غافر
Ghafir
My Guardian Is God
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
Ḥa. Mim.
حمٓ
De neerdaling van de Schrift komt van God, de Almachtige, de Alwetende, Hij die het vergrijp vergeeft en het berouw ontvangt, streng in de sanctie, houder van de ruimhartigheid,
تَنزِيلُ ٱلْكِتَٰبِ مِنَ ٱللَّهِ ٱلْعَزِيزِ ٱلْعَلِيمِ غَافِرِ ٱلذَّنۢبِ وَقَابِلِ ٱلتَّوْبِ شَدِيدِ ٱلْعِقَابِ ذِى ٱلطَّوْلِ
geen godheid behalve Hij;
لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ
tot Hem is de bestemming.
إِلَيْهِ ٱلْمَصِيرُ
Slechts zij die verloochenen debatteren over de tekenen van God;
مَا يُجَٰدِلُ فِىٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ إِلَّا ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟
laat hun komen en gaan door de landen jou dus niet bedriegen.
فَلَا يَغْرُرْكَ تَقَلُّبُهُمْ فِى ٱلْبِلَٰدِ
Vóór hen heeft het volk van Noeh ontkend, en de partijen na hen,
كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍۢ وَٱلْأَحْزَابُ مِنۢ بَعْدِهِمْ
en elke gemeenschap had de bedoeling haar gezant te grijpen,
وَهَمَّتْ كُلُّ أُمَّةٍۭ بِرَسُولِهِمْ لِيَأْخُذُوهُ
en zij hebben met het valse gedebatteerd om er de waarheid mee te weerleggen – toen heb Ik hen gegrepen:
وَجَٰدَلُوا۟ بِٱلْبَٰطِلِ لِيُدْحِضُوا۟ بِهِ ٱلْحَقَّ فَأَخَذْتُهُمْ
en hoe was toen Mijn sanctie?
فَكَيْفَ كَانَ عِقَابِ
Zo heeft het woord van jouw Voogd zich bewaarheid tegen hen die verloochenen: zij zijn de metgezellen van het Vuur.
وَكَذَٰلِكَ حَقَّتْ كَلِمَتُ رَبِّكَ عَلَى ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ أَنَّهُمْ أَصْحَٰبُ ٱلنَّارِ
Zij die het Bouwwerk dragen en zij die het omringen glorifiëren hun Voogd, Hem lovend, geloven in Hem en smeken om vergeving voor hen die geloven:
ٱلَّذِينَ يَحْمِلُونَ ٱلْعَرْشَ وَمَنْ حَوْلَهُۥ يُسَبِّحُونَ بِحَمْدِ رَبِّهِمْ وَيُؤْمِنُونَ بِهِۦ وَيَسْتَغْفِرُونَ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟
“Onze Voogd, U omvat alles met welwillendheid en weten; vergeef dan hen die terugkeren en Uw weg volgen, en behoed hen voor de pijn van de Gloeioven;
رَبَّنَا وَسِعْتَ كُلَّ شَىْءٍۢ رَّحْمَةًۭ وَعِلْمًۭا فَٱغْفِرْ لِلَّذِينَ تَابُوا۟ وَٱتَّبَعُوا۟ سَبِيلَكَ وَقِهِمْ عَذَابَ ٱلْجَحِيمِ
Onze Voogd, laat hen binnentreden in de Tuinen van de bestendigheid die U hun hebt beloofd, evenals hen die deugdelijk zijn geweest onder hun vaders, hun echtgenoten en hun nakomelingschappen;
رَبَّنَا وَأَدْخِلْهُمْ جَنَّٰتِ عَدْنٍ ٱلَّتِى وَعَدتَّهُمْ وَمَن صَلَحَ مِنْ ءَابَآئِهِمْ وَأَزْوَٰجِهِمْ وَذُرِّيَّٰتِهِمْ
want U bent het, de Almachtige, de Wijze.
إِنَّكَ أَنتَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ
En behoed hen voor de kwade daden;
وَقِهِمُ ٱلسَّيِّـَٔاتِ
en wie U die dag voor de kwade daden behoedt, aan hem hebt U welwillendheid bewezen,
وَمَن تَقِ ٱلسَّيِّـَٔاتِ يَوْمَئِذٍۢ فَقَدْ رَحِمْتَهُۥ
en dat is de ontzaglijke triomf.”
وَذَٰلِكَ هُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ
Zij die verloochenen zullen toegeroepen worden: “De verafschuwing van God is voorzeker groter dan jullie eigen verafschuwing van jullie zelf, toen men jullie tot het geloof riep en jullie verloochenden.”
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ يُنَادَوْنَ لَمَقْتُ ٱللَّهِ أَكْبَرُ مِن مَّقْتِكُمْ أَنفُسَكُمْ إِذْ تُدْعَوْنَ إِلَى ٱلْإِيمَٰنِ فَتَكْفُرُونَ
Zij zullen zeggen: “Onze Voogd, U hebt ons tweemaal doen sterven en U hebt ons tweemaal doen leven; wij erkennen onze vergrijpen – is er dan een middel om eruit te komen?”
قَالُوا۟ رَبَّنَآ أَمَتَّنَا ٱثْنَتَيْنِ وَأَحْيَيْتَنَا ٱثْنَتَيْنِ فَٱعْتَرَفْنَا بِذُنُوبِنَا فَهَلْ إِلَىٰ خُرُوجٍۢ مِّن سَبِيلٍۢ
Dat, omdat jullie verloochenden toen God alleen werd aangeroepen, en dat jullie geloofden als men Hem iets associeerde;
ذَٰلِكُم بِأَنَّهُۥٓ إِذَا دُعِىَ ٱللَّهُ وَحْدَهُۥ كَفَرْتُمْ وَإِن يُشْرَكْ بِهِۦ تُؤْمِنُوا۟
het oordeel behoort dus aan God, de Allerhoogste, de Grote.
فَٱلْحُكْمُ لِلَّهِ ٱلْعَلِىِّ ٱلْكَبِيرِ
Hij is het die jullie Zijn tekenen toont en voor jullie uit de hemel een leeftocht doet neerdalen;
هُوَ ٱلَّذِى يُرِيكُمْ ءَايَٰتِهِۦ وَيُنَزِّلُ لَكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ رِزْقًۭا
maar slechts wie zich tot Hem wendt, herinnert zich.
وَمَا يَتَذَكَّرُ إِلَّا مَن يُنِيبُ
Roep dus God aan, Hem uitsluitend de Wet toewijdend, al zouden zij die verloochenen er een afschuw van hebben.
فَٱدْعُوا۟ ٱللَّهَ مُخْلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ وَلَوْ كَرِهَ ٱلْكَٰفِرُونَ
Hij is het die in graden verheft, houder van het Bouwwerk;
رَفِيعُ ٱلدَّرَجَٰتِ ذُو ٱلْعَرْشِ
Hij werpt de Toestroom van Zijn bevel op wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen, om te waarschuwen voor de Dag van de Ontmoeting, de dag waarop zij in het volle daglicht zullen zijn,
يُلْقِى ٱلرُّوحَ مِنْ أَمْرِهِۦ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ لِيُنذِرَ يَوْمَ ٱلتَّلَاقِ يَوْمَ هُم بَٰرِزُونَ
niets van hen is voor God verborgen.
لَا يَخْفَىٰ عَلَى ٱللَّهِ مِنْهُمْ شَىْءٌۭ
Aan wie behoort het koningschap vandaag?
لِّمَنِ ٱلْمُلْكُ ٱلْيَوْمَ
Aan God, de Enige, de Overheerser.
لِلَّهِ ٱلْوَٰحِدِ ٱلْقَهَّارِ
Vandaag zal ieder Zelf vergolden worden naar wat het verworven heeft;
ٱلْيَوْمَ تُجْزَىٰ كُلُّ نَفْسٍۭ بِمَا كَسَبَتْ
geen onrecht vandaag;
لَا ظُلْمَ ٱلْيَوْمَ
want God is snel in de rekening.
إِنَّ ٱللَّهَ سَرِيعُ ٱلْحِسَابِ
En waarschuw hen voor de Dag van de Naderende, wanneer de kernen ter hoogte van de kelen zullen zijn, beklemd,
وَأَنذِرْهُمْ يَوْمَ ٱلْءَازِفَةِ إِذِ ٱلْقُلُوبُ لَدَى ٱلْحَنَاجِرِ كَٰظِمِينَ
de onrechtvaardigen zullen geen hartelijke vriend hebben, noch een voorspreker naar wie men zich voegt.
مَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنْ حَمِيمٍۢ وَلَا شَفِيعٍۢ يُطَاعُ
Hij kent het verraad van de ogen en wat de borsten verbergen.
يَعْلَمُ خَآئِنَةَ ٱلْأَعْيُنِ وَمَا تُخْفِى ٱلصُّدُورُ
God beslist met waarheid,
وَٱللَّهُ يَقْضِى بِٱلْحَقِّ
terwijl zij die zij buiten Hem aanroepen niets beslissen;
وَٱلَّذِينَ يَدْعُونَ مِن دُونِهِۦ لَا يَقْضُونَ بِشَىْءٍ
want God is de Alhorende, de Alziende.
إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْبَصِيرُ
Hebben zij de aarde dan niet doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren?
أَوَلَمْ يَسِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ فَيَنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ كَانُوا۟ مِن قَبْلِهِمْ
Zij waren superieur aan hen in kracht en in sporen op de aarde, en God heeft hen gegrepen om hun vergrijpen;
كَانُوا۟ هُمْ أَشَدَّ مِنْهُمْ قُوَّةًۭ وَءَاثَارًۭا فِى ٱلْأَرْضِ فَأَخَذَهُمُ ٱللَّهُ بِذُنُوبِهِمْ
en zij hadden, tegen God, niemand om hen te behoeden.
وَمَا كَانَ لَهُم مِّنَ ٱللَّهِ مِن وَاقٍۢ
Dat, omdat hun gezanten hun de duidelijke bewijzen brachten, maar zij verloochenden; toen heeft God hen gegrepen,
ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ كَانَت تَّأْتِيهِمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَكَفَرُوا۟ فَأَخَذَهُمُ ٱللَّهُ
want Hij is sterk, streng in de sanctie.
إِنَّهُۥ قَوِىٌّۭ شَدِيدُ ٱلْعِقَابِ
Wij hebben Moesa gewis gezonden met Onze tekenen en een klaarblijkelijk gezag, tot Fir'aun, Haman en Qaroen; zij zeiden: “Een begoochelaar, een groot leugenaar.”
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ بِـَٔايَٰتِنَا وَسُلْطَٰنٍۢ مُّبِينٍ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَهَٰمَٰنَ وَقَٰرُونَ فَقَالُوا۟ سَٰحِرٌۭ كَذَّابٌۭ
Vervolgens, toen hij hun de waarheid van Ons bracht, zeiden zij: “Dood de zonen van hen die met hem geloofd hebben, en tast de eerbaarheid van hun vrouwen aan”;
فَلَمَّا جَآءَهُم بِٱلْحَقِّ مِنْ عِندِنَا قَالُوا۟ ٱقْتُلُوٓا۟ أَبْنَآءَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَعَهُۥ وَٱسْتَحْيُوا۟ نِسَآءَهُمْ
maar de list van hen die verloochenen is slechts in dwaling.
وَمَا كَيْدُ ٱلْكَٰفِرِينَ إِلَّا فِى ضَلَٰلٍۢ
En Fir'aun zei: “Laat mij Moesa doden, en laat hem zijn Voogd aanroepen, want ik vrees dat hij jullie Wet verandert en dat hij het bederf op de aarde aan het licht brengt.”
وَقَالَ فِرْعَوْنُ ذَرُونِىٓ أَقْتُلْ مُوسَىٰ وَلْيَدْعُ رَبَّهُۥٓ إِنِّىٓ أَخَافُ أَن يُبَدِّلَ دِينَكُمْ أَوْ أَن يُظْهِرَ فِى ٱلْأَرْضِ ٱلْفَسَادَ
En Moesa zei: “Gewis stel ik mij onder de egide van mijn Voogd en van jullie Voogd tegen iedere hoogmoedige die niet gelooft in de Dag van de Rekening.”
وَقَالَ مُوسَىٰٓ إِنِّى عُذْتُ بِرَبِّى وَرَبِّكُم مِّن كُلِّ مُتَكَبِّرٍۢ لَّا يُؤْمِنُ بِيَوْمِ ٱلْحِسَابِ
En een gelovende man uit de clan van Fir'aun, die zijn geloof verzweeg, zei: “Gaan jullie een man doden omdat hij zegt: ‘Mijn Voogd is God’, terwijl hij jullie de duidelijke bewijzen van jullie Voogd heeft gebracht? Als hij liegt, valt zijn leugen op hem terug; en als hij waarachtig is, zal een deel van wat hij jullie belooft jullie overkomen,
وَقَالَ رَجُلٌۭ مُّؤْمِنٌۭ مِّنْ ءَالِ فِرْعَوْنَ يَكْتُمُ إِيمَٰنَهُۥٓ أَتَقْتُلُونَ رَجُلًا أَن يَقُولَ رَبِّىَ ٱللَّهُ وَقَدْ جَآءَكُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ مِن رَّبِّكُمْ وَإِن يَكُ كَٰذِبًۭا فَعَلَيْهِ كَذِبُهُۥ وَإِن يَكُ صَادِقًۭا يُصِبْكُم بَعْضُ ٱلَّذِى يَعِدُكُمْ
want God leidt niet hem die buitensporig is, een groot leugenaar.
إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهْدِى مَنْ هُوَ مُسْرِفٌۭ كَذَّابٌۭ
O mijn volk, het koningschap is vandaag aan jullie, jullie zijn overheersend op de aarde; maar wie zal ons helpen tegen de strengheid van God als zij over ons komt?”
يَٰقَوْمِ لَكُمُ ٱلْمُلْكُ ٱلْيَوْمَ ظَٰهِرِينَ فِى ٱلْأَرْضِ فَمَن يَنصُرُنَا مِنۢ بَأْسِ ٱللَّهِ إِن جَآءَنَا
Fir'aun zei: “Ik toon jullie slechts wat ik zie, en ik leid jullie slechts naar de weg van de rechtschapenheid.”
قَالَ فِرْعَوْنُ مَآ أُرِيكُمْ إِلَّا مَآ أَرَىٰ وَمَآ أَهْدِيكُمْ إِلَّا سَبِيلَ ٱلرَّشَادِ
En hij die geloofd had zei: “O mijn volk, gewis vrees ik voor jullie een dag gelijk aan die van de partijen, gelijk aan het gedrag van het volk van Noeh, van de Aad, van de Thamoed, en van hen die na hen kwamen;
وَقَالَ ٱلَّذِىٓ ءَامَنَ يَٰقَوْمِ إِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُم مِّثْلَ يَوْمِ ٱلْأَحْزَابِ مِثْلَ دَأْبِ قَوْمِ نُوحٍۢ وَعَادٍۢ وَثَمُودَ وَٱلَّذِينَ مِنۢ بَعْدِهِمْ
en God wil geen enkel onrecht voor de gehoorzamen.”
وَمَا ٱللَّهُ يُرِيدُ ظُلْمًۭا لِّلْعِبَادِ
“O mijn volk, gewis vrees ik voor jullie de Dag waarop men elkaar zal toeroepen, de dag waarop jullie vluchtend de rug toekeren, zonder dat jullie enige vrijwaring tegen God hebben;
وَيَٰقَوْمِ إِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُمْ يَوْمَ ٱلتَّنَادِ يَوْمَ تُوَلُّونَ مُدْبِرِينَ مَا لَكُم مِّنَ ٱللَّهِ مِنْ عَاصِمٍۢ
en wie God doet dwalen, die heeft geen leidsman meer.
وَمَن يُضْلِلِ ٱللَّهُ فَمَا لَهُۥ مِنْ هَادٍۢ
Joesoef is voorheen gewis tot jullie gekomen met de duidelijke bewijzen, en jullie zijn niet opgehouden in verlegenheid te zijn over wat hij jullie bracht, totdat jullie, toen hij omkwam, zeiden: ‘God zal na hem geen gezant meer opwekken’;
وَلَقَدْ جَآءَكُمْ يُوسُفُ مِن قَبْلُ بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَمَا زِلْتُمْ فِى شَكٍّۢ مِّمَّا جَآءَكُم بِهِۦ حَتَّىٰٓ إِذَا هَلَكَ قُلْتُمْ لَن يَبْعَثَ ٱللَّهُ مِنۢ بَعْدِهِۦ رَسُولًۭا
zo doet God dwalen wie buitensporig is, vol twijfel –
كَذَٰلِكَ يُضِلُّ ٱللَّهُ مَنْ هُوَ مُسْرِفٌۭ مُّرْتَابٌ
zij die over de tekenen van God debatteren zonder dat enig gezag hun gekomen is;
ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِىٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ بِغَيْرِ سُلْطَٰنٍ أَتَىٰهُمْ
dat is een grote gruwel bij God en bij hen die geloven.
كَبُرَ مَقْتًا عِندَ ٱللَّهِ وَعِندَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟
Zo brengt God een afdruk aan op de kern van iedere tirannieke hoogmoedige.”
كَذَٰلِكَ يَطْبَعُ ٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ قَلْبِ مُتَكَبِّرٍۢ جَبَّارٍۢ
En Fir'aun zei: “O Haman, bouw mij een belvedère, misschien bereik ik de middelen, de middelen van de hemelen, en bespeur ik de godheid van Moesa; ik vermoed hem voorzeker een leugenaar.”
وَقَالَ فِرْعَوْنُ يَٰهَٰمَٰنُ ٱبْنِ لِى صَرْحًۭا لَّعَلِّىٓ أَبْلُغُ ٱلْأَسْبَٰبَ أَسْبَٰبَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ فَأَطَّلِعَ إِلَىٰٓ إِلَٰهِ مُوسَىٰ وَإِنِّى لَأَظُنُّهُۥ كَٰذِبًۭا
Zo werd, in de ogen van Fir'aun, het kwaad van zijn werk verfraaid, en de weg werd hem versperd;
وَكَذَٰلِكَ زُيِّنَ لِفِرْعَوْنَ سُوٓءُ عَمَلِهِۦ وَصُدَّ عَنِ ٱلسَّبِيلِ
de list van Fir'aun was slechts ondergang.
وَمَا كَيْدُ فِرْعَوْنَ إِلَّا فِى تَبَابٍۢ
En hij die geloofd had zei: “O mijn volk, volg mij, ik zal jullie leiden naar de weg van de rechtschapenheid;
وَقَالَ ٱلَّذِىٓ ءَامَنَ يَٰقَوْمِ ٱتَّبِعُونِ أَهْدِكُمْ سَبِيلَ ٱلرَّشَادِ
o mijn volk, dit leven hienieden is slechts genieting,
يَٰقَوْمِ إِنَّمَا هَٰذِهِ ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَا مَتَٰعٌۭ
terwijl het laatste leven gewis het verblijf van de stabiliteit is.
وَإِنَّ ٱلْءَاخِرَةَ هِىَ دَارُ ٱلْقَرَارِ
Wie een kwade daad verricht, wordt slechts met het equivalent ervan vergolden,
مَنْ عَمِلَ سَيِّئَةًۭ فَلَا يُجْزَىٰٓ إِلَّا مِثْلَهَا
en wie een deugdelijk werk verricht, man of vrouw, terwijl hij gelovend is, dezen zullen in de Tuin binnengebracht worden, waar zij zonder rekening van leeftocht voorzien worden.
وَمَنْ عَمِلَ صَٰلِحًۭا مِّن ذَكَرٍ أَوْ أُنثَىٰ وَهُوَ مُؤْمِنٌۭ فَأُو۟لَٰٓئِكَ يَدْخُلُونَ ٱلْجَنَّةَ يُرْزَقُونَ فِيهَا بِغَيْرِ حِسَابٍۢ
O mijn volk, wat heb ik toch, dat ik jullie roep tot de redding, terwijl jullie mij roepen tot het Vuur?
وَيَٰقَوْمِ مَا لِىٓ أَدْعُوكُمْ إِلَى ٱلنَّجَوٰةِ وَتَدْعُونَنِىٓ إِلَى ٱلنَّارِ
Jullie roepen mij om God te verloochenen en Hem te associëren datgene waarvan ik geen enkel weten heb, terwijl ik jullie roep tot de Almachtige, de Grote Vergever;
تَدْعُونَنِى لِأَكْفُرَ بِٱللَّهِ وَأُشْرِكَ بِهِۦ مَا لَيْسَ لِى بِهِۦ عِلْمٌۭ وَأَنَا۠ أَدْعُوكُمْ إِلَى ٱلْعَزِيزِ ٱلْغَفَّٰرِ
onvermijdelijk heeft datgene waartoe jullie mij roepen geen enkele roep, noch hienieden noch in het laatste leven; tot God zullen wij teruggebracht worden, en de buitensporigen zijn de metgezellen van het Vuur.
لَا جَرَمَ أَنَّمَا تَدْعُونَنِىٓ إِلَيْهِ لَيْسَ لَهُۥ دَعْوَةٌۭ فِى ٱلدُّنْيَا وَلَا فِى ٱلْءَاخِرَةِ وَأَنَّ مَرَدَّنَآ إِلَى ٱللَّهِ وَأَنَّ ٱلْمُسْرِفِينَ هُمْ أَصْحَٰبُ ٱلنَّارِ
Jullie zullen je weldra herinneren wat ik jullie zeg;
فَسَتَذْكُرُونَ مَآ أَقُولُ لَكُمْ
en ik draag mijn zaak aan God over;
وَأُفَوِّضُ أَمْرِىٓ إِلَى ٱللَّهِ
want God is Alziend over de gehoorzamen.”
إِنَّ ٱللَّهَ بَصِيرٌۢ بِٱلْعِبَادِ
God behoedde hem toen voor de kwaden van wat zij complotteerden,
فَوَقَىٰهُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِ مَا مَكَرُوا۟
en de kwade pijn omsloot de clan van Fir'aun:
وَحَاقَ بِـَٔالِ فِرْعَوْنَ سُوٓءُ ٱلْعَذَابِ
het Vuur, waaraan zij morgen en avond worden blootgesteld,
ٱلنَّارُ يُعْرَضُونَ عَلَيْهَا غُدُوًّۭا وَعَشِيًّۭا
en de dag waarop het Uur zich zal verheffen: “Treed binnen, clan van Fir'aun, in de strengste der pijnen.”
وَيَوْمَ تَقُومُ ٱلسَّاعَةُ أَدْخِلُوٓا۟ ءَالَ فِرْعَوْنَ أَشَدَّ ٱلْعَذَابِ
En wanneer zij in het Vuur met elkaar in geschil raken, zullen de zwakken zeggen tot hen die opzwollen van hoogmoed: “Wij waren gewis jullie volgers; kunnen jullie ons dan van nut zijn tegen een gedeelte van het Vuur?”
وَإِذْ يَتَحَآجُّونَ فِى ٱلنَّارِ فَيَقُولُ ٱلضُّعَفَٰٓؤُا۟ لِلَّذِينَ ٱسْتَكْبَرُوٓا۟ إِنَّا كُنَّا لَكُمْ تَبَعًۭا فَهَلْ أَنتُم مُّغْنُونَ عَنَّا نَصِيبًۭا مِّنَ ٱلنَّارِ
Zij die opzwollen van hoogmoed zullen zeggen: “Gewis zijn wij er allen; God heeft reeds geoordeeld tussen de gehoorzamen.”
قَالَ ٱلَّذِينَ ٱسْتَكْبَرُوٓا۟ إِنَّا كُلٌّۭ فِيهَآ إِنَّ ٱللَّهَ قَدْ حَكَمَ بَيْنَ ٱلْعِبَادِ
En zij die in het Vuur zijn zullen tot de aangestelden van Djahannam zeggen: “Roep jullie Voogd aan, opdat Hij voor ons de pijn lichter maakt, al was het maar één dag.”
وَقَالَ ٱلَّذِينَ فِى ٱلنَّارِ لِخَزَنَةِ جَهَنَّمَ ٱدْعُوا۟ رَبَّكُمْ يُخَفِّفْ عَنَّا يَوْمًۭا مِّنَ ٱلْعَذَابِ
Zij zullen zeggen: “Brachten jullie gezanten jullie dan niet de duidelijke bewijzen?” Zij zullen zeggen: “Jawel.” Zij zullen zeggen: “Roep dan aan.”
قَالُوٓا۟ أَوَلَمْ تَكُ تَأْتِيكُمْ رُسُلُكُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ قَالُوا۟ بَلَىٰ قَالُوا۟ فَٱدْعُوا۟
Maar de aanroeping van hen die verloochenen is slechts in dwaling.
وَمَا دُعَٰٓؤُا۟ ٱلْكَٰفِرِينَ إِلَّا فِى ضَلَٰلٍ
Wij helpen voorzeker Onze gezanten en hen die geloven, in het leven hienieden en op de dag waarop de getuigen zich zullen verheffen, de dag waarop de verontschuldiging van de onrechtvaardigen hun niet zal baten; zij zullen de vervloeking hebben, en zij zullen het kwade verblijf hebben.
إِنَّا لَنَنصُرُ رُسُلَنَا وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَيَوْمَ يَقُومُ ٱلْأَشْهَٰدُ يَوْمَ لَا يَنفَعُ ٱلظَّٰلِمِينَ مَعْذِرَتُهُمْ وَلَهُمُ ٱللَّعْنَةُ وَلَهُمْ سُوٓءُ ٱلدَّارِ
Wij hebben Moesa gewis de leiding gegeven, en de zonen van Israël de Schrift doen erven, leiding en herinnering voor de houders van intelligentie.
وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْهُدَىٰ وَأَوْرَثْنَا بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ ٱلْكِتَٰبَ هُدًۭى وَذِكْرَىٰ لِأُو۟لِى ٱلْأَلْبَٰبِ
Heb geduld dus, want de belofte van God is waarheid;
فَٱصْبِرْ إِنَّ وَعْدَ ٱللَّهِ حَقٌّۭ
en smeek om vergeving voor jouw vergrijp, en glorifieer, door de lof, jouw Voogd, in de avond en bij de dageraad.
وَٱسْتَغْفِرْ لِذَنۢبِكَ وَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ بِٱلْعَشِىِّ وَٱلْإِبْكَٰرِ
Zij die over de tekenen van God debatteren zonder dat enig gezag hun gekomen is, hebben in hun borst slechts een hoogmoed die zij nooit zullen bereiken;
إِنَّ ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِىٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ بِغَيْرِ سُلْطَٰنٍ أَتَىٰهُمْ إِن فِى صُدُورِهِمْ إِلَّا كِبْرٌۭ مَّا هُم بِبَٰلِغِيهِ
zoek dus de egide van God,
فَٱسْتَعِذْ بِٱللَّهِ
want Hij is het, de Alhorende, de Alziende.
إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْبَصِيرُ
De schepping van de hemelen en de aarde is voorzeker groter dan de schepping van de mensen,
لَخَلْقُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ أَكْبَرُ مِنْ خَلْقِ ٱلنَّاسِ
maar de meeste mensen weten het niet.
وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ
De blinde en de ziende zijn niet gelijk, evenmin als zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht en hij die kwaad handelt;
وَمَا يَسْتَوِى ٱلْأَعْمَىٰ وَٱلْبَصِيرُ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَلَا ٱلْمُسِىٓءُ
zij herinneren zich zeer weinig.
قَلِيلًۭا مَّا تَتَذَكَّرُونَ
Het Uur komt voorzeker, geen twijfel erover,
إِنَّ ٱلسَّاعَةَ لَءَاتِيَةٌۭ لَّا رَيْبَ فِيهَا
maar de meeste mensen geloven niet.
وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يُؤْمِنُونَ
En jullie Voogd heeft gezegd: “Roep Mij aan, Ik zal jullie antwoorden;
وَقَالَ رَبُّكُمُ ٱدْعُونِىٓ أَسْتَجِبْ لَكُمْ
want zij die opzwellen van hoogmoed tegenover Mijn gehoorzaamheid zullen weldra Djahannam binnengaan, neergeslagen.”
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَسْتَكْبِرُونَ عَنْ عِبَادَتِى سَيَدْخُلُونَ جَهَنَّمَ دَاخِرِينَ
God is het die voor jullie de nacht heeft gemaakt opdat jullie daarin rusten, en de dag om helder te zien;
ٱللَّهُ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلَّيْلَ لِتَسْكُنُوا۟ فِيهِ وَٱلنَّهَارَ مُبْصِرًا
God bezit voorzeker een gunst jegens de mensen,
إِنَّ ٱللَّهَ لَذُو فَضْلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ
maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.
وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَشْكُرُونَ
Dat is God, jullie Voogd,
ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمْ
Schepper van alles;
خَٰلِقُ كُلِّ شَىْءٍۢ
geen godheid behalve Hij;
لَّآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ
hoe worden jullie dan van het spoor gebracht?
فَأَنَّىٰ تُؤْفَكُونَ
Zo worden zij van het spoor gebracht die de tekenen van God halsstarrig ontkenden.
كَذَٰلِكَ يُؤْفَكُ ٱلَّذِينَ كَانُوا۟ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ يَجْحَدُونَ
God is het die voor jullie de aarde tot een stabiele plaats heeft gemaakt en de hemel tot een bouwsel, die jullie vorm heeft gegeven en jullie vormen schoon heeft gemaakt, en jullie van goede dingen heeft voorzien;
ٱللَّهُ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلْأَرْضَ قَرَارًۭا وَٱلسَّمَآءَ بِنَآءًۭ وَصَوَّرَكُمْ فَأَحْسَنَ صُوَرَكُمْ وَرَزَقَكُم مِّنَ ٱلطَّيِّبَٰتِ
dat is God, jullie Voogd;
ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمْ
gezegend zij God, Voogd van alle wezens.
فَتَبَارَكَ ٱللَّهُ رَبُّ ٱلْعَٰلَمِينَ
Hij is de Levende;
هُوَ ٱلْحَىُّ
geen godheid behalve Hij;
لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ
roep Hem dus aan, Hem uitsluitend de Wet toewijdend;
فَٱدْعُوهُ مُخْلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ
lof zij God, Voogd van alle wezens.
ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ
Zeg: “Gewis is het mij verboden hen te gehoorzamen die jullie buiten God aanroepen, nu de duidelijke bewijzen mij van mijn Voogd gekomen zijn; en mij is bevolen integer te zijn tegenover de Voogd van alle wezens.”
قُلْ إِنِّى نُهِيتُ أَنْ أَعْبُدَ ٱلَّذِينَ تَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ لَمَّا جَآءَنِىَ ٱلْبَيِّنَٰتُ مِن رَّبِّى وَأُمِرْتُ أَنْ أُسْلِمَ لِرَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ
Hij is het die jullie uit aarde geschapen heeft, vervolgens uit een druppel, vervolgens uit een aanhechting, vervolgens doet Hij jullie als kind naar buiten komen, vervolgens laat Hij jullie jullie volle rijpheid bereiken, vervolgens grijsaards worden –
هُوَ ٱلَّذِى خَلَقَكُم مِّن تُرَابٍۢ ثُمَّ مِن نُّطْفَةٍۢ ثُمَّ مِنْ عَلَقَةٍۢ ثُمَّ يُخْرِجُكُمْ طِفْلًۭا ثُمَّ لِتَبْلُغُوٓا۟ أَشُدَّكُمْ ثُمَّ لِتَكُونُوا۟ شُيُوخًۭا
en sommigen onder jullie worden eerder getrouw in bewaring gehouden – opdat jullie een genoemde termijn bereiken, en misschien zullen jullie redeneren.
وَمِنكُم مَّن يُتَوَفَّىٰ مِن قَبْلُ وَلِتَبْلُغُوٓا۟ أَجَلًۭا مُّسَمًّۭى وَلَعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ
Hij is het die doet leven en doet sterven;
هُوَ ٱلَّذِى يُحْىِۦ وَيُمِيتُ
en wanneer Hij iets decreteert, zegt Hij er slechts tegen: “Wees”,
فَإِذَا قَضَىٰٓ أَمْرًۭا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُۥ كُن
en het is.
فَيَكُونُ
Heb jij hen niet gezien die over de tekenen van God debatteren, hoe zij afgewend worden?
أَلَمْ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِىٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ أَنَّىٰ يُصْرَفُونَ
Zij die de Schrift en datgene waarmee Wij Onze gezanten hebben gezonden hebben ontkend, zullen weldra weten, wanneer de halsijzers om hun nek zullen zijn, evenals de kettingen,
ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِٱلْكِتَٰبِ وَبِمَآ أَرْسَلْنَا بِهِۦ رُسُلَنَا فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ إِذِ ٱلْأَغْلَٰلُ فِىٓ أَعْنَٰقِهِمْ وَٱلسَّلَٰسِلُ
zij zullen in het kokende water gesleept worden, vervolgens zullen zij in het Vuur ontstoken worden.
يُسْحَبُونَ فِى ٱلْحَمِيمِ ثُمَّ فِى ٱلنَّارِ يُسْجَرُونَ
Vervolgens zal hun gezegd worden: “Waar zijn zij die jullie buiten God associeerden?”
ثُمَّ قِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ تُشْرِكُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ
Zij zullen zeggen: “Zij hebben ver van ons gedwaald; in feite riepen wij voorheen niets aan.”
قَالُوا۟ ضَلُّوا۟ عَنَّا بَل لَّمْ نَكُن نَّدْعُوا۟ مِن قَبْلُ شَيْـًۭٔا
Zo doet God dwalen hen die verloochenen.
كَذَٰلِكَ يُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلْكَٰفِرِينَ
Dat is omdat jullie je zonder recht op de aarde verheugd hebben, en omdat jullie gepronkt hebben;
ذَٰلِكُم بِمَا كُنتُمْ تَفْرَحُونَ فِى ٱلْأَرْضِ بِغَيْرِ ٱلْحَقِّ وَبِمَا كُنتُمْ تَمْرَحُونَ
treed binnen door de poorten van Djahannam, om daar eeuwig te blijven:
ٱدْخُلُوٓا۟ أَبْوَٰبَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَا
wat een verfoeilijk onderkomen, dat van de hoogmoedigen!
فَبِئْسَ مَثْوَى ٱلْمُتَكَبِّرِينَ
Heb geduld dus, want de belofte van God is waarheid;
فَٱصْبِرْ إِنَّ وَعْدَ ٱللَّهِ حَقٌّۭ
of Wij jou een deel tonen van wat Wij hun beloven, of dat Wij jou getrouw in bewaring houden, tot Ons zullen zij teruggebracht worden.
فَإِمَّا نُرِيَنَّكَ بَعْضَ ٱلَّذِى نَعِدُهُمْ أَوْ نَتَوَفَّيَنَّكَ فَإِلَيْنَا يُرْجَعُونَ
Wij hebben gewis gezanten gezonden vóór jou; onder hen zijn er van wie Wij jou het verhaal hebben gedaan, en anderen van wie Wij jou het verhaal niet hebben gedaan;
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا رُسُلًۭا مِّن قَبْلِكَ مِنْهُم مَّن قَصَصْنَا عَلَيْكَ وَمِنْهُم مَّن لَّمْ نَقْصُصْ عَلَيْكَ
en het komt geen gezant toe een teken te brengen, behalve met de toestemming van God;
وَمَا كَانَ لِرَسُولٍ أَن يَأْتِىَ بِـَٔايَةٍ إِلَّا بِإِذْنِ ٱللَّهِ
en wanneer het bevel van God komt, wordt er in alle waarheid beslist, en de vervaardigers van het valse zijn dan verliezers.
فَإِذَا جَآءَ أَمْرُ ٱللَّهِ قُضِىَ بِٱلْحَقِّ وَخَسِرَ هُنَالِكَ ٱلْمُبْطِلُونَ
God is het die voor jullie het vee heeft gemaakt, opdat jullie sommige dieren berijden en andere eten;
ٱللَّهُ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلْأَنْعَٰمَ لِتَرْكَبُوا۟ مِنْهَا وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ
en jullie hebben daarin nuttigheden,
وَلَكُمْ فِيهَا مَنَٰفِعُ
en opdat jullie op hen een behoefte bereiken die in jullie borst is,
وَلِتَبْلُغُوا۟ عَلَيْهَا حَاجَةًۭ فِى صُدُورِكُمْ
en op hen, evenals op de vaartuigen, worden jullie vervoerd.
وَعَلَيْهَا وَعَلَى ٱلْفُلْكِ تُحْمَلُونَ
En Hij toont jullie Zijn tekenen;
وَيُرِيكُمْ ءَايَٰتِهِۦ
welke dan van de tekenen van God keuren jullie af?
فَأَىَّ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ تُنكِرُونَ
Hebben zij de aarde dan niet doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren?
أَفَلَمْ يَسِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ فَيَنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ
Zij waren talrijker dan zij en superieur in kracht en in sporen op de aarde; maar wat zij verwierven diende hun tot niets.
كَانُوٓا۟ أَكْثَرَ مِنْهُمْ وَأَشَدَّ قُوَّةًۭ وَءَاثَارًۭا فِى ٱلْأَرْضِ فَمَآ أَغْنَىٰ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ
Vervolgens, toen hun gezanten hun de duidelijke bewijzen brachten, verheugden zij zich over het weten dat zij bij zich hadden;
فَلَمَّا جَآءَتْهُمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَرِحُوا۟ بِمَا عِندَهُم مِّنَ ٱلْعِلْمِ
en datgene wat zij hoonden, omhulde hen.
وَحَاقَ بِهِم مَّا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ
Vervolgens, toen zij Onze strengheid zagen, zeiden zij: “Wij geloven in God alleen, en wij verloochenen wat wij met Hem associeerden.”
فَلَمَّا رَأَوْا۟ بَأْسَنَا قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَحْدَهُۥ وَكَفَرْنَا بِمَا كُنَّا بِهِۦ مُشْرِكِينَ
Maar hun geloof baatte hun niet, nadat zij Onze strengheid zagen –
فَلَمْ يَكُ يَنفَعُهُمْ إِيمَٰنُهُمْ لَمَّا رَأَوْا۟ بَأْسَنَا
dat is de norm van God, die reeds onder Zijn gehoorzamen voorbijgegaan is;
سُنَّتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِى قَدْ خَلَتْ فِى عِبَادِهِۦ
en zij die verloochenden waren daarin verliezers.
وَخَسِرَ هُنَالِكَ ٱلْكَٰفِرُونَ