَلَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ
Hij laat de nacht in de dag binnendringen, en laat de dag in de nacht binnendringen,
يُولِجُ ٱلَّيْلَ فِى ٱلنَّهَارِ وَيُولِجُ ٱلنَّهَارَ فِى ٱلَّيْلِ
en Hij heeft de zon en de maan onderworpen,
وَسَخَّرَ ٱلشَّمْسَ وَٱلْقَمَرَ
elk lopend naar een genoemde termijn.
كُلٌّۭ يَجْرِى لِأَجَلٍۢ مُّسَمًّۭى
Dat is God, jullie Voogd; aan Hem behoort het koningschap toe.
ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمْ لَهُ ٱلْمُلْكُ
En zij die jullie buiten Hem aanroepen bezitten zelfs niet het vliesje van een dadelpit.
وَٱلَّذِينَ تَدْعُونَ مِن دُونِهِۦ مَا يَمْلِكُونَ مِن قِطْمِيرٍ
Als jullie hen aanroepen, horen zij jullie aanroeping niet; en ook al zouden zij haar horen, zij zouden jullie niet antwoorden.
إِن تَدْعُوهُمْ لَا يَسْمَعُوا۟ دُعَآءَكُمْ وَلَوْ سَمِعُوا۟ مَا ٱسْتَجَابُوا۟ لَكُمْ
En op de Dag van het Verschijnen zullen zij jullie associatie verloochenen.
وَيَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ يَكْفُرُونَ بِشِرْكِكُمْ
En niemand bericht jou zoals de Intieme Kenner.
وَلَا يُنَبِّئُكَ مِثْلُ خَبِيرٍۢ
O mensen, jullie zijn het die de armen zijn voor God,
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ أَنتُمُ ٱلْفُقَرَآءُ إِلَى ٱللَّهِ
terwijl God de Rijke is, de Lofwaardige.
وَٱللَّهُ هُوَ ٱلْغَنِىُّ ٱلْحَمِيدُ
Indien het Hem behaagde, zou Hij jullie wegvoeren en een nieuwe schepping doen komen.
إِن يَشَأْ يُذْهِبْكُمْ وَيَأْتِ بِخَلْقٍۢ جَدِيدٍۢ
En dat is allerminst buiten bereik voor God.
وَمَا ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ بِعَزِيزٍۢ
En geen drager van een last zal de last van een ander dragen;
وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٌۭ وِزْرَ أُخْرَىٰ
en als wie overbelast is om hulp roept voor zijn vracht, zal er niets van gedragen worden, al is het door een verwant.
وَإِن تَدْعُ مُثْقَلَةٌ إِلَىٰ حِمْلِهَا لَا يُحْمَلْ مِنْهُ شَىْءٌۭ وَلَوْ كَانَ ذَا قُرْبَىٰٓ
Jij waarschuwt slechts hen die hun Voogd duchten hoewel Hij hun zintuigen ontgaat, en die het Contact onderhouden,
إِنَّمَا تُنذِرُ ٱلَّذِينَ يَخْشَوْنَ رَبَّهُم بِٱلْغَيْبِ وَأَقَامُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ
en wie zich zuivert, zuivert zich slechts voor zichzelf.
وَمَن تَزَكَّىٰ فَإِنَّمَا يَتَزَكَّىٰ لِنَفْسِهِۦ
En tot God is de bestemming.
وَإِلَى ٱللَّهِ ٱلْمَصِيرُ
De blinde en de ziende zijn niet gelijk, noch de duisternissen en het licht, noch de schaduw en de brandende hitte.
وَمَا يَسْتَوِى ٱلْأَعْمَىٰ وَٱلْبَصِيرُ وَلَا ٱلظُّلُمَٰتُ وَلَا ٱلنُّورُ وَلَا ٱلظِّلُّ وَلَا ٱلْحَرُورُ
De levenden en de doden zijn evenmin gelijk.
وَمَا يَسْتَوِى ٱلْأَحْيَآءُ وَلَا ٱلْأَمْوَٰتُ
God doet gewis horen wie het Hem behaagt,
إِنَّ ٱللَّهَ يُسْمِعُ مَن يَشَآءُ
en jij kunt hen die in de graven zijn niet doen horen.
وَمَآ أَنتَ بِمُسْمِعٍۢ مَّن فِى ٱلْقُبُورِ
Jij bent slechts een waarschuwer.
إِنْ أَنتَ إِلَّا نَذِيرٌ
Wij hebben jou gezonden, in alle waarheid, als aankondiger en waarschuwer.
إِنَّآ أَرْسَلْنَٰكَ بِٱلْحَقِّ بَشِيرًۭا وَنَذِيرًۭا
En er is geen gemeenschap waar geen waarschuwer is voorbijgegaan.
وَإِن مِّنْ أُمَّةٍ إِلَّا خَلَا فِيهَا نَذِيرٌۭ
En indien zij jou ontkennen, hebben zij die vóór hen waren reeds ontkend: hun gezanten waren tot hen gekomen met de duidelijke bewijzen, de Formularia en de lichtgevende Schrift; vervolgens heb Ik hen gegrepen die verloochenden.
وَإِن يُكَذِّبُوكَ فَقَدْ كَذَّبَ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ جَآءَتْهُمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ وَبِٱلزُّبُرِ وَبِٱلْكِتَٰبِ ٱلْمُنِيرِ ثُمَّ أَخَذْتُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟
En hoe was Mijn afkeuring!
فَكَيْفَ كَانَ نَكِيرِ
Heb je niet gezien dat God uit de hemel een water doet neerdalen, waardoor Wij vruchten van uiteenlopende kleuren naar buiten brengen?
أَلَمْ تَرَ أَنَّ ٱللَّهَ أَنزَلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءًۭ فَأَخْرَجْنَا بِهِۦ ثَمَرَٰتٍۢ مُّخْتَلِفًا أَلْوَٰنُهَا
En in de bergen zijn er witte en rode voren, van uiteenlopende kleuren, en andere van een intens zwart.
وَمِنَ ٱلْجِبَالِ جُدَدٌۢ بِيضٌۭ وَحُمْرٌۭ مُّخْتَلِفٌ أَلْوَٰنُهَا وَغَرَابِيبُ سُودٌۭ
En onder de mensen, de wezens die zich bewegen en het vee is er eveneens een verscheidenheid aan kleuren.
وَمِنَ ٱلنَّاسِ وَٱلدَّوَآبِّ وَٱلْأَنْعَٰمِ مُخْتَلِفٌ أَلْوَٰنُهُۥ كَذَٰلِكَ
Alleen zij die weten duchten God, onder Zijn gehoorzamen,
إِنَّمَا يَخْشَى ٱللَّهَ مِنْ عِبَادِهِ ٱلْعُلَمَٰٓؤُا۟
want God is Almachtig, Zeer Vergevensgezind.
إِنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ غَفُورٌ
Zij die de Schrift van God voordragen, het Contact onderhouden, en uitgeven, in het geheim en openlijk, van datgene waarvan Wij hen hebben voorzien, hopen op een handel die nooit teloor zal gaan, opdat Hij hun hun beloningen getrouw teruggeeft en hun meer geeft van Zijn gunst,
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَتْلُونَ كِتَٰبَ ٱللَّهِ وَأَقَامُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَأَنفَقُوا۟ مِمَّا رَزَقْنَٰهُمْ سِرًّۭا وَعَلَانِيَةًۭ يَرْجُونَ تِجَٰرَةًۭ لَّن تَبُورَ لِيُوَفِّيَهُمْ أُجُورَهُمْ وَيَزِيدَهُم مِّن فَضْلِهِۦٓ
want Hij is Zeer Vergevensgezind, Zeer Dankbaar.
إِنَّهُۥ غَفُورٌۭ شَكُورٌۭ
En wat Wij jou van de Schrift hebben geopenbaard is de waarheid, bevestigend wat eraan voorafgaat.
وَٱلَّذِىٓ أَوْحَيْنَآ إِلَيْكَ مِنَ ٱلْكِتَٰبِ هُوَ ٱلْحَقُّ مُصَدِّقًۭا لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِ
God is voorzeker, jegens Zijn gehoorzamen, Intiem Kenner en Alziend.
إِنَّ ٱللَّهَ بِعِبَادِهِۦ لَخَبِيرٌۢ بَصِيرٌۭ
Vervolgens hebben Wij hen die Wij onder Onze gehoorzamen hebben uitgekozen de Schrift doen erven:
ثُمَّ أَوْرَثْنَا ٱلْكِتَٰبَ ٱلَّذِينَ ٱصْطَفَيْنَا مِنْ عِبَادِنَا
er is er onder hen een die onrecht doet aan zichzelf,
فَمِنْهُمْ ظَالِمٌۭ لِّنَفْسِهِۦ
er is er een die een gematigde weg volgt,
وَمِنْهُم مُّقْتَصِدٌۭ
en er is er een die de anderen voorgaat in het voortreffelijkste, met de toestemming van God.
وَمِنْهُمْ سَابِقٌۢ بِٱلْخَيْرَٰتِ بِإِذْنِ ٱللَّهِ
Dat is de grote gunst.
ذَٰلِكَ هُوَ ٱلْفَضْلُ ٱلْكَبِيرُ
De Tuinen van de bestendigheid, waarin zij zullen binnentreden, getooid met armbanden van goud en parels,
جَنَّٰتُ عَدْنٍۢ يَدْخُلُونَهَا يُحَلَّوْنَ فِيهَا مِنْ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٍۢ وَلُؤْلُؤًۭا
en hun kleding zal er van zijde zijn.
وَلِبَاسُهُمْ فِيهَا حَرِيرٌۭ
En zij zullen zeggen: “Lof zij God die het verdriet ver van ons heeft doen vertrekken; onze Voogd is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Zeer Dankbaar,
وَقَالُوا۟ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ٱلَّذِىٓ أَذْهَبَ عَنَّا ٱلْحَزَنَ إِنَّ رَبَّنَا لَغَفُورٌۭ شَكُورٌ
die ons, door Zijn gunst, heeft gehuisvest in het verblijf waar men zich voorgoed ophoudt, waar geen vermoeidheid ons raakt, noch enige uitputting.”
ٱلَّذِىٓ أَحَلَّنَا دَارَ ٱلْمُقَامَةِ مِن فَضْلِهِۦ لَا يَمَسُّنَا فِيهَا نَصَبٌۭ وَلَا يَمَسُّنَا فِيهَا لُغُوبٌۭ
En zij die verloochenen zullen het vuur van Djahannam hebben; er zal voor hen niet bepaald worden dat zij sterven, en niets van haar pijn zal hun gemilderd worden.
وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لَهُمْ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقْضَىٰ عَلَيْهِمْ فَيَمُوتُوا۟ وَلَا يُخَفَّفُ عَنْهُم مِّنْ عَذَابِهَا
Zo vergelden Wij elke grote verloochenaar.
كَذَٰلِكَ نَجْزِى كُلَّ كَفُورٍۢ
En daar zullen zij schreeuwen: “Onze Voogd, doe ons uitgaan, wij zullen deugdelijke werken verrichten, andere dan die wij deden!”
وَهُمْ يَصْطَرِخُونَ فِيهَا رَبَّنَآ أَخْرِجْنَا نَعْمَلْ صَٰلِحًا غَيْرَ ٱلَّذِى كُنَّا نَعْمَلُ
Hebben Wij jullie geen leven gegund dat lang genoeg was opdat wie zich wilde herinneren zich kon herinneren? En de waarschuwer was tot jullie gekomen.
أَوَلَمْ نُعَمِّرْكُم مَّا يَتَذَكَّرُ فِيهِ مَن تَذَكَّرَ وَجَآءَكُمُ ٱلنَّذِيرُ
Proef dus,
فَذُوقُوا۟
want de onrechtvaardigen hebben geen hulp.
فَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِن نَّصِيرٍ
God kent gewis wat de zintuigen ontgaat in de hemelen en op de aarde;
إِنَّ ٱللَّهَ عَٰلِمُ غَيْبِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ
want Hij is Alwetend over de inhoud van de borsten.
إِنَّهُۥ عَلِيمٌۢ بِذَاتِ ٱلصُّدُورِ
Hij is het die van jullie opvolgers op de aarde heeft gemaakt:
هُوَ ٱلَّذِى جَعَلَكُمْ خَلَٰٓئِفَ فِى ٱلْأَرْضِ
wie verloochent, zijn verloochening valt op hem terug,
فَمَن كَفَرَ فَعَلَيْهِ كُفْرُهُۥ
en de verloochening van de verloochenaars doet hen slechts toenemen in afkeer bij hun Voogd,
وَلَا يَزِيدُ ٱلْكَٰفِرِينَ كُفْرُهُمْ عِندَ رَبِّهِمْ إِلَّا مَقْتًۭا
en de verloochening van de verloochenaars doet hen slechts toenemen in verlies.
وَلَا يَزِيدُ ٱلْكَٰفِرِينَ كُفْرُهُمْ إِلَّا خَسَارًۭا
Zeg: “Zien jullie geassocieerden die jullie buiten God aanroepen? Toon mij wat zij van de aarde hebben geschapen, of hebben zij een aandeel in de hemelen?
قُلْ أَرَءَيْتُمْ شُرَكَآءَكُمُ ٱلَّذِينَ تَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ أَرُونِى مَاذَا خَلَقُوا۟ مِنَ ٱلْأَرْضِ أَمْ لَهُمْ شِرْكٌۭ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ
Of hebben Wij hun een geschrift gegeven, en steunen zij op duidelijke bewijzen die daaruit voortkomen?”
أَمْ ءَاتَيْنَٰهُمْ كِتَٰبًۭا فَهُمْ عَلَىٰ بَيِّنَتٍۢ مِّنْهُ
In werkelijkheid beloven de onrechtvaardigen elkaar slechts bedrog.
بَلْ إِن يَعِدُ ٱلظَّٰلِمُونَ بَعْضُهُم بَعْضًا إِلَّا غُرُورًا
God houdt gewis de hemelen en de aarde vast, opdat zij niet verdwijnen;
إِنَّ ٱللَّهَ يُمْسِكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ أَن تَزُولَا
en indien zij zouden verdwijnen, zou niemand anders dan Hij ze kunnen vasthouden,
وَلَئِن زَالَتَآ إِنْ أَمْسَكَهُمَا مِنْ أَحَدٍۢ مِّنۢ بَعْدِهِۦٓ
want Hij is Lankmoedig, Zeer Vergevensgezind.
إِنَّهُۥ كَانَ حَلِيمًا غَفُورًۭا
En zij hebben bij God gezworen, met de volle kracht van hun eden, dat als een waarschuwer tot hen kwam, zij voorzeker beter geleid zouden zijn dan welke van de gemeenschappen ook.
وَأَقْسَمُوا۟ بِٱللَّهِ جَهْدَ أَيْمَٰنِهِمْ لَئِن جَآءَهُمْ نَذِيرٌۭ لَّيَكُونُنَّ أَهْدَىٰ مِنْ إِحْدَى ٱلْأُمَمِ
Maar toen een waarschuwer tot hen kwam, deed dat slechts hun weerzin toenemen,
فَلَمَّا جَآءَهُمْ نَذِيرٌۭ مَّا زَادَهُمْ إِلَّا نُفُورًا
door van hoogmoed op te zwellen op de aarde, en door een slecht complot.
ٱسْتِكْبَارًۭا فِى ٱلْأَرْضِ وَمَكْرَ ٱلسَّيِّئِ
Maar het slechte complot omhult slechts zijn eigen bedrijvers.
وَلَا يَحِيقُ ٱلْمَكْرُ ٱلسَّيِّئُ إِلَّا بِأَهْلِهِۦ
Wachten zij dan slechts op de norm van de eersten?
فَهَلْ يَنظُرُونَ إِلَّا سُنَّتَ ٱلْأَوَّلِينَ
Maar nooit zul jij een verandering in de norm van God vinden,
فَلَن تَجِدَ لِسُنَّتِ ٱللَّهِ تَبْدِيلًۭا
en nooit zul jij een verplaatsing in de norm van God vinden.
وَلَن تَجِدَ لِسُنَّتِ ٱللَّهِ تَحْوِيلًا
Hebben zij dan niet de aarde doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren, die nochtans in kracht superieur aan hen waren?
أَوَلَمْ يَسِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ فَيَنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ وَكَانُوٓا۟ أَشَدَّ مِنْهُمْ قُوَّةًۭ
En niets, in de hemelen noch op de aarde, kan God tot onmacht brengen,
وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُعْجِزَهُۥ مِن شَىْءٍۢ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَلَا فِى ٱلْأَرْضِ
want Hij is Alwetend, In Staat.
إِنَّهُۥ كَانَ عَلِيمًۭا قَدِيرًۭا
En indien God de mensen zou grijpen voor wat zij hebben verworven, zou Hij op het oppervlak van de aarde geen enkel wezen dat zich beweegt overlaten;
وَلَوْ يُؤَاخِذُ ٱللَّهُ ٱلنَّاسَ بِمَا كَسَبُوا۟ مَا تَرَكَ عَلَىٰ ظَهْرِهَا مِن دَآبَّةٍۢ
maar Hij schort hen op tot een genoemde termijn.
وَلَٰكِن يُؤَخِّرُهُمْ إِلَىٰٓ أَجَلٍۢ مُّسَمًّۭى
En wanneer hun termijn komt, gewis is God Alziend over Zijn gehoorzamen.
فَإِذَا جَآءَ أَجَلُهُمْ فَإِنَّ ٱللَّهَ كَانَ بِعِبَادِهِۦ بَصِيرًۢا