الزمر
Az-Zumar
Do Not Lose Heart
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. De neerdaling van de Schrift komt van God, de Almachtige, de Wijze.
بِسْمِ اِ۬للَّهِ اِ۬لرَّحْمَٰنِ اِ۬لرَّحِيمِ تَنزِيلُ اُ۬لْكِتَٰبِ مِنَ اَ۬للَّهِ اِ۬لْعَزِيزِ اِ۬لْحَكِيمِۖ
Wij hebben de Schrift naar jou doen neerdalen in alle waarheid; gehoorzaam dus God, Hem uitsluitend de Wet toewijdend.
إِنَّآ أَنزَلْنَآ إِلَيْكَ اَ۬لْكِتَٰبَ بِالْحَقِّ فَاعْبُدِ اِ۬للَّهَ مُخْلِصاٗ لَّهُ اُ۬لدِّينَۖ
Is het niet zo: aan God behoort de gelouterde en uitsluitende Wet.
أَلَا لِلهِ اِ۬لدِّينُ اُ۬لْخَالِصُۖ
En zij die buiten Hem bondgenoten nemen: “Wij gehoorzamen hen slechts opdat zij ons dichter bij God brengen, zo dichtbij mogelijk”;
وَالذِينَ اَ۪تَّخَذُواْ مِن دُونِهِۦٓ أَوْلِيَآءَ مَا نَعْبُدُهُمُۥٓ إِلَّا لِيُقَرِّبُونَآ إِلَى اَ۬للَّهِ زُلْف۪ىٰٓۖ
gewis zal God tussen hen oordelen over datgene waarin zij uiteenlopen,
إِنَّ اَ۬للَّهَ يَحْكُمُ بَيْنَهُمْ فِے مَا هُمْ فِيهِ يَخْتَلِفُونَۖ
want God leidt niet wie een leugenaar is, een groot verloochenaar.
إِنَّ اَ۬للَّهَ لَا يَهْدِے مَنْ هُوَ كَٰذِبٞ كَفَّارٞۖ
Als God Zich een kind had willen toekennen, zou Hij hebben gekozen wat het Hem behaagt uit wat Hij schept;
لَّوَ اَرَادَ اَ۬للَّهُ أَنْ يَّتَّخِذَ وَلَداٗ لَّاصْطَف۪ىٰ مِمَّا يَخْلُقُ مَا يَشَآءُۖ
glorie zij Hem –
سُبْحَٰنَهُۥۖ
Hij is het, God, de Enige, de Overheerser.
هُوَ اَ۬للَّهُ اُ۬لْوَٰحِدُ اُ۬لْقَهَّارُۖ
Hij heeft de hemelen en de aarde geschapen in alle waarheid;
خَلَقَ اَ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضَ بِالْحَقِّۖ
Hij wikkelt de nacht om de dag, en wikkelt de dag om de nacht;
يُكَوِّرُ اُ۬ليْلَ عَلَى اَ۬لنَّه۪ارِ وَيُكَوِّرُ اُ۬لنَّهَارَ عَلَى اَ۬ليْلِۖ
en Hij heeft de zon en de maan onderworpen,
وَسَخَّرَ اَ۬لشَّمْسَ وَالْقَمَرَۖ
elk lopend naar een genoemde termijn.
كُلّٞ يَجْرِے لِأَجَلٖ مُّسَمّىًۖ
Is het niet zo: Hij is het, de Almachtige, de Grote Vergever.
اَلَا هُوَ اَ۬لْعَزِيزُ اُ۬لْغَفَّٰرُۖ
Hij heeft jullie geschapen uit één enkel Zelf, en heeft daaruit zijn echtgenoot laten voortkomen;
خَلَقَكُم مِّن نَّفْسٖ وَٰحِدَةٖ ثُمَّ جَعَلَ مِنْهَا زَوْجَهَاۖ
en Hij heeft voor jullie, uit het vee, acht doen neerdalen, in paren;
وَأَنزَلَ لَكُم مِّنَ اَ۬لَانْعَٰمِ ثَمَٰنِيَةَ أَزْوَٰجٖۖ
Hij schept jullie in de buiken van jullie moeders, schepping na schepping, in drie duisternissen;
يَخْلُقُكُمْ فِے بُطُونِ أُمَّهَٰتِكُمْ خَلْقاٗ مِّنۢ بَعْدِ خَلْقٖ فِے ظُلُمَٰتٖ ثَلَٰثٖۖ
dat is God, jullie Voogd; aan Hem behoort het koningschap;
ذَٰلِكُمُ اُ۬للَّهُ رَبُّكُمْ لَهُ اُ۬لْمُلْكُۖ
geen godheid behalve Hij;
لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ
hoe worden jullie dan afgewend?
فَأَنّ۪ىٰ تُصْرَفُونَۖ
Als jullie verloochenen, is God gewis Rijk, zonder enige behoefte aan jullie;
إِن تَكْفُرُواْ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ غَنِيٌّ عَنكُمْۖ
en Hij aanvaardt de verloochening niet voor Zijn gehoorzamen;
وَلَا يَرْض۪ىٰ لِعِبَادِهِ اِ۬لْكُفْرَۖ
maar als jullie dankbaar zijn, aanvaardt Hij het voor jullie.
وَإِن تَشْكُرُواْ يَرْضَهُ لَكُمْۖ
En geen drager van een last zal de last van een ander dragen;
وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزْرَ أُخْر۪ىٰۖ
daarna is jullie terugkeer naar jullie Voogd, en Hij zal jullie berichten van wat jullie deden,
ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّكُم مَّرْجِعُكُمْ فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَۖ
want Hij is Alwetend over de inhoud van de borsten.
إِنَّهُۥ عَلِيمُۢ بِذَاتِ اِ۬لصُّدُورِۖ
En wanneer een schade de mens treft, roept hij zijn Voogd aan, zich tot Hem wendend;
۞ وَإِذَا مَسَّ اَ۬لِانسَٰنَ ضُرّٞ دَعَا رَبَّهُۥ مُنِيباً اِلَيْهِۖ
daarna, wanneer Hij hem een weldaad van Hem verleent, vergeet hij datgene waartoe hij eerder aanriep, en wijst hij aan God rivalen toe, om te doen dwalen weg van Zijn weg.
ثُمَّ إِذَا خَوَّلَهُۥ نِعْمَةٗ مِّنْهُ نَسِيَ مَا كَانَ يَدْعُوٓاْ إِلَيْهِ مِن قَبْلُ وَجَعَلَ لِلهِ أَندَاداٗ لِّيُضِلَّ عَن سَبِيلِهِۦۖ
Zeg: “Geniet een weinig van jouw verloochening, jij behoort gewis tot de metgezellen van het Vuur.”
قُلْ تَمَتَّعْ بِكُفْرِكَ قَلِيلاً اِنَّكَ مِنَ اَصْحَٰبِ اِ۬لنّ۪ارِۖ
Wie toegewijd is in de uren van de nacht, zich neerwerpend en staand, waakzaam ten aanzien van het laatste leven en hopend op de welwillendheid van zijn Voogd –
أَمَنْ هُوَ قَٰنِتٌ اٰنَآءَ اَ۬ليْلِ سَاجِداٗ وَقَآئِماٗ يَحْذَرُ اُ۬لَاخِرَةَ وَيَرْجُواْ رَحْمَةَ رَبِّهِۦۖ
zeg: “Zijn zij die weten gelijk aan hen die niet weten?”
قُلْ هَلْ يَسْتَوِے اِ۬لذِينَ يَعْلَمُونَ وَالذِينَ لَا يَعْلَمُونَۖ
Alleen de houders van intelligentie herinneren zich.
إِنَّمَا يَتَذَكَّرُ أُوْلُواْ اُ۬لَالْبَٰبِۖ
Zeg: “O Mijn gehoorzamen die geloven, behoed jullie voor jullie Voogd;
قُلْ يَٰعِبَادِ اِ۬لذِينَ ءَامَنُواْ اُ۪تَّقُواْ رَبَّكُمْۖ
voor hen die het goede doen, in dit leven hienieden, is er iets schoons;
لِلذِينَ أَحْسَنُواْ فِے هَٰذِهِ اِ۬لدُّنْي۪ا حَسَنَةٞۖ
en de aarde van God is wijds;
وَأَرْضُ اُ۬للَّهِ وَٰسِعَةٌۖ
alleen de geduldigen zullen hun beloning getrouw ontvangen, zonder rekening.”
اِنَّمَا يُوَفَّى اَ۬لصَّٰبِرُونَ أَجْرَهُم بِغَيْرِ حِسَابٖۖ
Zeg: “Mij is bevolen God te gehoorzamen, Hem uitsluitend de Wet toewijdend, en mij is bevolen de eerste te zijn van de integeren tegenover Hem.”
قُلِ اِنِّيَ أُمِرْتُ أَنَ اَعْبُدَ اَ۬للَّهَ مُخْلِصاٗ لَّهُ اُ۬لدِّينَ وَأُمِرْتُ لِأَنَ اَكُونَ أَوَّلَ اَ۬لْمُسْلِمِينَۖ
Zeg: “Ik vrees gewis, als ik ongehoorzaam ben aan mijn Voogd, de pijn van een ontzaglijke dag.”
قُلِ اِنِّيَ أَخَافُ إِنْ عَصَيْتُ رَبِّے عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٖۖ
Zeg: “Het is God die ik gehoorzaam, Hem uitsluitend mijn Wet toewijdend;
قُلِ اِ۬للَّهَ أَعْبُدُ مُخْلِصاٗ لَّهُۥ دِينِےۖ
gehoorzaam dus wat jullie behaagt buiten Hem.”
فَاعْبُدُواْ مَا شِئْتُم مِّن دُونِهِۦۖ
Zeg: “De verliezers zijn zij die het verlies van hun Zelf en van de hunnen hebben veroorzaakt, op de Dag van het Verschijnen;
قُلِ اِنَّ اَ۬لْخَٰسِرِينَ اَ۬لذِينَ خَسِرُوٓاْ أَنفُسَهُمْ وَأَهْلِيهِمْ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِۖ
is het niet zo: dit is wel het klaarblijkelijke verlies.”
أَلَا ذَٰلِكَ هُوَ اَ۬لْخُسْرَانُ اُ۬لْمُبِينُۖ
Zij zullen boven zich baldakijnen van Vuur hebben, en onder zich eveneens;
لَهُم مِّن فَوْقِهِمْ ظُلَلٞ مِّنَ اَ۬لنّ۪ارِ وَمِن تَحْتِهِمْ ظُلَلٞۖ
hiermee jaagt God Zijn gehoorzamen schrik aan:
ذَٰلِكَ يُخَوِّفُ اُ۬للَّهُ بِهِۦ عِبَادَهُۥۖ
“O Mijn gehoorzamen, behoed jullie voor Mij!”
يَٰعِبَادِ فَاتَّقُونِۖ
En zij die vermijden de Mateloze te gehoorzamen, en zich tot God wenden, voor hen de gelukkige aankondiging.
وَالذِينَ اَ۪جْتَنَبُواْ اُ۬لطَّٰغُوتَ أَنْ يَّعْبُدُوهَا وَأَنَابُوٓاْ إِلَى اَ۬للَّهِ لَهُمُ اُ۬لْبُشْر۪ىٰۖ
Kondig dus het goede nieuws aan Mijn gehoorzamen die naar de uitspraak luisteren en het schoonste ervan volgen;
فَبَشِّرْ عِبَادِ اِ۬لذِينَ يَسْتَمِعُونَ اَ۬لْقَوْلَ فَيَتَّبِعُونَ أَحْسَنَهُۥٓۖ
dezen zijn zij die God heeft geleid,
أُوْلَٰٓئِكَ اَ۬لذِينَ هَد۪يٰهُمُ اُ۬للَّهُۖ
en dezen zijn de houders van intelligentie.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُۥٓ أُوْلُواْ اُ۬لَالْبَٰبِۖ
Hij tegen wie het woord van de pijn zich heeft bewaarheid – ben jij het die redden zult wie in het Vuur is?
أَفَمَنْ حَقَّ عَلَيْهِ كَلِمَةُ اُ۬لْعَذَابِ أَفَأَنتَ تُنقِذُ مَن فِے اِ۬لنّ۪ارِۖ
Maar zij die zich voor hun Voogd hebben behoed zullen hoge kamers hebben, waarboven andere kamers gebouwd zijn, waaronder de rivieren stromen;
لَٰكِنِ اِ۬لذِينَ اَ۪تَّقَوْاْ رَبَّهُمْ لَهُمْ غُرَفٞ مِّن فَوْقِهَا غُرَفٞ مَّبْنِيَّةٞ تَجْرِے مِن تَحْتِهَا اَ۬لَانْهَٰرُۖ
belofte van God –
وَعْدَ اَ۬للَّهِۖ
God is Zijn belofte niet ontrouw.
لَا يُخْلِفُ اُ۬للَّهُ اُ۬لْمِيعَادَۖ
Heb jij niet gezien dat God uit de hemel een water doet neerdalen, dat Hij als bronnen in de aarde laat binnendringen, en daarna daaruit een gewas met uiteenlopende kleuren laat voortkomen; daarna verdroogt het, en jij ziet het vergeeld; daarna maakt Hij er brokstukken van?
۞ أَلَمْ تَرَ أَنَّ اَ۬للَّهَ أَنزَلَ مِنَ اَ۬لسَّمَآءِ مَآءٗ فَسَلَكَهُۥ يَنَٰبِيعَ فِے اِ۬لَارْضِ ثُمَّ يُخْرِجُ بِهِۦ زَرْعاٗ مُّخْتَلِفاً اَلْوَٰنُهُۥ ثُمَّ يَهِيجُ فَتَر۪يٰهُ مُصْفَرّاٗ ثُمَّ يَجْعَلُهُۥ حُطَٰماًۖ
Daarin is voorzeker een herinnering voor de houders van intelligentie.
اِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَذِكْر۪ىٰ لِأُوْلِے اِ۬لَالْبَٰبِۖ
Hij wiens borst God heeft geopend voor de integriteit tegenover God, en die zich zo op een licht van zijn Voogd bevindt –
أَفَمَن شَرَحَ اَ۬للَّهُ صَدْرَهُۥ لِلِاسْلَٰمِ فَهُوَ عَلَىٰ نُورٖ مِّن رَّبِّهِۦۖ
wee dus hen wier kernen verhard zijn tegen de herinnering aan God!
فَوَيْلٞ لِّلْقَٰسِيَةِ قُلُوبُهُم مِّن ذِكْرِ اِ۬للَّهِۖ
Dezen zijn in een klaarblijkelijke dwaling.
أُوْلَٰٓئِكَ فِے ضَلَٰلٖ مُّبِينٍۖ
God heeft de schoonste van de redevoeringen doen neerdalen, een Schrift met delen die op elkaar lijken, in strofen,
اِ۬للَّهُ نَزَّلَ أَحْسَنَ اَ۬لْحَدِيثِ كِتَٰباٗ مُّتَشَٰبِهاٗ مَّثَانِيَۖ
waarvoor de huiden huiveren van hen die hun Voogd duchten; daarna worden hun huiden en hun kernen week bij de herinnering aan God;
تَقْشَعِرُّ مِنْهُ جُلُودُ اُ۬لذِينَ يَخْشَوْنَ رَبَّهُمْ ثُمَّ تَلِينُ جُلُودُهُمْ وَقُلُوبُهُمُۥٓ إِلَىٰ ذِكْرِ اِ۬للَّهِۖ
dit is de leiding van God, waarmee Hij leidt wie het Hem behaagt;
ذَٰلِكَ هُدَى اَ۬للَّهِ يَهْدِے بِهِۦ مَنْ يَّشَآءُۖ
en wie God doet dwalen, die heeft geen leidsman meer.
وَمَنْ يُّضْلِلِ اِ۬للَّهُ فَمَا لَهُۥ مِنْ هَادٍۖ
Hij die zich met zijn aangezicht vrijwaart tegen de kwade pijn, op de Dag van het Verschijnen –
اَفَمَنْ يَّتَّقِے بِوَجْهِهِۦ سُوٓءَ اَ۬لْعَذَابِ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِۖ
en aan de onrechtvaardigen zal gezegd worden: “Proef wat jullie verwierven.”
وَقِيلَ لِلظَّٰلِمِينَ ذُوقُواْ مَا كُنتُمْ تَكْسِبُونَۖ
Zij die vóór hen waren hebben ontkend, en de pijn kwam hun vanwaar zij haar niet voelden;
كَذَّبَ اَ۬لذِينَ مِن قَبْلِهِمْ فَأَت۪يٰهُمُ اُ۬لْعَذَابُ مِنْ حَيْثُ لَا يَشْعُرُونَۖ
God heeft hun de schande doen proeven in het leven hienieden,
فَأَذَاقَهُمُ اُ۬للَّهُ اُ۬لْخِزْيَ فِے اِ۬لْحَيَوٰةِ اِ۬لدُّنْي۪اۖ
en de pijn van het laatste leven is groter, als zij het wisten.
وَلَعَذَابُ اُ۬لَاخِرَةِ أَكْبَرُ لَوْ كَانُواْ يَعْلَمُونَۖ
En Wij hebben voor de mensen, in deze Lezing, gewis allerlei voorbeelden vermenigvuldigd, misschien zullen zij zich herinneren – een onberispelijke Lezing, zonder enige kronkeligheid, misschien zullen zij zich behoeden.
وَلَقَد ضَّرَبْنَا لِلنَّاسِ فِے هَٰذَا اَ۬لْقُرْءَانِ مِن كُلِّ مَثَلٖ لَّعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ قُرْءَاناً عَرَبِيّاً غَيْرَ ذِے عِوَجٖ لَّعَلَّهُمْ يَتَّقُونَۖ
God vermenigvuldigt een voorbeeld: een man die toebehoort aan geassocieerden die het oneens zijn, en een man die uitsluitend toebehoort aan één enkele man –
ضَرَبَ اَ۬للَّهُ مَثَلاٗ رَّجُلاٗ فِيهِ شُرَكَآءُ مُتَشَٰكِسُونَ وَرَجُلاٗ سَلَماٗ لِّرَجُلٍۖ
zijn zij gelijk in voorbeeld?
هَلْ يَسْتَوِيَٰنِ مَثَلاًۖ
Lof zij God!
اِ۬لْحَمْدُ لِلهِۖ
Maar de meesten van hen weten het niet.
بَلَ اَكْثَرُهُمْ لَا يَعْلَمُونَۖ
Jij zult sterven, en zij zullen sterven; vervolgens, op de Dag van het Verschijnen, zullen jullie gewis voor jullie Voogd met elkaar twisten.
إِنَّكَ مَيِّتٞ وَإِنَّهُم مَّيِّتُونَ ثُمَّ إِنَّكُمْ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِ عِندَ رَبِّكُمْ تَخْتَصِمُونَۖ
Wie is dan onrechtvaardiger dan hij die over God liegt en de waarachtigheid ontkent wanneer zij tot hem gekomen is?
۞ فَمَنَ اَظْلَمُ مِمَّن كَذَبَ عَلَى اَ۬للَّهِ وَكَذَّبَ بِالصِّدْقِ إِذْ جَآءَهُۥٓۖ
Is er niet, in Djahannam, een onderkomen voor hen die verloochenen?
أَلَيْسَ فِے جَهَنَّمَ مَثْوىٗ لِّلْكٰ۪فِرِينَۖ
En hij die met de waarachtigheid gekomen is, en haar waarachtig heeft verklaard, dezen zijn zij die zich behoeden.
وَالذِے جَآءَ بِالصِّدْقِ وَصَدَّقَ بِهِۦٓ أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لْمُتَّقُونَۖ
Zij zullen bij hun Voogd hebben wat hun behaagt;
لَهُم مَّا يَشَآءُونَ عِندَ رَبِّهِمْۖ
dat is de vergelding van hen die het goede doen, opdat God voor hen het kwaadste bedekt van wat zij gedaan hebben, en hen vergeldt met hun beloning naar het schoonste van wat zij deden.
ذَٰلِكَ جَزَٰٓؤُاْ اُ۬لْمُحْسِنِينَ لِيُكَفِّرَ اَ۬للَّهُ عَنْهُمُۥٓ أَسْوَأَ اَ۬لذِے عَمِلُواْ وَيَجْزِيَهُمُۥٓ أَجْرَهُم بِأَحْسَنِ اِ۬لذِے كَانُواْ يَعْمَلُونَۖ
Volstaat God niet voor Zijn gehoorzame?
أَلَيْسَ اَ۬للَّهُ بِكَافٍ عَبْدَهُۥۖ
En zij zoeken jou schrik aan te jagen met hen die buiten Hem zijn;
وَيُخَوِّفُونَكَ بِالذِينَ مِن دُونِهِۦۖ
en wie God doet dwalen, die heeft geen leidsman meer.
وَمَنْ يُّضْلِلِ اِ۬للَّهُ فَمَا لَهُۥ مِنْ هَادٖۖ
En wie God leidt, die heeft niemand meer om hem te doen dwalen;
وَمَنْ يَّهْدِ اِ۬للَّهُ فَمَا لَهُۥ مِن مُّضِلٍّۖ
is God niet Almachtig, houder van de wraak?
اَلَيْسَ اَ۬للَّهُ بِعَزِيزٖ ذِے اِ۪نتِقَامٖۖ
En als jij hun vraagt wie de hemelen en de aarde geschapen heeft, zullen zij voorzeker zeggen: “God”;
وَلَئِن سَأَلْتَهُم مَّنْ خَلَقَ اَ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضَ لَيَقُولُنَّ اَ۬للَّهُۖ
zeg: “Zien jullie dan wat jullie aanroepen buiten God? Als God mij met een schade wilde treffen, zouden dezen dan Zijn schade van mij kunnen verlichten? Of als Hij een welwillendheid voor mij wilde, zouden zij die dan bij zich kunnen houden?”
قُلَ اَفَرَٰٓيْتُم مَّا تَدْعُونَ مِن دُونِ اِ۬للَّهِ إِنَ اَرَادَنِيَ اَ۬للَّهُ بِضُرٍّ هَلْ هُنَّ كَٰشِفَٰتُ ضُرِّهِۦٓ أَوَ اَرَادَنِے بِرَحْمَةٍ هَلْ هُنَّ مُمْسِكَٰتُ رَحْمَتِهِۦۖ
Zeg: “God volstaat mij;
قُلْ حَسْبِيَ اَ۬للَّهُۖ
aan Hem verlenen zij lastgeving die lastgeving verlenen.”
عَلَيْهِ يَتَوَكَّلُ اُ۬لْمُتَوَكِّلُونَۖ
Zeg: “O mijn volk, handel naar jullie plaats, want ook ik handel;
قُلْ يَٰقَوْمِ اِ۪عْمَلُواْ عَلَىٰ مَكَانَتِكُمُۥٓ إِنِّے عَٰمِلٞۖ
jullie zullen weldra weten bij wie een pijn zal komen die hem met schande bedekt, en over wie een pijn zal neerkomen die zich handhaaft.”
فَسَوْفَ تَعْلَمُونَ مَنْ يَّاتِيهِ عَذَابٞ يُخْزِيهِ وَيَحِلُّ عَلَيْهِ عَذَابٞ مُّقِيمٌۖ
Wij hebben de Schrift op jou doen neerdalen voor de mensen, in alle waarheid;
اِنَّآ أَنزَلْنَا عَلَيْكَ اَ۬لْكِتَٰبَ لِلنَّاسِ بِالْحَقِّۖ
wie zich laat leiden, het is voor zichzelf;
فَمَنِ اِ۪هْتَد۪ىٰ فَلِنَفْسِهِۦۖ
en wie dwaalt, dwaalt slechts tegen zichzelf;
وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيْهَاۖ
en jij bent voor hen geen lasthebber.
وَمَآ أَنتَ عَلَيْهِم بِوَكِيلٍۖ
God houdt de Zelven getrouw in bewaring op het ogenblik van hun dood, en hen die nog niet gestorven zijn, tijdens hun slaap;
اِ۬للَّهُ يَتَوَفَّى اَ۬لَانفُسَ حِينَ مَوْتِهَا وَالتِے لَمْ تَمُتْ فِے مَنَامِهَاۖ
Hij houdt hen vast wier dood Hij heeft bepaald, en stuurt de anderen terug tot een genoemde termijn;
فَيُمْسِكُ اُ۬لتِے قَض۪ىٰ عَلَيْهَا اَ۬لْمَوْتَ وَيُرْسِلُ اُ۬لُاخْر۪ىٰٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمّىًۖ
daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat nadenkt.
اِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوْمٖ يَتَفَكَّرُونَۖ
Of hebben zij, buiten God, voorsprekers genomen?
۞ أَمِ اِ۪تَّخَذُواْ مِن دُونِ اِ۬للَّهِ شُفَعَآءَۖ
Zeg: “Ook al bezitten zij niets en redeneren zij niet?”
قُلَ اَوَلَوْ كَانُواْ لَا يَمْلِكُونَ شَئْاٗ وَلَا يَعْقِلُونَۖ
Zeg: “De voorspraak behoort geheel aan God;
قُل لِّلهِ اِ۬لشَّفَٰعَةُ جَمِيعاٗۖ
aan Hem behoort het koningschap van de hemelen en de aarde;
لَّهُۥ مُلْكُ اُ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضِۖ
vervolgens zullen jullie tot Hem teruggebracht worden.”
ثُمَّ إِلَيْهِ تُرْجَعُونَۖ
En wanneer God alleen in herinnering gebracht wordt, krimpen de kernen van hen die niet geloven in het laatste leven samen van walging;
وَإِذَا ذُكِرَ اَ۬للَّهُ وَحْدَهُ اُ۪شْمَأَزَّتْ قُلُوبُ اُ۬لذِينَ لَا يُومِنُونَ بِالَاخِرَةِۖ
en wanneer zij die buiten Hem zijn in herinnering gebracht worden, zie, dan jubelen zij.
وَإِذَا ذُكِرَ اَ۬لذِينَ مِن دُونِهِۦٓ إِذَا هُمْ يَسْتَبْشِرُونَۖ
Zeg: “O God, Oorsprong van de hemelen en de aarde, Hij die weet wat de zintuigen ontgaat en wat getuigd wordt, U bent het die zal oordelen tussen Uw gehoorzamen over datgene waarin zij uiteenliepen.”
قُلِ اِ۬للَّهُمَّ فَاطِرَ اَ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضِ عَٰلِمَ اَ۬لْغَيْبِ وَالشَّهَٰدَةِ أَنتَ تَحْكُمُ بَيْنَ عِبَادِكَ فِے مَا كَانُواْ فِيهِ يَخْتَلِفُونَۖ
En als de onrechtvaardigen alles bezaten wat op de aarde is, en het equivalent ervan daarbij, zouden zij het als losgeld geven tegen de kwade pijn, op de Dag van het Verschijnen;
وَلَوَ اَنَّ لِلذِينَ ظَلَمُواْ مَا فِے اِ۬لَارْضِ جَمِيعاٗ وَمِثْلَهُۥ مَعَهُۥ لَافْتَدَوْاْ بِهِۦ مِن سُوٓءِ اِ۬لْعَذَابِ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِۖ
en van God zal zich aan hen vertonen datgene waarop zij niet rekenden.
وَبَدَا لَهُم مِّنَ اَ۬للَّهِ مَا لَمْ يَكُونُواْ يَحْتَسِبُونَۖ
En aan hen zullen zich de kwade gevolgen vertonen van wat zij hebben verworven,
وَبَدَا لَهُمْ سَيِّـَٔاتُ مَا كَسَبُواْۖ
en wat zij hoonden, zal hen omhullen.
وَحَاقَ بِهِم مَّا كَانُواْ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَۖ
Wanneer een schade de mens treft, roept hij Ons aan; vervolgens, wanneer Wij hem een weldaad van Onze zijde toekennen, zegt hij: “Het is mij slechts gegeven krachtens een weten.”
فَإِذَا مَسَّ اَ۬لِانسَٰنَ ضُرّٞ دَعَانَا ثُمَّ إِذَا خَوَّلْنَٰهُ نِعْمَةٗ مِّنَّا قَالَ إِنَّمَآ أُوتِيتُهُۥ عَلَىٰ عِلْمِۢۖ
Het is veeleer een beproeving,
بَلْ هِيَ فِتْنَةٞ
maar de meesten van hen weten het niet.
وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَۖ
Zij die vóór hen waren, hebben het reeds gezegd, en wat zij verwierven heeft hun tot niets gediend.
قَدْ قَالَهَا اَ۬لذِينَ مِن قَبْلِهِمْ فَمَآ أَغْن۪ىٰ عَنْهُم مَّا كَانُواْ يَكْسِبُونَۖ
De kwade gevolgen van wat zij hebben verworven zijn hun overkomen;
فَأَصَابَهُمْ سَيِّـَٔاتُ مَا كَسَبُواْۖ
en hun die, onder dezen, onrechtvaardig zijn, zullen de kwade gevolgen van wat zij hebben verworven overkomen, en zij zullen Hem niet tot onmacht kunnen brengen.
وَالذِينَ ظَلَمُواْ مِنْ هَٰٓؤُلَآءِ سَيُصِيبُهُمْ سَيِّـَٔاتُ مَا كَسَبُواْ وَمَا هُم بِمُعْجِزِينَۖ
Weten zij dan niet dat God de leeftocht uitbreidt voor wie het Hem behaagt, en haar afmeet?
أَوَلَمْ يَعْلَمُوٓاْ أَنَّ اَ۬للَّهَ يَبْسُطُ اُ۬لرِّزْقَ لِمَنْ يَّشَآءُ وَيَقْدِرُۖ
Daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat gelooft.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوْمٖ يُومِنُونَۖ
Zeg: “O Mijn gehoorzamen die buitensporig zijn geweest jegens jullie zelf, verlies de moed niet wat betreft de welwillendheid van God;
قُلْ يَٰعِبَادِيَ اَ۬لذِينَ أَسْرَفُواْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمْ لَا تَقْنَطُواْ مِن رَّحْمَةِ اِ۬للَّهِۖ
want God vergeeft alle vergrijpen;
إِنَّ اَ۬للَّهَ يَغْفِرُ اُ۬لذُّنُوبَ جَمِيعاًۖ
want Hij is het, de Zeer Vergevensgezinde, de Welwillende.”
اِنَّهُۥ هُوَ اَ۬لْغَفُورُ اُ۬لرَّحِيمُۖ
En wend jullie tot jullie Voogd, en wees integer tegenover Hem, voordat de pijn tot jullie komt; dan zullen jullie niet meer geholpen worden.
۞ وَأَنِيبُوٓاْ إِلَىٰ رَبِّكُمْ وَأَسْلِمُواْ لَهُۥ مِن قَبْلِ أَنْ يَّاتِيَكُمُ اُ۬لْعَذَابُ ثُمَّ لَا تُنصَرُونَۖ
En volg het schoonste van wat jullie van jullie Voogd is neergedaald, voordat de pijn jullie onverhoeds komt, zonder dat jullie haar voelen – uit vrees dat een Zelf zegt: “Wat een troosteloosheid om wat ik verzuimd heb aan de kant van God, en om voorzeker onder de spotters te zijn geweest!” of dat het zegt: “Als God mij had geleid, zou ik onder hen zijn geweest die zich behoeden”; of dat het, de pijn ziende, zegt: “Als ik maar een revanche had, zou ik onder hen zijn die het goede doen.”
وَاتَّبِعُوٓاْ أَحْسَنَ مَآ أُنزِلَ إِلَيْكُم مِّن رَّبِّكُم مِّن قَبْلِ أَنْ يَّاتِيَكُمُ اُ۬لْعَذَابُ بَغْتَةٗ وَأَنتُمْ لَا تَشْعُرُونَ أَن تَقُولَ نَفْسٞ يَٰحَسْرَت۪ىٰ عَلَىٰ مَا فَرَّطْتُّ فِے جَنۢبِ اِ۬للَّهِ وَإِن كُنتُ لَمِنَ اَ۬لسَّٰخِرِينَ أَوْ تَقُولَ لَوَ اَنَّ اَ۬للَّهَ هَد۪يٰنِے لَكُنتُ مِنَ اَ۬لْمُتَّقِينَ أَوْ تَقُولَ حِينَ تَرَى اَ۬لْعَذَابَ لَوَ اَنَّ لِے كَرَّةٗ فَأَكُونَ مِنَ اَ۬لْمُحْسِنِينَۖ
“Jawel! Mijn tekenen zijn tot jou gekomen, maar jij hebt ze ontkend, je bent opgezwollen van hoogmoed, en je bent onder hen geweest die verloochenen.”
بَل۪ىٰ قَدْ جَآءَتْكَ ءَايَٰتِے فَكَذَّبْتَ بِهَا وَاسْتَكْبَرْتَ وَكُنتَ مِنَ اَ۬لْكٰ۪فِرِينَۖ
En op de Dag van het Verschijnen zul je hen zien die over God gelogen hebben, met een verzwart gezicht.
وَيَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِ تَرَى اَ۬لذِينَ كَذَبُواْ عَلَى اَ۬للَّهِ وُجُوهُهُم مُّسْوَدَّةٌۖ
Is er niet, in Djahannam, een onderkomen voor de hoogmoedigen?
اَلَيْسَ فِے جَهَنَّمَ مَثْوىٗ لِّلْمُتَكَبِّرِينَۖ
En God redt hen die zich behoed hebben, door hun triomf; geen kwaad zal hen raken, en zij zullen niet bedroefd zijn.
وَيُنَجِّے اِ۬للَّهُ اُ۬لذِينَ اَ۪تَّقَوْاْ بِمَفَازَتِهِمْ لَا يَمَسُّهُمُ اُ۬لسُّوٓءُ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَۖ
God is de Schepper van alles;
اَ۬للَّهُ خَٰلِقُ كُلِّ شَےْءٖۖ
en Hij is, over alles, lasthebber.
وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَےْءٖ وَكِيلٞۖ
Aan Hem behoren de ambten van de hemelen en de aarde;
لَّهُۥ مَقَالِيدُ اُ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضِۖ
en zij die de tekenen van God verloochenen, dezen zijn de verliezers.
وَالذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لْخَٰسِرُونَۖ
Zeg: “Bevelen jullie mij dan een ander dan God te gehoorzamen, o onwetenden?”
قُلَ اَفَغَيْرَ اَ۬للَّهِ تَامُرُونِيَ أَعْبُدُ أَيُّهَا اَ۬لْجَٰهِلُونَۖ
Gewis is het jou geopenbaard, evenals aan hen die vóór jou waren: “Als jij associeerde, zou jouw werk voorzeker instorten, en zou je voorzeker onder de verliezers zijn.”
وَلَقَدُ ا۟وحِيَ إِلَيْكَ وَإِلَى اَ۬لذِينَ مِن قَبْلِكَ لَئِنَ اَشْرَكْتَ لَيَحْبَطَنَّ عَمَلُكَ وَلَتَكُونَنَّ مِنَ اَ۬لْخَٰسِرِينَۖ
Gehoorzaam veeleer God, en behoor tot de dankbaren.
بَلِ اِ۬للَّهَ فَاعْبُدْ وَكُن مِّنَ اَ۬لشَّٰكِرِينَۖ
Zij hebben God niet gemeten naar Zijn juiste maat; de gehele aarde zal in Zijn greep zijn op de Dag van het Verschijnen, en de hemelen zullen opgevouwen zijn in Zijn rechterhand.
۞ وَمَا قَدَرُواْ اُ۬للَّهَ حَقَّ قَدْرِهِۦ وَالَارْضُ جَمِيعاٗ قَبْضَتُهُۥ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِ وَالسَّمَٰوَٰتُ مَطْوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۖ
Glorie zij Hem, en Hij staat ver boven wat zij met Hem associëren.
سُبْحَٰنَهُۥ وَتَعَٰل۪ىٰ عَمَّا يُشْرِكُونَۖ
En er zal in de Hoorn geblazen worden, en ieder die in de hemelen en op de aarde is zal neergebliksemd worden, behalve wie het God behaagt;
وَنُفِخَ فِے اِ۬لصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِے اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِے اِ۬لَارْضِ إِلَّا مَن شَآءَ اَ۬للَّهُۖ
vervolgens zal er een andere keer in geblazen worden, en zie, zij staan rechtop, kijkend.
ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخْر۪ىٰ فَإِذَا هُمْ قِيَامٞ يَنظُرُونَۖ
En de aarde zal schitteren van het licht van haar Voogd; het register zal neergelegd worden; de berichtgevers en de getuigen zullen aangevoerd worden; er zal tussen hen beslist worden in alle waarheid, en zij zullen geen onrecht ondergaan.
وَأَشْرَقَتِ اِ۬لَارْضُ بِنُورِ رَبِّهَا وَوُضِعَ اَ۬لْكِتَٰبُ وَجِےٓءَ بِالنَّبِيٓـِٕۧنَ وَالشُّهَدَآءِ وَقُضِيَ بَيْنَهُم بِالْحَقِّ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَۖ
En ieder Zelf zal getrouw ontvangen wat het gedaan heeft, en Hij weet het best wat zij doen.
وَوُفِّيَتْ كُلُّ نَفْسٖ مَّا عَمِلَتْ وَهُوَ أَعْلَمُ بِمَا يَفْعَلُونَۖ
En zij die verloochenen zullen naar Djahannam geleid worden, in cohorten,
وَسِيقَ اَ۬لذِينَ كَفَرُوٓاْ إِلَىٰ جَهَنَّمَ زُمَراًۖ
totdat, daar aangekomen, haar poorten opengaan, en haar aangestelden tot hen zeggen: “Zijn er geen gezanten, uit jullie voortgekomen, tot jullie gekomen, die jullie de tekenen van jullie Voogd voordroegen en jullie waarschuwden voor de ontmoeting met deze dag?”
حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءُوهَا فُتِّحَتَ اَبْوَٰبُهَا وَقَالَ لَهُمْ خَزَنَتُهَآ أَلَمْ يَاتِكُمْ رُسُلٞ مِّنكُمْ يَتْلُونَ عَلَيْكُمُۥٓ ءَايَٰتِ رَبِّكُمْ وَيُنذِرُونَكُمْ لِقَآءَ يَوْمِكُمْ هَٰذَاۖ
Zij zullen zeggen: “Jawel!” maar het woord van de pijn zal zich hebben bewaarheid tegen hen die verloochenden.
قَالُواْ بَل۪ىٰ وَلَٰكِنْ حَقَّتْ كَلِمَةُ اُ۬لْعَذَابِ عَلَى اَ۬لْكٰ۪فِرِينَۖ
Er zal gezegd worden: “Treed binnen door de poorten van Djahannam, om daar eeuwig te blijven.”
قِيلَ اَ۟دْخُلُوٓاْ أَبْوَٰبَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَاۖ
Wat een verfoeilijk onderkomen, dat van de hoogmoedigen!
فَبِيسَ مَثْوَى اَ۬لْمُتَكَبِّرِينَۖ
En zij die zich voor hun Voogd behoed hebben zullen naar de Tuin geleid worden, in cohorten,
وَسِيقَ اَ۬لذِينَ اَ۪تَّقَوْاْ رَبَّهُمُۥٓ إِلَى اَ۬لْجَنَّةِ زُمَراًۖ
totdat, daar aangekomen, terwijl haar poorten geopend zijn, haar aangestelden tot hen zeggen: “Vrede over jullie, jullie zijn goed geweest – treed er binnen om er eeuwig te blijven.”
حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءُوهَا وَفُتِّحَتَ اَبْوَٰبُهَا وَقَالَ لَهُمْ خَزَنَتُهَا سَلَٰمٌ عَلَيْكُمْ طِبْتُمْ فَادْخُلُوهَا خَٰلِدِينَۖ
En zij zullen zeggen: “Lof zij God die ons Zijn belofte gehouden heeft, en ons de aarde heeft doen erven, ons installerend in de Tuin waar het ons behaagt; wat een uitstekende beloning voor hen die werken!”
وَقَالُواْ اُ۬لْحَمْدُ لِلهِ اِ۬لذِے صَدَقَنَا وَعْدَهُۥ وَأَوْرَثَنَا اَ۬لَارْضَ نَتَبَوَّأُ مِنَ اَ۬لْجَنَّةِ حَيْثُ نَشَآءُ فَنِعْمَ أَجْرُ اُ۬لْعَٰمِلِينَۖ
En jij zult de Gemachtigden zien, het Bouwwerk omringend, hun Voogd glorifiërend, Hem lovend;
وَتَرَى اَ۬لْمَلَٰٓئِكَةَ حَآفِّينَ مِنْ حَوْلِ اِ۬لْعَرْشِ يُسَبِّحُونَ بِحَمْدِ رَبِّهِمْۖ
en er zal tussen hen beslist worden in alle waarheid,
وَقُضِيَ بَيْنَهُم بِالْحَقِّۖ
en er zal gezegd worden: “Lof zij God, Voogd van alle wezens.”
وَقِيلَ اَ۬لْحَمْدُ لِلهِ رَبِّ اِ۬لْعَٰلَمِينَۖ