البقرة
Al-Baqara
Guidance for Those Who Guard Themselves
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Mim.
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ الٓمٓ
Dit is de Schrift: geen twijfel mogelijk,
ذَٰلِكَ ٱلۡكِتَٰبُ لَا رَيۡبَۛ
daarin, leiding voor hen die zich behoeden, hen die geloven ook al ontgaat het hun zintuigen, het Contact onderhouden, en uitgeven van datgene waarvan Wij hen voorzien hebben,
فِيهِۛ هُدٗى لِّلۡمُتَّقِينَ ٱلَّذِينَ يُؤۡمِنُونَ بِٱلۡغَيۡبِ وَيُقِيمُونَ ٱلصَّلَوٰةَ وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ
en zij die geloven in wat op jou neergedaald is en in wat vóór jou neergedaald is, en die de zekerheid van het laatste leven bezitten – dat zijn zij die op een leiding van hun Voogd zijn,
وَٱلَّذِينَ يُؤۡمِنُونَ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيۡكَ وَمَآ أُنزِلَ مِن قَبۡلِكَ وَبِٱلۡأٓخِرَةِ هُمۡ يُوقِنُونَ أُوْلَٰٓئِكَ عَلَىٰ هُدٗى مِّن رَّبِّهِمۡۖ
en dat zijn zij die slagen.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ
Zij die verloochenen, gewis is het voor hen gelijk of jij hen waarschuwt of jij hen niet waarschuwt: zij geloven niet.
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ سَوَآءٌ عَلَيۡهِمۡ ءَأَنذَرۡتَهُمۡ أَمۡ لَمۡ تُنذِرۡهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ
God heeft hun kernen en hun gehoor verzegeld,
خَتَمَ ٱللَّهُ عَلَىٰ قُلُوبِهِمۡ وَعَلَىٰ سَمۡعِهِمۡۖ
en op hun gezichtsvermogen, wat het overdekt;
وَعَلَىٰٓ أَبۡصَٰرِهِمۡ غِشَٰوَةٞۖ
en zij zullen een ontzaglijke pijn hebben.
وَلَهُمۡ عَذَابٌ عَظِيمٞ
En onder de mensen zijn er die zeggen: “Wij geloven in God en in de Laatste Dag”, terwijl zij geen gelovenden zijn.
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَقُولُ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَبِٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ وَمَا هُم بِمُؤۡمِنِينَ
Zij trachten God en hen die geloofd hebben te misleiden,
يُخَٰدِعُونَ ٱللَّهَ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ
maar zij misleiden slechts zichzelf, zonder het te voelen.
وَمَا يَخۡدَعُونَ إِلَّآ أَنفُسَهُمۡ وَمَا يَشۡعُرُونَ
Er is in hun kernen een ziekte,
فِي قُلُوبِهِم مَّرَضٞ
en God heeft hen in ziekte doen toenemen;
فَزَادَهُمُ ٱللَّهُ مَرَضٗاۖ
en zij zullen een schrijnende pijn hebben, omdat zij gelogen hebben.
وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمُۢ بِمَا كَانُواْ يَكۡذِبُونَ
En wanneer men tot hen zegt: “Zaai geen bederf op de aarde”, zeggen zij: “Wij saneren slechts.”
وَإِذَا قِيلَ لَهُمۡ لَا تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ قَالُوٓاْ إِنَّمَا نَحۡنُ مُصۡلِحُونَ
Is het niet zo: zij zijn gewis de bedervers; maar zij voelen het niet.
أَلَآ إِنَّهُمۡ هُمُ ٱلۡمُفۡسِدُونَ وَلَٰكِن لَّا يَشۡعُرُونَ
En wanneer men tot hen zegt: “Geloof zoals de mensen geloofd hebben”, zeggen zij: “Zouden wij geloven zoals de dwazen geloofd hebben?”
وَإِذَا قِيلَ لَهُمۡ ءَامِنُواْ كَمَآ ءَامَنَ ٱلنَّاسُ قَالُوٓاْ أَنُؤۡمِنُ كَمَآ ءَامَنَ ٱلسُّفَهَآءُۗ
Is het niet zo: zij zijn gewis de dwazen; maar zij weten het niet.
أَلَآ إِنَّهُمۡ هُمُ ٱلسُّفَهَآءُ وَلَٰكِن لَّا يَعۡلَمُونَ
En wanneer zij hen ontmoeten die geloofd hebben, zeggen zij: “Wij hebben geloofd”;
وَإِذَا لَقُواْ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ قَالُوٓاْ ءَامَنَّا
en wanneer zij met hun afleiders alleen zijn, zeggen zij: “Wij zijn gewis met jullie, wij honen slechts.”
وَإِذَا خَلَوۡاْ إِلَىٰ شَيَٰطِينِهِمۡ قَالُوٓاْ إِنَّا مَعَكُمۡ إِنَّمَا نَحۡنُ مُسۡتَهۡزِءُونَ
God hoont hen, en laat hen hun mateloosheid verlengen, waarin zij rondtasten.
ٱللَّهُ يَسۡتَهۡزِئُ بِهِمۡ وَيَمُدُّهُمۡ فِي طُغۡيَٰنِهِمۡ يَعۡمَهُونَ
Dat zijn zij die de dwaling gekocht hebben tegen de prijs van de leiding; hun handel is dus niet winstgevend geweest, en zij lieten zich niet leiden.
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ ٱشۡتَرَوُاْ ٱلضَّلَٰلَةَ بِٱلۡهُدَىٰ فَمَا رَبِحَت تِّجَٰرَتُهُمۡ وَمَا كَانُواْ مُهۡتَدِينَ
Hun voorbeeld is dat van iemand die een vuur ontsteekt; wanneer hij beschenen heeft wat hem omgeeft,
مَثَلُهُمۡ كَمَثَلِ ٱلَّذِي ٱسۡتَوۡقَدَ نَارٗا فَلَمَّآ أَضَآءَتۡ مَا حَوۡلَهُۥ
neemt God hun licht weg en laat hen in duisternissen waarin zij niets meer helder zien.
ذَهَبَ ٱللَّهُ بِنُورِهِمۡ وَتَرَكَهُمۡ فِي ظُلُمَٰتٖ لَّا يُبۡصِرُونَ
Doof, stom, blind, zij keren dus niet terug.
صُمُّۢ بُكۡمٌ عُمۡيٞ فَهُمۡ لَا يَرۡجِعُونَ
Of als een stortregen uit de hemel, waarin duisternissen, donder en bliksem zijn:
أَوۡ كَصَيِّبٖ مِّنَ ٱلسَّمَآءِ فِيهِ ظُلُمَٰتٞ وَرَعۡدٞ وَبَرۡقٞ
zij steken hun vingers in hun oren, vanwege de bliksemschicht, op hun hoede voor de dood.
يَجۡعَلُونَ أَصَٰبِعَهُمۡ فِيٓ ءَاذَانِهِم مِّنَ ٱلصَّوَٰعِقِ حَذَرَ ٱلۡمَوۡتِۚ
God omsingelt hen die verloochenen volkomen.
وَٱللَّهُ مُحِيطُۢ بِٱلۡكَٰفِرِينَ
De bliksem is op het punt hun gezichtsvermogen te ontrukken.
يَكَادُ ٱلۡبَرۡقُ يَخۡطَفُ أَبۡصَٰرَهُمۡۖ
Telkens wanneer hij hen beschijnt, lopen zij;
كُلَّمَآ أَضَآءَ لَهُم مَّشَوۡاْ فِيهِ
en zodra het over hen donker wordt, blijven zij roerloos staan.
وَإِذَآ أَظۡلَمَ عَلَيۡهِمۡ قَامُواْۚ
En indien het God behaagd had, zou Hij zeker hun gehoor en hun gezichtsvermogen hebben weggenomen,
وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ لَذَهَبَ بِسَمۡعِهِمۡ وَأَبۡصَٰرِهِمۡۚ
want God is tot alles in staat.
إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ
O mensen! Gehoorzaam jullie Voogd, die jullie geschapen heeft, jullie en hen die jullie zijn voorgegaan, misschien zullen jullie je behoeden,
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ ٱعۡبُدُواْ رَبَّكُمُ ٱلَّذِي خَلَقَكُمۡ وَٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ
Hij die voor jullie van de aarde een legerstede gemaakt heeft, en van de hemel een bouwsel, en die uit de hemel een water heeft doen neerdalen, waardoor Hij vruchten naar buiten heeft gebracht als leeftocht voor jullie.
ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُمُ ٱلۡأَرۡضَ فِرَٰشٗا وَٱلسَّمَآءَ بِنَآءٗ وَأَنزَلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءٗ فَأَخۡرَجَ بِهِۦ مِنَ ٱلثَّمَرَٰتِ رِزۡقٗا لَّكُمۡۖ
Wijs dus aan God geen rivalen toe, terwijl jullie weten.
فَلَا تَجۡعَلُواْ لِلَّهِ أَندَادٗا وَأَنتُمۡ تَعۡلَمُونَ
En indien jullie twijfelen aan wat Wij op Onze gehoorzame hebben doen neerdalen, breng dan een soera bij die er soortgelijk aan is,
وَإِن كُنتُمۡ فِي رَيۡبٖ مِّمَّا نَزَّلۡنَا عَلَىٰ عَبۡدِنَا فَأۡتُواْ بِسُورَةٖ مِّن مِّثۡلِهِۦ
en roep jullie getuigen, buiten God, indien jullie waarachtig zijn.
وَٱدۡعُواْ شُهَدَآءَكُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ
Indien jullie het niet doen – en jullie zullen het nooit doen – behoed jullie dan voor het Vuur, waarvan de brandstof de mensen en de stenen zijn,
فَإِن لَّمۡ تَفۡعَلُواْ وَلَن تَفۡعَلُواْ فَٱتَّقُواْ ٱلنَّارَ ٱلَّتِي وَقُودُهَا ٱلنَّاسُ وَٱلۡحِجَارَةُۖ
bereid voor hen die verloochenen.
أُعِدَّتۡ لِلۡكَٰفِرِينَ
En kondig hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht aan dat zij tuinen zullen hebben waaronder de rivieren stromen.
وَبَشِّرِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أَنَّ لَهُمۡ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ
Telkens wanneer zij daar van een vrucht als leeftocht voorzien worden, zeggen zij: “Dit is waarvan wij voorheen voorzien zijn”;
كُلَّمَا رُزِقُواْ مِنۡهَا مِن ثَمَرَةٖ رِّزۡقٗا قَالُواْ هَٰذَا ٱلَّذِي رُزِقۡنَا مِن قَبۡلُۖ
en men brengt het hun, gelijkend.
وَأُتُواْ بِهِۦ مُتَشَٰبِهٗاۖ
En zij zullen daar gereinigde echtgenoten hebben,
وَلَهُمۡ فِيهَآ أَزۡوَٰجٞ مُّطَهَّرَةٞۖ
en zij blijven daar eeuwig.
وَهُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ
God voelt gewis geen schaamte om een voorbeeld te vermenigvuldigen, al is het dat van een mug of van nog meer.
۞ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَسۡتَحۡيِۦٓ أَن يَضۡرِبَ مَثَلٗا مَّا بَعُوضَةٗ فَمَا فَوۡقَهَاۚ
Wat hen betreft die geloofd hebben, zij weten dat het de waarheid van hun Voogd is;
فَأَمَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ فَيَعۡلَمُونَ أَنَّهُ ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّهِمۡۖ
en wat hen betreft die verloochenen, zij zeggen: “Wat heeft God met dit voorbeeld gewild?”
وَأَمَّا ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ فَيَقُولُونَ مَاذَآ أَرَادَ ٱللَّهُ بِهَٰذَا مَثَلٗاۘ
Hij doet daarmee velen dwalen, en leidt daarmee velen;
يُضِلُّ بِهِۦ كَثِيرٗا وَيَهۡدِي بِهِۦ كَثِيرٗاۚ
en Hij doet daarmee slechts de grensoverschrijders dwalen, zij die het pact van God verbreken na de plechtige verbintenis die eraan bindt, doorsnijden wat God bevolen heeft te verbinden, en bederf zaaien op de aarde.
وَمَا يُضِلُّ بِهِۦٓ إِلَّا ٱلۡفَٰسِقِينَ ٱلَّذِينَ يَنقُضُونَ عَهۡدَ ٱللَّهِ مِنۢ بَعۡدِ مِيثَٰقِهِۦ وَيَقۡطَعُونَ مَآ أَمَرَ ٱللَّهُ بِهِۦٓ أَن يُوصَلَ وَيُفۡسِدُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِۚ
Dat zijn de verliezers.
أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡخَٰسِرُونَ
Hoe kunnen jullie God verloochenen, terwijl jullie dood waren en Hij jullie heeft doen leven; vervolgens zal Hij jullie doen sterven,
كَيۡفَ تَكۡفُرُونَ بِٱللَّهِ وَكُنتُمۡ أَمۡوَٰتٗا فَأَحۡيَٰكُمۡۖ ثُمَّ يُمِيتُكُمۡ
vervolgens zal Hij jullie weer leven geven, vervolgens zal het tot Hem zijn dat jullie teruggebracht worden?
ثُمَّ يُحۡيِيكُمۡ ثُمَّ إِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ
Hij is het die voor jullie alles geschapen heeft wat op de aarde is,
هُوَ ٱلَّذِي خَلَقَ لَكُم مَّا فِي ٱلۡأَرۡضِ جَمِيعٗا
vervolgens richtte Hij Zich naar de hemel, en Hij heeft ze tot zeven hemelen vormgegeven;
ثُمَّ ٱسۡتَوَىٰٓ إِلَى ٱلسَّمَآءِ فَسَوَّىٰهُنَّ سَبۡعَ سَمَٰوَٰتٖۚ
en Hij is Alwetend over alles.
وَهُوَ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٞ
En toen jouw Voogd tot de Gemachtigden zei: “Ik ga op de aarde een opvolger plaatsen.”
وَإِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ إِنِّي جَاعِلٞ فِي ٱلۡأَرۡضِ خَلِيفَةٗۖ
Zij zeiden: “Gaat U daar iemand plaatsen die er bederf zal zaaien en bloed zal vergieten, terwijl wij U glorifiëren door U te loven en Uw heiligheid afkondigen?”
قَالُوٓاْ أَتَجۡعَلُ فِيهَا مَن يُفۡسِدُ فِيهَا وَيَسۡفِكُ ٱلدِّمَآءَ وَنَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِكَ وَنُقَدِّسُ لَكَۖ
Hij zei: “Ik weet gewis wat jullie niet weten.”
قَالَ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُونَ
En Hij leerde Adam alle eigenschappen, vervolgens legde Hij ze aan de Gemachtigden voor, en zei: “Bericht Mij over de eigenschappen van dezen, indien jullie waarachtig zijn.”
وَعَلَّمَ ءَادَمَ ٱلۡأَسۡمَآءَ كُلَّهَا ثُمَّ عَرَضَهُمۡ عَلَى ٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ فَقَالَ أَنۢبِـُٔونِي بِأَسۡمَآءِ هَٰٓؤُلَآءِ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ
Zij zeiden: “Glorie zij U! Wij hebben geen weten behalve wat U ons geleerd hebt; gewis bent U het, de Alwetende, de Wijze.”
قَالُواْ سُبۡحَٰنَكَ لَا عِلۡمَ لَنَآ إِلَّا مَا عَلَّمۡتَنَآۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَلِيمُ ٱلۡحَكِيمُ
Hij zei: “O Adam! Bericht hen over hun eigenschappen.”
قَالَ يَٰٓـَٔادَمُ أَنۢبِئۡهُم بِأَسۡمَآئِهِمۡۖ
En toen hij hen over hun eigenschappen bericht had, zei Hij: “Heb Ik jullie niet gezegd dat Ik ken wat de zintuigen ontgaat in de hemelen en op de aarde, en dat Ik weet wat jullie zichtbaar maken en wat jullie verzwegen?”
فَلَمَّآ أَنۢبَأَهُم بِأَسۡمَآئِهِمۡ قَالَ أَلَمۡ أَقُل لَّكُمۡ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ غَيۡبَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَأَعۡلَمُ مَا تُبۡدُونَ وَمَا كُنتُمۡ تَكۡتُمُونَ
En toen Wij tot de Gemachtigden zeiden: “Werp jullie neer voor Adam”, wierpen zij zich neer,
وَإِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ ٱسۡجُدُواْ لِأٓدَمَ فَسَجَدُوٓاْ
behalve Iblis: hij weigerde, zwol op van hoogmoed, en behoorde tot hen die verloochenen.
إِلَّآ إِبۡلِيسَ أَبَىٰ وَٱسۡتَكۡبَرَ وَكَانَ مِنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ
En Wij zeiden: “O Adam! Woon, jij en jouw echtgenoot, in de Tuin, en eet ervan, in alle gemak, waar het jullie zal behagen,
وَقُلۡنَا يَٰٓـَٔادَمُ ٱسۡكُنۡ أَنتَ وَزَوۡجُكَ ٱلۡجَنَّةَ وَكُلَا مِنۡهَا رَغَدًا حَيۡثُ شِئۡتُمَا
maar nader niet tot deze boom, anders zouden jullie tot de onrechtvaardigen behoren.”
وَلَا تَقۡرَبَا هَٰذِهِ ٱلشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ
Maar de Afleider deed hen daaruit wegglijden, en deed hen uitgaan uit de toestand waarin zij zich bevonden;
فَأَزَلَّهُمَا ٱلشَّيۡطَٰنُ عَنۡهَا فَأَخۡرَجَهُمَا مِمَّا كَانَا فِيهِۖ
en Wij zeiden: “Daal neer,
وَقُلۡنَا ٱهۡبِطُواْ
vijanden van elkaar,
بَعۡضُكُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوّٞۖ
en jullie zullen op de aarde een haven en een genieting voor een tijd hebben.”
وَلَكُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ مُسۡتَقَرّٞ وَمَتَٰعٌ إِلَىٰ حِينٖ
Vervolgens ontving Adam van zijn Voogd woorden, en Hij keerde met mildheid tot hem terug,
فَتَلَقَّىٰٓ ءَادَمُ مِن رَّبِّهِۦ كَلِمَٰتٖ فَتَابَ عَلَيۡهِۚ
want Hij is Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
إِنَّهُۥ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ
Wij zeiden: “Daal ervan neer, allen tezamen;
قُلۡنَا ٱهۡبِطُواْ مِنۡهَا جَمِيعٗاۖ
vervolgens, indien een leiding van Mijn kant tot jullie komt, wie Mijn leiding volgt – geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
فَإِمَّا يَأۡتِيَنَّكُم مِّنِّي هُدٗى فَمَن تَبِعَ هُدَايَ فَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ
En zij die verloochenen en Onze tekenen ontkennen – dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.”
وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ وَكَذَّبُواْ بِـَٔايَٰتِنَآ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ
O zonen van Israël! Herinner jullie Mijn weldaad, waarmee Ik jullie overladen heb, en wees trouw aan Mijn pact, Ik zal trouw zijn aan dat van jullie; en Mij moeten jullie eerbiedigen.
يَٰبَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ ٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتِيَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ وَأَوۡفُواْ بِعَهۡدِيٓ أُوفِ بِعَهۡدِكُمۡ وَإِيَّٰيَ فَٱرۡهَبُونِ
En geloof in wat Ik heb doen neerdalen, bevestigend wat bij jullie is, en wees niet de eersten om het te verloochenen;
وَءَامِنُواْ بِمَآ أَنزَلۡتُ مُصَدِّقٗا لِّمَا مَعَكُمۡ وَلَا تَكُونُوٓاْ أَوَّلَ كَافِرِۭ بِهِۦۖ
en koop niet, met Mijn tekenen, een schamele prijs; en voor Mij moeten jullie je behoeden.
وَلَا تَشۡتَرُواْ بِـَٔايَٰتِي ثَمَنٗا قَلِيلٗا وَإِيَّٰيَ فَٱتَّقُونِ
En bekleed de waarheid niet met het valse, en verzwijg de waarheid niet, terwijl jullie weten.
وَلَا تَلۡبِسُواْ ٱلۡحَقَّ بِٱلۡبَٰطِلِ وَتَكۡتُمُواْ ٱلۡحَقَّ وَأَنتُمۡ تَعۡلَمُونَ
En onderhoud het Contact, en geef de zuivere vrijgevigheid,
وَأَقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُواْ ٱلزَّكَوٰةَ
en kniel met hen die knielen.
وَٱرۡكَعُواْ مَعَ ٱلرَّٰكِعِينَ
Bevelen jullie de mensen de deugd, jullie zelf vergetend, terwijl jullie de Schrift voordragen?
۞ أَتَأۡمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلۡبِرِّ وَتَنسَوۡنَ أَنفُسَكُمۡ وَأَنتُمۡ تَتۡلُونَ ٱلۡكِتَٰبَۚ
Redeneren jullie dan niet?
أَفَلَا تَعۡقِلُونَ
En zoek bijstand in het geduld en het Contact:
وَٱسۡتَعِينُواْ بِٱلصَّبۡرِ وَٱلصَّلَوٰةِۚ
dat is voorzeker zwaar, behalve voor de nederigen, zij die vermoeden dat zij hun Voogd zullen ontmoeten, en dat het tot Hem is dat zij terugkeren.
وَإِنَّهَا لَكَبِيرَةٌ إِلَّا عَلَى ٱلۡخَٰشِعِينَ ٱلَّذِينَ يَظُنُّونَ أَنَّهُم مُّلَٰقُواْ رَبِّهِمۡ وَأَنَّهُمۡ إِلَيۡهِ رَٰجِعُونَ
O zonen van Israël! Herinner jullie Mijn weldaad, waarmee Ik jullie overladen heb, en dat Ik jullie boven alle wezens bevoordeeld heb.
يَٰبَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ ٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتِيَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ وَأَنِّي فَضَّلۡتُكُمۡ عَلَى ٱلۡعَٰلَمِينَ
En behoed jullie voor een dag waarop geen Zelf in iets de plaats van een ander Zelf zal innemen, waarop geen voorspraak van hem aanvaard zal worden, waarop geen compensatie van hem genomen zal worden, en waarop zij niet geholpen zullen worden.
وَٱتَّقُواْ يَوۡمٗا لَّا تَجۡزِي نَفۡسٌ عَن نَّفۡسٖ شَيۡـٔٗا وَلَا يُقۡبَلُ مِنۡهَا شَفَٰعَةٞ وَلَا يُؤۡخَذُ مِنۡهَا عَدۡلٞ وَلَا هُمۡ يُنصَرُونَ
En toen Wij jullie redden van de clan van Fir'aun, die jullie de kwade pijn toebracht, jullie zonen slachtend en de eerbaarheid van jullie vrouwen aantastend –
وَإِذۡ نَجَّيۡنَٰكُم مِّنۡ ءَالِ فِرۡعَوۡنَ يَسُومُونَكُمۡ سُوٓءَ ٱلۡعَذَابِ يُذَبِّحُونَ أَبۡنَآءَكُمۡ وَيَسۡتَحۡيُونَ نِسَآءَكُمۡۚ
en daar was, van jullie Voogd, wat ontzaglijk beproeft.
وَفِي ذَٰلِكُم بَلَآءٞ مِّن رَّبِّكُمۡ عَظِيمٞ
En toen Wij voor jullie de zee spleten, en jullie redden, en de clan van Fir'aun lieten verdrinken, terwijl jullie keken.
وَإِذۡ فَرَقۡنَا بِكُمُ ٱلۡبَحۡرَ فَأَنجَيۡنَٰكُمۡ وَأَغۡرَقۡنَآ ءَالَ فِرۡعَوۡنَ وَأَنتُمۡ تَنظُرُونَ
En toen Wij een afspraak met Moesa vaststelden voor veertig nachten; vervolgens hebben jullie het kalf genomen, na hem, en jullie waren onrechtvaardig.
وَإِذۡ وَٰعَدۡنَا مُوسَىٰٓ أَرۡبَعِينَ لَيۡلَةٗ ثُمَّ ٱتَّخَذتُّمُ ٱلۡعِجۡلَ مِنۢ بَعۡدِهِۦ وَأَنتُمۡ ظَٰلِمُونَ
Vervolgens hebben Wij het jullie kwijtgescholden, hierna, misschien zouden jullie dankbaar zijn.
ثُمَّ عَفَوۡنَا عَنكُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ لَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ
En toen Wij aan Moesa de Schrift gaven
وَإِذۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡكِتَٰبَ
en het Onderscheid, misschien zouden jullie je laten leiden.
وَٱلۡفُرۡقَانَ لَعَلَّكُمۡ تَهۡتَدُونَ
En toen Moesa tot zijn volk zei: “O mijn volk! Jullie hebben gewis onrecht gedaan aan jullie zelf door het kalf te nemen; keer dus terug tot Hem die jullie het bestaan gegeven heeft, en dood elkaar,
وَإِذۡ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوۡمِهِۦ يَٰقَوۡمِ إِنَّكُمۡ ظَلَمۡتُمۡ أَنفُسَكُم بِٱتِّخَاذِكُمُ ٱلۡعِجۡلَ فَتُوبُوٓاْ إِلَىٰ بَارِئِكُمۡ فَٱقۡتُلُوٓاْ أَنفُسَكُمۡ
dat is beter voor jullie bij Hem die jullie het bestaan gegeven heeft.”
ذَٰلِكُمۡ خَيۡرٞ لَّكُمۡ عِندَ بَارِئِكُمۡ
Toen keerde Hij met mildheid tot jullie terug,
فَتَابَ عَلَيۡكُمۡۚ
want Hij is Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
إِنَّهُۥ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ
En toen jullie zeiden: “O Moesa! Wij zullen jou geen krediet verlenen zolang wij God niet openlijk zien”; toen greep de bliksemschicht jullie, terwijl jullie keken.
وَإِذۡ قُلۡتُمۡ يَٰمُوسَىٰ لَن نُّؤۡمِنَ لَكَ حَتَّىٰ نَرَى ٱللَّهَ جَهۡرَةٗ فَأَخَذَتۡكُمُ ٱلصَّٰعِقَةُ وَأَنتُمۡ تَنظُرُونَ
Vervolgens hebben Wij jullie opgewekt na jullie dood, misschien zouden jullie dankbaar zijn.
ثُمَّ بَعَثۡنَٰكُم مِّنۢ بَعۡدِ مَوۡتِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ
En Wij hebben de schaduw van de wolk over jullie uitgespreid, en de manna en de kwartels op jullie doen neerdalen:
وَظَلَّلۡنَا عَلَيۡكُمُ ٱلۡغَمَامَ وَأَنزَلۡنَا عَلَيۡكُمُ ٱلۡمَنَّ وَٱلسَّلۡوَىٰۖ
“Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie voorzien hebben” –
كُلُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا رَزَقۡنَٰكُمۡۚ
zij hebben geen onrecht aan Ons gedaan, maar het was aan zichzelf dat zij onrecht deden.
وَمَا ظَلَمُونَا وَلَٰكِن كَانُوٓاْ أَنفُسَهُمۡ يَظۡلِمُونَ
En toen Wij zeiden: “Treed binnen in deze stad, eet ervan waar het jullie behaagt, in alle gemak, treed binnen door de poort, jullie neerwerpend, en zeg: Ontlast ons – Wij zullen jullie jullie fouten vergeven,
وَإِذۡ قُلۡنَا ٱدۡخُلُواْ هَٰذِهِ ٱلۡقَرۡيَةَ فَكُلُواْ مِنۡهَا حَيۡثُ شِئۡتُمۡ رَغَدٗا وَٱدۡخُلُواْ ٱلۡبَابَ سُجَّدٗا وَقُولُواْ حِطَّةٞ نَّغۡفِرۡ لَكُمۡ خَطَٰيَٰكُمۡۚ
en Wij zullen meer geven aan hen die het goede doen.”
وَسَنَزِيدُ ٱلۡمُحۡسِنِينَ
Maar zij die onrechtvaardig waren stelden een andere uitspraak in de plaats van die welke tot hen gezegd was; Wij deden toen op hen die onrechtvaardig geweest waren een bezoedeling uit de hemel neerdalen, omdat zij de grenzen overschreden hadden.
فَبَدَّلَ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ قَوۡلًا غَيۡرَ ٱلَّذِي قِيلَ لَهُمۡ فَأَنزَلۡنَا عَلَى ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ رِجۡزٗا مِّنَ ٱلسَّمَآءِ بِمَا كَانُواْ يَفۡسُقُونَ
En toen Moesa iets vroeg om zijn volk te laven; zeiden Wij: “Sla de rots met jouw staf”;
۞ وَإِذِ ٱسۡتَسۡقَىٰ مُوسَىٰ لِقَوۡمِهِۦ فَقُلۡنَا ٱضۡرِب بِّعَصَاكَ ٱلۡحَجَرَۖ
en zie: twaalf bronnen ontsprongen eraan:
فَٱنفَجَرَتۡ مِنۡهُ ٱثۡنَتَا عَشۡرَةَ عَيۡنٗاۖ
elke groep mensen kende haar drinkplaats.
قَدۡ عَلِمَ كُلُّ أُنَاسٖ مَّشۡرَبَهُمۡۖ
Eet en drink van de leeftocht van God,
كُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ مِن رِّزۡقِ ٱللَّهِ
en zaai geen wanorde op de aarde als bedervers.
وَلَا تَعۡثَوۡاْ فِي ٱلۡأَرۡضِ مُفۡسِدِينَ
En toen jullie zeiden: “O Moesa! Wij zullen nooit geduld kunnen hebben met één enkel voedsel; roep dus voor ons jouw Voogd aan, dat Hij voor ons doe uitgaan van wat de aarde doet groeien, van haar groenten, van haar komkommers, van haar knoflook, van haar linzen, en van haar uien.”
وَإِذۡ قُلۡتُمۡ يَٰمُوسَىٰ لَن نَّصۡبِرَ عَلَىٰ طَعَامٖ وَٰحِدٖ فَٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُخۡرِجۡ لَنَا مِمَّا تُنۢبِتُ ٱلۡأَرۡضُ مِنۢ بَقۡلِهَا وَقِثَّآئِهَا وَفُومِهَا وَعَدَسِهَا وَبَصَلِهَاۖ
Hij zei: “Zouden jullie willen nemen wat onmiddellijk is in ruil voor wat beter is?
قَالَ أَتَسۡتَبۡدِلُونَ ٱلَّذِي هُوَ أَدۡنَىٰ بِٱلَّذِي هُوَ خَيۡرٌۚ
Daal dus neer naar Egypte, want jullie zullen daar vinden wat jullie gevraagd hebben.”
ٱهۡبِطُواْ مِصۡرٗا فَإِنَّ لَكُم مَّا سَأَلۡتُمۡۗ
En de vernedering en de behoeftigheid werden op hen aangeplakt, en zij liepen de woede van God op.
وَضُرِبَتۡ عَلَيۡهِمُ ٱلذِّلَّةُ وَٱلۡمَسۡكَنَةُ وَبَآءُو بِغَضَبٖ مِّنَ ٱللَّهِۚ
Dat is omdat zij de tekenen van God verloochenden, en de berichtgevers zonder recht doodden.
ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمۡ كَانُواْ يَكۡفُرُونَ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ وَيَقۡتُلُونَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّۚ
Dat is omdat zij ongehoorzaam zijn geweest en de grenzen overschreden hebben.
ذَٰلِكَ بِمَا عَصَواْ وَّكَانُواْ يَعۡتَدُونَ
Gewis, zij die geloofd hebben, de Geheroriënteerden, de Helpers en de Aspiranten – wie in God en in de Laatste Dag geloofd heeft, en het deugdelijke werk heeft verricht, hun beloning komt hun toe bij hun Voogd, geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَٱلَّذِينَ هَادُواْ وَٱلنَّصَٰرَىٰ وَٱلصَّٰبِـِٔينَ مَنۡ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا فَلَهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ
En toen Wij jullie plechtige verbintenis namen, en de Berg boven jullie ophieven:
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَكُمۡ وَرَفَعۡنَا فَوۡقَكُمُ ٱلطُّورَ
“Neem met kracht aan wat Wij jullie gegeven hebben, en herinner jullie wat zich daarin bevindt, misschien zullen jullie je behoeden.”
خُذُواْ مَآ ءَاتَيۡنَٰكُم بِقُوَّةٖ وَٱذۡكُرُواْ مَا فِيهِ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ
Vervolgens hebben jullie hierna de rug toegekeerd;
ثُمَّ تَوَلَّيۡتُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَۖ
en zonder de gunst van God over jullie en Zijn welwillendheid, zouden jullie tot de verliezers hebben behoord.
فَلَوۡلَا فَضۡلُ ٱللَّهِ عَلَيۡكُمۡ وَرَحۡمَتُهُۥ لَكُنتُم مِّنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ
Jullie hebben gewis degenen onder jullie gekend die de grenzen overschreden hebben ten aanzien van de Rust; Wij zeiden toen tot hen: “Wees teruggedrongen apen.”
وَلَقَدۡ عَلِمۡتُمُ ٱلَّذِينَ ٱعۡتَدَوۡاْ مِنكُمۡ فِي ٱلسَّبۡتِ فَقُلۡنَا لَهُمۡ كُونُواْ قِرَدَةً خَٰسِـِٔينَ
Wij hebben daar een ontradend voorbeeld van gemaakt voor wat eraan voorafging en wat erop volgde, en een aansporing voor hen die zich behoeden.
فَجَعَلۡنَٰهَا نَكَٰلٗا لِّمَا بَيۡنَ يَدَيۡهَا وَمَا خَلۡفَهَا وَمَوۡعِظَةٗ لِّلۡمُتَّقِينَ
En toen Moesa tot zijn volk zei: “God beveelt jullie een koe te slachten.”
وَإِذۡ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوۡمِهِۦٓ إِنَّ ٱللَّهَ يَأۡمُرُكُمۡ أَن تَذۡبَحُواْ بَقَرَةٗۖ
Zij zeiden: “Neem jij ons tot voorwerp van hoon?”
قَالُوٓاْ أَتَتَّخِذُنَا هُزُؤٗاۖ
Hij zei: “Ik stel mij onder de egide van God om niet tot de onwetenden te behoren.”
قَالَ أَعُوذُ بِٱللَّهِ أَنۡ أَكُونَ مِنَ ٱلۡجَٰهِلِينَ
Zij zeiden: “Roep voor ons jouw Voogd aan, dat Hij ons nader aanduidt wat zij is.”
قَالُواْ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّن لَّنَا مَا هِيَۚ
Hij zei: “Hij zegt dat zij een koe is, niet oud en niet maagdelijk,
قَالَ إِنَّهُۥ يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٞ لَّا فَارِضٞ وَلَا بِكۡرٌ
van middelbare leeftijd tussen de twee;
عَوَانُۢ بَيۡنَ ذَٰلِكَۖ
doe dus wat jullie bevolen is.”
فَٱفۡعَلُواْ مَا تُؤۡمَرُونَ
Zij zeiden: “Roep voor ons jouw Voogd aan, dat Hij ons haar kleur nader aanduidt.”
قَالُواْ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّن لَّنَا مَا لَوۡنُهَاۚ
Hij zei: “Hij zegt dat zij een gele koe is, van een felle kleur,
قَالَ إِنَّهُۥ يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٞ صَفۡرَآءُ فَاقِعٞ لَّوۡنُهَا
die de blikken verrukt.”
تَسُرُّ ٱلنَّٰظِرِينَ
Zij zeiden: “Roep voor ons jouw Voogd aan, dat Hij ons nader aanduidt wat zij is: de koeien lijken in onze ogen allemaal op elkaar, en wij zullen voorzeker, indien het God behaagt, behoren tot hen die zich laten leiden.”
قَالُواْ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّن لَّنَا مَا هِيَ إِنَّ ٱلۡبَقَرَ تَشَٰبَهَ عَلَيۡنَا وَإِنَّآ إِن شَآءَ ٱللَّهُ لَمُهۡتَدُونَ
Hij zei: “Hij zegt dat zij een koe is die niet gedwee gemaakt is om de aarde op te lichten, noch om het geploegde land te laven,
قَالَ إِنَّهُۥ يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٞ لَّا ذَلُولٞ تُثِيرُ ٱلۡأَرۡضَ وَلَا تَسۡقِي ٱلۡحَرۡثَ
ongedeerd, zonder enige vlek.”
مُسَلَّمَةٞ لَّا شِيَةَ فِيهَاۚ
Zij zeiden: “Nu breng jij de waarheid bij.”
قَالُواْ ٱلۡـَٰٔنَ جِئۡتَ بِٱلۡحَقِّۚ
Zij slachtten haar toen, nadat zij het bijna niet hadden gedaan.
فَذَبَحُوهَا وَمَا كَادُواْ يَفۡعَلُونَ
En toen jullie een Zelf doodden, en jullie het over en weer op elkaar afschoven met betrekking tot hem –
وَإِذۡ قَتَلۡتُمۡ نَفۡسٗا فَٱدَّٰرَٰٔتُمۡ فِيهَاۖ
terwijl God op het punt stond naar buiten te brengen wat jullie verzwegen.
وَٱللَّهُ مُخۡرِجٞ مَّا كُنتُمۡ تَكۡتُمُونَ
Wij zeiden toen: “Sla hem met een deel van haar”;
فَقُلۡنَا ٱضۡرِبُوهُ بِبَعۡضِهَاۚ
zo geeft God de doden weer leven, en toont Hij jullie Zijn tekenen, misschien zullen jullie redeneren.
كَذَٰلِكَ يُحۡيِ ٱللَّهُ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَيُرِيكُمۡ ءَايَٰتِهِۦ لَعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ
Vervolgens zijn jullie kernen hierna verhard, zodat zij zijn als de steen, of nog harder.
ثُمَّ قَسَتۡ قُلُوبُكُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ فَهِيَ كَٱلۡحِجَارَةِ أَوۡ أَشَدُّ قَسۡوَةٗۚ
En er zijn voorzeker, onder de stenen, sommige waaruit de rivieren ontspringen;
وَإِنَّ مِنَ ٱلۡحِجَارَةِ لَمَا يَتَفَجَّرُ مِنۡهُ ٱلۡأَنۡهَٰرُۚ
en er zijn voorzeker, onder hen, sommige die splijten, en er komt water uit;
وَإِنَّ مِنۡهَا لَمَا يَشَّقَّقُ فَيَخۡرُجُ مِنۡهُ ٱلۡمَآءُۚ
en er zijn voorzeker, onder hen, sommige die neerdalen, God duchtend.
وَإِنَّ مِنۡهَا لَمَا يَهۡبِطُ مِنۡ خَشۡيَةِ ٱللَّهِۗ
En God is niet onbekommerd over wat jullie doen.
وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ
Begeren jullie dus dat zij jullie krediet verlenen, terwijl een fractie van hen het woord van God hoorde, en het vervolgens verwrong, nadat zij er haar rede op had toegepast, al wetend?
۞ أَفَتَطۡمَعُونَ أَن يُؤۡمِنُواْ لَكُمۡ وَقَدۡ كَانَ فَرِيقٞ مِّنۡهُمۡ يَسۡمَعُونَ كَلَٰمَ ٱللَّهِ ثُمَّ يُحَرِّفُونَهُۥ مِنۢ بَعۡدِ مَا عَقَلُوهُ وَهُمۡ يَعۡلَمُونَ
En wanneer zij hen ontmoeten die geloofd hebben, zeggen zij: “Wij hebben geloofd”;
وَإِذَا لَقُواْ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ قَالُوٓاْ ءَامَنَّا
en wanneer zij onder elkaar alleen zijn, zeggen zij: “Zullen jullie hun mededelen wat God jullie geopend heeft, opdat zij daarover met jullie een geschil voeren bij jullie Voogd?”
وَإِذَا خَلَا بَعۡضُهُمۡ إِلَىٰ بَعۡضٖ قَالُوٓاْ أَتُحَدِّثُونَهُم بِمَا فَتَحَ ٱللَّهُ عَلَيۡكُمۡ لِيُحَآجُّوكُم بِهِۦ عِندَ رَبِّكُمۡۚ
Redeneren jullie dan niet?
أَفَلَا تَعۡقِلُونَ
Weten zij dan niet dat God weet wat zij geheimhouden en wat zij bekendmaken?
أَوَلَا يَعۡلَمُونَ أَنَّ ٱللَّهَ يَعۡلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعۡلِنُونَ
En onder hen zijn er lieden zonder voorafgaande Schrift, die de Schrift slechts kennen door ijdele wensen,
وَمِنۡهُمۡ أُمِّيُّونَ لَا يَعۡلَمُونَ ٱلۡكِتَٰبَ إِلَّآ أَمَانِيَّ
en die slechts vermoeden.
وَإِنۡ هُمۡ إِلَّا يَظُنُّونَ
Wee dus hen die de Schrift met hun handen schrijven, en dan zeggen: “Dit komt van God”, om daarmee een schamele prijs te kopen!
فَوَيۡلٞ لِّلَّذِينَ يَكۡتُبُونَ ٱلۡكِتَٰبَ بِأَيۡدِيهِمۡ ثُمَّ يَقُولُونَ هَٰذَا مِنۡ عِندِ ٱللَّهِ لِيَشۡتَرُواْ بِهِۦ ثَمَنٗا قَلِيلٗاۖ
Wee hen voor wat hun handen geschreven hebben,
فَوَيۡلٞ لَّهُم مِّمَّا كَتَبَتۡ أَيۡدِيهِمۡ
en wee hen voor wat zij verwerven!
وَوَيۡلٞ لَّهُم مِّمَّا يَكۡسِبُونَ
En zij hebben gezegd: “Het Vuur zal ons slechts aanraken gedurende getelde dagen.”
وَقَالُواْ لَن تَمَسَّنَا ٱلنَّارُ إِلَّآ أَيَّامٗا مَّعۡدُودَةٗۚ
Zeg: “Hebben jullie een pact bij God genomen – God schiet nooit tekort ten aanzien van Zijn pact –,
قُلۡ أَتَّخَذتُّمۡ عِندَ ٱللَّهِ عَهۡدٗا فَلَن يُخۡلِفَ ٱللَّهُ عَهۡدَهُۥٓۖ
of zeggen jullie over God wat jullie niet weten?”
أَمۡ تَقُولُونَ عَلَى ٱللَّهِ مَا لَا تَعۡلَمُونَ
Maar jawel: wie een kwade daad verwerft, en zijn fout hem omsingelt – dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
بَلَىٰۚ مَن كَسَبَ سَيِّئَةٗ وَأَحَٰطَتۡ بِهِۦ خَطِيٓـَٔتُهُۥ فَأُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht – dat zijn de metgezellen van de Tuin, zij blijven daar eeuwig.
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ
En toen Wij de plechtige verbintenis van de zonen van Israël namen: “Jullie zullen slechts God gehoorzamen,
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَ بَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ لَا تَعۡبُدُونَ إِلَّا ٱللَّهَ
en weldadigheid jegens de beide ouders, de verwanten, de weeskinderen en de behoeftigen;
وَبِٱلۡوَٰلِدَيۡنِ إِحۡسَانٗا وَذِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ
en zeg tot de mensen wat schoon is;
وَقُولُواْ لِلنَّاسِ حُسۡنٗا
en onderhoud het Contact, en geef de zuivere vrijgevigheid”;
وَأَقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُواْ ٱلزَّكَوٰةَ
vervolgens hebben jullie de rug toegekeerd, behalve weinigen van jullie, jullie onttrekkend.
ثُمَّ تَوَلَّيۡتُمۡ إِلَّا قَلِيلٗا مِّنكُمۡ وَأَنتُم مُّعۡرِضُونَ
En toen Wij jullie plechtige verbintenis namen: “Jullie zullen jullie bloed niet storten, en jullie niet uit jullie woningen verdrijven”; vervolgens hebben jullie het erkend, en jullie zijn er getuigen van.
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَكُمۡ لَا تَسۡفِكُونَ دِمَآءَكُمۡ وَلَا تُخۡرِجُونَ أَنفُسَكُم مِّن دِيَٰرِكُمۡ ثُمَّ أَقۡرَرۡتُمۡ وَأَنتُمۡ تَشۡهَدُونَ
Vervolgens, daar zijn jullie dan toch, elkaar doodend, en een fractie van jullie eigen lieden uit hun woningen verdrijvend, elkaar tegen hen steunend in de overtreding en de vijandigheid;
ثُمَّ أَنتُمۡ هَٰٓؤُلَآءِ تَقۡتُلُونَ أَنفُسَكُمۡ وَتُخۡرِجُونَ فَرِيقٗا مِّنكُم مِّن دِيَٰرِهِمۡ تَظَٰهَرُونَ عَلَيۡهِم بِٱلۡإِثۡمِ وَٱلۡعُدۡوَٰنِ
en indien zij als gevangenen bij jullie aankomen, wisselen jullie hen uit, terwijl hun verdrijving jullie ontzegd was.
وَإِن يَأۡتُوكُمۡ أُسَٰرَىٰ تُفَٰدُوهُمۡ وَهُوَ مُحَرَّمٌ عَلَيۡكُمۡ إِخۡرَاجُهُمۡۚ
Geloven jullie dus in een deel van de Schrift, en verloochenen jullie een ander deel?
أَفَتُؤۡمِنُونَ بِبَعۡضِ ٱلۡكِتَٰبِ وَتَكۡفُرُونَ بِبَعۡضٖۚ
Wat is dus de vergelding van hem onder jullie die zo handelt, behalve de schande in het leven hienieden?
فَمَا جَزَآءُ مَن يَفۡعَلُ ذَٰلِكَ مِنكُمۡ إِلَّا خِزۡيٞ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَاۖ
En op de Dag van het Verschijnen zullen zij teruggebracht worden naar de strengste pijn.
وَيَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ يُرَدُّونَ إِلَىٰٓ أَشَدِّ ٱلۡعَذَابِۗ
En God is niet onbekommerd over wat zij doen.
وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا يَعۡمَلُونَ
Dat zijn zij die het leven hienieden gekocht hebben tegen de prijs van het laatste leven; de pijn zal hun dus niet verlicht worden, en zij zullen niet geholpen worden.
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ ٱشۡتَرَوُاْ ٱلۡحَيَوٰةَ ٱلدُّنۡيَا بِٱلۡأٓخِرَةِۖ فَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُمُ ٱلۡعَذَابُ وَلَا هُمۡ يُنصَرُونَ
Wij hebben gewis aan Moesa de Schrift gegeven, en Wij hebben na hem de gezanten laten volgen.
وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡكِتَٰبَ وَقَفَّيۡنَا مِنۢ بَعۡدِهِۦ بِٱلرُّسُلِۖ
En Wij hebben aan Isa, zoon van Marjam, de duidelijke bewijzen gegeven, en Wij hebben hem versterkt door de heilige Toestroom.
وَءَاتَيۡنَا عِيسَى ٱبۡنَ مَرۡيَمَ ٱلۡبَيِّنَٰتِ وَأَيَّدۡنَٰهُ بِرُوحِ ٱلۡقُدُسِۗ
Telkens wanneer een gezant tot jullie gekomen is met datgene waartoe jullie eigen Zelven niet neigden, zijn jullie dan niet opgezwollen van hoogmoed?
أَفَكُلَّمَا جَآءَكُمۡ رَسُولُۢ بِمَا لَا تَهۡوَىٰٓ أَنفُسُكُمُ ٱسۡتَكۡبَرۡتُمۡ
Jullie hebben er een fractie van ontkend, en jullie doden een andere.
فَفَرِيقٗا كَذَّبۡتُمۡ وَفَرِيقٗا تَقۡتُلُونَ
En zij hebben gezegd: “Onze kernen zijn omhuld”;
وَقَالُواْ قُلُوبُنَا غُلۡفُۢۚ
nee, God heeft hen vervloekt vanwege hun verloochening, en zij geloven slechts weinig.
بَل لَّعَنَهُمُ ٱللَّهُ بِكُفۡرِهِمۡ فَقَلِيلٗا مَّا يُؤۡمِنُونَ
En toen een geschrift van God tot hen kwam, bevestigend wat bij hen is – terwijl zij voorheen om de opening vroegen tegen hen die verloochenden –,
وَلَمَّا جَآءَهُمۡ كِتَٰبٞ مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِ مُصَدِّقٞ لِّمَا مَعَهُمۡ وَكَانُواْ مِن قَبۡلُ يَسۡتَفۡتِحُونَ عَلَى ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ
toen dan tot hen kwam wat zij herkenden, verloochenden zij het.
فَلَمَّا جَآءَهُم مَّا عَرَفُواْ كَفَرُواْ بِهِۦۚ
De vervloeking van God is dus over hen die verloochenen.
فَلَعۡنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ
Hoe afschuwelijk is datgene waarmee zij hun eigen Zelf gekocht hebben: verloochenen wat God heeft doen neerdalen, uit afpersing, omdat God van Zijn gunst doet neerdalen op wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen!
بِئۡسَمَا ٱشۡتَرَوۡاْ بِهِۦٓ أَنفُسَهُمۡ أَن يَكۡفُرُواْ بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بَغۡيًا أَن يُنَزِّلَ ٱللَّهُ مِن فَضۡلِهِۦ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنۡ عِبَادِهِۦۖ
Zij hebben dus woede op woede opgelopen.
فَبَآءُو بِغَضَبٍ عَلَىٰ غَضَبٖۚ
En voor hen die verloochenen, een verlagende pijn.
وَلِلۡكَٰفِرِينَ عَذَابٞ مُّهِينٞ
En wanneer men tot hen zegt: “Geloof in wat God heeft doen neerdalen”, zeggen zij: “Wij geloven in wat op ons is neergedaald”; en zij verloochenen wat daarachter ligt,
وَإِذَا قِيلَ لَهُمۡ ءَامِنُواْ بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ قَالُواْ نُؤۡمِنُ بِمَآ أُنزِلَ عَلَيۡنَا وَيَكۡفُرُونَ بِمَا وَرَآءَهُۥ
en het is de waarheid, bevestigend wat bij hen is.
وَهُوَ ٱلۡحَقُّ مُصَدِّقٗا لِّمَا مَعَهُمۡۗ
Zeg: “Waarom hebben jullie dan de berichtgevers van God voorheen gedood, indien jullie gelovenden waren?”
قُلۡ فَلِمَ تَقۡتُلُونَ أَنۢبِيَآءَ ٱللَّهِ مِن قَبۡلُ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ
Moesa is gewis tot jullie gekomen met de duidelijke bewijzen; vervolgens hebben jullie het kalf genomen, na hem, en jullie waren onrechtvaardig.
۞ وَلَقَدۡ جَآءَكُم مُّوسَىٰ بِٱلۡبَيِّنَٰتِ ثُمَّ ٱتَّخَذتُّمُ ٱلۡعِجۡلَ مِنۢ بَعۡدِهِۦ وَأَنتُمۡ ظَٰلِمُونَ
En toen Wij jullie plechtige verbintenis namen, en de Berg boven jullie ophieven:
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَكُمۡ وَرَفَعۡنَا فَوۡقَكُمُ ٱلطُّورَ
“Neem met kracht aan wat Wij jullie gegeven hebben, en luister.”
خُذُواْ مَآ ءَاتَيۡنَٰكُم بِقُوَّةٖ وَٱسۡمَعُواْۖ
Zij zeiden: “Wij hebben gehoord en zijn ongehoorzaam geweest”;
قَالُواْ سَمِعۡنَا وَعَصَيۡنَا
en men deed hun kernen het kalf drinken, vanwege hun verloochening.
وَأُشۡرِبُواْ فِي قُلُوبِهِمُ ٱلۡعِجۡلَ بِكُفۡرِهِمۡۚ
Zeg: “Hoe afschuwelijk is wat jullie geloof jullie beveelt, indien jullie gelovenden zijn!”
قُلۡ بِئۡسَمَا يَأۡمُرُكُم بِهِۦٓ إِيمَٰنُكُمۡ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ
Zeg: “Indien het laatste verblijf, bij God, uitsluitend aan jullie toebehoort, met uitsluiting van de mensen, wens dan de dood, indien jullie waarachtig zijn.”
قُلۡ إِن كَانَتۡ لَكُمُ ٱلدَّارُ ٱلۡأٓخِرَةُ عِندَ ٱللَّهِ خَالِصَةٗ مِّن دُونِ ٱلنَّاسِ فَتَمَنَّوُاْ ٱلۡمَوۡتَ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ
Maar zij zullen die nooit wensen, vanwege wat hun handen vooruitgestuurd hebben.
وَلَن يَتَمَنَّوۡهُ أَبَدَۢا بِمَا قَدَّمَتۡ أَيۡدِيهِمۡۚ
En God is Alwetend over de onrechtvaardigen.
وَٱللَّهُ عَلِيمُۢ بِٱلظَّٰلِمِينَ
En je zult hen voorzeker vinden, van alle mensen, als degenen die het meest aan het leven hechten,
وَلَتَجِدَنَّهُمۡ أَحۡرَصَ ٱلنَّاسِ عَلَىٰ حَيَوٰةٖ
zelfs meer dan zij die geassocieerd hebben; een van hen zou duizend jaar willen leven,
وَمِنَ ٱلَّذِينَ أَشۡرَكُواْۚ يَوَدُّ أَحَدُهُمۡ لَوۡ يُعَمَّرُ أَلۡفَ سَنَةٖ
maar dat zou hem in niets van de pijn ontheffen, ook al leefde hij zo lang.
وَمَا هُوَ بِمُزَحۡزِحِهِۦ مِنَ ٱلۡعَذَابِ أَن يُعَمَّرَۗ
God is Alziend over wat zij doen.
وَٱللَّهُ بَصِيرُۢ بِمَا يَعۡمَلُونَ
Zeg: “Wie een vijand is van Djibril, laat hij weten dat hij het is die het op jouw kern heeft doen neerdalen, met de toestemming van God, bevestigend wat eraan voorafgaat, en als leiding en gelukkige aankondiging voor de gelovenden.”
قُلۡ مَن كَانَ عَدُوّٗا لِّـجَبۡرَئِلَ فَإِنَّهُۥ نَزَّلَهُۥ عَلَىٰ قَلۡبِكَ بِإِذۡنِ ٱللَّهِ مُصَدِّقٗا لِّمَا بَيۡنَ يَدَيۡهِ وَهُدٗى وَبُشۡرَىٰ لِلۡمُؤۡمِنِينَ
Wie een vijand is van God, van Zijn Gemachtigden, van Zijn gezanten, van Djibril en van Mikal, laat hij weten dat God gewis de vijand is van hen die verloochenen.
مَن كَانَ عَدُوّٗا لِّلَّهِ وَمَلَٰٓئِكَتِهِۦ وَرُسُلِهِۦ وَجَبۡرَئِلَ وَمِيكَٰٓـِٔيلَ فَإِنَّ ٱللَّهَ عَدُوّٞ لِّلۡكَٰفِرِينَ
Wij hebben gewis duidelijke tekenen naar jou toe doen neerdalen,
وَلَقَدۡ أَنزَلۡنَآ إِلَيۡكَ ءَايَٰتِۭ بَيِّنَٰتٖۖ
en alleen de grensoverschrijders verloochenen ze.
وَمَا يَكۡفُرُ بِهَآ إِلَّا ٱلۡفَٰسِقُونَ
Is het zo dat, telkens wanneer zij een pact sluiten, een fractie van hen het verwerpt?
أَوَكُلَّمَا عَٰهَدُواْ عَهۡدٗا نَّبَذَهُۥ فَرِيقٞ مِّنۡهُمۚ
De meesten van hen geloven veeleer niet.
بَلۡ أَكۡثَرُهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ
En toen een gezant van God tot hen kwam, bevestigend wat bij hen is, heeft een fractie van hen aan wie de Schrift gegeven is de Schrift van God achter hun rug verworpen, alsof zij het niet wisten.
وَلَمَّا جَآءَهُمۡ رَسُولٞ مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِ مُصَدِّقٞ لِّمَا مَعَهُمۡ نَبَذَ فَرِيقٞ مِّنَ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡكِتَٰبَ كِتَٰبَ ٱللَّهِ وَرَآءَ ظُهُورِهِمۡ كَأَنَّهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ
En zij hebben gevolgd wat de Afleiders voordroegen over het koningschap van Soelaiman.
وَٱتَّبَعُواْ مَا تَتۡلُواْ ٱلشَّيَٰطِينُ عَلَىٰ مُلۡكِ سُلَيۡمَٰنَۖ
Maar Soelaiman heeft nooit verloochend,
وَمَا كَفَرَ سُلَيۡمَٰنُ
maar het zijn de Afleiders die verloochend hebben, de mensen de begoocheling lerend, evenals wat op de twee koningen te Babel neergedaald is, Haroet en Maroet;
وَلَٰكِنَّ ٱلشَّيَٰطِينَ كَفَرُواْ يُعَلِّمُونَ ٱلنَّاسَ ٱلسِّحۡرَ وَمَآ أُنزِلَ عَلَى ٱلۡمَلَكَيۡنِ بِبَابِلَ هَٰرُوتَ وَمَٰرُوتَۚ
en die twee leerden niemand iets zonder eerst te zeggen: “Wij zijn slechts een beproeving, verloochen dus niet.”
وَمَا يُعَلِّمَانِ مِنۡ أَحَدٍ حَتَّىٰ يَقُولَآ إِنَّمَا نَحۡنُ فِتۡنَةٞ فَلَا تَكۡفُرۡۖ
Zij leerden er dan van aan wat zij gebruiken om de mens van zijn echtgenoot te scheiden;
فَيَتَعَلَّمُونَ مِنۡهُمَا مَا يُفَرِّقُونَ بِهِۦ بَيۡنَ ٱلۡمَرۡءِ وَزَوۡجِهِۦۚ
maar zij schaden daarmee niemand, behalve met de toestemming van God.
وَمَا هُم بِضَآرِّينَ بِهِۦ مِنۡ أَحَدٍ إِلَّا بِإِذۡنِ ٱللَّهِۚ
En zij leren aan wat hun schaadt en hun niet baat.
وَيَتَعَلَّمُونَ مَا يَضُرُّهُمۡ وَلَا يَنفَعُهُمۡۚ
Zij wisten gewis dat wie het kocht, in het laatste leven geen enkel lot zou hebben.
وَلَقَدۡ عَلِمُواْ لَمَنِ ٱشۡتَرَىٰهُ مَا لَهُۥ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ مِنۡ خَلَٰقٖۚ
En hoe afschuwelijk is datgene waartegen zij hun eigen Zelf verkocht hebben, indien zij het geweten hadden!
وَلَبِئۡسَ مَا شَرَوۡاْ بِهِۦٓ أَنفُسَهُمۡۚ لَوۡ كَانُواْ يَعۡلَمُونَ
En indien zij geloofd hadden en zich behoed hadden, zou een tegenprestatie van God gewis beter zijn geweest, indien zij het geweten hadden.
وَلَوۡ أَنَّهُمۡ ءَامَنُواْ وَٱتَّقَوۡاْ لَمَثُوبَةٞ مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِ خَيۡرٞۚ لَّوۡ كَانُواْ يَعۡلَمُونَ
O jullie die geloofd hebben! Zeg niet “Veracht ons”, maar zeg “Kijk naar ons”, en luister.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَقُولُواْ رَٰعِنَا وَقُولُواْ ٱنظُرۡنَا وَٱسۡمَعُواْۗ
En voor hen die verloochenen, een schrijnende pijn.
وَلِلۡكَٰفِرِينَ عَذَابٌ أَلِيمٞ
Zij die verloochenen, onder de lieden van de Schrift, en de associeerders zouden niet willen dat enig goed op jullie neerdaalt van jullie Voogd;
مَّا يَوَدُّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ وَلَا ٱلۡمُشۡرِكِينَ أَن يُنَزَّلَ عَلَيۡكُم مِّنۡ خَيۡرٖ مِّن رَّبِّكُمۡۚ
maar God behoudt Zijn welwillendheid voor wie het Hem behaagt.
وَٱللَّهُ يَخۡتَصُّ بِرَحۡمَتِهِۦ مَن يَشَآءُۚ
En God bezit de ontzaglijke gunst.
وَٱللَّهُ ذُو ٱلۡفَضۡلِ ٱلۡعَظِيمِ
Welk teken Wij ook overschrijven, of doen vergeten, Wij brengen er een beter bij, of een soortgelijk.
۞ مَا نَنسَخۡ مِنۡ ءَايَةٍ أَوۡ نُنسِهَا نَأۡتِ بِخَيۡرٖ مِّنۡهَآ أَوۡ مِثۡلِهَآۗ
Weet jij niet dat God in staat is tot alles?
أَلَمۡ تَعۡلَمۡ أَنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ
Weet jij niet dat aan God het koningschap van de hemelen en de aarde toebehoort, en dat jullie, buiten God, noch beschermer noch hulp hebben?
أَلَمۡ تَعۡلَمۡ أَنَّ ٱللَّهَ لَهُۥ مُلۡكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۗ وَمَا لَكُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ مِن وَلِيّٖ وَلَا نَصِيرٍ
Of zouden jullie jullie gezant willen ondervragen zoals Moesa voorheen ondervraagd werd?
أَمۡ تُرِيدُونَ أَن تَسۡـَٔلُواْ رَسُولَكُمۡ كَمَا سُئِلَ مُوسَىٰ مِن قَبۡلُۗ
En wie de verloochening in de plaats stelt van het geloof, heeft gedwaald van de rechte weg.
وَمَن يَتَبَدَّلِ ٱلۡكُفۡرَ بِٱلۡإِيمَٰنِ فَقَدۡ ضَلَّ سَوَآءَ ٱلسَّبِيلِ
Velen, onder de lieden van de Schrift, zouden jullie, na jullie geloof, willen terugbrengen tot een verloochening,
وَدَّ كَثِيرٞ مِّنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ لَوۡ يَرُدُّونَكُم مِّنۢ بَعۡدِ إِيمَٰنِكُمۡ كُفَّارًا
uit afgunst, van hun eigen kant, nadat de waarheid hun duidelijk geworden is.
حَسَدٗا مِّنۡ عِندِ أَنفُسِهِم مِّنۢ بَعۡدِ مَا تَبَيَّنَ لَهُمُ ٱلۡحَقُّۖ
Scheld het dus kwijt en sla de bladzijde om, totdat God Zijn bevel doet komen,
فَٱعۡفُواْ وَٱصۡفَحُواْ حَتَّىٰ يَأۡتِيَ ٱللَّهُ بِأَمۡرِهِۦٓۗ
want God is tot alles in staat.
إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ
En onderhoud het Contact, en geef de zuivere vrijgevigheid.
وَأَقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُواْ ٱلزَّكَوٰةَۚ
En alle goed dat jullie voor jullie zelf vooruitsturen, zullen jullie bij God terugvinden,
وَمَا تُقَدِّمُواْ لِأَنفُسِكُم مِّنۡ خَيۡرٖ تَجِدُوهُ عِندَ ٱللَّهِۗ
want God is Alziend over wat jullie doen.
إِنَّ ٱللَّهَ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٞ
En zij hebben gezegd: “Niemand zal de Tuin binnengaan, behalve wie tot de Geheroriënteerden of de Helpers behoort.”
وَقَالُواْ لَن يَدۡخُلَ ٱلۡجَنَّةَ إِلَّا مَن كَانَ هُودًا أَوۡ نَصَٰرَىٰۗ
Dat zijn hun ijdele wensen.
تِلۡكَ أَمَانِيُّهُمۡۗ
Zeg: “Breng jullie bewijsvoering bij, indien jullie waarachtig zijn.”
قُلۡ هَاتُواْ بُرۡهَٰنَكُمۡ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ
Maar jawel: wie zijn richting tegenover God integer maakt, terwijl hij het goede doet, heeft zijn beloning bij zijn Voogd; geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
بَلَىٰۚ مَنۡ أَسۡلَمَ وَجۡهَهُۥ لِلَّهِ وَهُوَ مُحۡسِنٞ فَلَهُۥٓ أَجۡرُهُۥ عِندَ رَبِّهِۦ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ
En de Geheroriënteerden hebben gezegd: “De Helpers berusten op niets”; en de Helpers hebben gezegd: “De Geheroriënteerden berusten op niets”; terwijl zij de Schrift voordragen.
وَقَالَتِ ٱلۡيَهُودُ لَيۡسَتِ ٱلنَّصَٰرَىٰ عَلَىٰ شَيۡءٖ وَقَالَتِ ٱلنَّصَٰرَىٰ لَيۡسَتِ ٱلۡيَهُودُ عَلَىٰ شَيۡءٖ وَهُمۡ يَتۡلُونَ ٱلۡكِتَٰبَۗ
Zo hebben gezegd zij die niet weten, een uitspraak houdend soortgelijk aan de hunne.
كَذَٰلِكَ قَالَ ٱلَّذِينَ لَا يَعۡلَمُونَ مِثۡلَ قَوۡلِهِمۡۚ
God zal tussen hen oordelen, op de Dag van het Verschijnen, over datgene waarin zij uiteenliepen.
فَٱللَّهُ يَحۡكُمُ بَيۡنَهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ فِيمَا كَانُواْ فِيهِ يَخۡتَلِفُونَ
En wie is dan onrechtvaardiger dan hij die verhindert dat, in de plaatsen van neerwerping van God, Zijn naam in herinnering gebracht wordt, en zich inspant voor hun ontmanteling?
وَمَنۡ أَظۡلَمُ مِمَّن مَّنَعَ مَسَٰجِدَ ٱللَّهِ أَن يُذۡكَرَ فِيهَا ٱسۡمُهُۥ وَسَعَىٰ فِي خَرَابِهَآۚ
Dezen zouden daar slechts vreesachtig binnen moeten treden.
أُوْلَٰٓئِكَ مَا كَانَ لَهُمۡ أَن يَدۡخُلُوهَآ إِلَّا خَآئِفِينَۚ
Zij hebben, hienieden, een schande,
لَهُمۡ فِي ٱلدُّنۡيَا خِزۡيٞ
en zij zullen, in het laatste leven, een ontzaglijke pijn hebben.
وَلَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٞ
En aan God behoren het oosten en het westen toe:
وَلِلَّهِ ٱلۡمَشۡرِقُ وَٱلۡمَغۡرِبُۚ
waarheen jullie je ook wenden, daar is de richting van God,
فَأَيۡنَمَا تُوَلُّواْ فَثَمَّ وَجۡهُ ٱللَّهِۚ
want God is Veelomvattend, Alwetend.
إِنَّ ٱللَّهَ وَٰسِعٌ عَلِيمٞ
En zij hebben gezegd: “God heeft Zich een kind toegeschreven.”
وَقَالُواْ ٱتَّخَذَ ٱللَّهُ وَلَدٗاۗ
Glorie zij Hem!
سُبۡحَٰنَهُۥۖ
Aan Hem behoort veeleer toe wat in de hemelen en op de aarde is;
بَل لَّهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۖ
allen zijn Hem toegewijd.
كُلّٞ لَّهُۥ قَٰنِتُونَ
Schepper zonder precedent van de hemelen en de aarde.
بَدِيعُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۖ
Wanneer Hij iets decreteert, zegt Hij er slechts tegen: “Wees”,
وَإِذَا قَضَىٰٓ أَمۡرٗا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُۥ كُن
en het is.
فَيَكُونُ
En zij die niet weten hebben gezegd: “Waarom spreekt God niet tot ons, of waarom komt een teken niet tot ons!”
وَقَالَ ٱلَّذِينَ لَا يَعۡلَمُونَ لَوۡلَا يُكَلِّمُنَا ٱللَّهُ أَوۡ تَأۡتِينَآ ءَايَةٞۗ
Zo hebben zij die vóór hen waren gezegd, een uitspraak houdend soortgelijk aan de hunne;
كَذَٰلِكَ قَالَ ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِهِم مِّثۡلَ قَوۡلِهِمۡۘ
hun kernen lijken op elkaar.
تَشَٰبَهَتۡ قُلُوبُهُمۡۗ
Wij hebben de tekenen duidelijk gemaakt voor een volk dat de zekerheid heeft.
قَدۡ بَيَّنَّا ٱلۡأٓيَٰتِ لِقَوۡمٖ يُوقِنُونَ
Wij hebben jou gezonden, in alle waarheid, als aankondiger en waarschuwer,
إِنَّآ أَرۡسَلۡنَٰكَ بِٱلۡحَقِّ بَشِيرٗا وَنَذِيرٗاۖ
en jij zult niet ondervraagd worden over de metgezellen van de Gloeioven.
وَلَا تُسۡـَٔلُ عَنۡ أَصۡحَٰبِ ٱلۡجَحِيمِ
En noch de Geheroriënteerden noch de Helpers zullen ooit tevreden over jou zijn, zolang jij hun leer niet volgt.
وَلَن تَرۡضَىٰ عَنكَ ٱلۡيَهُودُ وَلَا ٱلنَّصَٰرَىٰ حَتَّىٰ تَتَّبِعَ مِلَّتَهُمۡۗ
Zeg: “De leiding van God, dat is de leiding.”
قُلۡ إِنَّ هُدَى ٱللَّهِ هُوَ ٱلۡهُدَىٰۗ
En indien jij hun emoties zou volgen, na wat jou van het weten gekomen is, zou jij, tegen God, noch beschermer noch hulp hebben.
وَلَئِنِ ٱتَّبَعۡتَ أَهۡوَآءَهُم بَعۡدَ ٱلَّذِي جَآءَكَ مِنَ ٱلۡعِلۡمِ مَا لَكَ مِنَ ٱللَّهِ مِن وَلِيّٖ وَلَا نَصِيرٍ
Zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben, en die haar voordragen zoals zij voorgedragen moet worden, dat zijn zij die erin geloven.
ٱلَّذِينَ ءَاتَيۡنَٰهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ يَتۡلُونَهُۥ حَقَّ تِلَاوَتِهِۦٓ أُوْلَٰٓئِكَ يُؤۡمِنُونَ بِهِۦۗ
En wie haar verloochent – dat zijn de verliezers.
وَمَن يَكۡفُرۡ بِهِۦ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡخَٰسِرُونَ
O zonen van Israël! Herinner jullie Mijn weldaad, waarmee Ik jullie overladen heb, en dat Ik jullie boven alle wezens bevoordeeld heb.
يَٰبَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ ٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتِيَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ وَأَنِّي فَضَّلۡتُكُمۡ عَلَى ٱلۡعَٰلَمِينَ
En behoed jullie voor een dag waarop geen Zelf in iets de plaats van een ander Zelf zal innemen, waarop geen compensatie van hem aanvaard zal worden, waarop geen voorspraak hem zal baten, en waarop zij niet geholpen zullen worden.
وَٱتَّقُواْ يَوۡمٗا لَّا تَجۡزِي نَفۡسٌ عَن نَّفۡسٖ شَيۡـٔٗا وَلَا يُقۡبَلُ مِنۡهَا عَدۡلٞ وَلَا تَنفَعُهَا شَفَٰعَةٞ وَلَا هُمۡ يُنصَرُونَ
En toen de Voogd van Ibrahim hem beproefde met woorden, die hij voltooide.
۞ وَإِذِ ٱبۡتَلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ رَبُّهُۥ بِكَلِمَٰتٖ فَأَتَمَّهُنَّۖ
Hij zei: “Ik zal gewis van jou een leidsman voor de mensen maken.”
قَالَ إِنِّي جَاعِلُكَ لِلنَّاسِ إِمَامٗاۖ
Hij zei: “En onder mijn nageslacht?”
قَالَ وَمِن ذُرِّيَّتِيۖ
Hij zei: “Mijn pact valt niet toe aan de onrechtvaardigen.”
قَالَ لَا يَنَالُ عَهۡدِيَ ٱلظَّٰلِمِينَ
En toen Wij van het Huis, voor de mensen, een plaats van terugkeer en een veiligheid gemaakt hebben; en zij namen, van de standplaats van Ibrahim, een plaats van het Contact.
وَإِذۡ جَعَلۡنَا ٱلۡبَيۡتَ مَثَابَةٗ لِّلنَّاسِ وَأَمۡنٗا وَٱتَّخِذُواْ مِن مَّقَامِ إِبۡرَٰهِـۧمَ مُصَلّٗىۖ
En Wij hebben Ibrahim en Isma'il door een pact verbonden: “Reinig Mijn Huis voor hen die er verkeren, hen die er verblijven, en hen die in dienst knielen en zich in hulde neerwerpen.”
وَعَهِدۡنَآ إِلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ أَن طَهِّرَا بَيۡتِي لِلطَّآئِفِينَ وَٱلۡعَٰكِفِينَ وَٱلرُّكَّعِ ٱلسُّجُودِ
En toen Ibrahim zei: “Mijn Voogd, maak hiervan een veilig oord, en voorzie de lieden ervan van vruchten, zij onder hen die in God en in de Laatste Dag geloven.”
وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّ ٱجۡعَلۡ هَٰذَا بَلَدًا ءَامِنٗا وَٱرۡزُقۡ أَهۡلَهُۥ مِنَ ٱلثَّمَرَٰتِ مَنۡ ءَامَنَ مِنۡهُم بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۚ
Hij zei: “En wie verloochent, hem verleen Ik een korte genieting, vervolgens drijf Ik hem in het nauw naar de pijn van het Vuur.”
قَالَ وَمَن كَفَرَ فَأُمَتِّعُهُۥ قَلِيلٗا ثُمَّ أَضۡطَرُّهُۥٓ إِلَىٰ عَذَابِ ٱلنَّارِۖ
En wat een afschuwelijke bestemming!
وَبِئۡسَ ٱلۡمَصِيرُ
En toen Ibrahim de fundamenten van het Huis optrok, met Isma'il:
وَإِذۡ يَرۡفَعُ إِبۡرَٰهِـۧمُ ٱلۡقَوَاعِدَ مِنَ ٱلۡبَيۡتِ وَإِسۡمَٰعِيلُ
“Onze Voogd, aanvaard dit van ons; gewis bent U het, de Alhorende, de Alwetende.
رَبَّنَا تَقَبَّلۡ مِنَّآۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ
Onze Voogd, maak ons beiden tot integeren tegenover U, en, uit onze nageslacht, een gemeenschap integer tegenover U.
رَبَّنَا وَٱجۡعَلۡنَا مُسۡلِمَيۡنِ لَكَ وَمِن ذُرِّيَّتِنَآ أُمَّةٗ مُّسۡلِمَةٗ لَّكَ
En toon ons onze weldadige praktijken.
وَأَرِنَا مَنَاسِكَنَا
En keer met mildheid tot ons terug,
وَتُبۡ عَلَيۡنَآۖ
want U bent het, Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
إِنَّكَ أَنتَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ
Onze Voogd, en wek onder hen een gezant op, uit hen voortgekomen, die hun Uw tekenen voordraagt, hun de Schrift en de wijsheid leert, en hen zuivert;
رَبَّنَا وَٱبۡعَثۡ فِيهِمۡ رَسُولٗا مِّنۡهُمۡ يَتۡلُواْ عَلَيۡهِمۡ ءَايَٰتِكَ وَيُعَلِّمُهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ وَٱلۡحِكۡمَةَ وَيُزَكِّيهِمۡۖ
want U bent het, de Almachtige, de Wijze.”
إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ
En wie maakt zich dan los van de leer van Ibrahim, behalve hij die zijn eigen Zelf dwaas maakt?
وَمَن يَرۡغَبُ عَن مِّلَّةِ إِبۡرَٰهِـۧمَ إِلَّا مَن سَفِهَ نَفۡسَهُۥۚ
Wij hebben hem gewis hienieden uitgekozen,
وَلَقَدِ ٱصۡطَفَيۡنَٰهُ فِي ٱلدُّنۡيَاۖ
en in het laatste leven zal hij voorzeker behoren tot hen die deugdelijk zijn.
وَإِنَّهُۥ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ لَمِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ
Toen zijn Voogd tot hem zei: “Wees integer tegenover Mij”;
إِذۡ قَالَ لَهُۥ رَبُّهُۥٓ أَسۡلِمۡۖ
zei hij: “Ik ben integer tegenover de Voogd van alle wezens.”
قَالَ أَسۡلَمۡتُ لِرَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ
En Ibrahim gaf zijn zonen daarvan de aanbeveling,
وَوَصَّىٰ بِهَآ إِبۡرَٰهِـۧمُ بَنِيهِ
evenals Ja'qoeb: “O mijn zonen! God heeft voor jullie deze Wet uitgekozen; sterf dus slechts integer tegenover Hem.”
وَيَعۡقُوبُ يَٰبَنِيَّ إِنَّ ٱللَّهَ ٱصۡطَفَىٰ لَكُمُ ٱلدِّينَ فَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنتُم مُّسۡلِمُونَ
Of waren jullie getuigen, toen de dood zich aandiende bij Ja'qoeb, toen hij tot zijn zonen zei: “Wie zullen jullie gehoorzamen na mij?”
أَمۡ كُنتُمۡ شُهَدَآءَ إِذۡ حَضَرَ يَعۡقُوبَ ٱلۡمَوۡتُ إِذۡ قَالَ لِبَنِيهِ مَا تَعۡبُدُونَ مِنۢ بَعۡدِيۖ
Zij zeiden: “Wij zullen jouw godheid gehoorzamen, de godheid van jouw voorouders, Ibrahim, Isma'il en Ishaq, een enige godheid, en wij zijn integer tegenover Hem.”
قَالُواْ نَعۡبُدُ إِلَٰهَكَ وَإِلَٰهَ ءَابَآئِكَ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ وَإِسۡحَٰقَ إِلَٰهٗا وَٰحِدٗا وَنَحۡنُ لَهُۥ مُسۡلِمُونَ
Dat is een gemeenschap die reeds voorbijgegaan is:
تِلۡكَ أُمَّةٞ قَدۡ خَلَتۡۖ
aan haar wat zij verworven heeft,
لَهَا مَا كَسَبَتۡ
en aan jullie wat jullie verworven hebben;
وَلَكُم مَّا كَسَبۡتُمۡۖ
en jullie zullen niet ondervraagd worden over wat zij deden.
وَلَا تُسۡـَٔلُونَ عَمَّا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ
En zij hebben gezegd: “Wees Geheroriënteerden of Helpers, dan zullen jullie je laten leiden.”
وَقَالُواْ كُونُواْ هُودًا أَوۡ نَصَٰرَىٰ تَهۡتَدُواْۗ
Zeg: “Nee, veeleer de leer van Ibrahim, geheel op God gericht”,
قُلۡ بَلۡ مِلَّةَ إِبۡرَٰهِـۧمَ حَنِيفٗاۖ
en hij behoorde niet tot hen die associëren.
وَمَا كَانَ مِنَ ٱلۡمُشۡرِكِينَ
Zeg: “Wij geloven in God, in wat op ons neergedaald is, in wat op Ibrahim, Isma'il, Ishaq, Ja'qoeb en de geslachtslijnen neergedaald is, en in wat aan Moesa en aan Isa gegeven is, en in wat aan de berichtgevers gegeven is, van hun Voogd; wij maken geen enkel verschil tussen hen, en wij zijn integer tegenover Hem.”
قُولُوٓاْ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيۡنَا وَمَآ أُنزِلَ إِلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ وَإِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَ وَٱلۡأَسۡبَاطِ وَمَآ أُوتِيَ مُوسَىٰ وَعِيسَىٰ وَمَآ أُوتِيَ ٱلنَّبِيُّونَ مِن رَّبِّهِمۡ لَا نُفَرِّقُ بَيۡنَ أَحَدٖ مِّنۡهُمۡ وَنَحۡنُ لَهُۥ مُسۡلِمُونَ
Indien zij geloven in datgene waarin jullie geloofd hebben, dan laten zij zich leiden;
فَإِنۡ ءَامَنُواْ بِمِثۡلِ مَآ ءَامَنتُم بِهِۦ فَقَدِ ٱهۡتَدَواْۖ
en indien zij de rug toekeren, dan zijn zij slechts in een breuk;
وَّإِن تَوَلَّوۡاْ فَإِنَّمَا هُمۡ فِي شِقَاقٖۖ
God zal jou binnenkort volstaan tegen hen:
فَسَيَكۡفِيكَهُمُ ٱللَّهُۚ
en Hij is de Alhorende, de Alwetende.
وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ
De verf van God –
صِبۡغَةَ ٱللَّهِ
en wie verft beter dan God? –
وَمَنۡ أَحۡسَنُ مِنَ ٱللَّهِ صِبۡغَةٗۖ
en aan Hem gehoorzamen wij.
وَنَحۡنُ لَهُۥ عَٰبِدُونَ
Zeg: “Voeren jullie met ons een geschil over God, terwijl Hij onze Voogd en jullie Voogd is? Aan ons onze werken, aan jullie jullie werken;
قُلۡ أَتُحَآجُّونَنَا فِي ٱللَّهِ وَهُوَ رَبُّنَا وَرَبُّكُمۡ وَلَنَآ أَعۡمَٰلُنَا وَلَكُمۡ أَعۡمَٰلُكُمۡ
en wij wijden ons uitsluitend aan Hem toe.”
وَنَحۡنُ لَهُۥ مُخۡلِصُونَ
Of zeggen jullie: “Ibrahim, Isma'il, Ishaq, Ja'qoeb en de geslachtslijnen waren Geheroriënteerden of Helpers”?
أَمۡ يَقُولُونَ إِنَّ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ وَإِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَ وَٱلۡأَسۡبَاطَ كَانُواْ هُودًا أَوۡ نَصَٰرَىٰۗ
Zeg: “Zijn jullie het die het best weten, of God?”
قُلۡ ءَأَنتُمۡ أَعۡلَمُ أَمِ ٱللَّهُۗ
En wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een getuigenis verzwijgt dat hij bij zich heeft, afkomstig van God?
وَمَنۡ أَظۡلَمُ مِمَّن كَتَمَ شَهَٰدَةً عِندَهُۥ مِنَ ٱللَّهِۗ
En God is niet onbekommerd over wat jullie doen.
وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ
Dat is een gemeenschap die reeds voorbijgegaan is:
تِلۡكَ أُمَّةٞ قَدۡ خَلَتۡۖ
aan haar wat zij verworven heeft,
لَهَا مَا كَسَبَتۡ
en aan jullie wat jullie verworven hebben;
وَلَكُم مَّا كَسَبۡتُمۡۖ
en jullie zullen niet ondervraagd worden over wat zij deden.
وَلَا تُسۡـَٔلُونَ عَمَّا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ
De dwazen, onder de mensen, zullen zeggen: “Wat heeft hen afgewend van hun trefpunt, datgene waarop zij stonden?”
۞ سَيَقُولُ ٱلسُّفَهَآءُ مِنَ ٱلنَّاسِ مَا وَلَّىٰهُمۡ عَن قِبۡلَتِهِمُ ٱلَّتِي كَانُواْ عَلَيۡهَاۚ
Zeg: “Aan God behoren het oosten en het westen toe;
قُل لِّلَّهِ ٱلۡمَشۡرِقُ وَٱلۡمَغۡرِبُۚ
Hij leidt wie het Hem behaagt naar een rechtlijnig pad.”
يَهۡدِي مَن يَشَآءُ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٖ
En zo hebben Wij van jullie een voorbeeldige gemeenschap gemaakt,
وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَٰكُمۡ أُمَّةٗ وَسَطٗا
opdat jullie getuigen zijn tegen de mensen, en de gezant getuige is tegen jullie.
لِّتَكُونُواْ شُهَدَآءَ عَلَى ٱلنَّاسِ وَيَكُونَ ٱلرَّسُولُ عَلَيۡكُمۡ شَهِيدٗاۗ
En Wij hadden het trefpunt, datgene waarop jij stond, slechts geplaatst om te onderscheiden wie de gezant volgt van wie zich op zijn hielen omdraait.
وَمَا جَعَلۡنَا ٱلۡقِبۡلَةَ ٱلَّتِي كُنتَ عَلَيۡهَآ إِلَّا لِنَعۡلَمَ مَن يَتَّبِعُ ٱلرَّسُولَ مِمَّن يَنقَلِبُ عَلَىٰ عَقِبَيۡهِۚ
Dit was voorzeker zwaar, behalve voor hen die God geleid heeft.
وَإِن كَانَتۡ لَكَبِيرَةً إِلَّا عَلَى ٱلَّذِينَ هَدَى ٱللَّهُۗ
En het past God niet dat Hij jullie geloof laat vervliegen.
وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُضِيعَ إِيمَٰنَكُمۡۚ
God is voorzeker, jegens de mensen, vol goedheid, Welwillend.
إِنَّ ٱللَّهَ بِٱلنَّاسِ لَرَؤُفٞ رَّحِيمٞ
Wij zullen gewis jouw gezicht zich alle kanten op zien keren in de hemel; Wij zullen jou dus voorzeker tot koers een trefpunt geven dat jou tevredenstelt.
قَدۡ نَرَىٰ تَقَلُّبَ وَجۡهِكَ فِي ٱلسَّمَآءِۖ فَلَنُوَلِّيَنَّكَ قِبۡلَةٗ تَرۡضَىٰهَاۚ
Zet dus koers naar de onschendbare plaats van neerwerping,
فَوَلِّ وَجۡهَكَ شَطۡرَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ
en waar jullie ook zijn, zet koers daarheen.
وَحَيۡثُ مَا كُنتُمۡ فَوَلُّواْ وُجُوهَكُمۡ شَطۡرَهُۥۗ
En zij aan wie de Schrift gegeven is weten voorzeker dat het de waarheid is van hun Voogd.
وَإِنَّ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡكِتَٰبَ لَيَعۡلَمُونَ أَنَّهُ ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّهِمۡۗ
En God is niet onbekommerd over wat zij doen.
وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا يَعۡمَلُونَ
En zelfs als jij elk teken zou brengen aan hen aan wie de Schrift gegeven is, zouden zij jouw trefpunt niet volgen.
وَلَئِنۡ أَتَيۡتَ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡكِتَٰبَ بِكُلِّ ءَايَةٖ مَّا تَبِعُواْ قِبۡلَتَكَۚ
En jij zult hun trefpunt niet volgen;
وَمَآ أَنتَ بِتَابِعٖ قِبۡلَتَهُمۡۚ
en de enen volgen ook niet het trefpunt van de anderen.
وَمَا بَعۡضُهُم بِتَابِعٖ قِبۡلَةَ بَعۡضٖۚ
En indien jij hun emoties zou volgen, na wat jou van het weten gekomen is, zou jij dan voorzeker tot de onrechtvaardigen behoren.
وَلَئِنِ ٱتَّبَعۡتَ أَهۡوَآءَهُم مِّنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَكَ مِنَ ٱلۡعِلۡمِ إِنَّكَ إِذٗا لَّمِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ
Zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben herkennen het zoals zij hun eigen zonen herkennen,
ٱلَّذِينَ ءَاتَيۡنَٰهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ يَعۡرِفُونَهُۥ كَمَا يَعۡرِفُونَ أَبۡنَآءَهُمۡۖ
en een fractie van hen verzwijgt voorzeker de waarheid, al wetend.
وَإِنَّ فَرِيقٗا مِّنۡهُمۡ لَيَكۡتُمُونَ ٱلۡحَقَّ وَهُمۡ يَعۡلَمُونَ
De waarheid komt van jouw Voogd;
ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّكَ
behoor dus nooit tot hen die in controverse treden.
فَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلۡمُمۡتَرِينَ
En ieder heeft een richting die hem tot koers is gegeven; ga elkaar dus voor in het voortreffelijkste.
وَلِكُلّٖ وِجۡهَةٌ هُوَ مُوَلِّيهَاۖ فَٱسۡتَبِقُواْ ٱلۡخَيۡرَٰتِۚ
Waar jullie ook zijn, God zal jullie allen terugbrengen,
أَيۡنَ مَا تَكُونُواْ يَأۡتِ بِكُمُ ٱللَّهُ جَمِيعًاۚ
want God is tot alles in staat.
إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ
En vanwaar je ook naar buiten treedt, zet koers naar de onschendbare plaats van neerwerping:
وَمِنۡ حَيۡثُ خَرَجۡتَ فَوَلِّ وَجۡهَكَ شَطۡرَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۖ
voorzeker is dit de waarheid afkomstig van je Voogd.
وَإِنَّهُۥ لَلۡحَقُّ مِن رَّبِّكَۗ
En God is niet onbekommerd over wat jullie doen.
وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ
En vanwaar je ook naar buiten treedt, zet koers naar de onschendbare plaats van neerwerping,
وَمِنۡ حَيۡثُ خَرَجۡتَ فَوَلِّ وَجۡهَكَ شَطۡرَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ
en waar jullie ook zijn, zet koers daarheen, opdat de mensen geen enkel argument tegen jullie hebben – behalve zij onder hen die onrechtvaardig zijn; duch hen dus niet, maar duch Mij –
وَحَيۡثُ مَا كُنتُمۡ فَوَلُّواْ وُجُوهَكُمۡ شَطۡرَهُۥ لِئَلَّا يَكُونَ لِلنَّاسِ عَلَيۡكُمۡ حُجَّةٌ إِلَّا ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ مِنۡهُمۡ فَلَا تَخۡشَوۡهُمۡ وَٱخۡشَوۡنِي
en opdat Ik Mijn weldaad aan jullie voltooi, en misschien zullen jullie je laten leiden,
وَلِأُتِمَّ نِعۡمَتِي عَلَيۡكُمۡ وَلَعَلَّكُمۡ تَهۡتَدُونَ
zoals Wij onder jullie een gezant gezonden hebben, uit jullie voortgekomen, die jullie Onze tekenen voordraagt, jullie zuivert, jullie de Schrift en de wijsheid leert, en jullie leert wat jullie niet wisten. Herinner jullie Mij dus, Ik zal Mij jullie herinneren; wees Mij dankbaar, en verloochen Mij niet.
كَمَآ أَرۡسَلۡنَا فِيكُمۡ رَسُولٗا مِّنكُمۡ يَتۡلُواْ عَلَيۡكُمۡ ءَايَٰتِنَا وَيُزَكِّيكُمۡ وَيُعَلِّمُكُمُ ٱلۡكِتَٰبَ وَٱلۡحِكۡمَةَ وَيُعَلِّمُكُم مَّا لَمۡ تَكُونُواْ تَعۡلَمُونَ فَٱذۡكُرُونِيٓ أَذۡكُرۡكُمۡ وَٱشۡكُرُواْ لِي وَلَا تَكۡفُرُونِ
O jullie die geloofd hebben! Zoek bijstand in het geduld en het Contact,
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱسۡتَعِينُواْ بِٱلصَّبۡرِ وَٱلصَّلَوٰةِۚ
want God is met de geduldigen.
إِنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلصَّٰبِرِينَ
En zeg niet van hen die gedood worden op de weg van God dat zij dood zijn.
وَلَا تَقُولُواْ لِمَن يُقۡتَلُ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتُۢۚ
Nee, zij zijn levend, maar jullie voelen het niet.
بَلۡ أَحۡيَآءٞ وَلَٰكِن لَّا تَشۡعُرُونَ
En Wij zullen jullie voorzeker op de proef stellen met een weinig vrees en honger, en met een vermindering van bezittingen, van het Zelf en van vruchten;
وَلَنَبۡلُوَنَّكُم بِشَيۡءٖ مِّنَ ٱلۡخَوۡفِ وَٱلۡجُوعِ وَنَقۡصٖ مِّنَ ٱلۡأَمۡوَٰلِ وَٱلۡأَنفُسِ وَٱلثَّمَرَٰتِۗ
en breng het goede nieuws aan de geduldigen, zij die, wanneer een ongeluk hun overkomt, zeggen: “Wij zijn gewis van God, en tot Hem keren wij terug.”
وَبَشِّرِ ٱلصَّٰبِرِينَ ٱلَّذِينَ إِذَآ أَصَٰبَتۡهُم مُّصِيبَةٞ قَالُوٓاْ إِنَّا لِلَّهِ وَإِنَّآ إِلَيۡهِ رَٰجِعُونَ
Dat zijn zij op wie contacten van hun Voogd rusten, en een welwillendheid,
أُوْلَٰٓئِكَ عَلَيۡهِمۡ صَلَوَٰتٞ مِّن رَّبِّهِمۡ وَرَحۡمَةٞۖ
en dat zijn zij die zich laten leiden.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُهۡتَدُونَ
Safa en Marwa behoren gewis tot de waarneembare bakens van God.
۞ إِنَّ ٱلصَّفَا وَٱلۡمَرۡوَةَ مِن شَعَآئِرِ ٱللَّهِۖ
Wie de hadj van het Huis verricht of de oemra verricht, geen verwijt tegen hem om ze rond te gaan.
فَمَنۡ حَجَّ ٱلۡبَيۡتَ أَوِ ٱعۡتَمَرَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِ أَن يَطَّوَّفَ بِهِمَاۚ
En wie uit vrije wil het goede doet – God is gewis Dankbaar, Alwetend.
وَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَإِنَّ ٱللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ
Gewis, zij die verzwijgen wat Wij aan duidelijke bewijzen en aan leiding hebben doen neerdalen, nadat Wij het voor de mensen duidelijk hebben gemaakt in de Schrift – dat zijn zij die God vervloekt, en die vervloekt worden door hen die vervloeken,
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَكۡتُمُونَ مَآ أَنزَلۡنَا مِنَ ٱلۡبَيِّنَٰتِ وَٱلۡهُدَىٰ مِنۢ بَعۡدِ مَا بَيَّنَّٰهُ لِلنَّاسِ فِي ٱلۡكِتَٰبِ أُوْلَٰٓئِكَ يَلۡعَنُهُمُ ٱللَّهُ وَيَلۡعَنُهُمُ ٱللَّٰعِنُونَ
behalve zij die terugkeren, zich saneren en verhelderen: dat zijn zij tot wie Ik met mildheid terugkeer; Ik ben Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
إِلَّا ٱلَّذِينَ تَابُواْ وَأَصۡلَحُواْ وَبَيَّنُواْ فَأُوْلَٰٓئِكَ أَتُوبُ عَلَيۡهِمۡ وَأَنَا ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ
Gewis, zij die verloochenen en sterven terwijl zij verloochenen – dat zijn zij op wie de vervloeking van God, van de Gemachtigden en van de mensen rust, allen tezamen, waarin zij eeuwig zullen blijven;
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ وَمَاتُواْ وَهُمۡ كُفَّارٌ أُوْلَٰٓئِكَ عَلَيۡهِمۡ لَعۡنَةُ ٱللَّهِ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ وَٱلنَّاسِ أَجۡمَعِينَ خَٰلِدِينَ فِيهَا
de pijn zal hun niet verlicht worden, en hun zal geen uitstel verleend worden.
لَا يُخَفَّفُ عَنۡهُمُ ٱلۡعَذَابُ وَلَا هُمۡ يُنظَرُونَ
En jullie godheid is een enige godheid;
وَإِلَٰهُكُمۡ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞۖ
geen godheid behalve Hij,
لَّآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ
de Alwelwillende, de Welwillende.
ٱلرَّحۡمَٰنُ ٱلرَّحِيمُ
Voorzeker zijn er, in de schepping van de hemelen en de aarde, in de afwisseling van de nacht en de dag, in het vaartuig dat over zee vaart, geladen met wat de mensen nuttig is, in het water dat God uit de hemel doet neerdalen en waarmee Hij de aarde weer leven geeft na haar dood, waarop Hij elke soort wezen dat zich beweegt verspreidt, in de verscheidenheid van de winden, en in de wolk die tussen de hemel en de aarde onderworpen is – tekenen voor een volk dat redeneert.
إِنَّ فِي خَلۡقِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَٱخۡتِلَٰفِ ٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِ وَٱلۡفُلۡكِ ٱلَّتِي تَجۡرِي فِي ٱلۡبَحۡرِ بِمَا يَنفَعُ ٱلنَّاسَ وَمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مِن مَّآءٖ فَأَحۡيَا بِهِ ٱلۡأَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِهَا وَبَثَّ فِيهَا مِن كُلِّ دَآبَّةٖ وَتَصۡرِيفِ ٱلرِّيَٰحِ وَٱلسَّحَابِ ٱلۡمُسَخَّرِ بَيۡنَ ٱلسَّمَآءِ وَٱلۡأَرۡضِ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَعۡقِلُونَ
En onder de mensen zijn er die, buiten God, rivalen nemen, van wie zij houden zoals men van God houdt;
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَتَّخِذُ مِن دُونِ ٱللَّهِ أَندَادٗا يُحِبُّونَهُمۡ كَحُبِّ ٱللَّهِۖ
maar zij die geloofd hebben zijn nog intenser in de liefde voor God.
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَشَدُّ حُبّٗا لِّلَّهِۗ
En indien de onrechtvaardigen zagen, wanneer zij de pijn zullen zien, dat de kracht in haar geheel aan God toebehoort, en dat God streng is in de pijn –
وَلَوۡ يَرَى ٱلَّذِينَ ظَلَمُوٓاْ إِذۡ يَرَوۡنَ ٱلۡعَذَابَ أَنَّ ٱلۡقُوَّةَ لِلَّهِ جَمِيعٗا وَأَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعَذَابِ
Wanneer zij die gevolgd werden zich van hen die hen gevolgd hebben vrij verklaren, en zij de pijn zullen zien, en de schakels tussen hen verbroken zullen worden.
إِذۡ تَبَرَّأَ ٱلَّذِينَ ٱتُّبِعُواْ مِنَ ٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُواْ وَرَأَوُاْ ٱلۡعَذَابَ وَتَقَطَّعَتۡ بِهِمُ ٱلۡأَسۡبَابُ
En zij die gevolgd hebben zullen zeggen: “Indien wij toch een revanche hadden, zouden wij ons van hen vrij verklaren zoals zij zich van ons vrij hebben verklaard.”
وَقَالَ ٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُواْ لَوۡ أَنَّ لَنَا كَرَّةٗ فَنَتَبَرَّأَ مِنۡهُمۡ كَمَا تَبَرَّءُواْ مِنَّاۗ
Zo toont God hun hun werken, als ontredderingen voor hen,
كَذَٰلِكَ يُرِيهِمُ ٱللَّهُ أَعۡمَٰلَهُمۡ حَسَرَٰتٍ عَلَيۡهِمۡۖ
en zij zullen nooit uit het Vuur naar buiten treden.
وَمَا هُم بِخَٰرِجِينَ مِنَ ٱلنَّارِ
O mensen! Eet van wat op de aarde is, van wat geoorloofd en goed is,
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ كُلُواْ مِمَّا فِي ٱلۡأَرۡضِ حَلَٰلٗا طَيِّبٗا
en volg de passen van de Afleider niet,
وَلَا تَتَّبِعُواْ خُطۡوَٰتِ ٱلشَّيۡطَٰنِۚ
want hij is voor jullie een klaarblijkelijke vijand.
إِنَّهُۥ لَكُمۡ عَدُوّٞ مُّبِينٌ
Hij beveelt jullie slechts het kwaad en de schanddaad, en over God te zeggen wat jullie niet weten.
إِنَّمَا يَأۡمُرُكُم بِٱلسُّوٓءِ وَٱلۡفَحۡشَآءِ وَأَن تَقُولُواْ عَلَى ٱللَّهِ مَا لَا تَعۡلَمُونَ
En wanneer men hun zegt: “Volg wat God heeft doen neerdalen”, zeggen zij: “Nee, wij volgen datgene waarbij wij onze voorouders aangetroffen hebben.”
وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱتَّبِعُواْ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ قَالُواْ بَلۡ نَتَّبِعُ مَآ أَلۡفَيۡنَا عَلَيۡهِ ءَابَآءَنَآۚ
Wat! Ook al redeneerden hun voorouders in niets en lieten zij zich niet leiden?
أَوَلَوۡ كَانَ ءَابَآؤُهُمۡ لَا يَعۡقِلُونَ شَيۡـٔٗا وَلَا يَهۡتَدُونَ
En het voorbeeld van hen die verloochenen is dat van iemand die roept tot wat niets hoort dan oproep en geschreeuw.
وَمَثَلُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ كَمَثَلِ ٱلَّذِي يَنۡعِقُ بِمَا لَا يَسۡمَعُ إِلَّا دُعَآءٗ وَنِدَآءٗۚ
Doof, stom, blind: zij redeneren dus niet.
صُمُّۢ بُكۡمٌ عُمۡيٞ فَهُمۡ لَا يَعۡقِلُونَ
O jullie die geloofd hebben! Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie hebben voorzien, en wees dankbaar jegens God, indien het Hem is die jullie gehoorzamen.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ كُلُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا رَزَقۡنَٰكُمۡ وَٱشۡكُرُواْ لِلَّهِ إِن كُنتُمۡ إِيَّاهُ تَعۡبُدُونَ
Hij heeft jullie slechts het dode dier, het bloed, het varkensvlees, en wat aan een ander dan God is opgedragen ontzegd.
إِنَّمَا حَرَّمَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡمَيۡتَةَ وَٱلدَّمَ وَلَحۡمَ ٱلۡخِنزِيرِ وَمَآ أُهِلَّ بِهِۦ لِغَيۡرِ ٱللَّهِۖ
Maar wie daartoe gedwongen wordt, zonder opstandig te zijn en zonder de grenzen te overschrijden, op hem rust geen overtreding,
فَمَنِ ٱضۡطُرَّ غَيۡرَ بَاغٖ وَلَا عَادٖ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِۚ
want God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٌ
Gewis, zij die verzwijgen wat God aan de Schrift heeft doen neerdalen, en daarmee een schamele prijs kopen – dat zijn zij die in hun buik niets dan het Vuur doorslikken; God zal op de Dag van het Verschijnen het woord niet tot hen richten, en zal hen niet zuiveren,
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَكۡتُمُونَ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلۡكِتَٰبِ وَيَشۡتَرُونَ بِهِۦ ثَمَنٗا قَلِيلًا أُوْلَٰٓئِكَ مَا يَأۡكُلُونَ فِي بُطُونِهِمۡ إِلَّا ٱلنَّارَ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ
en zij zullen een schrijnende pijn hebben.
وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٌ
Dat zijn zij die de dwaling hebben gekocht tegen de prijs van de leiding, en de pijn tegen de prijs van de vergeving. Wat maakt hen toch zo volhardend tegenover het Vuur!
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ ٱشۡتَرَوُاْ ٱلضَّلَٰلَةَ بِٱلۡهُدَىٰ وَٱلۡعَذَابَ بِٱلۡمَغۡفِرَةِۚ فَمَآ أَصۡبَرَهُمۡ عَلَى ٱلنَّارِ
Dat is omdat God de Schrift in alle waarheid heeft doen neerdalen,
ذَٰلِكَ بِأَنَّ ٱللَّهَ نَزَّلَ ٱلۡكِتَٰبَ بِٱلۡحَقِّۗ
en zij die uiteenlopen over de Schrift zijn voorzeker in een verre breuk.
وَإِنَّ ٱلَّذِينَ ٱخۡتَلَفُواْ فِي ٱلۡكِتَٰبِ لَفِي شِقَاقِۭ بَعِيدٖ
De deugd bestaat er niet in jullie gezichten naar het oosten of het westen te wenden,
۞ لَّيۡسَ ٱلۡبِرُّ أَن تُوَلُّواْ وُجُوهَكُمۡ قِبَلَ ٱلۡمَشۡرِقِ وَٱلۡمَغۡرِبِ
maar de deugd, dat is hij die in God gelooft, in de Laatste Dag, in de Gemachtigden, in de Schrift en in de berichtgevers, en die van zijn bezittingen geeft, ondanks zijn liefde ervoor, aan de verwanten, de weeskinderen, de behoeftigen, de doorreiziger, hen die vragen, en om hen te bevrijden die onder de last van een schuld staan, die het Contact onderhoudt en de zuivere vrijgevigheid geeft,
وَلَٰكِنَّ ٱلۡبِرَّ مَنۡ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ وَٱلۡكِتَٰبِ وَٱلنَّبِيِّـۧنَ وَءَاتَى ٱلۡمَالَ عَلَىٰ حُبِّهِۦ ذَوِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينَ وَٱبۡنَ ٱلسَّبِيلِ وَٱلسَّآئِلِينَ وَفِي ٱلرِّقَابِ وَأَقَامَ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَى ٱلزَّكَوٰةَ
zij die trouw zijn aan hun pact wanneer zij een pact hebben gesloten,
وَٱلۡمُوفُونَ بِعَهۡدِهِمۡ إِذَا عَٰهَدُواْۖ
en de geduldigen in de tegenspoed, de schade, en op het moment van het geweld:
وَٱلصَّٰبِرِينَ فِي ٱلۡبَأۡسَآءِ وَٱلضَّرَّآءِ وَحِينَ ٱلۡبَأۡسِۗ
dat zijn zij die waarachtig zijn geweest,
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ صَدَقُواْۖ
en dat zijn zij die zich behoeden.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُتَّقُونَ
O jullie die geloofd hebben! Het onderzoek is jullie voorgeschreven inzake de gedoden:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡقِصَاصُ فِي ٱلۡقَتۡلَىۖ
de onafhankelijke met de onafhankelijke, de gehoorzame met de gehoorzame, en de vrouw met de vrouw.
ٱلۡحُرُّ بِٱلۡحُرِّ وَٱلۡعَبۡدُ بِٱلۡعَبۡدِ وَٱلۡأُنثَىٰ بِٱلۡأُنثَىٰۚ
Maar voor hem aan wie zijn broer iets kwijtscheldt: een vervolging volgens het naar gebruik erkende, en een afwikkeling met goede gratie.
فَمَنۡ عُفِيَ لَهُۥ مِنۡ أَخِيهِ شَيۡءٞ فَٱتِّبَاعُۢ بِٱلۡمَعۡرُوفِ وَأَدَآءٌ إِلَيۡهِ بِإِحۡسَٰنٖۗ
Dat is een verlichting van jullie Voogd, en een welwillendheid.
ذَٰلِكَ تَخۡفِيفٞ مِّن رَّبِّكُمۡ وَرَحۡمَةٞۗ
En wie daarna aanvalt zal een schrijnende pijn hebben.
فَمَنِ ٱعۡتَدَىٰ بَعۡدَ ذَٰلِكَ فَلَهُۥ عَذَابٌ أَلِيمٞ
En jullie hebben, in het onderzoek, een leven, o houders van intelligentie, misschien zullen jullie je behoeden.
وَلَكُمۡ فِي ٱلۡقِصَاصِ حَيَوٰةٞ يَٰٓأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ
Het is jullie voorgeschreven, wanneer de dood zich aan een van jullie aandient, indien hij een bezit nalaat,
كُتِبَ عَلَيۡكُمۡ إِذَا حَضَرَ أَحَدَكُمُ ٱلۡمَوۡتُ إِن تَرَكَ خَيۡرًا
het testament ten gunste van de twee ouders en de verwanten, volgens het naar gebruik erkende:
ٱلۡوَصِيَّةُ لِلۡوَٰلِدَيۡنِ وَٱلۡأَقۡرَبِينَ بِٱلۡمَعۡرُوفِۖ
een plicht voor hen die zich behoeden.
حَقًّا عَلَى ٱلۡمُتَّقِينَ
En wie het wijzigt nadat hij het heeft gehoord, de overtreding daarvan rust slechts op hen die het wijzigen,
فَمَنۢ بَدَّلَهُۥ بَعۡدَ مَا سَمِعَهُۥ فَإِنَّمَآ إِثۡمُهُۥ عَلَى ٱلَّذِينَ يُبَدِّلُونَهُۥٓۚ
want God is de Alhorende, de Alwetende.
إِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٞ
Maar wie van een erflater een partijdigheid of een overtreding vreest, en hen verzoent, op hem rust geen overtreding;
فَمَنۡ خَافَ مِن مُّوَصّٖ جَنَفًا أَوۡ إِثۡمٗا فَأَصۡلَحَ بَيۡنَهُمۡ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِۚ
want God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ
O jullie die geloofd hebben! De onthouding is jullie voorgeschreven, zoals zij voorgeschreven is aan hen die vóór jullie waren, misschien zullen jullie je behoeden, gedurende getelde dagen.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلصِّيَامُ كَمَا كُتِبَ عَلَى ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ أَيَّامٗا مَّعۡدُودَٰتٖۚ
En wie van jullie ziek is, of op reis, dan een aantal andere dagen;
فَمَن كَانَ مِنكُم مَّرِيضًا أَوۡ عَلَىٰ سَفَرٖ فَعِدَّةٞ مِّنۡ أَيَّامٍ أُخَرَۚ
en voor hen die er het vermogen toe hebben, een compensatie, het voedsel van een behoeftige.
وَعَلَى ٱلَّذِينَ يُطِيقُونَهُۥ فِدۡيَةٞ طَعَامُ مِسۡكِينٖۖ
En wie uit vrije wil het goede doet, dat is beter voor hem;
فَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَهُوَ خَيۡرٞ لَّهُۥۚ
en dat jullie je onthouden is beter voor jullie, indien jullie wisten.
وَأَن تَصُومُواْ خَيۡرٞ لَّكُمۡ إِن كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ
De maand van verkoeling, die waarin deze Lezing is neergedaald, leiding voor de mensen, en duidelijke bewijzen van de leiding en van het Onderscheid.
شَهۡرُ رَمَضَانَ ٱلَّذِيٓ أُنزِلَ فِيهِ ٱلۡقُرۡءَانُ هُدٗى لِّلنَّاسِ وَبَيِّنَٰتٖ مِّنَ ٱلۡهُدَىٰ وَٱلۡفُرۡقَانِۚ
Wie van jullie getuige is van het begin van deze maand, onthoude zich ervan;
فَمَن شَهِدَ مِنكُمُ ٱلشَّهۡرَ فَلۡيَصُمۡهُۖ
en wie ziek is, of op reis, dan een aantal andere dagen.
وَمَن كَانَ مَرِيضًا أَوۡ عَلَىٰ سَفَرٖ فَعِدَّةٞ مِّنۡ أَيَّامٍ أُخَرَۗ
God wil voor jullie het gemak, Hij wil voor jullie niet de moeilijkheid,
يُرِيدُ ٱللَّهُ بِكُمُ ٱلۡيُسۡرَ وَلَا يُرِيدُ بِكُمُ ٱلۡعُسۡرَ
en dat jullie het aantal dagen vol maken, en dat jullie de grootheid van God afkondigen omdat Hij jullie heeft geleid, misschien zullen jullie dankbaar zijn.
وَلِتُكَمِّلُواْ ٱلۡعِدَّةَ وَلِتُكَبِّرُواْ ٱللَّهَ عَلَىٰ مَا هَدَىٰكُمۡ وَلَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ
En wanneer Mijn gehoorzamen je over Mij ondervragen, Ik ben nabij:
وَإِذَا سَأَلَكَ عِبَادِي عَنِّي فَإِنِّي قَرِيبٌۖ
Ik antwoord op de oproep van hem die Mij roept, wanneer hij Mij roept.
أُجِيبُ دَعۡوَةَ ٱلدَّاعِ إِذَا دَعَانِۖ
Laten zij dus op Mijn oproep antwoorden, en laten zij in Mij geloven, misschien zullen zij de rechtschapenheid bereiken.
فَلۡيَسۡتَجِيبُواْ لِي وَلۡيُؤۡمِنُواْ بِي لَعَلَّهُمۡ يَرۡشُدُونَ
De intimiteit met jullie vrouwen is voor jullie geoorloofd gemaakt, in de nacht van de onthouding:
أُحِلَّ لَكُمۡ لَيۡلَةَ ٱلصِّيَامِ ٱلرَّفَثُ إِلَىٰ نِسَآئِكُمۡۚ
zij zijn een kleed voor jullie, en jullie zijn een kleed voor hen.
هُنَّ لِبَاسٞ لَّكُمۡ وَأَنتُمۡ لِبَاسٞ لَّهُنَّۗ
God wist dat jullie jezelf verraadden; Hij is toen met mildheid tot jullie teruggekeerd, en Hij heeft het jullie kwijtgescholden.
عَلِمَ ٱللَّهُ أَنَّكُمۡ كُنتُمۡ تَخۡتَانُونَ أَنفُسَكُمۡ فَتَابَ عَلَيۡكُمۡ وَعَفَا عَنكُمۡۖ
Verenig jullie nu dus met hen,
فَٱلۡـَٰٔنَ بَٰشِرُوهُنَّ
en zoek wat God voor jullie heeft voorgeschreven.
وَٱبۡتَغُواْ مَا كَتَبَ ٱللَّهُ لَكُمۡۚ
En eet en drink totdat de witte draad voor jullie te onderscheiden is van de zwarte draad van de dageraad,
وَكُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ حَتَّىٰ يَتَبَيَّنَ لَكُمُ ٱلۡخَيۡطُ ٱلۡأَبۡيَضُ مِنَ ٱلۡخَيۡطِ ٱلۡأَسۡوَدِ مِنَ ٱلۡفَجۡرِۖ
voltooi dan de onthouding tot de nacht.
ثُمَّ أَتِمُّواْ ٱلصِّيَامَ إِلَى ٱلَّيۡلِۚ
En verenig jullie niet met hen, terwijl jullie vertoeven in de plaatsen van neerwerping.
وَلَا تُبَٰشِرُوهُنَّ وَأَنتُمۡ عَٰكِفُونَ فِي ٱلۡمَسَٰجِدِۗ
Dat zijn de grenzen van God,
تِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِ
nader ze dus niet.
فَلَا تَقۡرَبُوهَاۗ
Zo maakt God Zijn tekenen duidelijk voor de mensen, misschien zullen zij zich behoeden.
كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ ءَايَٰتِهِۦ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمۡ يَتَّقُونَ
En verslind jullie bezittingen niet onder elkaar door het valse, en bied ze niet aan de rechters aan om door de overtreding een deel van de bezittingen van de mensen te verslinden, terwijl jullie weten.
وَلَا تَأۡكُلُوٓاْ أَمۡوَٰلَكُم بَيۡنَكُم بِٱلۡبَٰطِلِ وَتُدۡلُواْ بِهَآ إِلَى ٱلۡحُكَّامِ لِتَأۡكُلُواْ فَرِيقٗا مِّنۡ أَمۡوَٰلِ ٱلنَّاسِ بِٱلۡإِثۡمِ وَأَنتُمۡ تَعۡلَمُونَ
Zij ondervragen je over de openbare afkondigingen.
۞ يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡأَهِلَّةِۖ
Zeg: “Zij zijn vastgestelde afspraken voor de mensen, en voor de hadj.
قُلۡ هِيَ مَوَٰقِيتُ لِلنَّاسِ وَٱلۡحَجِّۗ
En de deugd bestaat er niet in naar de huizen te komen via hun rug,
وَلَيۡسَ ٱلۡبِرُّ بِأَن تَأۡتُواْ ٱلۡبِيُوتَ مِن ظُهُورِهَا
maar de deugd, dat is hij die zich behoedt.
وَلَٰكِنَّ ٱلۡبِرَّ مَنِ ٱتَّقَىٰۗ
Kom dus naar de huizen via hun deuren,
وَأۡتُواْ ٱلۡبِيُوتَ مِنۡ أَبۡوَٰبِهَاۚ
en behoed jullie voor God, misschien zullen jullie slagen.”
وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ لَعَلَّكُمۡ تُفۡلِحُونَ
En vecht, op de weg van God, tegen hen die tegen jullie vechten, maar val niet aan,
وَقَٰتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ ٱلَّذِينَ يُقَٰتِلُونَكُمۡ وَلَا تَعۡتَدُوٓاْۚ
want God houdt niet van de aanvallers.
إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلۡمُعۡتَدِينَ
En dood hen waar jullie hen ook betrappen, en verdrijf hen vanwaar zij jullie hebben verdreven:
وَٱقۡتُلُوهُمۡ حَيۡثُ ثَقِفۡتُمُوهُمۡ وَأَخۡرِجُوهُم مِّنۡ حَيۡثُ أَخۡرَجُوكُمۡۚ
de beproeving is strenger dan de moord.
وَٱلۡفِتۡنَةُ أَشَدُّ مِنَ ٱلۡقَتۡلِۚ
En vecht niet tegen hen nabij de onschendbare plaats van neerwerping, voordat zij daar tegen jullie vechten;
وَلَا تُقَٰتِلُوهُمۡ عِندَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِ حَتَّىٰ يُقَٰتِلُوكُمۡ فِيهِۖ
maar indien zij tegen jullie vechten, dood hen dan:
فَإِن قَٰتَلُوكُمۡ فَٱقۡتُلُوهُمۡۗ
zo is de vergelding van hen die verloochenen.
كَذَٰلِكَ جَزَآءُ ٱلۡكَٰفِرِينَ
Maar indien zij ophouden, dan is God gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
فَإِنِ ٱنتَهَوۡاْ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ
En vecht tegen hen totdat er geen beproeving meer is, en de Wet voor God is;
وَقَٰتِلُوهُمۡ حَتَّىٰ لَا تَكُونَ فِتۡنَةٞ وَيَكُونَ ٱلدِّينُ لِلَّهِۖ
en indien zij ophouden, dan geen vijandigheid, behalve jegens de onrechtvaardigen.
فَإِنِ ٱنتَهَوۡاْ فَلَا عُدۡوَٰنَ إِلَّا عَلَى ٱلظَّٰلِمِينَ
De onschendbare maand voor de onschendbare maand, en voor de onschendbare dingen, een onderzoek.
ٱلشَّهۡرُ ٱلۡحَرَامُ بِٱلشَّهۡرِ ٱلۡحَرَامِ وَٱلۡحُرُمَٰتُ قِصَاصٞۚ
Wie jullie heeft aangevallen, val hem aan in de mate van zijn aanval tegen jullie,
فَمَنِ ٱعۡتَدَىٰ عَلَيۡكُمۡ فَٱعۡتَدُواْ عَلَيۡهِ بِمِثۡلِ مَا ٱعۡتَدَىٰ عَلَيۡكُمۡۚ
en behoed jullie voor God, en weet dat God met hen is die zich behoeden.
وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلۡمُتَّقِينَ
En geef uit op de weg van God, maar werp wat jullie in de hand houden niet in de vernietiging; en doe het goede,
وَأَنفِقُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ وَلَا تُلۡقُواْ بِأَيۡدِيكُمۡ إِلَى ٱلتَّهۡلُكَةِ وَأَحۡسِنُوٓاْۚ
want God houdt van hen die het goede doen.
إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُحۡسِنِينَ
En voltooi de hadj en de oemra voor God.
وَأَتِمُّواْ ٱلۡحَجَّ وَٱلۡعُمۡرَةَ لِلَّهِۚ
En indien jullie belemmerd worden, dan wat gemakkelijk te vinden is als gave.
فَإِنۡ أُحۡصِرۡتُمۡ فَمَا ٱسۡتَيۡسَرَ مِنَ ٱلۡهَدۡيِۖ
En scheer jullie hoofden niet voordat de gave haar plaats van aflevering heeft bereikt;
وَلَا تَحۡلِقُواْ رُءُوسَكُمۡ حَتَّىٰ يَبۡلُغَ ٱلۡهَدۡيُ مَحِلَّهُۥۚ
en wie van jullie ziek is, of lijdt aan hinder aan het hoofd, dan een compensatie door een onthouding, een liefdadigheid, of een weldadige praktijk.
فَمَن كَانَ مِنكُم مَّرِيضًا أَوۡ بِهِۦٓ أَذٗى مِّن رَّأۡسِهِۦ فَفِدۡيَةٞ مِّن صِيَامٍ أَوۡ صَدَقَةٍ أَوۡ نُسُكٖۚ
En zodra jullie in veiligheid zijn, wie van de oemra geniet tot de hadj, dan wat gemakkelijk te vinden is als gave.
فَإِذَآ أَمِنتُمۡ فَمَن تَمَتَّعَ بِٱلۡعُمۡرَةِ إِلَى ٱلۡحَجِّ فَمَا ٱسۡتَيۡسَرَ مِنَ ٱلۡهَدۡيِۚ
En wie er de middelen niet toe vindt, dan een onthouding van drie dagen tijdens de hadj, en zeven zodra jullie teruggekeerd zijn: dat zijn tien volle dagen.
فَمَن لَّمۡ يَجِدۡ فَصِيَامُ ثَلَٰثَةِ أَيَّامٖ فِي ٱلۡحَجِّ وَسَبۡعَةٍ إِذَا رَجَعۡتُمۡۗ تِلۡكَ عَشَرَةٞ كَامِلَةٞۗ
Dat, voor hem wiens familie niet aanwezig is bij de onschendbare plaats van neerwerping.
ذَٰلِكَ لِمَن لَّمۡ يَكُنۡ أَهۡلُهُۥ حَاضِرِي ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ
En behoed jullie voor God, en weet dat God streng is in de sanctie.
وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ
De hadj wordt gehouden in bekende maanden.
ٱلۡحَجُّ أَشۡهُرٞ مَّعۡلُومَٰتٞۚ
Wie zich daarin voor de hadj verbindt, dan geen obsceniteit, geen grensoverschrijding, en geen debat tijdens de hadj.
فَمَن فَرَضَ فِيهِنَّ ٱلۡحَجَّ فَلَا رَفَثَ وَلَا فُسُوقَ وَلَا جِدَالَ فِي ٱلۡحَجِّۗ
En welk goed jullie ook doen, God kent het.
وَمَا تَفۡعَلُواْ مِنۡ خَيۡرٖ يَعۡلَمۡهُ ٱللَّهُۗ
En neem jullie voorraad mee;
وَتَزَوَّدُواْ
want de voortreffelijkste van de voorraden is de behoedzaamheid.
فَإِنَّ خَيۡرَ ٱلزَّادِ ٱلتَّقۡوَىٰۖ
En behoed jullie voor Mij, o houders van intelligentie.
وَٱتَّقُونِ يَٰٓأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ
Geen verwijt tegen jullie om een gunst van jullie Voogd te zoeken.
لَيۡسَ عَلَيۡكُمۡ جُنَاحٌ أَن تَبۡتَغُواْ فَضۡلٗا مِّن رَّبِّكُمۡۚ
En wanneer jullie vanaf Arafat uitstromen, herinner jullie God nabij het onschendbare waarneembare baken,
فَإِذَآ أَفَضۡتُم مِّنۡ عَرَفَٰتٖ فَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ عِندَ ٱلۡمَشۡعَرِ ٱلۡحَرَامِۖ
en herinner jullie Hem, zoals Hij jullie heeft geleid, terwijl jullie voordien voorzeker tot de dwalenden behoorden.
وَٱذۡكُرُوهُ كَمَا هَدَىٰكُمۡ وَإِن كُنتُم مِّن قَبۡلِهِۦ لَمِنَ ٱلضَّآلِّينَ
Stroom dan uit vanwaar de mensen uitstromen,
ثُمَّ أَفِيضُواْ مِنۡ حَيۡثُ أَفَاضَ ٱلنَّاسُ
en smeek om de vergeving van God,
وَٱسۡتَغۡفِرُواْ ٱللَّهَۚ
want God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ
En wanneer jullie je weldadige praktijken hebben afgerond, herinner jullie God zoals jullie je jullie voorouders herinneren, of met een nog intensere herinnering.
فَإِذَا قَضَيۡتُم مَّنَٰسِكَكُمۡ فَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ كَذِكۡرِكُمۡ ءَابَآءَكُمۡ أَوۡ أَشَدَّ ذِكۡرٗاۗ
En onder de mensen is er een die zegt: “Onze Voogd, geef ons hienieden” – en hij zal in het laatste leven geen enkel lot hebben.
فَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَقُولُ رَبَّنَآ ءَاتِنَا فِي ٱلدُّنۡيَا وَمَا لَهُۥ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ مِنۡ خَلَٰقٖ
En onder hen is er een die zegt: “Onze Voogd, geef ons een schoon deel hienieden, en een schoon deel in het laatste leven, en behoed ons voor de pijn van het Vuur.”
وَمِنۡهُم مَّن يَقُولُ رَبَّنَآ ءَاتِنَا فِي ٱلدُّنۡيَا حَسَنَةٗ وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِ حَسَنَةٗ وَقِنَا عَذَابَ ٱلنَّارِ
Dat zijn zij die een aandeel hebben van wat zij hebben verworven.
أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ نَصِيبٞ مِّمَّا كَسَبُواْۚ
God is snel in de rekening.
وَٱللَّهُ سَرِيعُ ٱلۡحِسَابِ
En herinner jullie God gedurende getelde dagen.
۞ وَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ فِيٓ أَيَّامٖ مَّعۡدُودَٰتٖۚ
En wie zich haast in twee dagen, op hem rust geen overtreding;
فَمَن تَعَجَّلَ فِي يَوۡمَيۡنِ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِ
en wie draalt, op hem rust geen overtreding, voor hem die zich behoedt.
وَمَن تَأَخَّرَ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِۖ لِمَنِ ٱتَّقَىٰۗ
En behoed jullie voor God, en weet dat het tot Hem is dat jullie verzameld zullen worden.
وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّكُمۡ إِلَيۡهِ تُحۡشَرُونَ
En onder de mensen is er een wiens uitspraak, over het leven hienieden, je verblindt, en die God tot getuige neemt van wat in zijn kern is, terwijl hij de meest verbeten van de twistzoekers is.
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يُعۡجِبُكَ قَوۡلُهُۥ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَيُشۡهِدُ ٱللَّهَ عَلَىٰ مَا فِي قَلۡبِهِۦ وَهُوَ أَلَدُّ ٱلۡخِصَامِ
En wanneer hij de rug toekeert, spant hij zich op de aarde in om er bederf te zaaien, en om de akker en het nageslacht te vernietigen.
وَإِذَا تَوَلَّىٰ سَعَىٰ فِي ٱلۡأَرۡضِ لِيُفۡسِدَ فِيهَا وَيُهۡلِكَ ٱلۡحَرۡثَ وَٱلنَّسۡلَۚ
God houdt niet van het bederf.
وَٱللَّهُ لَا يُحِبُّ ٱلۡفَسَادَ
En wanneer men hem zegt: “Behoed je voor God”, grijpt de macht hem in de overtreding; Djahannam volstaat dus voor hem.
وَإِذَا قِيلَ لَهُ ٱتَّقِ ٱللَّهَ أَخَذَتۡهُ ٱلۡعِزَّةُ بِٱلۡإِثۡمِۚ فَحَسۡبُهُۥ جَهَنَّمُۖ
En wat een afschuwelijke legerstede!
وَلَبِئۡسَ ٱلۡمِهَادُ
En onder de mensen is er een die zijn eigen Zelf verkoopt, de instemming van God zoekend.
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَشۡرِي نَفۡسَهُ ٱبۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ ٱللَّهِۚ
God is vol goedheid jegens Zijn gehoorzamen.
وَٱللَّهُ رَؤُفُۢ بِٱلۡعِبَادِ
O jullie die geloofd hebben! Treed binnen in de vrede, in totaliteit,
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱدۡخُلُواْ فِي ٱلسِّلۡمِ كَآفَّةٗ
en volg de passen van de Afleider niet,
وَلَا تَتَّبِعُواْ خُطۡوَٰتِ ٱلشَّيۡطَٰنِۚ
want hij is voor jullie een klaarblijkelijke vijand.
إِنَّهُۥ لَكُمۡ عَدُوّٞ مُّبِينٞ
En indien jullie wankelen nadat de duidelijke bewijzen tot jullie zijn gekomen, weet dan dat God Almachtig is, Wijs.
فَإِن زَلَلۡتُم مِّنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡكُمُ ٱلۡبَيِّنَٰتُ فَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٌ
Wachten zij op niets anders dan dat God tot hen komt in baldakijnen van wolken,
هَلۡ يَنظُرُونَ إِلَّآ أَن يَأۡتِيَهُمُ ٱللَّهُ فِي ظُلَلٖ مِّنَ ٱلۡغَمَامِ
met de Gemachtigden, en dat de zaak beslist wordt?
وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ وَقُضِيَ ٱلۡأَمۡرُۚ
En tot God keren alle zaken terug.
وَإِلَى ٱللَّهِ تُرۡجَعُ ٱلۡأُمُورُ
Vraag de zonen van Israël hoeveel duidelijke tekenen Wij hun hebben gegeven.
سَلۡ بَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ كَمۡ ءَاتَيۡنَٰهُم مِّنۡ ءَايَةِۭ بَيِّنَةٖۗ
En wie de weldaad van God wijzigt nadat zij tot hem is gekomen – God is gewis streng in de sanctie.
وَمَن يُبَدِّلۡ نِعۡمَةَ ٱللَّهِ مِنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡهُ فَإِنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ
Het leven hienieden is verfraaid voor hen die verloochenen, en zij spotten met hen die geloofd hebben;
زُيِّنَ لِلَّذِينَ كَفَرُواْ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَا وَيَسۡخَرُونَ مِنَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْۘ
maar zij die zich behoeden zullen boven hen staan, op de Dag van het Verschijnen.
وَٱلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ فَوۡقَهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۗ
En God voorziet wie het Hem behaagt, zonder te tellen.
وَٱللَّهُ يَرۡزُقُ مَن يَشَآءُ بِغَيۡرِ حِسَابٖ
De mensen vormden één enkele gemeenschap; God wekte toen de berichtgevers op, aankondigers en waarschuwers, en deed met hen de Schrift neerdalen, in alle waarheid, opdat zij oordeelt tussen de mensen over datgene waarin zij uiteenliepen.
كَانَ ٱلنَّاسُ أُمَّةٗ وَٰحِدَةٗ فَبَعَثَ ٱللَّهُ ٱلنَّبِيِّـۧنَ مُبَشِّرِينَ وَمُنذِرِينَ وَأَنزَلَ مَعَهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ بِٱلۡحَقِّ لِيَحۡكُمَ بَيۡنَ ٱلنَّاسِ فِيمَا ٱخۡتَلَفُواْ فِيهِۚ
En alleen zij aan wie zij gegeven werd liepen daarin uiteen,
وَمَا ٱخۡتَلَفَ فِيهِ إِلَّا ٱلَّذِينَ أُوتُوهُ
nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen, uit afpersing onder elkaar.
مِنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡهُمُ ٱلۡبَيِّنَٰتُ بَغۡيَۢا بَيۡنَهُمۡۖ
God heeft toen hen die geloofd hebben geleid naar de waarheid waarover zij uiteenliepen, met Zijn toestemming.
فَهَدَى ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لِمَا ٱخۡتَلَفُواْ فِيهِ مِنَ ٱلۡحَقِّ بِإِذۡنِهِۦۗ
En God leidt wie het Hem behaagt naar een rechtlijnig pad.
وَٱللَّهُ يَهۡدِي مَن يَشَآءُ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٍ
Of dachten jullie de Tuin binnen te gaan, terwijl het equivalent van wat zij hebben gekend die voor jullie voorbijgegaan zijn nog niet tot jullie is gekomen? De tegenspoed en de schade hebben hen getroffen, en zij werden zo geschokt dat de gezant en zij die met hem geloofd hadden zeiden: “Wanneer dan het ontzet van God?”
أَمۡ حَسِبۡتُمۡ أَن تَدۡخُلُواْ ٱلۡجَنَّةَ وَلَمَّا يَأۡتِكُم مَّثَلُ ٱلَّذِينَ خَلَوۡاْ مِن قَبۡلِكُمۖ مَّسَّتۡهُمُ ٱلۡبَأۡسَآءُ وَٱلضَّرَّآءُ وَزُلۡزِلُواْ حَتَّىٰ يَقُولَ ٱلرَّسُولُ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مَعَهُۥ مَتَىٰ نَصۡرُ ٱللَّهِۗ
Is het niet zo: het ontzet van God is gewis nabij!
أَلَآ إِنَّ نَصۡرَ ٱللَّهِ قَرِيبٞ
Zij ondervragen je: wat moeten zij uitgeven?
يَسۡـَٔلُونَكَ مَاذَا يُنفِقُونَۖ
Zeg: “Wat jullie aan goeds uitgeven komt toe aan de twee ouders, de verwanten, de weeskinderen, de behoeftigen, en de doorreiziger.
قُلۡ مَآ أَنفَقۡتُم مِّنۡ خَيۡرٖ فَلِلۡوَٰلِدَيۡنِ وَٱلۡأَقۡرَبِينَ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ وَٱبۡنِ ٱلسَّبِيلِۗ
En welk goed jullie ook doen, God is er gewis Alwetend over.”
وَمَا تَفۡعَلُواْ مِنۡ خَيۡرٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ بِهِۦ عَلِيمٞ
Het gevecht is jullie voorgeschreven, terwijl jullie er een afkeer van hebben.
كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡقِتَالُ وَهُوَ كُرۡهٞ لَّكُمۡۖ
En het kan zijn dat jullie een afkeer hebben van iets, terwijl het een goed voor jullie is;
وَعَسَىٰٓ أَن تَكۡرَهُواْ شَيۡـٔٗا وَهُوَ خَيۡرٞ لَّكُمۡۖ
en het kan zijn dat jullie van iets houden, terwijl het een kwaad voor jullie is.
وَعَسَىٰٓ أَن تُحِبُّواْ شَيۡـٔٗا وَهُوَ شَرّٞ لَّكُمۡۚ
God weet,
وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ
en jullie weten niet.
وَأَنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ
Zij ondervragen je over de onschendbare maand, over het gevecht dat daarin zou plaatsvinden.
يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلشَّهۡرِ ٱلۡحَرَامِ قِتَالٖ فِيهِۖ
Zeg: “Daarin vechten is ernstig;
قُلۡ قِتَالٞ فِيهِ كَبِيرٞۚ
maar de weg van God versperren, Hem verloochenen, de toegang tot de onschendbare plaats van neerwerping versperren, en haar lieden eruit verdrijven, is nog ernstiger bij God;
وَصَدٌّ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ وَكُفۡرُۢ بِهِۦ وَٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِ وَإِخۡرَاجُ أَهۡلِهِۦ مِنۡهُ أَكۡبَرُ عِندَ ٱللَّهِۚ
en de beproeving is ernstiger dan de moord.
وَٱلۡفِتۡنَةُ أَكۡبَرُ مِنَ ٱلۡقَتۡلِۗ
En zij zullen niet ophouden tegen jullie te vechten totdat zij jullie van jullie Wet hebben doen afzien, indien zij kunnen.
وَلَا يَزَالُونَ يُقَٰتِلُونَكُمۡ حَتَّىٰ يَرُدُّوكُمۡ عَن دِينِكُمۡ إِنِ ٱسۡتَطَٰعُواْۚ
En wie van jullie van zijn Wet afziet, en sterft terwijl hij verloochent – dat zijn zij wier werken zijn ingestort, hienieden en in het laatste leven,
وَمَن يَرۡتَدِدۡ مِنكُمۡ عَن دِينِهِۦ فَيَمُتۡ وَهُوَ كَافِرٞ فَأُوْلَٰٓئِكَ حَبِطَتۡ أَعۡمَٰلُهُمۡ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۖ
en dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.”
وَأُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ
Gewis, zij die geloofd hebben, zij die geëmigreerd zijn en gestreden hebben op de weg van God – dat zijn zij die hopen op de welwillendheid van God.
إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَٱلَّذِينَ هَاجَرُواْ وَجَٰهَدُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أُوْلَٰٓئِكَ يَرۡجُونَ رَحۡمَتَ ٱللَّهِۚ
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وَٱللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞ
Zij ondervragen je over de wijn en de kansspelen.
۞ يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡخَمۡرِ وَٱلۡمَيۡسِرِۖ
Zeg: “Er is in beide een grote overtreding, en voordelen voor de mensen;
قُلۡ فِيهِمَآ إِثۡمٞ كَبِيرٞ وَمَنَٰفِعُ لِلنَّاسِ
maar hun overtreding is groter dan hun voordeel.”
وَإِثۡمُهُمَآ أَكۡبَرُ مِن نَّفۡعِهِمَاۗ
En zij ondervragen je: wat moeten zij uitgeven? Zeg: “Het overtollige.”
وَيَسۡـَٔلُونَكَ مَاذَا يُنفِقُونَۖ قُلِ ٱلۡعَفۡوَۗ
Zo maakt God jullie de tekenen duidelijk, misschien zullen jullie nadenken over het hienieden en over het laatste leven.
كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ لَكُمُ ٱلۡأٓيَٰتِ لَعَلَّكُمۡ تَتَفَكَّرُونَ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۗ
En zij ondervragen je over de weeskinderen. Zeg: “Hun situatie saneren is een goed;
وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡيَتَٰمَىٰۖ قُلۡ إِصۡلَاحٞ لَّهُمۡ خَيۡرٞۖ
en indien jullie jullie zaken met de hunne vermengen, dan zijn zij jullie broers.
وَإِن تُخَالِطُوهُمۡ فَإِخۡوَٰنُكُمۡۚ
God onderscheidt de bederver van hem die saneert.
وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ ٱلۡمُفۡسِدَ مِنَ ٱلۡمُصۡلِحِۚ
En had het God behaagd, dan zou Hij jullie hebben overweldigd,
وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ لَأَعۡنَتَكُمۡۚ
want God is Almachtig, Wijs.”
إِنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٞ
En trouw niet met de vrouwen die associëren, totdat zij geloven;
وَلَا تَنكِحُواْ ٱلۡمُشۡرِكَٰتِ حَتَّىٰ يُؤۡمِنَّۚ
en een gelovende gehoorzame vrouw is gewis beter dan een vrouw die associeert, ook al verblindt deze jullie.
وَلَأَمَةٞ مُّؤۡمِنَةٌ خَيۡرٞ مِّن مُّشۡرِكَةٖ وَلَوۡ أَعۡجَبَتۡكُمۡۗ
En geef niet ten huwelijk aan hen die associëren, totdat zij geloven;
وَلَا تُنكِحُواْ ٱلۡمُشۡرِكِينَ حَتَّىٰ يُؤۡمِنُواْۚ
en een gelovende gehoorzame man is gewis beter dan een man die associeert, ook al verblindt deze jullie.
وَلَعَبۡدٞ مُّؤۡمِنٌ خَيۡرٞ مِّن مُّشۡرِكٖ وَلَوۡ أَعۡجَبَكُمۡۗ
Dat zijn zij die roepen naar het Vuur,
أُوْلَٰٓئِكَ يَدۡعُونَ إِلَى ٱلنَّارِۖ
terwijl God roept naar de Tuin en de vergeving, met Zijn toestemming,
وَٱللَّهُ يَدۡعُوٓاْ إِلَى ٱلۡجَنَّةِ وَٱلۡمَغۡفِرَةِ بِإِذۡنِهِۦۖ
en Hij maakt Zijn tekenen duidelijk voor de mensen, misschien zullen zij zich herinneren.
وَيُبَيِّنُ ءَايَٰتِهِۦ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمۡ يَتَذَكَّرُونَ
En zij ondervragen je over de menstruatie. Zeg: “Het is een hinder;
وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡمَحِيضِۖ قُلۡ هُوَ أَذٗى
houd jullie dus afzijdig van de vrouwen tijdens de menstruatie,
فَٱعۡتَزِلُواْ ٱلنِّسَآءَ فِي ٱلۡمَحِيضِ
en nader hen niet totdat zij niet meer gehinderd zijn.
وَلَا تَقۡرَبُوهُنَّ حَتَّىٰ يَطَّهَّرۡنَۖ
En zodra zij het niet meer zijn, verenig jullie met hen daar waar God het jullie heeft bevolen,
فَإِذَا تَطَهَّرۡنَ فَأۡتُوهُنَّ مِنۡ حَيۡثُ أَمَرَكُمُ ٱللَّهُۚ
want God houdt van hen die terugkeren, en Hij houdt van hen die zich rein houden.”
إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلتَّوَّٰبِينَ وَيُحِبُّ ٱلۡمُتَطَهِّرِينَ
Jullie vrouwen zijn voor jullie een akker; verenig jullie dus met jullie akker zoals het jullie behaagt,
نِسَآؤُكُمۡ حَرۡثٞ لَّكُمۡ فَأۡتُواْ حَرۡثَكُمۡ أَنَّىٰ شِئۡتُمۡۖ
en stuur voor jullie zelf vooruit;
وَقَدِّمُواْ لِأَنفُسِكُمۡۚ
en behoed jullie voor God,
وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ
en weet dat jullie Hem zullen ontmoeten.
وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّكُم مُّلَٰقُوهُۗ
En kondig het goede nieuws aan de gelovenden aan.
وَبَشِّرِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ
En maak God, in jullie eden, niet tot een voorwendsel dat jullie naar believen gebruiken,
وَلَا تَجۡعَلُواْ ٱللَّهَ عُرۡضَةٗ لِّأَيۡمَٰنِكُمۡ
om te getuigen dat jullie deugdzaam zijn, dat jullie je behoeden, en dat jullie de mensen verzoenen.
أَن تَبَرُّواْ وَتَتَّقُواْ وَتُصۡلِحُواْ بَيۡنَ ٱلنَّاسِۚ
God is de Alhorende, de Alwetende.
وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٞ
God zal jullie niet grijpen om de nietigheid in jullie eden,
لَّا يُؤَاخِذُكُمُ ٱللَّهُ بِٱللَّغۡوِ فِيٓ أَيۡمَٰنِكُمۡ
maar Hij zal jullie grijpen om wat jullie kernen hebben verworven.
وَلَٰكِن يُؤَاخِذُكُم بِمَا كَسَبَتۡ قُلُوبُكُمۡۗ
God is Zeer Vergevensgezind, Lankmoedig.
وَٱللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٞ
Voor hen die een eed afleggen zich van hun vrouwen afzijdig te houden, vier maanden van afwachting;
لِّلَّذِينَ يُؤۡلُونَ مِن نِّسَآئِهِمۡ تَرَبُّصُ أَرۡبَعَةِ أَشۡهُرٖۖ
en indien zij thuiskeren, dan is God gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
فَإِن فَآءُو فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ
En indien zij vastbesloten zijn tot de verstoting, dan is God gewis de Alhorende, de Alwetende.
وَإِنۡ عَزَمُواْ ٱلطَّلَٰقَ فَإِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٞ
En de verstoten vrouwen blijven in afwachting gedurende drie cycli;
وَٱلۡمُطَلَّقَٰتُ يَتَرَبَّصۡنَ بِأَنفُسِهِنَّ ثَلَٰثَةَ قُرُوٓءٖۚ
en het is hun niet geoorloofd te verzwijgen wat God in hun baarmoeders heeft geschapen, indien zij in God en in de Laatste Dag geloven.
وَلَا يَحِلُّ لَهُنَّ أَن يَكۡتُمۡنَ مَا خَلَقَ ٱللَّهُ فِيٓ أَرۡحَامِهِنَّ إِن كُنَّ يُؤۡمِنَّ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۚ
En hun gemalen hebben meer recht om hen gedurende deze periode terug te brengen, indien zij een verzoening willen.
وَبُعُولَتُهُنَّ أَحَقُّ بِرَدِّهِنَّ فِي ذَٰلِكَ إِنۡ أَرَادُوٓاْ إِصۡلَٰحٗاۚ
En zij hebben rechten die equivalent zijn aan hun verplichtingen, volgens het naar gebruik erkende;
وَلَهُنَّ مِثۡلُ ٱلَّذِي عَلَيۡهِنَّ بِٱلۡمَعۡرُوفِۚ
en de mannen hebben, over hen, een graad.
وَلِلرِّجَالِ عَلَيۡهِنَّ دَرَجَةٞۗ
God is Almachtig, Wijs.
وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ
De verstoting, dat is tweemaal.
ٱلطَّلَٰقُ مَرَّتَانِۖ
Dan, hetzij een terugneming volgens het naar gebruik erkende, hetzij een bevrijding met goede gratie.
فَإِمۡسَاكُۢ بِمَعۡرُوفٍ أَوۡ تَسۡرِيحُۢ بِإِحۡسَٰنٖۗ
En het is jullie niet geoorloofd iets terug te nemen van wat jullie hun hebben gegeven, behalve indien beiden vrezen de grenzen van God niet te onderhouden.
وَلَا يَحِلُّ لَكُمۡ أَن تَأۡخُذُواْ مِمَّآ ءَاتَيۡتُمُوهُنَّ شَيۡـًٔا إِلَّآ أَن يَخَافَآ أَلَّا يُقِيمَا حُدُودَ ٱللَّهِۖ
En indien jullie vrezen dat zij de grenzen van God niet onderhouden, geen verwijt tegen hen beiden voor datgene waarmee zij zich vrijkoopt.
فَإِنۡ خِفۡتُمۡ أَلَّا يُقِيمَا حُدُودَ ٱللَّهِ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِمَا فِيمَا ٱفۡتَدَتۡ بِهِۦۗ
Dat zijn de grenzen van God,
تِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِ
overschrijd ze dus niet.
فَلَا تَعۡتَدُوهَاۚ
En wie de grenzen van God overschrijdt – dat zijn de onrechtvaardigen.
وَمَن يَتَعَدَّ حُدُودَ ٱللَّهِ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ
Indien hij haar verstoot, dan is zij hem hierna niet meer geoorloofd, totdat zij met een andere echtgenoot dan hij trouwt.
فَإِن طَلَّقَهَا فَلَا تَحِلُّ لَهُۥ مِنۢ بَعۡدُ حَتَّىٰ تَنكِحَ زَوۡجًا غَيۡرَهُۥۗ
En indien deze haar verstoot, geen verwijt tegen hen beiden om weer aan te knopen, indien zij vermoeden dat zij de grenzen van God zullen onderhouden.
فَإِن طَلَّقَهَا فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِمَآ أَن يَتَرَاجَعَآ إِن ظَنَّآ أَن يُقِيمَا حُدُودَ ٱللَّهِۗ
En dat zijn de grenzen van God, die Hij duidelijk maakt voor een volk dat weet.
وَتِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِ يُبَيِّنُهَا لِقَوۡمٖ يَعۡلَمُونَ
En wanneer jullie de vrouwen verstoten, en zij hun termijn bereiken, houd ze dan volgens het naar gebruik erkende, of bevrijd ze volgens het naar gebruik erkende;
وَإِذَا طَلَّقۡتُمُ ٱلنِّسَآءَ فَبَلَغۡنَ أَجَلَهُنَّ فَأَمۡسِكُوهُنَّ بِمَعۡرُوفٍ أَوۡ سَرِّحُوهُنَّ بِمَعۡرُوفٖۚ
en houd ze niet om te schaden, om aan te vallen.
وَلَا تُمۡسِكُوهُنَّ ضِرَارٗا لِّتَعۡتَدُواْۚ
En wie dit doet, heeft onrecht gedaan aan zichzelf.
وَمَن يَفۡعَلۡ ذَٰلِكَ فَقَدۡ ظَلَمَ نَفۡسَهُۥۚ
En neem de tekenen van God niet tot voorwerp van hoon.
وَلَا تَتَّخِذُوٓاْ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ هُزُؤٗاۚ
En herinner jullie de weldaad van God over jullie, en ook wat Hij over jullie aan de Schrift en de wijsheid heeft doen neerdalen, waarmee Hij jullie vermaant.
وَٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتَ ٱللَّهِ عَلَيۡكُمۡ وَمَآ أَنزَلَ عَلَيۡكُم مِّنَ ٱلۡكِتَٰبِ وَٱلۡحِكۡمَةِ يَعِظُكُم بِهِۦۚ
En behoed jullie voor God,
وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ
en weet dat God Alwetend is over alles.
وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٞ
En wanneer jullie de vrouwen verstoten, en zij hun termijn bereiken, belet hen niet met hun echtgenoten te trouwen, zodra er tussen hen een wederzijdse instemming is volgens het naar gebruik erkende.
وَإِذَا طَلَّقۡتُمُ ٱلنِّسَآءَ فَبَلَغۡنَ أَجَلَهُنَّ فَلَا تَعۡضُلُوهُنَّ أَن يَنكِحۡنَ أَزۡوَٰجَهُنَّ إِذَا تَرَٰضَوۡاْ بَيۡنَهُم بِٱلۡمَعۡرُوفِۗ
Dat is waartoe vermaand wordt wie van jullie in God en in de Laatste Dag gelooft.
ذَٰلِكَ يُوعَظُ بِهِۦ مَن كَانَ مِنكُمۡ يُؤۡمِنُ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۗ
Dit is zuiverder voor jullie, en reiner.
ذَٰلِكُمۡ أَزۡكَىٰ لَكُمۡ وَأَطۡهَرُۚ
God weet, en jullie weten niet.
وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ وَأَنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ
En de moeders nemen de volledige zorg voor hun kinderen op zich, twee volle jaarkringen,
۞ وَٱلۡوَٰلِدَٰتُ يُرۡضِعۡنَ أَوۡلَٰدَهُنَّ حَوۡلَيۡنِ كَامِلَيۡنِۖ
voor wie deze volledige zorg wil voltooien.
لِمَنۡ أَرَادَ أَن يُتِمَّ ٱلرَّضَاعَةَۚ
En op hem aan wie het kind is geboren rust de plicht te voorzien in hun leeftocht en hun kleding, volgens het naar gebruik erkende.
وَعَلَى ٱلۡمَوۡلُودِ لَهُۥ رِزۡقُهُنَّ وَكِسۡوَتُهُنَّ بِٱلۡمَعۡرُوفِۚ
Geen Zelf wordt belast boven zijn vermogen.
لَا تُكَلَّفُ نَفۡسٌ إِلَّا وُسۡعَهَاۚ
Dat geen moeder schade ondergaat vanwege haar kind, noch hij aan wie het kind is geboren, vanwege zijn kind.
لَا تُضَآرَّ وَٰلِدَةُۢ بِوَلَدِهَا وَلَا مَوۡلُودٞ لَّهُۥ بِوَلَدِهِۦۚ
En op de erfgenaam rust hetzelfde.
وَعَلَى ٱلۡوَارِثِ مِثۡلُ ذَٰلِكَۗ
En indien zij een spening willen, uit wederzijdse instemming onder hen en na overleg, geen verwijt tegen hen beiden.
فَإِنۡ أَرَادَا فِصَالًا عَن تَرَاضٖ مِّنۡهُمَا وَتَشَاوُرٖ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِمَاۗ
En indien jullie jullie kinderen in volledige zorg willen laten nemen, geen verwijt tegen jullie, zodra jullie overdragen wat jullie te geven hebben, volgens het naar gebruik erkende.
وَإِنۡ أَرَدتُّمۡ أَن تَسۡتَرۡضِعُوٓاْ أَوۡلَٰدَكُمۡ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ إِذَا سَلَّمۡتُم مَّآ ءَاتَيۡتُم بِٱلۡمَعۡرُوفِۗ
En behoed jullie voor God,
وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ
en weet dat God Alziend is over wat jullie doen.
وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٞ
En zij onder jullie die getrouw in bewaring gehouden worden terwijl zij echtgenoten achterlaten, deze blijven in afwachting gedurende vier maanden en tien;
وَٱلَّذِينَ يُتَوَفَّوۡنَ مِنكُمۡ وَيَذَرُونَ أَزۡوَٰجٗا يَتَرَبَّصۡنَ بِأَنفُسِهِنَّ أَرۡبَعَةَ أَشۡهُرٖ وَعَشۡرٗاۖ
en zodra zij hun termijn bereiken, geen verwijt tegen jullie voor wat zij uit zichzelf doen volgens het naar gebruik erkende.
فَإِذَا بَلَغۡنَ أَجَلَهُنَّ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ فِيمَا فَعَلۡنَ فِيٓ أَنفُسِهِنَّ بِٱلۡمَعۡرُوفِۗ
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٞ
En geen verwijt tegen jullie, in wat jullie laten doorschemeren als huwelijksaanzoek aan de vrouwen, of in jullie zelf herbergen.
وَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ فِيمَا عَرَّضۡتُم بِهِۦ مِنۡ خِطۡبَةِ ٱلنِّسَآءِ أَوۡ أَكۡنَنتُمۡ فِيٓ أَنفُسِكُمۡۚ
God weet dat jullie aan hen zullen denken; maar beloof hun niets in het geheim,
عَلِمَ ٱللَّهُ أَنَّكُمۡ سَتَذۡكُرُونَهُنَّ وَلَٰكِن لَّا تُوَاعِدُوهُنَّ سِرًّا
behalve een erkende uitspraak te zeggen.
إِلَّآ أَن تَقُولُواْ قَوۡلٗا مَّعۡرُوفٗاۚ
En sluit het huwelijkscontract niet voordat het document zijn termijn bereikt.
وَلَا تَعۡزِمُواْ عُقۡدَةَ ٱلنِّكَاحِ حَتَّىٰ يَبۡلُغَ ٱلۡكِتَٰبُ أَجَلَهُۥۚ
En weet dat God weet wat in jullie Zelven is; wees dus waakzaam jegens Hem.
وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ يَعۡلَمُ مَا فِيٓ أَنفُسِكُمۡ فَٱحۡذَرُوهُۚ
En weet dat God Zeer Vergevensgezind is, Lankmoedig.
وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ حَلِيمٞ
Geen verwijt tegen jullie, indien jullie de vrouwen verstoten zolang jullie hen niet hebben aangeraakt, of voor hen geen verplichting hebben bedongen.
لَّا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ إِن طَلَّقۡتُمُ ٱلنِّسَآءَ مَا لَمۡ تَمَسُّوهُنَّ أَوۡ تَفۡرِضُواْ لَهُنَّ فَرِيضَةٗۚ
En geef hun een genieting – de welgestelde naar zijn maat, en de bescheiden naar zijn maat – een genieting volgens het naar gebruik erkende:
وَمَتِّعُوهُنَّ عَلَى ٱلۡمُوسِعِ قَدۡرُهُۥ وَعَلَى ٱلۡمُقۡتِرِ قَدۡرُهُۥ مَتَٰعَۢا بِٱلۡمَعۡرُوفِۖ
een plicht voor hen die het goede doen.
حَقًّا عَلَى ٱلۡمُحۡسِنِينَ
En indien jullie hen verstoten voordat jullie hen hebben aangeraakt, terwijl jullie hun een verplichting hebben bedongen, de helft van wat jullie hebben bedongen, behalve indien zij het kwijtschelden, of indien hij in wiens handen het huwelijkscontract zich bevindt het kwijtscheldt.
وَإِن طَلَّقۡتُمُوهُنَّ مِن قَبۡلِ أَن تَمَسُّوهُنَّ وَقَدۡ فَرَضۡتُمۡ لَهُنَّ فَرِيضَةٗ فَنِصۡفُ مَا فَرَضۡتُمۡ إِلَّآ أَن يَعۡفُونَ أَوۡ يَعۡفُوَاْ ٱلَّذِي بِيَدِهِۦ عُقۡدَةُ ٱلنِّكَاحِۚ
En de kwijtschelding, dat is dichter bij de behoedzaamheid.
وَأَن تَعۡفُوٓاْ أَقۡرَبُ لِلتَّقۡوَىٰۚ
En vergeet de gunst onder elkaar niet,
وَلَا تَنسَوُاْ ٱلۡفَضۡلَ بَيۡنَكُمۡۚ
want God is Alziend over wat jullie doen.
إِنَّ ٱللَّهَ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٌ
Bewaar de Contacten, en ook het meest volmaakte Contact, en houd jullie staande voor God, toegewijd.
حَٰفِظُواْ عَلَى ٱلصَّلَوَٰتِ وَٱلصَّلَوٰةِ ٱلۡوُسۡطَىٰ وَقُومُواْ لِلَّهِ قَٰنِتِينَ
En indien jullie vrezen, dan te voet of bereden;
فَإِنۡ خِفۡتُمۡ فَرِجَالًا أَوۡ رُكۡبَانٗاۖ
en zodra jullie in veiligheid zijn, herinner jullie God zoals Hij jullie heeft geleerd wat jullie niet wisten.
فَإِذَآ أَمِنتُمۡ فَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ كَمَا عَلَّمَكُم مَّا لَمۡ تَكُونُواْ تَعۡلَمُونَ
En zij onder jullie die getrouw in bewaring gehouden worden terwijl zij echtgenoten achterlaten – een aanbeveling ten gunste van hun echtgenoten: een genieting tot de jaarkring, zonder verdrijving;
وَٱلَّذِينَ يُتَوَفَّوۡنَ مِنكُمۡ وَيَذَرُونَ أَزۡوَٰجٗا وَصِيَّةٞ لِّأَزۡوَٰجِهِم مَّتَٰعًا إِلَى ٱلۡحَوۡلِ غَيۡرَ إِخۡرَاجٖۚ
maar indien zij naar buiten treden, geen verwijt tegen jullie voor wat zij uit zichzelf doen, in het naar gebruik erkende.
فَإِنۡ خَرَجۡنَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ فِي مَا فَعَلۡنَ فِيٓ أَنفُسِهِنَّ مِن مَّعۡرُوفٖۗ
God is Almachtig, Wijs.
وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٞ
En voor de verstoten vrouwen, een genieting volgens het naar gebruik erkende:
وَلِلۡمُطَلَّقَٰتِ مَتَٰعُۢ بِٱلۡمَعۡرُوفِۖ
een plicht voor hen die zich behoeden.
حَقًّا عَلَى ٱلۡمُتَّقِينَ
Zo maakt God jullie Zijn tekenen duidelijk, misschien zullen jullie redeneren.
كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ لَكُمۡ ءَايَٰتِهِۦ لَعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ
Heb je hen niet gezien die uit hun woningen naar buiten zijn getreden, bij duizenden, waakzaam tegenover de dood? God zei hun toen: “Sterf”; daarna gaf Hij hun weer leven.
۞ أَلَمۡ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ خَرَجُواْ مِن دِيَٰرِهِمۡ وَهُمۡ أُلُوفٌ حَذَرَ ٱلۡمَوۡتِ فَقَالَ لَهُمُ ٱللَّهُ مُوتُواْ ثُمَّ أَحۡيَٰهُمۡۚ
God bezit voorzeker een gunst jegens de mensen,
إِنَّ ٱللَّهَ لَذُو فَضۡلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ
maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.
وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَشۡكُرُونَ
En vecht op de weg van God, en weet dat God de Alhorende, de Alwetende is.
وَقَٰتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٞ
Wie zal God dan een schone lening geven, die Hij hem vele malen zal verdubbelen?
مَّن ذَا ٱلَّذِي يُقۡرِضُ ٱللَّهَ قَرۡضًا حَسَنٗا فَيُضَٰعِفَهُۥ لَهُۥٓ أَضۡعَافٗا كَثِيرَةٗۚ
God vernauwt en breidt uit,
وَٱللَّهُ يَقۡبِضُ وَيَبۡصُطُ
en tot Hem zullen jullie teruggebracht worden.
وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ
Heb je het hof niet gezien, onder de zonen van Israël, na Moesa, toen zij tegen een berichtgever die de hunne was zeiden: “Wek voor ons een koning op, opdat wij vechten op de weg van God”?
أَلَمۡ تَرَ إِلَى ٱلۡمَلَإِ مِنۢ بَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ مِنۢ بَعۡدِ مُوسَىٰٓ إِذۡ قَالُواْ لِنَبِيّٖ لَّهُمُ ٱبۡعَثۡ لَنَا مَلِكٗا نُّقَٰتِلۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِۖ
Hij zei: “Zou het kunnen dat, indien het gevecht jullie voorgeschreven werd, jullie niet vechten?”
قَالَ هَلۡ عَسَيۡتُمۡ إِن كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡقِتَالُ أَلَّا تُقَٰتِلُواْۖ
Zij zeiden: “En wat zouden wij hebben om niet te vechten op de weg van God, terwijl wij uit onze woningen en van onze zonen zijn verdreven?”
قَالُواْ وَمَا لَنَآ أَلَّا نُقَٰتِلَ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ وَقَدۡ أُخۡرِجۡنَا مِن دِيَٰرِنَا وَأَبۡنَآئِنَاۖ
Maar toen het gevecht hun voorgeschreven werd, keerden zij de rug toe, behalve weinigen van hen.
فَلَمَّا كُتِبَ عَلَيۡهِمُ ٱلۡقِتَالُ تَوَلَّوۡاْ إِلَّا قَلِيلٗا مِّنۡهُمۡۚ
En God is Alwetend over de onrechtvaardigen.
وَٱللَّهُ عَلِيمُۢ بِٱلظَّٰلِمِينَ
En hun berichtgever zei hun: “God heeft jullie gewis Taloet tot koning opgewekt.”
وَقَالَ لَهُمۡ نَبِيُّهُمۡ إِنَّ ٱللَّهَ قَدۡ بَعَثَ لَكُمۡ طَالُوتَ مَلِكٗاۚ
Zij zeiden: “Hoe zou hij het koningschap over ons hebben, terwijl wij daar meer recht op hebben dan hij, en hem geen welstand aan bezittingen is gegeven?”
قَالُوٓاْ أَنَّىٰ يَكُونُ لَهُ ٱلۡمُلۡكُ عَلَيۡنَا وَنَحۡنُ أَحَقُّ بِٱلۡمُلۡكِ مِنۡهُ وَلَمۡ يُؤۡتَ سَعَةٗ مِّنَ ٱلۡمَالِۚ
Hij zei: “God heeft hem gewis boven jullie gekozen, en hem doen toenemen in omvang van weten en van gestel.”
قَالَ إِنَّ ٱللَّهَ ٱصۡطَفَىٰهُ عَلَيۡكُمۡ وَزَادَهُۥ بَسۡطَةٗ فِي ٱلۡعِلۡمِ وَٱلۡجِسۡمِۖ
God geeft Zijn koningschap aan wie het Hem behaagt.
وَٱللَّهُ يُؤۡتِي مُلۡكَهُۥ مَن يَشَآءُۚ
God is Veelomvattend, Alwetend.
وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٞ
En hun berichtgever zei hun: “Het teken van zijn koningschap zal zijn dat de kist tot jullie komt, waarin een kalmering van jullie Voogd is, en een overblijfsel van wat de clan van Moesa en de clan van Haroen hebben nagelaten, gedragen door de Gemachtigden.”
وَقَالَ لَهُمۡ نَبِيُّهُمۡ إِنَّ ءَايَةَ مُلۡكِهِۦٓ أَن يَأۡتِيَكُمُ ٱلتَّابُوتُ فِيهِ سَكِينَةٞ مِّن رَّبِّكُمۡ وَبَقِيَّةٞ مِّمَّا تَرَكَ ءَالُ مُوسَىٰ وَءَالُ هَٰرُونَ تَحۡمِلُهُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُۚ
Voorzeker is daarin een teken voor jullie, indien jullie gelovenden zijn.
إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لَّكُمۡ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ
Toen Taloet met de legers vertrok, zei hij: “God zal jullie op de proef stellen met een rivier: wie ervan drinkt is niet van de mijnen, en wie er zich niet mee voedt is gewis van de mijnen – behalve hij die er een teug van in zijn hand schept.”
فَلَمَّا فَصَلَ طَالُوتُ بِٱلۡجُنُودِ قَالَ إِنَّ ٱللَّهَ مُبۡتَلِيكُم بِنَهَرٖ فَمَن شَرِبَ مِنۡهُ فَلَيۡسَ مِنِّي وَمَن لَّمۡ يَطۡعَمۡهُ فَإِنَّهُۥ مِنِّيٓ إِلَّا مَنِ ٱغۡتَرَفَ غُرۡفَةَۢ بِيَدِهِۦۚ
Zij dronken ervan, behalve weinigen van hen.
فَشَرِبُواْ مِنۡهُ إِلَّا قَلِيلٗا مِّنۡهُمۡۚ
Daarna, toen hij en zij die met hem geloofd hadden de rivier waren overgestoken, zeiden zij: “Wij hebben vandaag geen enkele kracht tegen Djaloet en zijn legers.”
فَلَمَّا جَاوَزَهُۥ هُوَ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مَعَهُۥ قَالُواْ لَا طَاقَةَ لَنَا ٱلۡيَوۡمَ بِجَالُوتَ وَجُنُودِهِۦۚ
Zij die vermoedden dat zij God zouden ontmoeten zeiden: “Hoeveel weinig talrijke bataljons hebben grote bataljons overwonnen, met de toestemming van God!”
قَالَ ٱلَّذِينَ يَظُنُّونَ أَنَّهُم مُّلَٰقُواْ ٱللَّهِ كَم مِّن فِئَةٖ قَلِيلَةٍ غَلَبَتۡ فِئَةٗ كَثِيرَةَۢ بِإِذۡنِ ٱللَّهِۗ
God is met de geduldigen.
وَٱللَّهُ مَعَ ٱلصَّٰبِرِينَ
En toen zij zich opstelden tegenover Djaloet en zijn legers, zeiden zij: “Onze Voogd, overstroom ons met geduld, maak onze passen standvastig, en help ons tegen het volk dat verloochent”; zij joegen hen toen op de vlucht, met de toestemming van God,
وَلَمَّا بَرَزُواْ لِجَالُوتَ وَجُنُودِهِۦ قَالُواْ رَبَّنَآ أَفۡرِغۡ عَلَيۡنَا صَبۡرٗا وَثَبِّتۡ أَقۡدَامَنَا وَٱنصُرۡنَا عَلَى ٱلۡقَوۡمِ ٱلۡكَٰفِرِينَ فَهَزَمُوهُم بِإِذۡنِ ٱللَّهِ
en Dawoed doodde Djaloet; God gaf hem het koningschap en de wijsheid, en leerde hem wat het Hem behaagde.
وَقَتَلَ دَاوُۥدُ جَالُوتَ وَءَاتَىٰهُ ٱللَّهُ ٱلۡمُلۡكَ وَٱلۡحِكۡمَةَ وَعَلَّمَهُۥ مِمَّا يَشَآءُۗ
En indien God de mensen niet de een door de ander terugdreef, zou de aarde gewis overgeleverd zijn aan het bederf;
وَلَوۡلَا دَفۡعُ ٱللَّهِ ٱلنَّاسَ بَعۡضَهُم بِبَعۡضٖ لَّفَسَدَتِ ٱلۡأَرۡضُ
maar God bezit een gunst jegens alle wezens.
وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ ذُو فَضۡلٍ عَلَى ٱلۡعَٰلَمِينَ
Dat zijn de tekenen van God, die Wij jou voordragen in alle waarheid,
تِلۡكَ ءَايَٰتُ ٱللَّهِ نَتۡلُوهَا عَلَيۡكَ بِٱلۡحَقِّۚ
en jij behoort voorzeker tot de gezondenen.
وَإِنَّكَ لَمِنَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ
Dat zijn de gezanten:
۞ تِلۡكَ ٱلرُّسُلُ
Wij hebben de enen boven de anderen begunstigd.
فَضَّلۡنَا بَعۡضَهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٖۘ
Onder hen zijn er tot wie God gesproken heeft,
مِّنۡهُم مَّن كَلَّمَ ٱللَّهُۖ
en Hij heeft anderen in graden verheven.
وَرَفَعَ بَعۡضَهُمۡ دَرَجَٰتٖۚ
En Wij hebben aan Isa, zoon van Marjam, de duidelijke bewijzen gegeven, en Wij hebben hem versterkt door de heilige Toestroom.
وَءَاتَيۡنَا عِيسَى ٱبۡنَ مَرۡيَمَ ٱلۡبَيِّنَٰتِ وَأَيَّدۡنَٰهُ بِرُوحِ ٱلۡقُدُسِۗ
En had het God behaagd, dan zouden zij die na hen kwamen elkaar niet hebben gedood, nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen;
وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ مَا ٱقۡتَتَلَ ٱلَّذِينَ مِنۢ بَعۡدِهِم مِّنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡهُمُ ٱلۡبَيِّنَٰتُ
maar zij liepen uiteen:
وَلَٰكِنِ ٱخۡتَلَفُواْ
onder hen zijn er die geloofden, en er zijn er die verloochenden.
فَمِنۡهُم مَّنۡ ءَامَنَ وَمِنۡهُم مَّن كَفَرَۚ
En had het God behaagd, dan zouden zij elkaar niet hebben gedood;
وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ مَا ٱقۡتَتَلُواْ
maar God doet wat Hij wil.
وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ يَفۡعَلُ مَا يُرِيدُ
O jullie die geloofd hebben! Geef uit van datgene waarvan Wij jullie hebben voorzien, voordat er een dag komt waarop er geen koop, geen vriendschap en geen voorspraak zal zijn.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَنفِقُواْ مِمَّا رَزَقۡنَٰكُم مِّن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَ يَوۡمٞ لَّا بَيۡعٞ فِيهِ وَلَا خُلَّةٞ وَلَا شَفَٰعَةٞۗ
En zij die verloochenen – dat zijn de onrechtvaardigen.
وَٱلۡكَٰفِرُونَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ
God, geen godheid behalve Hij,
ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ
de Levende, Hij die door Zichzelf bestaat.
ٱلۡحَيُّ ٱلۡقَيُّومُۚ
Noch sluimering noch slaap grijpen Hem.
لَا تَأۡخُذُهُۥ سِنَةٞ وَلَا نَوۡمٞۚ
Aan Hem behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
لَّهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ
Wie doet dan voorspraak bij Hem, behalve met Zijn toestemming?
مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِۦۚ
Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is,
يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡۖ
en zij omvatten niets van Zijn weten, behalve voor zover het Hem behaagt.
وَلَا يُحِيطُونَ بِشَيۡءٖ مِّنۡ عِلۡمِهِۦٓ إِلَّا بِمَا شَآءَۚ
En Zijn Zetel breidt zich uit over de hemelen en de aarde,
وَسِعَ كُرۡسِيُّهُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَۖ
en hun bewaring valt Hem in niets zwaar.
وَلَا يَـُٔودُهُۥ حِفۡظُهُمَاۚ
Hij is de Allerhoogste, de Ontzaglijke.
وَهُوَ ٱلۡعَلِيُّ ٱلۡعَظِيمُ
Geen dwang in de Wet:
لَآ إِكۡرَاهَ فِي ٱلدِّينِۖ
de rechtschapenheid heeft zich onderscheiden van het dolen.
قَد تَّبَيَّنَ ٱلرُّشۡدُ مِنَ ٱلۡغَيِّۚ
Wie de Mateloze verloochent en in God gelooft heeft zich stevig gehecht aan het veiligste hengsel, dat nooit breekt.
فَمَن يَكۡفُرۡ بِٱلطَّٰغُوتِ وَيُؤۡمِنۢ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱسۡتَمۡسَكَ بِٱلۡعُرۡوَةِ ٱلۡوُثۡقَىٰ لَا ٱنفِصَامَ لَهَاۗ
God is de Alhorende, de Alwetende.
وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ
God is de beschermer van hen die geloofd hebben, Hij doet hen uit de duisternissen naar het licht naar buiten treden.
ٱللَّهُ وَلِيُّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ يُخۡرِجُهُم مِّنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِۖ
En zij die verloochenen, hun bondgenoten zijn de Mateloze, die hen uit het licht naar de duisternissen doet naar buiten treden.
وَٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَوۡلِيَآؤُهُمُ ٱلطَّٰغُوتُ يُخۡرِجُونَهُم مِّنَ ٱلنُّورِ إِلَى ٱلظُّلُمَٰتِۗ
Dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ
Heb je hem niet gezien die met Ibrahim een geschil had over zijn Voogd, omdat God hem het koningschap had gegeven? Toen Ibrahim zei: “Mijn Voogd is Hij die doet leven en doet sterven”,
أَلَمۡ تَرَ إِلَى ٱلَّذِي حَآجَّ إِبۡرَٰهِـۧمَ فِي رَبِّهِۦٓ أَنۡ ءَاتَىٰهُ ٱللَّهُ ٱلۡمُلۡكَ إِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّيَ ٱلَّذِي يُحۡيِۦ وَيُمِيتُ
zei hij: “Ik, ik doe leven en ik doe sterven.”
قَالَ أَنَا۠ أُحۡيِۦ وَأُمِيتُۖ
Ibrahim zei: “God laat gewis de zon uit het oosten komen; laat haar dus uit het westen komen”; hij die verloochende bleef toen met onsamenhangende woorden achter.
قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ فَإِنَّ ٱللَّهَ يَأۡتِي بِٱلشَّمۡسِ مِنَ ٱلۡمَشۡرِقِ فَأۡتِ بِهَا مِنَ ٱلۡمَغۡرِبِ فَبُهِتَ ٱلَّذِي كَفَرَۗ
En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
وَٱللَّهُ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلظَّٰلِمِينَ
Of zoals hij die langskwam bij een stad die leeg was ondanks haar gebouwen.
أَوۡ كَٱلَّذِي مَرَّ عَلَىٰ قَرۡيَةٖ وَهِيَ خَاوِيَةٌ عَلَىٰ عُرُوشِهَا
Hij zei: “Hoe zal God haar weer leven geven, na haar dood?” God deed hem toen sterven, honderd jaren lang, daarna wekte Hij hem op.
قَالَ أَنَّىٰ يُحۡيِۦ هَٰذِهِ ٱللَّهُ بَعۡدَ مَوۡتِهَاۖ فَأَمَاتَهُ ٱللَّهُ مِاْئَةَ عَامٖ ثُمَّ بَعَثَهُۥۖ
Hij zei: “Hoeveel tijd heb je doorgebracht?”
قَالَ كَمۡ لَبِثۡتَۖ
Hij zei: “Ik heb een dag doorgebracht, of een deel van een dag.”
قَالَ لَبِثۡتُ يَوۡمًا أَوۡ بَعۡضَ يَوۡمٖۖ
Hij zei: “Nee, je hebt honderd jaren doorgebracht.
قَالَ بَل لَّبِثۡتَ مِاْئَةَ عَامٖ
Kijk dus naar je voedsel en je drank: zij hebben niet gewacht;
فَٱنظُرۡ إِلَىٰ طَعَامِكَ وَشَرَابِكَ لَمۡ يَتَسَنَّهۡۖ
en kijk naar je ezel –
وَٱنظُرۡ إِلَىٰ حِمَارِكَ
en opdat Wij van jou een teken voor de mensen maken.
وَلِنَجۡعَلَكَ ءَايَةٗ لِّلنَّاسِۖ
En kijk naar de beenderen, hoe Wij ze ontvouwen, en ze daarna met vlees bekleden.”
وَٱنظُرۡ إِلَى ٱلۡعِظَامِ كَيۡفَ نُنشِزُهَا ثُمَّ نَكۡسُوهَا لَحۡمٗاۚ
Toen het hem duidelijk was geworden, zei hij: “Ik weet dat God in staat is tot alles.”
فَلَمَّا تَبَيَّنَ لَهُۥ قَالَ أَعۡلَمُ أَنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ
En toen Ibrahim zei: “Mijn Voogd, toon mij hoe U de doden weer leven geeft.”
وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّ أَرِنِي كَيۡفَ تُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰۖ
Hij zei: “Geloof je dan niet?”
قَالَ أَوَلَمۡ تُؤۡمِنۖ
Hij zei: “Jawel, maar het is opdat mijn kern gerustheid vindt.”
قَالَ بَلَىٰ وَلَٰكِن لِّيَطۡمَئِنَّ قَلۡبِيۖ
Hij zei: “Neem dan vier vogels, tem ze bij je, plaats vervolgens, op elke berg, een deel van hen, roep hen vervolgens: zij zullen tot je komen, zich voortspoedend.
قَالَ فَخُذۡ أَرۡبَعَةٗ مِّنَ ٱلطَّيۡرِ فَصُرۡهُنَّ إِلَيۡكَ ثُمَّ ٱجۡعَلۡ عَلَىٰ كُلِّ جَبَلٖ مِّنۡهُنَّ جُزُءٗا ثُمَّ ٱدۡعُهُنَّ يَأۡتِينَكَ سَعۡيٗاۚ
En weet dat God Almachtig, Wijs is.”
وَٱعۡلَمۡ أَنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٞ
Het voorbeeld van hen die hun bezittingen uitgeven op de weg van God is dat van een korrel die zeven aren doet ontspruiten,
مَّثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ كَمَثَلِ حَبَّةٍ أَنۢبَتَتۡ سَبۡعَ سَنَابِلَ
waarbij elke aar honderd korrels telt.
فِي كُلِّ سُنۢبُلَةٖ مِّاْئَةُ حَبَّةٖۗ
God verdubbelt voor wie het Hem behaagt.
وَٱللَّهُ يُضَٰعِفُ لِمَن يَشَآءُۚ
God is Veelomvattend, Alwetend.
وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٌ
Zij die hun bezittingen uitgeven op de weg van God, en vervolgens niet laten gelden wat zij hebben uitgegeven, noch schaden, hebben hun beloning bij hun Voogd; geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ ثُمَّ لَا يُتۡبِعُونَ مَآ أَنفَقُواْ مَنّٗا وَلَآ أَذٗى لَّهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ
Een erkende uitspraak en een vergeving zijn beter dan liefdadigheid gevolgd door hinder.
۞ قَوۡلٞ مَّعۡرُوفٞ وَمَغۡفِرَةٌ خَيۡرٞ مِّن صَدَقَةٖ يَتۡبَعُهَآ أَذٗىۗ
God is Rijk, Lankmoedig.
وَٱللَّهُ غَنِيٌّ حَلِيمٞ
O jullie die geloofd hebben! Maak jullie liefdadigheden niet vergeefs door ze te laten gelden en te schaden, zoals hij die zijn bezit uitgeeft uit vertoon voor de mensen, en niet gelooft in God noch in de Laatste Dag.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تُبۡطِلُواْ صَدَقَٰتِكُم بِٱلۡمَنِّ وَٱلۡأَذَىٰ كَٱلَّذِي يُنفِقُ مَالَهُۥ رِئَآءَ ٱلنَّاسِ وَلَا يُؤۡمِنُ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۖ
Zijn voorbeeld is dat van een gladde rots bedekt met aarde: een stortregen overkomt hem, en laat hem kaal achter.
فَمَثَلُهُۥ كَمَثَلِ صَفۡوَانٍ عَلَيۡهِ تُرَابٞ فَأَصَابَهُۥ وَابِلٞ فَتَرَكَهُۥ صَلۡدٗاۖ
Zij bezitten niets van wat zij hebben verworven.
لَّا يَقۡدِرُونَ عَلَىٰ شَيۡءٖ مِّمَّا كَسَبُواْۗ
En God leidt het volk dat verloochent niet.
وَٱللَّهُ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡكَٰفِرِينَ
En het voorbeeld van hen die hun bezittingen uitgeven, de instemming van God zoekend en de versteviging van hun eigen Zelven, is dat van een tuin op een hoogte: een stortregen overkomt hem, en hij geeft zijn spijzen dubbel; en als geen enkele stortregen hem overkomt, dan een motregen.
وَمَثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمُ ٱبۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ ٱللَّهِ وَتَثۡبِيتٗا مِّنۡ أَنفُسِهِمۡ كَمَثَلِ جَنَّةِۭ بِرَبۡوَةٍ أَصَابَهَا وَابِلٞ فَـَٔاتَتۡ أُكُلَهَا ضِعۡفَيۡنِ فَإِن لَّمۡ يُصِبۡهَا وَابِلٞ فَطَلّٞۗ
En God is Alziend over wat jullie doen.
وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٌ
Zou een van jullie een tuin van palmbomen en wijnstokken willen hebben, waaronder de rivieren stromen, waar hij allerlei vruchten zou hebben, en dan dat de grote ouderdom hem overkomt, terwijl hij een zwak nageslacht heeft, en dat een wervelwind van vuur de tuin overkomt, en dat hij verbrandt?
أَيَوَدُّ أَحَدُكُمۡ أَن تَكُونَ لَهُۥ جَنَّةٞ مِّن نَّخِيلٖ وَأَعۡنَابٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ لَهُۥ فِيهَا مِن كُلِّ ٱلثَّمَرَٰتِ وَأَصَابَهُ ٱلۡكِبَرُ وَلَهُۥ ذُرِّيَّةٞ ضُعَفَآءُ فَأَصَابَهَآ إِعۡصَارٞ فِيهِ نَارٞ فَٱحۡتَرَقَتۡۗ
Zo maakt God voor jullie de tekenen duidelijk, misschien zullen jullie nadenken.
كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ لَكُمُ ٱلۡأٓيَٰتِ لَعَلَّكُمۡ تَتَفَكَّرُونَ
O jullie die geloofd hebben! Geef uit van de goede dingen die jullie hebben verworven, en van wat Wij voor jullie uit de aarde naar buiten hebben gebracht,
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَنفِقُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا كَسَبۡتُمۡ وَمِمَّآ أَخۡرَجۡنَا لَكُم مِّنَ ٱلۡأَرۡضِۖ
en richt jullie niet op wat daarvan snood is om het uit te geven, terwijl jullie het zelf alleen zouden nemen door er de ogen voor te sluiten.
وَلَا تَيَمَّمُواْ ٱلۡخَبِيثَ مِنۡهُ تُنفِقُونَ وَلَسۡتُم بِـَٔاخِذِيهِ إِلَّآ أَن تُغۡمِضُواْ فِيهِۚ
En weet dat God Rijk, Lofwaardig is.
وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ غَنِيٌّ حَمِيدٌ
De Afleider belooft jullie de armoede, en beveelt jullie de schanddaad,
ٱلشَّيۡطَٰنُ يَعِدُكُمُ ٱلۡفَقۡرَ وَيَأۡمُرُكُم بِٱلۡفَحۡشَآءِۖ
terwijl God jullie belooft, van Zijn zijde, een vergeving en een gunst.
وَٱللَّهُ يَعِدُكُم مَّغۡفِرَةٗ مِّنۡهُ وَفَضۡلٗاۗ
God is Veelomvattend, Alwetend.
وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٞ
Hij geeft de wijsheid aan wie het Hem behaagt,
يُؤۡتِي ٱلۡحِكۡمَةَ مَن يَشَآءُۚ
en wie de wijsheid ontvangt, heeft een overvloedig goed ontvangen.
وَمَن يُؤۡتَ ٱلۡحِكۡمَةَ فَقَدۡ أُوتِيَ خَيۡرٗا كَثِيرٗاۗ
En alleen de houders van intelligentie herinneren het zich.
وَمَا يَذَّكَّرُ إِلَّآ أُوْلُواْ ٱلۡأَلۡبَٰبِ
En welke uitgave jullie ook uitgeven, of welke gelofte jullie ook doen, God kent het gewis.
وَمَآ أَنفَقۡتُم مِّن نَّفَقَةٍ أَوۡ نَذَرۡتُم مِّن نَّذۡرٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ يَعۡلَمُهُۥۗ
En de onrechtvaardigen hebben geen enkele hulp.
وَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ أَنصَارٍ
Als jullie de liefdadigheden zichtbaar maken, is dat uitstekend;
إِن تُبۡدُواْ ٱلصَّدَقَٰتِ فَنِعۡمَّا هِيَۖ
en als jullie ze verbergen en ze aan de armen geven, is dat beter voor jullie, en Wij zullen een deel van jullie slechte daden bedekken.
وَإِن تُخۡفُوهَا وَتُؤۡتُوهَا ٱلۡفُقَرَآءَ فَهُوَ خَيۡرٞ لَّكُمۡۚ وَنُكَفِّرُ عَنكُم مِّن سَيِّـَٔاتِكُمۡۗ
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٞ
Het rust niet op jou hen te leiden,
۞ لَّيۡسَ عَلَيۡكَ هُدَىٰهُمۡ
maar God leidt wie het Hem behaagt.
وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ يَهۡدِي مَن يَشَآءُۗ
En welk goed jullie ook uitgeven, het is voor jullie zelf.
وَمَا تُنفِقُواْ مِنۡ خَيۡرٖ فَلِأَنفُسِكُمۡۚ
En jullie geven slechts uit door de richting van God te zoeken.
وَمَا تُنفِقُونَ إِلَّا ٱبۡتِغَآءَ وَجۡهِ ٱللَّهِۚ
En welk goed jullie ook uitgeven, het zal jullie getrouw worden teruggegeven, en jullie zullen geen onrecht ondergaan.
وَمَا تُنفِقُواْ مِنۡ خَيۡرٖ يُوَفَّ إِلَيۡكُمۡ وَأَنتُمۡ لَا تُظۡلَمُونَ
Dat komt toe aan de armen die belemmerd zijn op de weg van God, die de aarde niet kunnen doorkruisen: de onwetende houdt hen voor rijk, vanwege hun terughoudendheid;
لِلۡفُقَرَآءِ ٱلَّذِينَ أُحۡصِرُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ لَا يَسۡتَطِيعُونَ ضَرۡبٗا فِي ٱلۡأَرۡضِ يَحۡسَبُهُمُ ٱلۡجَاهِلُ أَغۡنِيَآءَ مِنَ ٱلتَّعَفُّفِ
jij herkent hen aan hun kenmerken: zij vragen de mensen niet met aandrang.
تَعۡرِفُهُم بِسِيمَٰهُمۡ لَا يَسۡـَٔلُونَ ٱلنَّاسَ إِلۡحَافٗاۗ
En welk goed jullie ook uitgeven, God is er gewis Alwetend over.
وَمَا تُنفِقُواْ مِنۡ خَيۡرٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ بِهِۦ عَلِيمٌ
Zij die hun bezittingen uitgeven bij nacht en bij dag, in het geheim en openlijk, hebben hun beloning bij hun Voogd; geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُم بِٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِ سِرّٗا وَعَلَانِيَةٗ فَلَهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ
Zij die woeker verslinden, staan slechts op zoals iemand opstaat die de Afleider door zijn aanraking doet waggelen.
ٱلَّذِينَ يَأۡكُلُونَ ٱلرِّبَوٰاْ لَا يَقُومُونَ إِلَّا كَمَا يَقُومُ ٱلَّذِي يَتَخَبَّطُهُ ٱلشَّيۡطَٰنُ مِنَ ٱلۡمَسِّۚ
Dat komt doordat zij hebben gezegd: “De verkoop is nooit anders dan gelijkend aan de woeker”;
ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمۡ قَالُوٓاْ إِنَّمَا ٱلۡبَيۡعُ مِثۡلُ ٱلرِّبَوٰاْۗ
doch God heeft de verkoop geoorloofd gemaakt, en de woeker ontzegd.
وَأَحَلَّ ٱللَّهُ ٱلۡبَيۡعَ وَحَرَّمَ ٱلرِّبَوٰاْۚ
Wie, nadat een vermaning van zijn Voogd hem bereikt heeft, ophoudt – hem komt toe wat voorbij is,
فَمَن جَآءَهُۥ مَوۡعِظَةٞ مِّن رَّبِّهِۦ فَٱنتَهَىٰ فَلَهُۥ مَا سَلَفَ
en zijn zaak berust bij God;
وَأَمۡرُهُۥٓ إِلَى ٱللَّهِۖ
maar wie recidiveert – dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
وَمَنۡ عَادَ فَأُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ
God maakt de woeker tot niets, en doet de liefdadigheden aangroeien.
يَمۡحَقُ ٱللَّهُ ٱلرِّبَوٰاْ وَيُرۡبِي ٱلصَّدَقَٰتِۗ
God houdt van geen enkele grote verloochenaar, overtreder.
وَٱللَّهُ لَا يُحِبُّ كُلَّ كَفَّارٍ أَثِيمٍ
Gewis hebben zij die geloofd hebben, de deugdelijke werken hebben verricht, het Contact hebben onderhouden, en de zuivere vrijgevigheid hebben gegeven, hun beloning bij hun Voogd; geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَأَقَامُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَوُاْ ٱلزَّكَوٰةَ لَهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ
O jullie die geloofd hebben! Behoed jullie voor God, en laat achter wat er van de woeker overblijft, als jullie gelovenden zijn.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَذَرُواْ مَا بَقِيَ مِنَ ٱلرِّبَوٰٓاْ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ
Als jullie het niet doen, houd jullie dan voor gewaarschuwd voor een oorlog van de zijde van God en van Zijn gezant;
فَإِن لَّمۡ تَفۡعَلُواْ فَـَٔاذِنُواْ بِحَرۡبٖ مِّنَ ٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦۖ
en als jullie terugkeren, is de hoofdsom van jullie bezittingen voor jullie, zonder dat jullie onrechtvaardig zijn en zonder dat jullie onrecht ondergaan.
وَإِن تُبۡتُمۡ فَلَكُمۡ رُءُوسُ أَمۡوَٰلِكُمۡ لَا تَظۡلِمُونَ وَلَا تُظۡلَمُونَ
En als iemand in moeilijkheden verkeert, dan uitstel tot het gemak;
وَإِن كَانَ ذُو عُسۡرَةٖ فَنَظِرَةٌ إِلَىٰ مَيۡسَرَةٖۚ
en dat jullie er liefdadigheid van maken is beter voor jullie, als jullie het wisten.
وَأَن تَصَدَّقُواْ خَيۡرٞ لَّكُمۡ إِن كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ
En behoed jullie voor een dag waarop jullie tot God teruggebracht zullen worden,
وَٱتَّقُواْ يَوۡمٗا تُرۡجَعُونَ فِيهِ إِلَى ٱللَّهِۖ
waarop elk Zelf getrouw zal ontvangen wat het heeft verworven, zonder onrecht te ondergaan.
ثُمَّ تُوَفَّىٰ كُلُّ نَفۡسٖ مَّا كَسَبَتۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ
O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie onder elkaar een schuld aangaan voor een genoemde termijn, stel die dan op schrift.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِذَا تَدَايَنتُم بِدَيۡنٍ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمّٗى فَٱكۡتُبُوهُۚ
En laat een schrijver het onder jullie met rechtvaardigheid opschrijven,
وَلۡيَكۡتُب بَّيۡنَكُمۡ كَاتِبُۢ بِٱلۡعَدۡلِۚ
en laat geen enkele schrijver weigeren te schrijven,
وَلَا يَأۡبَ كَاتِبٌ أَن يَكۡتُبَ
naar wat God hem onderwezen heeft; laat hij dan schrijven,
كَمَا عَلَّمَهُ ٱللَّهُۚ فَلۡيَكۡتُبۡ
en laat degene op wie het verschuldigde drukt dicteren, en laat hij zich behoeden voor God, zijn Voogd, en er niets van afknijpen.
وَلۡيُمۡلِلِ ٱلَّذِي عَلَيۡهِ ٱلۡحَقُّ وَلۡيَتَّقِ ٱللَّهَ رَبَّهُۥ وَلَا يَبۡخَسۡ مِنۡهُ شَيۡـٔٗاۚ
En als degene op wie het verschuldigde drukt dwaas is, of zwak, of zelf niet kan dicteren, laat zijn wettelijk verantwoordelijke dan met rechtvaardigheid dicteren.
فَإِن كَانَ ٱلَّذِي عَلَيۡهِ ٱلۡحَقُّ سَفِيهًا أَوۡ ضَعِيفًا أَوۡ لَا يَسۡتَطِيعُ أَن يُمِلَّ هُوَ فَلۡيُمۡلِلۡ وَلِيُّهُۥ بِٱلۡعَدۡلِۚ
En laat twee getuigen uit jullie mannen erover getuigen;
وَٱسۡتَشۡهِدُواْ شَهِيدَيۡنِ مِن رِّجَالِكُمۡۖ
en als het geen twee mannen zijn, dan een man en twee vrouwen, onder hen wier getuigenis jullie goedkeuren, opdat, als een van de twee dwaalt, de ander haar eraan herinnere.
فَإِن لَّمۡ يَكُونَا رَجُلَيۡنِ فَرَجُلٞ وَٱمۡرَأَتَانِ مِمَّن تَرۡضَوۡنَ مِنَ ٱلشُّهَدَآءِ أَن تَضِلَّ إِحۡدَىٰهُمَا فَتُذَكِّرَ إِحۡدَىٰهُمَا ٱلۡأُخۡرَىٰۚ
En laat de getuigen niet weigeren, wanneer zij geroepen worden.
وَلَا يَأۡبَ ٱلشُّهَدَآءُ إِذَا مَا دُعُواْۚ
En word niet moe het op te schrijven, klein of groot, tot zijn termijn.
وَلَا تَسۡـَٔمُوٓاْ أَن تَكۡتُبُوهُ صَغِيرًا أَوۡ كَبِيرًا إِلَىٰٓ أَجَلِهِۦۚ
Dat is billijker bij God, rechtschapener voor het getuigenis, en dichter bij niet twijfelen – behalve als het gaat om een onmiddellijke handel die jullie onder elkaar beheren: dan geen verwijt tegen jullie omdat jullie het niet opschrijven.
ذَٰلِكُمۡ أَقۡسَطُ عِندَ ٱللَّهِ وَأَقۡوَمُ لِلشَّهَٰدَةِ وَأَدۡنَىٰٓ أَلَّا تَرۡتَابُوٓاْ إِلَّآ أَن تَكُونَ تِجَٰرَةً حَاضِرَةٗ تُدِيرُونَهَا بَيۡنَكُمۡ فَلَيۡسَ عَلَيۡكُمۡ جُنَاحٌ أَلَّا تَكۡتُبُوهَاۗ
En neem getuigen wanneer jullie onder elkaar een verkoop doen.
وَأَشۡهِدُوٓاْ إِذَا تَبَايَعۡتُمۡۚ
En laat noch aan de schrijver noch aan de getuige schade worden toegebracht.
وَلَا يُضَآرَّ كَاتِبٞ وَلَا شَهِيدٞۚ
En als jullie het doen, is het gewis een grensoverschrijding van jullie zijde.
وَإِن تَفۡعَلُواْ فَإِنَّهُۥ فُسُوقُۢ بِكُمۡۗ
En behoed jullie voor God,
وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَۖ
en God onderwijst jullie.
وَيُعَلِّمُكُمُ ٱللَّهُۗ
En God is Alwetend over alles.
وَٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٞ
En als jullie op reis zijn en geen schrijver vinden, dan een gegrepen pand.
۞ وَإِن كُنتُمۡ عَلَىٰ سَفَرٖ وَلَمۡ تَجِدُواْ كَاتِبٗا فَرِهَٰنٞ مَّقۡبُوضَةٞۖ
En als de een van jullie vertrouwen stelt in de ander, laat degene in wie het vertrouwen gesteld is zijn depot restitueren,
فَإِنۡ أَمِنَ بَعۡضُكُم بَعۡضٗا فَلۡيُؤَدِّ ٱلَّذِي ٱؤۡتُمِنَ أَمَٰنَتَهُۥ
en laat hij zich behoeden voor God, zijn Voogd.
وَلۡيَتَّقِ ٱللَّهَ رَبَّهُۥۗ
En verzwijg het getuigenis niet.
وَلَا تَكۡتُمُواْ ٱلشَّهَٰدَةَۚ
En wie het verzwijgt, heeft gewis een overtredende kern.
وَمَن يَكۡتُمۡهَا فَإِنَّهُۥٓ ءَاثِمٞ قَلۡبُهُۥۗ
God is Alwetend over wat jullie doen.
وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ عَلِيمٞ
Aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
لِّلَّهِ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ
En of jullie zichtbaar maken wat in jullie is, of het verbergen, God zal er de rekening van met jullie opmaken; Hij vergeeft dan wie het Hem behaagt, en Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt.
وَإِن تُبۡدُواْ مَا فِيٓ أَنفُسِكُمۡ أَوۡ تُخۡفُوهُ يُحَاسِبۡكُم بِهِ ٱللَّهُۖ فَيَغۡفِرُ لِمَن يَشَآءُ وَيُعَذِّبُ مَن يَشَآءُۗ
En God is tot alles in staat.
وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ
De gezant heeft geloofd in wat hem is neergedaald van de zijde van zijn Voogd, en de gelovenden.
ءَامَنَ ٱلرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيۡهِ مِن رَّبِّهِۦ وَٱلۡمُؤۡمِنُونَۚ
Allen hebben geloofd in God, in Zijn Gemachtigden, in Zijn schriften, en in Zijn gezanten,
كُلٌّ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَمَلَٰٓئِكَتِهِۦ وَكُتُبِهِۦ وَرُسُلِهِۦ
zonder enig verschil te maken tussen Zijn gezanten, wie zij ook zijn;
لَا نُفَرِّقُ بَيۡنَ أَحَدٖ مِّن رُّسُلِهِۦۚ
en zij hebben gezegd: “Wij hebben gehoord en wij hebben ons gevoegd.
وَقَالُواْ سَمِعۡنَا وَأَطَعۡنَاۖ
Uw vergeving, onze Voogd; tot U is de bestemming.”
غُفۡرَانَكَ رَبَّنَا وَإِلَيۡكَ ٱلۡمَصِيرُ
God legt geen enkel Zelf iets anders op dan zijn vermogen.
لَا يُكَلِّفُ ٱللَّهُ نَفۡسًا إِلَّا وُسۡعَهَاۚ
Te zijnen gunste wat het heeft verworven,
لَهَا مَا كَسَبَتۡ
en te zijnen laste wat het heeft begaan.
وَعَلَيۡهَا مَا ٱكۡتَسَبَتۡۗ
“Onze Voogd, grijp ons niet als wij vergeten of als wij een fout begaan.
رَبَّنَا لَا تُؤَاخِذۡنَآ إِن نَّسِينَآ أَوۡ أَخۡطَأۡنَاۚ
Onze Voogd, en laat ons geen juk dragen zoals U er aan hen die vóór ons waren hebt laten dragen.
رَبَّنَا وَلَا تَحۡمِلۡ عَلَيۡنَآ إِصۡرٗا كَمَا حَمَلۡتَهُۥ عَلَى ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِنَاۚ
Onze Voogd, en laat ons niet dragen wat wij niet de kracht hebben te dragen.
رَبَّنَا وَلَا تُحَمِّلۡنَا مَا لَا طَاقَةَ لَنَا بِهِۦۖ
En scheld het ons kwijt,
وَٱعۡفُ عَنَّا
en vergeef ons,
وَٱغۡفِرۡ لَنَا
en bewijs ons welwillendheid.
وَٱرۡحَمۡنَآۚ
U bent onze naaste Garant; help ons dan tegen het volk dat verloochent.”
أَنتَ مَوۡلَىٰنَا فَٱنصُرۡنَا عَلَى ٱلۡقَوۡمِ ٱلۡكَٰفِرِينَ