لقمان
Luqman
Luqman
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Mim.
بِسۡمِ اِ۬للَّهِ اِ۬لرَّحۡمَٰنِ اِ۬لرَّحِيمِ الٓمٓۚ
Dit zijn de tekenen van de Schrift vol wijsheid, leiding en welwillendheid voor hen die het goede doen, hen die het Contact onderhouden en de zuivere vrijgevigheid geven, en die, wat het laatste leven betreft, er zekerheid over hebben.
تِلۡكَ ءَايَٰتُ اُ۬لۡكِتَٰبِ اِ۬لۡحَكِيمِ هُدٗى وَرَحۡمَةٗ لِّلۡمُحۡسِنِينَ اَ۬لَّذِينَ يُقِيمُونَ اَ۬لصَّلَوٰةَ وَيُؤۡتُونَ اَ۬لزَّكَوٰةَ وَهُم بِالۡأٓخِرَةِ هُمۡ يُوقِنُونَ
Dezen zijn op een leiding afkomstig van hun Voogd,
أُوْلَٰٓئِكَ عَلَىٰ هُدٗى مِّن رَّبِّهِمۡۖ
en dat zijn zij die slagen.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لۡمُفۡلِحُونَ
En onder de mensen zijn er die de verstrooiende rede kopen, om zonder te weten van de weg van God te doen dwalen, en die haar tot voorwerp van hoon nemen;
وَمِنَ اَ۬لنّ۪اسِ مَن يَشۡتَرِي لَهۡوَ اَ۬لۡحَدِيثِ لِيَضِلَّ عَن سَبِيلِ اِ۬للَّهِ بِغَيۡرِ عِلۡمٖ وَيَتَّخِذُهَا هُزُؤًاۚ
dezen zullen een verlagende pijn hebben.
أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ عَذَابٞ مُّهِينٞ
En wanneer Onze tekenen hem worden voorgedragen, keert hij de rug toe, zich opblazend van hoogmoed, alsof hij ze niet had gehoord, alsof er in zijn oren een doofheid was:
وَإِذَا تُتۡلَىٰ عَلَيۡهِ ءَايَٰتُنَا وَلَّىٰ مُسۡتَكۡبِرٗا كَأَن لَّمۡ يَسۡمَعۡهَا كَأَنَّ فِيٓ أُذُنَيۡهِ وَقۡرٗاۖ
kondig hem dus een schrijnende pijn aan.
فَبَشِّرۡهُ بِعَذَابٍ أَلِيمٍ
Zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, hebben gewis de tuinen van de weldaad, daarin eeuwig blijvend –
إِنَّ اَ۬لَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ اُ۬لصَّٰلِحَٰتِ لَهُمۡ جَنَّٰتُ اُ۬لنَّعِيمِ خَٰلِدِينَ فِيهَاۖ
belofte van God, in alle waarheid;
وَعۡدَ اَ۬للَّهِ حَقّٗاۚ
en Hij is de Almachtige, de Wijze.
وَهۡوَ اَ۬لۡعَزِيزُ اُ۬لۡحَكِيمُ
Hij heeft de hemelen geschapen zonder pijlers
خَلَقَ اَ۬لسَّمَٰوَٰتِ بِغَيۡرِ عَمَدٖ
die jullie kunnen zien;
تَرَوۡنَهَاۖ
en Hij heeft op de aarde vaste verankeringen geworpen, opdat zij niet met jullie wankelt, en Hij heeft daarop allerlei wezens die zich bewegen verspreid;
وَأَلۡقَىٰ فِي اِ۬لۡأَرۡضِ رَوَٰسِيَ أَن تَمِيدَ بِكُمۡ وَبَثَّ فِيهَا مِن كُلِّ دَآبَّةٖۚ
en Wij hebben uit de hemel een water doen neerdalen, en hebben daarin allerlei edele paren laten groeien.
وَأَنزَلۡنَا مِنَ اَ۬لسَّمَآءِ مَآءٗ فَأَنۢبَتۡنَا فِيهَا مِن كُلِّ زَوۡجٖ كَرِيمٍ
Dit is de schepping van God:
هَٰذَا خَلۡقُ اُ۬للَّهِ
toon Mij dus wat zij geschapen hebben die buiten Hem zijn.
فَأَرُونِي مَاذَا خَلَقَ اَ۬لَّذِينَ مِن دُونِهِۦۚ
De onrechtvaardigen bevinden zich veeleer in een klaarblijkelijke dwaling.
بَلِ اِ۬لظَّٰلِمُونَ فِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٖ
En Wij hebben gewis aan Loeqman de wijsheid gegeven: “Wees dankbaar jegens God”;
۞ وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا لُقۡمَٰنَ اَ۬لۡحِكۡمَةَ أَنِ اِ۟شۡكُر لِّلَّهِۚ
en wie dankbaar is, is dat slechts voor zichzelf,
وَمَن يَشۡكُرۡ فَإِنَّمَا يَشۡكُرُ لِنَفۡسِهِۦۖ
en wie verloochent – God is gewis Rijk, Lofwaardig.
وَمَن كَفَرَ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ غَنِيٌّ حَمِيدٞ
En toen Loeqman tot zijn zoon zei, terwijl hij hem vermaande: “O mijn kleine, geef God geen geassocieerde;
وَإِذۡ قَالَ لُقۡمَٰنُ لِاِبۡنِهِۦ وَهۡوَ يَعِظُهُۥ يَٰبُنَيِّ لَا تُشۡرِكۡ بِاللَّهِۖ
de associatie is voorzeker een ontzaglijk onrecht.”
إِنَّ اَ۬لشِّرۡكَ لَظُلۡمٌ عَظِيمٞ
En Wij hebben de mens zijn beide ouders aanbevolen –
وَوَصَّيۡنَا اَ۬لۡإِنسَٰنَ بِوَٰلِدَيۡهِ
zijn moeder heeft hem gedragen, broosheid op broosheid,
حَمَلَتۡهُ أُمُّهُۥ وَهۡنًا عَلَىٰ وَهۡنٖ
en zijn spening is voltooid in de twee jaren die volgen –:
وَفِصَٰلُهُۥ فِي عَامَيۡنِ
“Wees dankbaar jegens Mij en jegens je beide ouders;
أَنِ اِ۟شۡكُر لِّي وَلِوَٰلِدَيۡكَ
tot Mij is de bestemming.”
إِلَيَّ اَ۬لۡمَصِيرُ
En als zij strijd tegen je voeren opdat jij datgene met Mij associeert waarvan jij geen enkel weten hebt, voeg je dan niet naar hen;
وَإِن جَٰهَدَاكَ عَلَىٰٓ أَن تُشۡرِكَ بِي مَا لَيۡسَ لَكَ بِهِۦ عِلۡمٞ فَلَا تُطِعۡهُمَاۖ
maar vergezel hen in het nabije leven op een naar gebruik erkende manier,
وَصَاحِبۡهُمَا فِي اِ۬لدُّنۡيۭا مَعۡرُوفٗاۖ
en volg de weg van wie een beroep op Mij doet;
وَاَتَّبِعۡ سَبِيلَ مَنۡ أَنَابَ إِلَيَّۚ
vervolgens is het tot Mij dat jullie terugkeer zal zijn, en Ik zal jullie dan berichten over wat jullie deden.
ثُمَّ إِلَيَّ مَرۡجِعُكُمۡ فَأُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ
“O mijn kleine, al zou het het gewicht van een mosterdkorrel hebben, en zou het zich in een rots bevinden, of in de hemelen, of op de aarde, God zou het brengen,
يَٰبُنَيِّ إِنَّهَآ إِن تَكُ مِثۡقَالَ حَبَّةٖ مِّنۡ خَرۡدَلٖ فَتَكُن فِي صَخۡرَةٍ أَوۡ فِي اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ أَوۡ فِي اِ۬لۡأَرۡضِ يَأۡتِ بِهَا اَ۬للَّهُۚ
want God is Subtiel, Intiem Kenner.
إِنَّ اَ۬للَّهَ لَطِيفٌ خَبِيرٞ
O mijn kleine, onderhoud het Contact,
يَٰبُنَيِّ أَقِمِ اِ۬لصَّلَوٰةَ
en beveel het naar gebruik erkende,
وَأۡمُرۡ بِالۡمَعۡرُوفِ
en verbied het afgekeurde,
وَاَنۡهَ عَنِ اِ۬لۡمُنكَرِ
en wees geduldig bij wat je overkomt,
وَاَصۡبِرۡ عَلَىٰ مَآ أَصَابَكَۖ
want dat behoort tot de zaken die vastberadenheid vereisen.
إِنَّ ذَٰلِكَ مِنۡ عَزۡمِ اِ۬لۡأُمُورِ
En draai je wang niet krom voor de mensen,
وَلَا تُصَٰعِرۡ خَدَّكَ لِلنّ۪اسِ
en loop niet op de aarde pronkend,
وَلَا تَمۡشِ فِي اِ۬لۡأَرۡضِ مَرَحًاۖ
want God houdt van geen enkele arrogante opschepper.
إِنَّ اَ۬للَّهَ لَا يُحِبُّ كُلَّ مُخۡتَالٖ فَخُورٖ
En wees gematigd in je gang,
وَاَقۡصِدۡ فِي مَشۡيِكَ
en temper je stem:
وَاَغۡضُضۡ مِن صَوۡتِكَۚ
want de meest afgekeurde stem is voorzeker die van de ezels.”
إِنَّ أَنكَرَ اَ۬لۡأَصۡوَٰتِ لَصَوۡتُ اُ۬لۡحَمِيرِ
Hebben jullie niet gezien dat God voor jullie heeft onderworpen wat in de hemelen is en wat op de aarde is, en jullie met Zijn weldaden heeft overladen, onbedekte en innerlijke?
أَلَمۡ تَرَوۡاْ أَنَّ اَ۬للَّهَ سَخَّرَ لَكُم مَّا فِي اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي اِ۬لۡأَرۡضِ وَأَسۡبَغَ عَلَيۡكُمۡ نِعَمَهُۥ ظَٰهِرَةٗ وَبَاطِنَةٗۗ
En onder de mensen is er een die over God debatteert zonder weten, noch leiding, noch een lichtgevende Schrift.
وَمِنَ اَ۬لنّ۪اسِ مَن يُجَٰدِلُ فِي اِ۬للَّهِ بِغَيۡرِ عِلۡمٖ وَلَا هُدٗى وَلَا كِتَٰبٖ مُّنِيرٖ
En wanneer men tot hen zegt: “Volg wat God heeft doen neerdalen”,
وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ اُ۪تَّبِعُواْ مَآ أَنزَلَ اَ۬للَّهُ
zeggen zij: “Wij volgen veeleer datgene waarbij wij onze voorouders aantroffen.”
قَالُواْ بَلۡ نَتَّبِعُ مَا وَجَدۡنَا عَلَيۡهِ ءَابَآءَنَآۚ
En zelfs als de Afleider hen riep tot de pijn van de Brand?
أَوَلَوۡ كَانَ اَ۬لشَّيۡطَٰنُ يَدۡعُوهُمۡ إِلَىٰ عَذَابِ اِ۬لسَّعِيرِ
En wie zijn richting tegenover God integer maakt, terwijl hij het goede doet, heeft zich stevig vastgehecht aan het veiligste hengsel;
۞ وَمَن يُسۡلِمۡ وَجۡهَهُۥٓ إِلَى اَ۬للَّهِ وَهۡوَ مُحۡسِنٞ فَقَدِ اِ۪سۡتَمۡسَكَ بِالۡعُرۡوَةِ اِ۬لۡوُثۡقۭيٰۗ
en tot God is de afloop van de zaken.
وَإِلَى اَ۬للَّهِ عَٰقِبَةُ اُ۬لۡأُمُورِ
En wie verloochent, laat zijn verloochening jou niet bedroeven:
وَمَن كَفَرَ فَلَا يَحۡزُنكَ كُفۡرُهُۥٓۚ
tot Ons is hun terugkeer, en Wij zullen hen dan berichten over wat zij deden,
إِلَيۡنَا مَرۡجِعُهُمۡ فَنُنَبِّئُهُم بِمَا عَمِلُوٓاْۚ
want God is Alwetend over de inhoud van de borsten.
إِنَّ اَ۬للَّهَ عَلِيمُۢ بِذَاتِ اِ۬لصُّدُورِ
Wij staan hun een kort genieten toe, vervolgens zullen Wij hen dwingen tot een harde pijn.
نُمَتِّعُهُمۡ قَلِيلٗا ثُمَّ نَضۡطَرُّهُمۡ إِلَىٰ عَذَابٍ غَلِيظٖ
En als jij hun vraagt wie de hemelen en de aarde geschapen heeft, zullen zij voorzeker zeggen: “God”;
وَلَئِن سَأَلۡتَهُم مَّنۡ خَلَقَ اَ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَاَلۡأَرۡضَ لَيَقُولُنَّ اَ۬للَّهُۚ
zeg: “Lof zij God!”
قُلِ اِ۬لۡحَمۡدُ لِلَّهِۚ
Maar de meesten van hen weten het niet.
بَلۡ أَكۡثَرُهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ
Aan God behoort toe wat in de hemelen en op de aarde is;
لِلَّهِ مَا فِي اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَاَلۡأَرۡضِۚ
want God is de Rijke, de Lofwaardige.
إِنَّ اَ۬للَّهَ هُوَ اَ۬لۡغَنِيُّ اُ۬لۡحَمِيدُ
En als alle bomen van de aarde schrijfstiften waren, en de zee, na haar, versterkt werd met zeven zeeën, zouden de woorden van God niet uitgeput raken,
وَلَوۡ أَنَّمَا فِي اِ۬لۡأَرۡضِ مِن شَجَرَةٍ أَقۡلَٰمٞ وَاَلۡبَحۡرَ يَمُدُّهُۥ مِنۢ بَعۡدِهِۦ سَبۡعَةُ أَبۡحُرٖ مَّا نَفِدَتۡ كَلِمَٰتُ اُ۬للَّهِۗ
want God is Almachtig, Wijs.
إِنَّ اَ۬للَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٞ
Jullie schepping en jullie opwekking zijn slechts als één Zelf;
مَّا خَلۡقُكُمۡ وَلَا بَعۡثُكُمۡ إِلَّا كَنَفۡسٖ وَٰحِدَةٍۗ
want God is de Alhorende, de Alziende.
إِنَّ اَ۬للَّهَ سَمِيعُۢ بَصِيرٌ
Heb jij niet gezien dat God de nacht in de dag laat binnendringen, en de dag in de nacht laat binnendringen, en dat Hij de zon en de maan heeft onderworpen, ieder rennend naar een genoemde termijn, en dat God Intiem Kenner is van wat jullie doen?
أَلَمۡ تَرَ أَنَّ اَ۬للَّهَ يُولِجُ اُ۬لَّيۡلَ فِي اِ۬لنَّه۪ارِ وَيُولِجُ اُ۬لنَّهَارَ فِي اِ۬لَّيۡلِ وَسَخَّرَ اَ۬لشَّمۡسَ وَاَلۡقَمَرَۖ كُلّٞ يَجۡرِيٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمّٗى وَأَنَّ اَ۬للَّهَ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٞ
Dat, omdat God de Waarheid is, en dat wat jullie buiten Hem aanroepen het valse is, en omdat God de Allerhoogste, de Grote is.
ذَٰلِكَ بِأَنَّ اَ۬للَّهَ هُوَ اَ۬لۡحَقُّ وَأَنَّ مَا يَدۡعُونَ مِن دُونِهِ اِ۬لۡبَٰطِلُ وَأَنَّ اَ۬للَّهَ هُوَ اَ۬لۡعَلِيُّ اُ۬لۡكَبِيرُ
Heb jij niet gezien dat de vaartuigen op zee varen door de weldaad van God, om jullie sommige van Zijn tekenen te tonen?
أَلَمۡ تَرَ أَنَّ اَ۬لۡفُلۡكَ تَجۡرِي فِي اِ۬لۡبَحۡرِ بِنِعۡمَتِ اِ۬للَّهِ لِيُرِيَكُم مِّنۡ ءَايَٰتِهِۦٓۚ
Daarin zijn voorzeker tekenen voor ieder die zeer geduldig is, zeer dankbaar.
إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّكُلِّ صَبّ۪ارٖ شَكُورٖ
En wanneer een golf hen overspoelt als baldakijnen, roepen zij God aan, Hem uitsluitend de Wet toewijdend;
وَإِذَا غَشِيَهُم مَّوۡجٞ كَاَلظُّلَلِ دَعَوُاْ اُ۬للَّهَ مُخۡلِصِينَ لَهُ اُ۬لدِّينَ
vervolgens, wanneer Hij hen redt naar het vaste land, blijven sommigen van hen gematigd;
فَلَمَّا نَجَّىٰهُمۡ إِلَى اَ۬لۡبَرِّ فَمِنۡهُم مُّقۡتَصِدٞۚ
en alleen elke trouweloze, groot verloochenaar, betwist Onze tekenen hardnekkig.
وَمَا يَجۡحَدُ بِـَٔايَٰتِنَآ إِلَّا كُلُّ خَتّ۪ارٖ كَفُورٖ
O mensen, behoed jullie voor jullie Voogd, en ducht een dag waarop geen ouder in iets de plaats van zijn kind zal innemen, en evenmin enig kind in iets de plaats van zijn ouder;
۞ يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لنَّاسُ اُ۪تَّقُواْ رَبَّكُمۡ وَاَخۡشَوۡاْ يَوۡمٗا لَّا يَجۡزِي وَالِدٌ عَن وَلَدِهِۦ وَلَا مَوۡلُودٌ هُوَ جَازٍ عَن وَالِدِهِۦ شَيۡـًٔاۚ
want de belofte van God is waarheid:
إِنَّ وَعۡدَ اَ۬للَّهِ حَقّٞۖ
laat het nabije leven jullie dus niet bedriegen,
فَلَا تَغُرَّنَّكُمُ اُ۬لۡحَيَوٰةُ اُ۬لدُّنۡيۭا
en laat de grote bedrieger jullie niet bedriegen omtrent God.
وَلَا يَغُرَّنَّكُم بِاللَّهِ اِ۬لۡغَرُورُ
God heeft gewis bij Zich het weten van het Uur,
إِنَّ اَ۬للَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ اُ۬لسَّاعَةِ
en doet de reddende regen neerdalen,
وَيُنزِلُ اُ۬لۡغَيۡثَ
en weet wat in de baarmoeders is;
وَيَعۡلَمُ مَا فِي اِ۬لۡأَرۡحَامِۖ
en geen Zelf heeft enig idee van wat het morgen zal verwerven,
وَمَا تَدۡرِي نَفۡسٞ مَّاذَا تَكۡسِبُ غَدٗاۖ
en geen Zelf heeft enig idee van de aarde waar het zal sterven;
وَمَا تَدۡرِي نَفۡسُۢ بِأَيِّ أَرۡضٖ تَمُوتُۚ
want God is Alwetend, Intiem Kenner.
إِنَّ اَ۬للَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرُۢ