العنكبوت
Al-Ankabut
The Spider
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
Alif. Lam. Mim.
الٓمٓ
Denken de mensen dat zij zullen worden gelaten, omdat zij zeggen: “Wij geloven”, zonder dat zij op de proef worden gesteld?
أَحَسِبَ ٱلنَّاسُ أَن يُتْرَكُوٓا۟ أَن يَقُولُوٓا۟ ءَامَنَّا وَهُمْ لَا يُفْتَنُونَ
Wij hebben echter hen die hun voorgingen op de proef gesteld,
وَلَقَدْ فَتَنَّا ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ
opdat God voorzeker hen onderscheidt die de waarheid hebben gezegd, en voorzeker de leugenaars onderscheidt.
فَلَيَعْلَمَنَّ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ صَدَقُوا۟ وَلَيَعْلَمَنَّ ٱلْكَٰذِبِينَ
Of denken zij die het kwaad plegen dat zij Ons zullen voorbijstreven?
أَمْ حَسِبَ ٱلَّذِينَ يَعْمَلُونَ ٱلسَّيِّـَٔاتِ أَن يَسْبِقُونَا
Hoe slecht is hun oordeel!
سَآءَ مَا يَحْكُمُونَ
Wie de ontmoeting met God hoopt – voorzeker zal de door God vastgelegde termijn komen;
مَن كَانَ يَرْجُوا۟ لِقَآءَ ٱللَّهِ فَإِنَّ أَجَلَ ٱللَّهِ لَءَاتٍۢ
en Hij is de Alhorende, de Alwetende.
وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ
En wie strijd voert, voert slechts strijd voor zichzelf,
وَمَن جَٰهَدَ فَإِنَّمَا يُجَٰهِدُ لِنَفْسِهِۦٓ
want voorzeker is God Rijk, en Hij heeft alle wezens niet nodig.
إِنَّ ٱللَّهَ لَغَنِىٌّ عَنِ ٱلْعَٰلَمِينَ
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, hun slechte daden zullen Wij voorzeker bedekken, en Wij zullen hen voorzeker vergelden naar het schoonste van wat zij deden.
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ لَنُكَفِّرَنَّ عَنْهُمْ سَيِّـَٔاتِهِمْ وَلَنَجْزِيَنَّهُمْ أَحْسَنَ ٱلَّذِى كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ
En Wij hebben de mens een schoon gedrag jegens zijn beide ouders aanbevolen;
وَوَصَّيْنَا ٱلْإِنسَٰنَ بِوَٰلِدَيْهِ حُسْنًۭا
maar als zij strijd tegen je voeren opdat jij datgene met Mij associeert waarvan jij geen enkel weten hebt, voeg je dan niet naar hen;
وَإِن جَٰهَدَاكَ لِتُشْرِكَ بِى مَا لَيْسَ لَكَ بِهِۦ عِلْمٌۭ فَلَا تُطِعْهُمَآ
tot Mij zal jullie terugkeer zijn, en Ik zal jullie dan berichten over wat jullie deden.
إِلَىَّ مَرْجِعُكُمْ فَأُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Wij zullen hen voorzeker doen binnentreden onder hen die deugdelijk zijn.
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ لَنُدْخِلَنَّهُمْ فِى ٱلصَّٰلِحِينَ
En onder de mensen zijn er die zeggen: “Wij geloven in God”; maar zodra zij lastiggevallen worden omwille van God, stellen zij de beproeving die de mensen opleggen gelijk aan de pijn van God.
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَقُولُ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ فَإِذَآ أُوذِىَ فِى ٱللَّهِ جَعَلَ فِتْنَةَ ٱلنَّاسِ كَعَذَابِ ٱللَّهِ
En als er hulp komt van je Voogd, zullen zij voorzeker zeggen: “Wij waren gewis met jullie.”
وَلَئِن جَآءَ نَصْرٌۭ مِّن رَّبِّكَ لَيَقُولُنَّ إِنَّا كُنَّا مَعَكُمْ
Weet God niet het best wat in de borsten van alle wezens is?
أَوَلَيْسَ ٱللَّهُ بِأَعْلَمَ بِمَا فِى صُدُورِ ٱلْعَٰلَمِينَ
En God zal voorzeker hen onderscheiden die geloofd hebben, en voorzeker de huichelaars onderscheiden.
وَلَيَعْلَمَنَّ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَلَيَعْلَمَنَّ ٱلْمُنَٰفِقِينَ
En zij die verloochenen zeiden tot hen die geloofd hebben: “Volg onze weg, en wij zullen jullie fouten dragen” –
وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱتَّبِعُوا۟ سَبِيلَنَا وَلْنَحْمِلْ خَطَٰيَٰكُمْ
terwijl zij niets van de fouten van dezen zullen dragen;
وَمَا هُم بِحَٰمِلِينَ مِنْ خَطَٰيَٰهُم مِّن شَىْءٍ
zij zijn voorzeker leugenaars.
إِنَّهُمْ لَكَٰذِبُونَ
En zij zullen voorzeker hun eigen lasten dragen, en lasten bovenop hun lasten;
وَلَيَحْمِلُنَّ أَثْقَالَهُمْ وَأَثْقَالًۭا مَّعَ أَثْقَالِهِمْ
en zij zullen voorzeker ondervraagd worden, op de Dag van het Verschijnen, over wat zij verzonnen.
وَلَيُسْـَٔلُنَّ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ عَمَّا كَانُوا۟ يَفْتَرُونَ
Wij hebben gewis Noeh tot zijn volk gezonden, en hij bracht onder hen duizend jaar door, min vijftig jaren van de gebruikelijke tijdrekening, daarna greep de overstroming hen terwijl zij onrechtvaardig waren.
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِۦ فَلَبِثَ فِيهِمْ أَلْفَ سَنَةٍ إِلَّا خَمْسِينَ عَامًۭا فَأَخَذَهُمُ ٱلطُّوفَانُ وَهُمْ ظَٰلِمُونَ
Wij redden hem, en de metgezellen van het schip,
فَأَنجَيْنَٰهُ وَأَصْحَٰبَ ٱلسَّفِينَةِ
en Wij maakten ervan een teken voor alle wezens.
وَجَعَلْنَٰهَآ ءَايَةًۭ لِّلْعَٰلَمِينَ
En Ibrahim, toen hij tot zijn volk zei: “Gehoorzaam God en behoed jullie voor Hem;
وَإِبْرَٰهِيمَ إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ وَٱتَّقُوهُ
dat is beter voor jullie, als jullie wisten.
ذَٰلِكُمْ خَيْرٌۭ لَّكُمْ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ
Jullie gehoorzamen, buiten God, slechts schijnbeelden, en jullie scheppen een vermomming;
إِنَّمَا تَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ أَوْثَٰنًۭا وَتَخْلُقُونَ إِفْكًا
zij die jullie buiten God gehoorzamen bezitten voor jullie gewis geen enkele leeftocht –
إِنَّ ٱلَّذِينَ تَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ لَا يَمْلِكُونَ لَكُمْ رِزْقًۭا
zoek dus bij God de leeftocht,
فَٱبْتَغُوا۟ عِندَ ٱللَّهِ ٱلرِّزْقَ
gehoorzaam Hem,
وَٱعْبُدُوهُ
en wees Hem dankbaar;
وَٱشْكُرُوا۟ لَهُۥٓ
tot Hem zullen jullie teruggebracht worden.
إِلَيْهِ تُرْجَعُونَ
En als jullie ontkennen, hebben gemeenschappen vóór jullie al ontkend;
وَإِن تُكَذِّبُوا۟ فَقَدْ كَذَّبَ أُمَمٌۭ مِّن قَبْلِكُمْ
en aan de gezant rust slechts de uitdrukkelijke overdracht.”
وَمَا عَلَى ٱلرَّسُولِ إِلَّا ٱلْبَلَٰغُ ٱلْمُبِينُ
Zien zij niet hoe God de schepping begint,
أَوَلَمْ يَرَوْا۟ كَيْفَ يُبْدِئُ ٱللَّهُ ٱلْخَلْقَ
haar dan opnieuw maakt?
ثُمَّ يُعِيدُهُۥٓ
Gewis is dit gemakkelijk voor God.
إِنَّ ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٌۭ
Zeg: “Doorkruis de aarde en kijk hoe Hij de schepping begonnen heeft;
قُلْ سِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ فَٱنظُرُوا۟ كَيْفَ بَدَأَ ٱلْخَلْقَ
daarna zal God de ultieme genese doen ontstaan;
ثُمَّ ٱللَّهُ يُنشِئُ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْءَاخِرَةَ
want God is tot alles in staat.”
إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ قَدِيرٌۭ
Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt en bewijst welwillendheid aan wie het Hem behaagt;
يُعَذِّبُ مَن يَشَآءُ وَيَرْحَمُ مَن يَشَآءُ
en tot Hem zullen jullie teruggeleid worden.
وَإِلَيْهِ تُقْلَبُونَ
Jullie kunnen Hem niet tot onmacht brengen, noch op de aarde noch in de hemel;
وَمَآ أَنتُم بِمُعْجِزِينَ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا فِى ٱلسَّمَآءِ
en jullie hebben, buiten God, noch beschermer noch hulp.
وَمَا لَكُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ مِن وَلِىٍّۢ وَلَا نَصِيرٍۢ
En zij die de tekenen van God en Zijn ontmoeting verloochenen, dezen hebben de hoop verloren op Mijn welwillendheid,
وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ وَلِقَآئِهِۦٓ أُو۟لَٰٓئِكَ يَئِسُوا۟ مِن رَّحْمَتِى
en dezen zullen een schrijnende pijn hebben.
وَأُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌۭ
Het enige antwoord van zijn volk was te zeggen: “Dood hem, of verbrand hem!”
فَمَا كَانَ جَوَابَ قَوْمِهِۦٓ إِلَّآ أَن قَالُوا۟ ٱقْتُلُوهُ أَوْ حَرِّقُوهُ
Maar God redde hem uit het vuur;
فَأَنجَىٰهُ ٱللَّهُ مِنَ ٱلنَّارِ
daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat gelooft.
إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَءَايَٰتٍۢ لِّقَوْمٍۢ يُؤْمِنُونَ
En hij zei: “Jullie hebben schijnbeelden buiten God slechts aangenomen uit wederzijdse genegenheid onder jullie in het leven hienieden;
وَقَالَ إِنَّمَا ٱتَّخَذْتُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ أَوْثَٰنًۭا مَّوَدَّةَ بَيْنِكُمْ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا
daarna, op de Dag van het Verschijnen, zullen jullie elkaar verloochenen en elkaar vervloeken,
ثُمَّ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ يَكْفُرُ بَعْضُكُم بِبَعْضٍۢ وَيَلْعَنُ بَعْضُكُم بَعْضًۭا
en jullie toevlucht is het Vuur, en jullie zullen geen enkele hulp hebben.”
وَمَأْوَىٰكُمُ ٱلنَّارُ وَمَا لَكُم مِّن نَّٰصِرِينَ
Loet kende hem krediet toe,
فَـَٔامَنَ لَهُۥ لُوطٌۭ
en hij zei: “Ik emigreer naar mijn Voogd;
وَقَالَ إِنِّى مُهَاجِرٌ إِلَىٰ رَبِّىٓ
want Hij is het, de Almachtige, de Wijze.”
إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ
En Wij schonken hem Ishaq en Ja'qoeb,
وَوَهَبْنَا لَهُۥٓ إِسْحَٰقَ وَيَعْقُوبَ
en Wij plaatsten in zijn nageslacht de functie van berichtgeving en de Schrift;
وَجَعَلْنَا فِى ذُرِّيَّتِهِ ٱلنُّبُوَّةَ وَٱلْكِتَٰبَ
en Wij gaven hem zijn beloning hienieden,
وَءَاتَيْنَٰهُ أَجْرَهُۥ فِى ٱلدُّنْيَا
en in het laatste leven zal hij voorzeker behoren tot hen die deugdelijk zijn.
وَإِنَّهُۥ فِى ٱلْءَاخِرَةِ لَمِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ
En Loet, toen hij tot zijn volk zei: “Jullie plegen voorzeker de schanddaad, waarin niemand, onder alle wezens, jullie is voorgegaan; komen jullie waarlijk tot de mannen, onderbreken jullie de route, en plegen jullie, in jullie kringen, wat afgekeurd is?”
وَلُوطًا إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦٓ إِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ ٱلْفَٰحِشَةَ مَا سَبَقَكُم بِهَا مِنْ أَحَدٍۢ مِّنَ ٱلْعَٰلَمِينَ أَئِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ ٱلرِّجَالَ وَتَقْطَعُونَ ٱلسَّبِيلَ وَتَأْتُونَ فِى نَادِيكُمُ ٱلْمُنكَرَ
Het enige antwoord van zijn volk was te zeggen: “Breng ons de pijn van God, als jij tot de waarachtigen behoort!”
فَمَا كَانَ جَوَابَ قَوْمِهِۦٓ إِلَّآ أَن قَالُوا۟ ٱئْتِنَا بِعَذَابِ ٱللَّهِ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ
Hij zei: “Mijn Voogd, help mij tegen het volk van de bedervers.”
قَالَ رَبِّ ٱنصُرْنِى عَلَى ٱلْقَوْمِ ٱلْمُفْسِدِينَ
Toen Onze gezanten bij Ibrahim kwamen met het goede nieuws, zeiden zij: “Wij zullen de lieden van deze stad gewis vernietigen; haar lieden zijn onrechtvaardig.”
وَلَمَّا جَآءَتْ رُسُلُنَآ إِبْرَٰهِيمَ بِٱلْبُشْرَىٰ قَالُوٓا۟ إِنَّا مُهْلِكُوٓا۟ أَهْلِ هَٰذِهِ ٱلْقَرْيَةِ إِنَّ أَهْلَهَا كَانُوا۟ ظَٰلِمِينَ
Hij zei: “Loet bevindt zich daar gewis.”
قَالَ إِنَّ فِيهَا لُوطًۭا
Zij zeiden: “Wij weten het best wie zich daar bevindt;
قَالُوا۟ نَحْنُ أَعْلَمُ بِمَن فِيهَا
wij zullen hem voorzeker redden, hem en de zijnen, behalve zijn vrouw, die zal behoren tot hen die talmen.”
لَنُنَجِّيَنَّهُۥ وَأَهْلَهُۥٓ إِلَّا ٱمْرَأَتَهُۥ كَانَتْ مِنَ ٱلْغَٰبِرِينَ
Toen Onze gezanten bij Loet kwamen, mishaagde hem hun komst en voelde hij zich radeloos om hen;
وَلَمَّآ أَن جَآءَتْ رُسُلُنَا لُوطًۭا سِىٓءَ بِهِمْ وَضَاقَ بِهِمْ ذَرْعًۭا
en zij zeiden: “Vrees niet en bedroef je niet, want wij zullen jou redden, jou en de jouwen, behalve jouw vrouw, die zal behoren tot hen die talmen.
وَقَالُوا۟ لَا تَخَفْ وَلَا تَحْزَنْ إِنَّا مُنَجُّوكَ وَأَهْلَكَ إِلَّا ٱمْرَأَتَكَ كَانَتْ مِنَ ٱلْغَٰبِرِينَ
Wij zullen op de lieden van deze stad gewis een bezoedeling uit de hemel doen neerdalen, omdat zij de grenzen hebben overschreden.”
إِنَّا مُنزِلُونَ عَلَىٰٓ أَهْلِ هَٰذِهِ ٱلْقَرْيَةِ رِجْزًۭا مِّنَ ٱلسَّمَآءِ بِمَا كَانُوا۟ يَفْسُقُونَ
Wij hebben daarvan gewis een duidelijk teken nagelaten, voor een volk dat redeneert.
وَلَقَد تَّرَكْنَا مِنْهَآ ءَايَةًۢ بَيِّنَةًۭ لِّقَوْمٍۢ يَعْقِلُونَ
En naar Madjan, hun broer Sjoe'aib; hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God, hoop op de Laatste Dag, en zaai geen wanorde op de aarde als bedervers.”
وَإِلَىٰ مَدْيَنَ أَخَاهُمْ شُعَيْبًۭا فَقَالَ يَٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ وَٱرْجُوا۟ ٱلْيَوْمَ ٱلْءَاخِرَ وَلَا تَعْثَوْا۟ فِى ٱلْأَرْضِ مُفْسِدِينَ
Zij ontkenden hem; toen greep de schok hen, en zij bevonden zich, in hun woning, liggend, levenloos.
فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَتْهُمُ ٱلرَّجْفَةُ فَأَصْبَحُوا۟ فِى دَارِهِمْ جَٰثِمِينَ
En de Aad en de Thamoed – het is jullie duidelijk geworden door hun woningen; de Afleider had hun werken verfraaid, en had zo hun de weg versperd, terwijl zij toch helder zicht hadden.
وَعَادًۭا وَثَمُودَا۟ وَقَد تَّبَيَّنَ لَكُم مِّن مَّسَٰكِنِهِمْ وَزَيَّنَ لَهُمُ ٱلشَّيْطَٰنُ أَعْمَٰلَهُمْ فَصَدَّهُمْ عَنِ ٱلسَّبِيلِ وَكَانُوا۟ مُسْتَبْصِرِينَ
En Qaroen, Fir'aun en Haman –
وَقَٰرُونَ وَفِرْعَوْنَ وَهَٰمَٰنَ
Moesa was toch bij hen gekomen met de duidelijke bewijzen, maar zij zwollen op van hoogmoed op de aarde, zonder Ons te kunnen voorbijstreven.
وَلَقَدْ جَآءَهُم مُّوسَىٰ بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَٱسْتَكْبَرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا كَانُوا۟ سَٰبِقِينَ
Ieder van hen hebben Wij gegrepen voor zijn vergrijp;
فَكُلًّا أَخَذْنَا بِذَنۢبِهِۦ
op sommigen van hen hebben Wij een vlaag van keien gezonden,
فَمِنْهُم مَّنْ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِ حَاصِبًۭا
anderen heeft de Schreeuw gegrepen,
وَمِنْهُم مَّنْ أَخَذَتْهُ ٱلصَّيْحَةُ
anderen hebben Wij door de aarde laten verzwelgen,
وَمِنْهُم مَّنْ خَسَفْنَا بِهِ ٱلْأَرْضَ
weer anderen hebben Wij laten verdrinken.
وَمِنْهُم مَّنْ أَغْرَقْنَا
God zou hun geen onrecht doen;
وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيَظْلِمَهُمْ
maar aan zichzelf deden zij onrecht.
وَلَٰكِن كَانُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ
Het voorbeeld van hen die buiten God bondgenoten nemen, is dat van de spin die een huis voor zichzelf neemt;
مَثَلُ ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُوا۟ مِن دُونِ ٱللَّهِ أَوْلِيَآءَ كَمَثَلِ ٱلْعَنكَبُوتِ ٱتَّخَذَتْ بَيْتًۭا
en het meest broze van de huizen is voorzeker het huis van de spin – als zij het maar wisten.
وَإِنَّ أَوْهَنَ ٱلْبُيُوتِ لَبَيْتُ ٱلْعَنكَبُوتِ لَوْ كَانُوا۟ يَعْلَمُونَ
God weet gewis alles wat zij buiten Hem aanroepen;
إِنَّ ٱللَّهَ يَعْلَمُ مَا يَدْعُونَ مِن دُونِهِۦ مِن شَىْءٍۢ
en Hij is de Almachtige, de Wijze.
وَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ
En die voorbeelden, Wij vermenigvuldigen ze voor de mensen,
وَتِلْكَ ٱلْأَمْثَٰلُ نَضْرِبُهَا لِلنَّاسِ
maar alleen de geleerden passen er hun rede op toe.
وَمَا يَعْقِلُهَآ إِلَّا ٱلْعَٰلِمُونَ
God heeft de hemelen en de aarde geschapen in alle waarheid;
خَلَقَ ٱللَّهُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ بِٱلْحَقِّ
daarin is voorzeker een teken voor de gelovenden.
إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَءَايَةًۭ لِّلْمُؤْمِنِينَ
Draag voor wat jou van de Schrift geopenbaard is, en onderhoud het Contact;
ٱتْلُ مَآ أُوحِىَ إِلَيْكَ مِنَ ٱلْكِتَٰبِ وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ
want het Contact verbiedt de schanddaad en wat afgekeurd is;
إِنَّ ٱلصَّلَوٰةَ تَنْهَىٰ عَنِ ٱلْفَحْشَآءِ وَٱلْمُنكَرِ
en de herinnering aan God is nog groter;
وَلَذِكْرُ ٱللَّهِ أَكْبَرُ
God weet wat jullie doen.
وَٱللَّهُ يَعْلَمُ مَا تَصْنَعُونَ
En debatteer met de lieden van de Schrift slechts op de schoonste wijze,
وَلَا تُجَٰدِلُوٓا۟ أَهْلَ ٱلْكِتَٰبِ إِلَّا بِٱلَّتِى هِىَ أَحْسَنُ
behalve met hen onder hen die onrecht begaan;
إِلَّا ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ مِنْهُمْ
en zeg: “Wij geloven in wat voor ons neergedaald is en in wat voor jullie neergedaald is; onze godheid en jullie godheid is één, en wij zijn integer tegenover Hem.”
وَقُولُوٓا۟ ءَامَنَّا بِٱلَّذِىٓ أُنزِلَ إِلَيْنَا وَأُنزِلَ إِلَيْكُمْ وَإِلَٰهُنَا وَإِلَٰهُكُمْ وَٰحِدٌۭ وَنَحْنُ لَهُۥ مُسْلِمُونَ
Zo hebben Wij jou de Schrift doen neerdalen;
وَكَذَٰلِكَ أَنزَلْنَآ إِلَيْكَ ٱلْكِتَٰبَ
zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben, geloven erin, en onder dezen hier geloven sommigen er ook in;
فَٱلَّذِينَ ءَاتَيْنَٰهُمُ ٱلْكِتَٰبَ يُؤْمِنُونَ بِهِۦ وَمِنْ هَٰٓؤُلَآءِ مَن يُؤْمِنُ بِهِۦ
alleen zij die verloochenen betwisten Onze tekenen hardnekkig.
وَمَا يَجْحَدُ بِـَٔايَٰتِنَآ إِلَّا ٱلْكَٰفِرُونَ
Jij droeg vóór haar geen enkel geschrift voor, en jij tekende er geen op met je rechterhand;
وَمَا كُنتَ تَتْلُوا۟ مِن قَبْلِهِۦ مِن كِتَٰبٍۢ وَلَا تَخُطُّهُۥ بِيَمِينِكَ
anders zouden de ambachtslieden van het valse twijfels hebben gehad.
إِذًۭا لَّٱرْتَابَ ٱلْمُبْطِلُونَ
Het zijn veeleer duidelijke tekenen, in de borsten van hen aan wie het weten gegeven is;
بَلْ هُوَ ءَايَٰتٌۢ بَيِّنَٰتٌۭ فِى صُدُورِ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْعِلْمَ
alleen de onrechtvaardigen betwisten Onze tekenen hardnekkig.
وَمَا يَجْحَدُ بِـَٔايَٰتِنَآ إِلَّا ٱلظَّٰلِمُونَ
En zij zeiden: “Waarom heeft men hem geen tekenen van zijn Voogd doen neerdalen!”
وَقَالُوا۟ لَوْلَآ أُنزِلَ عَلَيْهِ ءَايَٰتٌۭ مِّن رَّبِّهِۦ
Zeg: “De tekenen zijn slechts bij God; en ik ben slechts een uitdrukkelijke waarschuwer.”
قُلْ إِنَّمَا ٱلْءَايَٰتُ عِندَ ٱللَّهِ وَإِنَّمَآ أَنَا۠ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌ
Is het hun niet genoeg dat Wij de Schrift op jou hebben doen neerdalen, die hun wordt voorgedragen?
أَوَلَمْ يَكْفِهِمْ أَنَّآ أَنزَلْنَا عَلَيْكَ ٱلْكِتَٰبَ يُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ
Daarin is voorzeker een welwillendheid en een herinnering voor een volk dat gelooft.
إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَرَحْمَةًۭ وَذِكْرَىٰ لِقَوْمٍۢ يُؤْمِنُونَ
Zeg: “God volstaat als getuige tussen mij en jullie;
قُلْ كَفَىٰ بِٱللَّهِ بَيْنِى وَبَيْنَكُمْ شَهِيدًۭا
Hij weet wat in de hemelen en op de aarde is;
يَعْلَمُ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ
en zij die in het valse geloven en God verloochenen, dezen zijn de verliezers.”
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ بِٱلْبَٰطِلِ وَكَفَرُوا۟ بِٱللَّهِ أُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْخَٰسِرُونَ
En zij vragen jou de pijn te verhaasten;
وَيَسْتَعْجِلُونَكَ بِٱلْعَذَابِ
en zonder een genoemde termijn zou de pijn hun al gekomen zijn – zij zal hun voorzeker onverhoeds komen, zonder dat zij haar voelen.
وَلَوْلَآ أَجَلٌۭ مُّسَمًّۭى لَّجَآءَهُمُ ٱلْعَذَابُ وَلَيَأْتِيَنَّهُم بَغْتَةًۭ وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ
Zij vragen jou de pijn te verhaasten,
يَسْتَعْجِلُونَكَ بِٱلْعَذَابِ
en Djahannam omsingelt voorzeker hen die verloochenen.
وَإِنَّ جَهَنَّمَ لَمُحِيطَةٌۢ بِٱلْكَٰفِرِينَ
De dag waarop de pijn hen zal overspoelen van boven hen en onder hun voeten, en waarop Wij zullen zeggen: “Proef wat jullie deden.”
يَوْمَ يَغْشَىٰهُمُ ٱلْعَذَابُ مِن فَوْقِهِمْ وَمِن تَحْتِ أَرْجُلِهِمْ وَيَقُولُ ذُوقُوا۟ مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ
“O Mijn gehoorzamen die geloofd hebben, Mijn aarde is wijd; aan Mij moeten jullie dus gehoorzamen.”
يَٰعِبَادِىَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِنَّ أَرْضِى وَٰسِعَةٌۭ فَإِيَّٰىَ فَٱعْبُدُونِ
Ieder Zelf zal de dood proeven,
كُلُّ نَفْسٍۢ ذَآئِقَةُ ٱلْمَوْتِ
vervolgens zullen jullie tot Ons teruggebracht worden.
ثُمَّ إِلَيْنَا تُرْجَعُونَ
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Wij zullen hen voorzeker onderbrengen in hoge kamers van de Tuin, waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven;
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ لَنُبَوِّئَنَّهُم مِّنَ ٱلْجَنَّةِ غُرَفًۭا تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا
wat een uitstekende beloning voor hen die werken,
نِعْمَ أَجْرُ ٱلْعَٰمِلِينَ
zij die geduldig zijn geweest en die lastgeving aan hun Voogd verlenen.
ٱلَّذِينَ صَبَرُوا۟ وَعَلَىٰ رَبِّهِمْ يَتَوَكَّلُونَ
Hoeveel wezens die zich bewegen dragen hun eigen leeftocht niet! God is het die hen voorziet, en jullie met hen;
وَكَأَيِّن مِّن دَآبَّةٍۢ لَّا تَحْمِلُ رِزْقَهَا ٱللَّهُ يَرْزُقُهَا وَإِيَّاكُمْ
en Hij is de Alhorende, de Alwetende.
وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ
En als jij hun vraagt wie de hemelen en de aarde geschapen heeft en de zon en de maan heeft onderworpen, zullen zij voorzeker zeggen: “God”;
وَلَئِن سَأَلْتَهُم مَّنْ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ وَسَخَّرَ ٱلشَّمْسَ وَٱلْقَمَرَ لَيَقُولُنَّ ٱللَّهُ
hoe worden zij dan van het spoor gebracht?
فَأَنَّىٰ يُؤْفَكُونَ
God verruimt de leeftocht voor wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen, en meet haar hem toe;
ٱللَّهُ يَبْسُطُ ٱلرِّزْقَ لِمَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ وَيَقْدِرُ لَهُۥٓ
want God is Alwetend over alles.
إِنَّ ٱللَّهَ بِكُلِّ شَىْءٍ عَلِيمٌۭ
En als jij hun vraagt wie uit de hemel een water doet neerdalen en de aarde er weer leven door geeft na haar dood, zullen zij voorzeker zeggen: “God”;
وَلَئِن سَأَلْتَهُم مَّن نَّزَّلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءًۭ فَأَحْيَا بِهِ ٱلْأَرْضَ مِنۢ بَعْدِ مَوْتِهَا لَيَقُولُنَّ ٱللَّهُ
zeg: “Lof zij God!”
قُلِ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ
Maar de meesten van hen redeneren niet.
بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْقِلُونَ
Dit leven hienieden is slechts verstrooiing en spel;
وَمَا هَٰذِهِ ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَآ إِلَّا لَهْوٌۭ وَلَعِبٌۭ
en het laatste verblijf, dat is voorzeker het ware leven – als zij het maar wisten.
وَإِنَّ ٱلدَّارَ ٱلْءَاخِرَةَ لَهِىَ ٱلْحَيَوَانُ لَوْ كَانُوا۟ يَعْلَمُونَ
Wanneer zij in het vaartuig stappen, roepen zij God aan, Hem uitsluitend de Wet toewijdend;
فَإِذَا رَكِبُوا۟ فِى ٱلْفُلْكِ دَعَوُا۟ ٱللَّهَ مُخْلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ
maar wanneer Hij hen redt naar het vaste land, zie, dan associëren zij, om te verloochenen wat Wij hun gegeven hebben,
فَلَمَّا نَجَّىٰهُمْ إِلَى ٱلْبَرِّ إِذَا هُمْ يُشْرِكُونَ لِيَكْفُرُوا۟ بِمَآ ءَاتَيْنَٰهُمْ
dat zij dus genieten: zij zullen het weldra weten.
وَلِيَتَمَتَّعُوا۟ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ
Zien zij niet dat Wij een onschendbare en veilige plaats hebben geplaatst, terwijl rondom hen de mensen worden weggerukt?
أَوَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّا جَعَلْنَا حَرَمًا ءَامِنًۭا وَيُتَخَطَّفُ ٱلنَّاسُ مِنْ حَوْلِهِمْ
Geloven zij dan in het valse, en verloochenen zij de weldaad van God?
أَفَبِٱلْبَٰطِلِ يُؤْمِنُونَ وَبِنِعْمَةِ ٱللَّهِ يَكْفُرُونَ
En wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God, of de waarheid ontkent zodra zij hem gekomen is?
وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ ٱفْتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا أَوْ كَذَّبَ بِٱلْحَقِّ لَمَّا جَآءَهُۥٓ
Is er niet, in Djahannam, een onderkomen voor hen die verloochenen?
أَلَيْسَ فِى جَهَنَّمَ مَثْوًۭى لِّلْكَٰفِرِينَ
En zij die voor Ons gestreden hebben, Wij zullen hen voorzeker leiden op Onze wegen;
وَٱلَّذِينَ جَٰهَدُوا۟ فِينَا لَنَهْدِيَنَّهُمْ سُبُلَنَا
en God is voorzeker met hen die het goede doen.
وَإِنَّ ٱللَّهَ لَمَعَ ٱلْمُحْسِنِينَ