ابراهيم
Ibrahim
A Good Word
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
Alif. Lam. Ra.
الٓر
Een Schrift die Wij naar jou hebben doen neerdalen, opdat jij de mensen uit de duisternissen naar het licht naar buiten brengt, met toestemming van hun Voogd, naar het pad van de Almachtige, de Lofwaardige.
كِتَٰبٌ أَنزَلْنَٰهُ إِلَيْكَ لِتُخْرِجَ ٱلنَّاسَ مِنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِ بِإِذْنِ رَبِّهِمْ إِلَىٰ صِرَٰطِ ٱلْعَزِيزِ ٱلْحَمِيدِ
God, aan wie toebehoort wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
ٱللَّهِ ٱلَّذِى لَهُۥ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ
En wee hen die verloochenen, vanwege een strenge pijn –
وَوَيْلٌۭ لِّلْكَٰفِرِينَ مِنْ عَذَابٍۢ شَدِيدٍ
zij die meer houden van het leven hienieden dan van het laatste leven, die de weg van God versperren en die proberen hem kronkelig te maken: dat zijn zij die zich in een verre dwaling bevinden.
ٱلَّذِينَ يَسْتَحِبُّونَ ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا عَلَى ٱلْءَاخِرَةِ وَيَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجًا أُو۟لَٰٓئِكَ فِى ضَلَٰلٍۭ بَعِيدٍۢ
Wij hebben geen enkele gezant gezonden behalve in de taal van zijn volk, opdat hij het hun duidelijk maakt;
وَمَآ أَرْسَلْنَا مِن رَّسُولٍ إِلَّا بِلِسَانِ قَوْمِهِۦ لِيُبَيِّنَ لَهُمْ
God doet dan dwalen wie het Hem behaagt, en leidt wie het Hem behaagt:
فَيُضِلُّ ٱللَّهُ مَن يَشَآءُ وَيَهْدِى مَن يَشَآءُ
en Hij is de Almachtige, de Wijze.
وَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ
Wij hebben gewis Moesa gezonden met Onze tekenen: “Breng je volk uit de duisternissen naar het licht naar buiten, en herinner hen aan de dagen van God.”
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ بِـَٔايَٰتِنَآ أَنْ أَخْرِجْ قَوْمَكَ مِنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِ وَذَكِّرْهُم بِأَيَّىٰمِ ٱللَّهِ
Daarin zijn voorzeker tekenen voor ieder die zeer geduldig is, zeer dankbaar.
إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَءَايَٰتٍۢ لِّكُلِّ صَبَّارٍۢ شَكُورٍۢ
En toen Moesa tot zijn volk zei: “Herinner jullie de weldaad van God over jullie, toen Hij jullie redde van de clan van Fir'aun, die jullie de slechte pijn oplegde, jullie zonen slachtend en de eerbaarheid van jullie vrouwen aantastend:
وَإِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوْمِهِ ٱذْكُرُوا۟ نِعْمَةَ ٱللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ أَنجَىٰكُم مِّنْ ءَالِ فِرْعَوْنَ يَسُومُونَكُمْ سُوٓءَ ٱلْعَذَابِ وَيُذَبِّحُونَ أَبْنَآءَكُمْ وَيَسْتَحْيُونَ نِسَآءَكُمْ
en daar was, van jullie Voogd, wat ontzaglijk beproeft.”
وَفِى ذَٰلِكُم بَلَآءٌۭ مِّن رَّبِّكُمْ عَظِيمٌۭ
En toen jullie Voogd liet weten: “Als jullie dankbaar zijn, zal Ik jullie voorzeker vermeerderen; maar als jullie verloochenen, is Mijn pijn voorzeker streng.”
وَإِذْ تَأَذَّنَ رَبُّكُمْ لَئِن شَكَرْتُمْ لَأَزِيدَنَّكُمْ وَلَئِن كَفَرْتُمْ إِنَّ عَذَابِى لَشَدِيدٌۭ
En Moesa zei: “Als jullie verloochenen, jullie en allen die op de aarde zijn, dan is God voorzeker Rijk, Hij is Lofwaardig.”
وَقَالَ مُوسَىٰٓ إِن تَكْفُرُوٓا۟ أَنتُمْ وَمَن فِى ٱلْأَرْضِ جَمِيعًۭا فَإِنَّ ٱللَّهَ لَغَنِىٌّ حَمِيدٌ
Heeft het jullie niet bereikt, het bericht over hen die vóór jullie waren: het volk van Noeh, de Aad, de Thamoed, en zij die na hen kwamen,
أَلَمْ يَأْتِكُمْ نَبَؤُا۟ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِكُمْ قَوْمِ نُوحٍۢ وَعَادٍۢ وَثَمُودَ وَٱلَّذِينَ مِنۢ بَعْدِهِمْ
die alleen God kent?
لَا يَعْلَمُهُمْ إِلَّا ٱللَّهُ
Hun gezanten kwamen tot hen met de duidelijke bewijzen, maar zij brachten hun handen terug naar hun monden en zeiden: “Wij verloochenen datgene waarmee jullie gezonden zijn, en wij zijn voorzeker in een verontrustende verlegenheid omtrent datgene waartoe jullie ons roepen.”
جَآءَتْهُمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَرَدُّوٓا۟ أَيْدِيَهُمْ فِىٓ أَفْوَٰهِهِمْ وَقَالُوٓا۟ إِنَّا كَفَرْنَا بِمَآ أُرْسِلْتُم بِهِۦ وَإِنَّا لَفِى شَكٍّۢ مِّمَّا تَدْعُونَنَآ إِلَيْهِ مُرِيبٍۢ
Hun gezanten zeiden: “Is er verlegenheid omtrent God, de Oorsprong van de hemelen en de aarde? Hij roept jullie om jullie een deel van jullie vergrijpen te vergeven en jullie op te schorten tot een genoemde termijn.”
قَالَتْ رُسُلُهُمْ أَفِى ٱللَّهِ شَكٌّۭ فَاطِرِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ يَدْعُوكُمْ لِيَغْفِرَ لَكُم مِّن ذُنُوبِكُمْ وَيُؤَخِّرَكُمْ إِلَىٰٓ أَجَلٍۢ مُّسَمًّۭى
Zij zeiden: “Jullie zijn slechts stervelingen zoals wij; jullie willen ons de toegang versperren tot datgene waaraan onze voorouders gehoorzaamden. Breng ons dan een klaarblijkelijk gezag.”
قَالُوٓا۟ إِنْ أَنتُمْ إِلَّا بَشَرٌۭ مِّثْلُنَا تُرِيدُونَ أَن تَصُدُّونَا عَمَّا كَانَ يَعْبُدُ ءَابَآؤُنَا فَأْتُونَا بِسُلْطَٰنٍۢ مُّبِينٍۢ
Hun gezanten zeiden tot hen: “Wij zijn slechts stervelingen zoals jullie, maar God begunstigt wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen.
قَالَتْ لَهُمْ رُسُلُهُمْ إِن نَّحْنُ إِلَّا بَشَرٌۭ مِّثْلُكُمْ وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ يَمُنُّ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ
Het behoort ons niet toe jullie een gezag te brengen, behalve met toestemming van God.
وَمَا كَانَ لَنَآ أَن نَّأْتِيَكُم بِسُلْطَٰنٍ إِلَّا بِإِذْنِ ٱللَّهِ
En aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.
وَعَلَى ٱللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ ٱلْمُؤْمِنُونَ
En waarom zouden wij God geen lastgeving verlenen, terwijl Hij ons op onze wegen heeft geleid?
وَمَا لَنَآ أَلَّا نَتَوَكَّلَ عَلَى ٱللَّهِ وَقَدْ هَدَىٰنَا سُبُلَنَا
En wij zullen voorzeker geduldig zijn tegenover datgene waarmee jullie ons lastigvallen;
وَلَنَصْبِرَنَّ عَلَىٰ مَآ ءَاذَيْتُمُونَا
laten zij die lastgeving verlenen die dan aan God verlenen.”
وَعَلَى ٱللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ ٱلْمُتَوَكِّلُونَ
En zij die verloochenen zeiden tot hun gezanten: “Wij zullen jullie voorzeker uit onze aarde verdrijven, of jullie zullen opnieuw tot onze leer toetreden!”
وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لِرُسُلِهِمْ لَنُخْرِجَنَّكُم مِّنْ أَرْضِنَآ أَوْ لَتَعُودُنَّ فِى مِلَّتِنَا
Hun Voogd openbaarde hun toen: “Wij zullen de onrechtvaardigen voorzeker vernietigen, en Wij zullen jullie voorzeker deze aarde doen bewonen na hen.
فَأَوْحَىٰٓ إِلَيْهِمْ رَبُّهُمْ لَنُهْلِكَنَّ ٱلظَّٰلِمِينَ وَلَنُسْكِنَنَّكُمُ ٱلْأَرْضَ مِنۢ بَعْدِهِمْ
Dat is voor wie vreest voor Mij te staan, en Mijn dreiging vreest.”
ذَٰلِكَ لِمَنْ خَافَ مَقَامِى وَخَافَ وَعِيدِ
En zij vroegen om de opening,
وَٱسْتَفْتَحُوا۟
en elke halsstarrige tiran faalde; achter hem, Djahannam, en hem zal daar een etterig water te drinken gegeven worden, dat hij met kleine teugen zal slikken en bijna niet zal kunnen doorslikken; de dood zal hem van alle kanten overkomen zonder dat hij sterft; en daarachter, een harde pijn.
وَخَابَ كُلُّ جَبَّارٍ عَنِيدٍۢ مِّن وَرَآئِهِۦ جَهَنَّمُ وَيُسْقَىٰ مِن مَّآءٍۢ صَدِيدٍۢ يَتَجَرَّعُهُۥ وَلَا يَكَادُ يُسِيغُهُۥ وَيَأْتِيهِ ٱلْمَوْتُ مِن كُلِّ مَكَانٍۢ وَمَا هُوَ بِمَيِّتٍۢ وَمِن وَرَآئِهِۦ عَذَابٌ غَلِيظٌۭ
Het voorbeeld van hen die hun Voogd verloochenen:
مَّثَلُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بِرَبِّهِمْ
hun werken zijn als as die de wind met kracht laat dwarrelen, op een dag van storm: zij kunnen niets vasthouden van wat zij hebben verworven.
أَعْمَٰلُهُمْ كَرَمَادٍ ٱشْتَدَّتْ بِهِ ٱلرِّيحُ فِى يَوْمٍ عَاصِفٍۢ لَّا يَقْدِرُونَ مِمَّا كَسَبُوا۟ عَلَىٰ شَىْءٍۢ
Dat is de verre dwaling.
ذَٰلِكَ هُوَ ٱلضَّلَٰلُ ٱلْبَعِيدُ
Heb je niet gezien dat God de hemelen en de aarde met de waarheid heeft geschapen?
أَلَمْ تَرَ أَنَّ ٱللَّهَ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ بِٱلْحَقِّ
Als het Hem behaagde, zou Hij jullie wegnemen en een nieuwe schepping doen komen,
إِن يَشَأْ يُذْهِبْكُمْ وَيَأْتِ بِخَلْقٍۢ جَدِيدٍۢ
en dat is voor God geenszins buiten bereik.
وَمَا ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ بِعَزِيزٍۢ
En zij zullen allen in het volle daglicht voor God zijn, en de zwakken zullen zeggen tot hen die zich opbliezen van hoogmoed: “Wij waren gewis jullie volgers; kunnen jullie ons dan in enig opzicht van nut zijn tegen de pijn van God?”
وَبَرَزُوا۟ لِلَّهِ جَمِيعًۭا فَقَالَ ٱلضُّعَفَٰٓؤُا۟ لِلَّذِينَ ٱسْتَكْبَرُوٓا۟ إِنَّا كُنَّا لَكُمْ تَبَعًۭا فَهَلْ أَنتُم مُّغْنُونَ عَنَّا مِنْ عَذَابِ ٱللَّهِ مِن شَىْءٍۢ
Zij zullen zeggen: “Als God ons had geleid, zouden wij jullie gewis hebben geleid.
قَالُوا۟ لَوْ هَدَىٰنَا ٱللَّهُ لَهَدَيْنَٰكُمْ
Het is ons gelijk of wij in paniek raken of geduldig zijn: er is voor ons geen enkele ontsnapping mogelijk.”
سَوَآءٌ عَلَيْنَآ أَجَزِعْنَآ أَمْ صَبَرْنَا مَا لَنَا مِن مَّحِيصٍۢ
En de Afleider zal zeggen, wanneer de zaak beslist zal zijn: “God heeft jullie gewis een belofte van waarheid gedaan, en ik heb jullie een belofte gedaan, maar ik ben daarin jegens jullie tekortgeschoten; ik had over jullie geen enkel gezag, behalve jullie te roepen, en jullie hebben mij geantwoord. Laak mij dus niet, maar laak jezelf: ik kan niet op jullie kreet antwoorden, noch jullie op de mijne. Ik verloochen gewis dat jullie mij tevoren met God hebben geassocieerd.”
وَقَالَ ٱلشَّيْطَٰنُ لَمَّا قُضِىَ ٱلْأَمْرُ إِنَّ ٱللَّهَ وَعَدَكُمْ وَعْدَ ٱلْحَقِّ وَوَعَدتُّكُمْ فَأَخْلَفْتُكُمْ وَمَا كَانَ لِىَ عَلَيْكُم مِّن سُلْطَٰنٍ إِلَّآ أَن دَعَوْتُكُمْ فَٱسْتَجَبْتُمْ لِى فَلَا تَلُومُونِى وَلُومُوٓا۟ أَنفُسَكُم مَّآ أَنَا۠ بِمُصْرِخِكُمْ وَمَآ أَنتُم بِمُصْرِخِىَّ إِنِّى كَفَرْتُ بِمَآ أَشْرَكْتُمُونِ مِن قَبْلُ
De onrechtvaardigen zullen gewis een schrijnende pijn hebben.
إِنَّ ٱلظَّٰلِمِينَ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌۭ
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht zullen worden binnengeleid in tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, met toestemming van hun Voogd.
وَأُدْخِلَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ جَنَّٰتٍۢ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا بِإِذْنِ رَبِّهِمْ
Hun groet zal daar zijn: “Vrede!”
تَحِيَّتُهُمْ فِيهَا سَلَٰمٌ
Heb je niet gezien hoe God een voorbeeld vermenigvuldigt? Een goed woord is als een goede boom, wiens wortel stevig is en wiens takwerk in de hemel is, die zijn spijzen geeft te allen tijde, met toestemming van zijn Voogd.
أَلَمْ تَرَ كَيْفَ ضَرَبَ ٱللَّهُ مَثَلًۭا كَلِمَةًۭ طَيِّبَةًۭ كَشَجَرَةٍۢ طَيِّبَةٍ أَصْلُهَا ثَابِتٌۭ وَفَرْعُهَا فِى ٱلسَّمَآءِ تُؤْتِىٓ أُكُلَهَا كُلَّ حِينٍۭ بِإِذْنِ رَبِّهَا
En God vermenigvuldigt de voorbeelden voor de mensen, misschien zullen zij zich herinneren.
وَيَضْرِبُ ٱللَّهُ ٱلْأَمْثَالَ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ
En het voorbeeld van een snood woord is als een snode boom, uitgerukt van het oppervlak van de aarde, zonder enige stabiliteit.
وَمَثَلُ كَلِمَةٍ خَبِيثَةٍۢ كَشَجَرَةٍ خَبِيثَةٍ ٱجْتُثَّتْ مِن فَوْقِ ٱلْأَرْضِ مَا لَهَا مِن قَرَارٍۢ
God maakt hen die geloven standvastig door de stevige uitspraak, in het leven hienieden en in het laatste leven,
يُثَبِّتُ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ بِٱلْقَوْلِ ٱلثَّابِتِ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَفِى ٱلْءَاخِرَةِ
en God doet de onrechtvaardigen dwalen,
وَيُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلظَّٰلِمِينَ
en God doet wat het Hem behaagt.
وَيَفْعَلُ ٱللَّهُ مَا يَشَآءُ
Heb je hen niet gezien die de weldaad van God hebben ingeruild tegen de verloochening, en die hun volk hebben gehuisvest in het verblijf van de teloorgang – Djahannam, waar zij zullen branden:
أَلَمْ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ بَدَّلُوا۟ نِعْمَتَ ٱللَّهِ كُفْرًۭا وَأَحَلُّوا۟ قَوْمَهُمْ دَارَ ٱلْبَوَارِ جَهَنَّمَ يَصْلَوْنَهَا
wat een afschuwelijke haven!
وَبِئْسَ ٱلْقَرَارُ
En zij hebben God rivalen toegewezen, om te doen dwalen, weg van Zijn weg:
وَجَعَلُوا۟ لِلَّهِ أَندَادًۭا لِّيُضِلُّوا۟ عَن سَبِيلِهِۦ
Zeg: “Geniet, want jullie bestemming is het Vuur.”
قُلْ تَمَتَّعُوا۟ فَإِنَّ مَصِيرَكُمْ إِلَى ٱلنَّارِ
Zeg tegen Mijn gehoorzamen die geloven om het Contact te onderhouden en uit te geven van datgene waarvan Wij hen voorzien hebben, in het geheim en openlijk, voordat een dag komt waarop er geen verkoop en geen vriendschap zal zijn.
قُل لِّعِبَادِىَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ يُقِيمُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُنفِقُوا۟ مِمَّا رَزَقْنَٰهُمْ سِرًّۭا وَعَلَانِيَةًۭ مِّن قَبْلِ أَن يَأْتِىَ يَوْمٌۭ لَّا بَيْعٌۭ فِيهِ وَلَا خِلَٰلٌ
God is Hij die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en die uit de hemel een water heeft doen neerdalen, waardoor Hij vruchten naar buiten heeft gebracht als leeftocht voor jullie, en Hij heeft het vaartuig aan jullie onderworpen, opdat het over de zee vaart op Zijn bevel,
ٱللَّهُ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ وَأَنزَلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءًۭ فَأَخْرَجَ بِهِۦ مِنَ ٱلثَّمَرَٰتِ رِزْقًۭا لَّكُمْ وَسَخَّرَ لَكُمُ ٱلْفُلْكَ لِتَجْرِىَ فِى ٱلْبَحْرِ بِأَمْرِهِۦ
en Hij heeft de rivieren aan jullie onderworpen.
وَسَخَّرَ لَكُمُ ٱلْأَنْهَٰرَ
En Hij heeft de zon en de maan aan jullie onderworpen, onverdroten in hun loop,
وَسَخَّرَ لَكُمُ ٱلشَّمْسَ وَٱلْقَمَرَ دَآئِبَيْنِ
en Hij heeft de nacht en de dag aan jullie onderworpen.
وَسَخَّرَ لَكُمُ ٱلَّيْلَ وَٱلنَّهَارَ
En Hij heeft jullie gegeven van alles wat jullie Hem hebben gevraagd;
وَءَاتَىٰكُم مِّن كُلِّ مَا سَأَلْتُمُوهُ
en als jullie de weldaad van God zouden tellen, zouden jullie die niet kunnen natellen.
وَإِن تَعُدُّوا۟ نِعْمَتَ ٱللَّهِ لَا تُحْصُوهَآ
De mens is voorzeker hoogst onrechtvaardig, een groot verloochenaar.
إِنَّ ٱلْإِنسَٰنَ لَظَلُومٌۭ كَفَّارٌۭ
En toen Ibrahim zei: “Mijn Voogd, maak deze streek veilig, en houd mij op afstand, evenals mijn zonen, van het gehoorzamen aan de idolen.
وَإِذْ قَالَ إِبْرَٰهِيمُ رَبِّ ٱجْعَلْ هَٰذَا ٱلْبَلَدَ ءَامِنًۭا وَٱجْنُبْنِى وَبَنِىَّ أَن نَّعْبُدَ ٱلْأَصْنَامَ
Mijn Voogd, zij hebben gewis een groot aantal mensen doen dwalen. Wie mij volgt, behoort dan tot de mijnen, en wie mij ongehoorzaam is – U bent dan gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
رَبِّ إِنَّهُنَّ أَضْلَلْنَ كَثِيرًۭا مِّنَ ٱلنَّاسِ فَمَن تَبِعَنِى فَإِنَّهُۥ مِنِّى وَمَنْ عَصَانِى فَإِنَّكَ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌۭ
Onze Voogd, ik heb een deel van mijn nageslacht doen wonen in een dal zonder akkerbouw, nabij Uw Huis dat onschendbaar is gemaakt,
رَّبَّنَآ إِنِّىٓ أَسْكَنتُ مِن ذُرِّيَّتِى بِوَادٍ غَيْرِ ذِى زَرْعٍ عِندَ بَيْتِكَ ٱلْمُحَرَّمِ
Onze Voogd, opdat zij het Contact onderhouden; laat dan Bewustzijnen onder de mensen zich naar hen buigen, en voorzie hen van de vruchten, misschien zullen zij dankbaar zijn.
رَبَّنَا لِيُقِيمُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ فَٱجْعَلْ أَفْـِٔدَةًۭ مِّنَ ٱلنَّاسِ تَهْوِىٓ إِلَيْهِمْ وَٱرْزُقْهُم مِّنَ ٱلثَّمَرَٰتِ لَعَلَّهُمْ يَشْكُرُونَ
Onze Voogd, U weet wat wij verborgen houden en wat wij bekendmaken;
رَبَّنَآ إِنَّكَ تَعْلَمُ مَا نُخْفِى وَمَا نُعْلِنُ
en niets is voor God verborgen, noch op de aarde noch in de hemel.
وَمَا يَخْفَىٰ عَلَى ٱللَّهِ مِن شَىْءٍۢ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا فِى ٱلسَّمَآءِ
Lof zij God, die mij, ondanks de grote leeftijd, Isma'il en Ishaq heeft geschonken!
ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ٱلَّذِى وَهَبَ لِى عَلَى ٱلْكِبَرِ إِسْمَٰعِيلَ وَإِسْحَٰقَ
Mijn Voogd hoort voorzeker de aanroeping.
إِنَّ رَبِّى لَسَمِيعُ ٱلدُّعَآءِ
Mijn Voogd, maak mij tot hem die het Contact onderhoudt, evenals mijn nageslacht;
رَبِّ ٱجْعَلْنِى مُقِيمَ ٱلصَّلَوٰةِ وَمِن ذُرِّيَّتِى
onze Voogd, en aanvaard mijn aanroeping.
رَبَّنَا وَتَقَبَّلْ دُعَآءِ
Onze Voogd, vergeef mij, evenals mijn beide ouders en de gelovenden, op de dag waarop de Rekening zich zal verheffen.”
رَبَّنَا ٱغْفِرْ لِى وَلِوَٰلِدَىَّ وَلِلْمُؤْمِنِينَ يَوْمَ يَقُومُ ٱلْحِسَابُ
En denk toch vooral niet dat God onbekommerd is over wat de onrechtvaardigen doen:
وَلَا تَحْسَبَنَّ ٱللَّهَ غَٰفِلًا عَمَّا يَعْمَلُ ٱلظَّٰلِمُونَ
Hij schort hen slechts op tot een dag waarop hun gezichtsvermogen zal verstarren; zij zullen toesnellen, met opgeheven hoofd, zonder dat hun blik tot hen terugkeert, en hun Bewustzijnen zullen gapend zijn.
إِنَّمَا يُؤَخِّرُهُمْ لِيَوْمٍۢ تَشْخَصُ فِيهِ ٱلْأَبْصَٰرُ مُهْطِعِينَ مُقْنِعِى رُءُوسِهِمْ لَا يَرْتَدُّ إِلَيْهِمْ طَرْفُهُمْ وَأَفْـِٔدَتُهُمْ هَوَآءٌۭ
En waarschuw de mensen voor de dag waarop de pijn tot hen zal komen, en waarop zij die onrechtvaardig zijn geweest zullen zeggen: “Onze Voogd, schort ons op tot een nabije termijn: wij zullen op Uw roep antwoorden en de gezanten volgen.”
وَأَنذِرِ ٱلنَّاسَ يَوْمَ يَأْتِيهِمُ ٱلْعَذَابُ فَيَقُولُ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ رَبَّنَآ أَخِّرْنَآ إِلَىٰٓ أَجَلٍۢ قَرِيبٍۢ نُّجِبْ دَعْوَتَكَ وَنَتَّبِعِ ٱلرُّسُلَ
“Hadden jullie niet tevoren gezworen dat jullie geen enkele verdwijning zouden kennen?
أَوَلَمْ تَكُونُوٓا۟ أَقْسَمْتُم مِّن قَبْلُ مَا لَكُم مِّن زَوَالٍۢ
En jullie hebben de woningen bewoond van hen die onrecht deden aan zichzelf, en het is jullie duidelijk geworden hoe Wij met hen hebben gehandeld, en Wij hebben jullie de voorbeelden vermenigvuldigd.”
وَسَكَنتُمْ فِى مَسَٰكِنِ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ وَتَبَيَّنَ لَكُمْ كَيْفَ فَعَلْنَا بِهِمْ وَضَرَبْنَا لَكُمُ ٱلْأَمْثَالَ
En zij hebben gewis hun complot gecomplotteerd,
وَقَدْ مَكَرُوا۟ مَكْرَهُمْ
maar hun complot is bij God,
وَعِندَ ٱللَّهِ مَكْرُهُمْ
ook al was hun complot van aard om de bergen te doen verdwijnen.
وَإِن كَانَ مَكْرُهُمْ لِتَزُولَ مِنْهُ ٱلْجِبَالُ
Denk dan toch vooral niet dat God tekortschiet in Zijn belofte jegens Zijn gezanten:
فَلَا تَحْسَبَنَّ ٱللَّهَ مُخْلِفَ وَعْدِهِۦ رُسُلَهُۥٓ
God is gewis Almachtig, houder van de wraak.
إِنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌۭ ذُو ٱنتِقَامٍۢ
Op de dag waarop de aarde veranderd zal worden in een andere aarde, evenals de hemelen,
يَوْمَ تُبَدَّلُ ٱلْأَرْضُ غَيْرَ ٱلْأَرْضِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ
en waarop zij in het volle daglicht voor God zullen zijn, de Enige, de Overheerser.
وَبَرَزُوا۟ لِلَّهِ ٱلْوَٰحِدِ ٱلْقَهَّارِ
En je zult de afgezonderden die dag zien, samen geketend in de boeien, hun tunieken van teer, en het Vuur dat hun gezichten bedekt, opdat God elk Zelf vergeldt naar wat het heeft verworven:
وَتَرَى ٱلْمُجْرِمِينَ يَوْمَئِذٍۢ مُّقَرَّنِينَ فِى ٱلْأَصْفَادِ سَرَابِيلُهُم مِّن قَطِرَانٍۢ وَتَغْشَىٰ وُجُوهَهُمُ ٱلنَّارُ لِيَجْزِىَ ٱللَّهُ كُلَّ نَفْسٍۢ مَّا كَسَبَتْ
God is gewis snel in de rekening.
إِنَّ ٱللَّهَ سَرِيعُ ٱلْحِسَابِ
Dit is een overbrenging voor de mensen, opdat zij erdoor gewaarschuwd worden, opdat zij weten dat Hij slechts een enige godheid is, en opdat de houders van intelligentie zich herinneren.
هَٰذَا بَلَٰغٌۭ لِّلنَّاسِ وَلِيُنذَرُوا۟ بِهِۦ وَلِيَعْلَمُوٓا۟ أَنَّمَا هُوَ إِلَٰهٌۭ وَٰحِدٌۭ وَلِيَذَّكَّرَ أُو۟لُوا۟ ٱلْأَلْبَٰبِ