النحل
An-Nahl
A Drink in Which There Is Healing
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Het bevel van God is gekomen: probeer het dus niet te verhaasten.
بِسْمِ اِ۬للَّهِ اِ۬لرَّحْمَٰنِ اِ۬لرَّحِيمِ أَتَىٰ أَمْرُ اُ۬للَّهِ فَلَا تَسْتَعْجِلُوهُۖ
Glorie zij Hem, en Hij staat ver boven wat jullie met Hem associëren.
سُبْحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشْرِكُونَۖ
Hij doet de Gemachtigden met de Toestroom neerdalen, op Zijn bevel, op wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen: “Waarschuw dat er geen godheid is behalve Ik; behoed jullie dus voor Mij.”
يُنَزِّلُ اُ۬لْمَلَٰٓئِكَةَ بِالرُّوحِ مِنْ أَمْرِهِۦ عَلَىٰ مَنْ يَّشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ أَنْ أَنذِرُواْ أَنَّهُۥ لَا إِلَٰهَ إِلَّا أَنَا فَاتَّقُونِۖ
Hij heeft de hemelen en de aarde in alle waarheid geschapen.
خَلَقَ اَ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالْأَرْضَ بِالْحَقِّۖ
Hij staat ver boven wat jullie met Hem associëren.
تَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشْرِكُونَۖ
Hij heeft de mens uit een druppel geschapen, en zie, daar is hij, een verklaarde twistzoeker.
خَلَقَ اَ۬لْإِنسَٰنَ مِن نُّطْفَةٖ فَإِذَا هُوَ خَصِيمٞ مُّبِينٞۖ
En het vee, Hij heeft het geschapen:
وَالْأَنْعَٰمَ خَلَقَهَاۖ
jullie vinden daarin warmte en nuttigheden, en jullie eten ervan.
لَكُمْ فِيهَا دِفْءٞ وَمَنَٰفِعُ وَمِنْهَا تَأْكُلُونَۖ
En jullie vinden daarin een allure, wanneer jullie ze 's avonds binnenbrengen en wanneer jullie ze ter weide voeren.
وَلَكُمْ فِيهَا جَمَالٌ حِينَ تُرِيحُونَ وَحِينَ تَسْرَحُونَۖ
En zij dragen jullie vrachten naar een streek die jullie slechts zouden bereiken door jullie af te beulen:
وَتَحْمِلُ أَثْقَالَكُمْ إِلَىٰ بَلَدٖ لَّمْ تَكُونُواْ بَٰلِغِيهِ إِلَّا بِشِقِّ اِ۬لْأَنفُسِۖ
jullie Voogd is voorzeker vol goedheid, Welwillend.
إِنَّ رَبَّكُمْ لَرَءُوفٞ رَّحِيمٞۖ
En de paarden, de muildieren en de ezels, opdat jullie ze berijden, en als tooi.
وَالْخَيْلَ وَالْبِغَالَ وَالْحَمِيرَ لِتَرْكَبُوهَا وَزِينَةٗۖ
En Hij schept wat jullie niet weten.
وَيَخْلُقُ مَا لَا تَعْلَمُونَۖ
En aan God komt het toe de rechte weg uit te stippelen; en er zijn wegen die afbuigen.
وَعَلَى اَ۬للَّهِ قَصْدُ اُ۬لسَّبِيلِ وَمِنْهَا جَآئِرٞۖ
En als het Hem had behaagd, zou Hij jullie allen hebben geleid.
وَلَوْ شَآءَ لَهَدَيٰكُمْ أَجْمَعِينَۖ
Hij is het die uit de hemel een water heeft doen neerdalen: jullie halen daaruit een drank, en daaruit komen bomen waar jullie ter weide voeren.
هُوَ اَ۬لذِے أَنزَلَ مِنَ اَ۬لسَّمَآءِ مَآءٗ لَّكُم مِّنْهُ شَرَابٞ وَمِنْهُ شَجَرٞ فِيهِ تُسِيمُونَۖ
Hij doet voor jullie, daarmee, de gewassen groeien, de olijfboom, de palmen, de wijnstokken, en van alle vruchten:
يُنۢبِتُ لَكُم بِهِ اِ۬لزَّرْعَ وَالزَّيْتُونَ وَالنَّخِيلَ وَالْأَعْنَٰبَ وَمِن كُلِّ اِ۬لثَّمَرَٰتِۖ
daarin is voorzeker een teken voor een volk dat nadenkt.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لِّقَوْمٖ يَتَفَكَّرُونَۖ
En Hij heeft de nacht en de dag, de zon en de maan aan jullie onderworpen; en de sterren zijn onderworpen door Zijn bevel.
وَسَخَّرَ لَكُمُ اُ۬ليْلَ وَالنَّهَارَ وَالشَّمْسَ وَالْقَمَرَ وَالنُّجُومَ مُسَخَّرَٰتِۢ بِأَمْرِهِۦۖ
Daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat redeneert.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوْمٖ يَعْقِلُونَۖ
En wat Hij voor jullie op de aarde heeft verspreid, met uiteenlopende kleuren:
وَمَا ذَرَأَ لَكُمْ فِے اِ۬لْأَرْضِ مُخْتَلِفاً أَلْوَٰنُهُۥۖ
daarin is voorzeker een teken voor een volk dat zich herinnert.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لِّقَوْمٖ يَذَّكَّرُونَۖ
Hij is het die de zee heeft onderworpen, opdat jullie daaruit vers vlees eten en daaruit een sieraad winnen dat jullie dragen;
وَهْوَ اَ۬لذِے سَخَّرَ اَ۬لْبَحْرَ لِتَأْكُلُواْ مِنْهُ لَحْماٗ طَرِيّاٗ وَتَسْتَخْرِجُواْ مِنْهُ حِلْيَةٗ تَلْبَسُونَهَاۖ
en je ziet de schepen daarin de golven klieven, opdat jullie zoeken naar Zijn gunst, en misschien zullen jullie dankbaar zijn.
وَتَرَى اَ۬لْفُلْكَ مَوَاخِرَ فِيهِ وَلِتَبْتَغُواْ مِن فَضْلِهِۦ وَلَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَۖ
En Hij heeft op de aarde vaste verankeringen geworpen, opdat zij niet onder jullie wankelt, evenals rivieren en wegen, misschien zullen jullie je laten leiden, en bakens,
۞ وَأَلْقَىٰ فِے اِ۬لْأَرْضِ رَوَٰسِيَ أَن تَمِيدَ بِكُمْ وَأَنْهَٰراٗ وَسُبُلاٗ لَّعَلَّكُمْ تَهْتَدُونَ وَعَلَٰمَٰتٖۖ
en het is door de ster dat zij zich laten leiden.
وَبِالنَّجْمِ هُمْ يَهْتَدُونَۖ
Is hij die schept dan als hij die niet schept?
أَفَمَنْ يَّخْلُقُ كَمَن لَّا يَخْلُقُۖ
Herinneren jullie je dan niet?
أَفَلَا تَذَّكَّرُونَۖ
En als jullie de weldaad van God zouden tellen, zouden jullie die niet kunnen natellen.
وَإِن تَعُدُّواْ نِعْمَةَ اَ۬للَّهِ لَا تُحْصُوهَاۖ
God is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
إِنَّ اَ۬للَّهَ لَغَفُورٞ رَّحِيمٞۖ
God weet wat jullie geheim houden en wat jullie bekendmaken.
وَاللَّهُ يَعْلَمُ مَا تُسِرُّونَ وَمَا تُعْلِنُونَۖ
En zij die jullie aanroepen buiten God scheppen niets; zij zijn het die geschapen worden.
وَالذِينَ تَدْعُونَ مِن دُونِ اِ۬للَّهِ لَا يَخْلُقُونَ شَئْاٗ وَهُمْ يُخْلَقُونَۖ
Doden, zonder leven,
أَمْوَٰتٌ غَيْرُ أَحْيَآءٖۖ
en zij voelen niet wanneer zij zullen worden opgewekt.
وَمَا يَشْعُرُونَ أَيَّانَ يُبْعَثُونَۖ
Jullie godheid is een enige godheid.
إِلَٰهُكُمْ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞۖ
Zij die niet geloven in het laatste leven hebben de afkeurende kern, en zij blazen zich op van hoogmoed.
فَالذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِالْأٓخِرَةِ قُلُوبُهُم مُّنكِرَةٞ وَهُم مُّسْتَكْبِرُونَۖ
Onvermijdelijk weet God wat zij geheim houden en wat zij bekendmaken:
لَا جَرَمَ أَنَّ اَ۬للَّهَ يَعْلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعْلِنُونَۖ
Hij houdt niet van hen die opzwellen van hoogmoed.
إِنَّهُۥ لَا يُحِبُّ اُ۬لْمُسْتَكْبِرِينَۖ
En wanneer men tot hen zegt: “Wat heeft jullie Voogd doen neerdalen?”, zeggen zij: “Legenden van de ouden” – om, op de Dag van het Verschijnen, hun lasten volledig te dragen, en een deel van de lasten van hen die zij doen dwalen zonder het te weten:
وَإِذَا قِيلَ لَهُم مَّاذَا أَنزَلَ رَبُّكُمْ قَالُواْ أَسَٰطِيرُ اُ۬لْأَوَّلِينَ لِيَحْمِلُواْ أَوْزَارَهُمْ كَامِلَةٗ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِ وَمِنْ أَوْزَارِ اِ۬لذِينَ يُضِلُّونَهُم بِغَيْرِ عِلْمٍۖ
hoe slecht is de last die zij dragen!
أَلَا سَآءَ مَا يَزِرُونَۖ
Zij die vóór hen waren hebben al gecomplotteerd; maar God is tot hun bouwsel gekomen via de fundamenten, zodat het dak van boven op hen is gevallen, en de pijn is tot hen gekomen van waar zij haar niet voelden.
قَدْ مَكَرَ اَ۬لذِينَ مِن قَبْلِهِمْ فَأَتَى اَ۬للَّهُ بُنْيَٰنَهُم مِّنَ اَ۬لْقَوَاعِدِ فَخَرَّ عَلَيْهِمُ اُ۬لسَّقْفُ مِن فَوْقِهِمْ وَأَتَيٰهُمُ اُ۬لْعَذَابُ مِنْ حَيْثُ لَا يَشْعُرُونَۖ
Dan zal Hij hen, op de Dag van het Verschijnen, met schande overdekken en zeggen: “Waar zijn Mijn geassocieerden, omtrent wie jullie je in breuk opstelden?”
ثُمَّ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِ يُخْزِيهِمْ وَيَقُولُ أَيْنَ شُرَكَآءِيَ اَ۬لذِينَ كُنتُمْ تُشَٰٓقُّونِ فِيهِمْۖ
Zij aan wie het weten is gegeven zullen zeggen: “De schande, vandaag, en het kwaad, zijn gewis over hen die verloochenen” – zij die door de Gemachtigden getrouw in bewaring gehouden worden, onrecht doend aan zichzelf.
قَالَ اَ۬لذِينَ أُوتُواْ اُ۬لْعِلْمَ إِنَّ اَ۬لْخِزْيَ اَ۬لْيَوْمَ وَالسُّوٓءَ عَلَى اَ۬لْكَٰفِرِينَ اَ۬لذِينَ تَتَوَفَّيٰهُمُ اُ۬لْمَلَٰٓئِكَةُ ظَالِمِے أَنفُسِهِمْۖ
Zij bieden dan hun overgave aan: “Wij deden geen enkel kwaad!” – Maar jawel!
فَأَلْقَوُاْ اُ۬لسَّلَمَ مَا كُنَّا نَعْمَلُ مِن سُوٓءِۢ بَلَىٰۖ
Want God is Alwetend over wat jullie deden.
إِنَّ اَ۬للَّهَ عَلِيمُۢ بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَۖ
Ga dan binnen door de deuren van Djahannam, om daar eeuwig te blijven:
فَادْخُلُواْ أَبْوَٰبَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَاۖ
wat een afschuwelijk onderkomen is dat van de hoogmoedigen!
فَلَبِئْسَ مَثْوَى اَ۬لْمُتَكَبِّرِينَۖ
En er wordt gezegd tot hen die zich hebben behoed: “Wat heeft jullie Voogd doen neerdalen?” Zij zeggen: “Een goed.”
۞ وَقِيلَ لِلذِينَ اَ۪تَّقَوْاْ مَاذَا أَنزَلَ رَبُّكُمْ قَالُواْ خَيْراٗۖ
Voor hen die het goede doen, in dit leven hienieden, is er iets schoons;
لِّلذِينَ أَحْسَنُواْ فِے هَٰذِهِ اِ۬لدُّنْيَا حَسَنَةٞۖ
maar het verblijf van het laatste leven is beter,
وَلَدَارُ اُ۬لْأٓخِرَةِ خَيْرٞۖ
en wat een uitstekend verblijf is dat van hen die zich behoeden!
وَلَنِعْمَ دَارُ اُ۬لْمُتَّقِينَۖ
De Tuinen van de bestendigheid, waar zij zullen binnengaan, waaronder de rivieren stromen; zij zullen daar hebben wat het hun behaagt.
جَنَّٰتُ عَدْنٖ يَدْخُلُونَهَا تَجْرِے مِن تَحْتِهَا اَ۬لْأَنْهَٰرُ لَهُمْ فِيهَا مَا يَشَآءُونَۖ
Zo vergeldt God hen die zich behoeden, zij die door de Gemachtigden getrouw in bewaring gehouden worden terwijl zij goed zijn,
كَذَٰلِكَ يَجْزِے اِ۬للَّهُ اُ۬لْمُتَّقِينَ اَ۬لذِينَ تَتَوَفَّيٰهُمُ اُ۬لْمَلَٰٓئِكَةُ طَيِّبِينَۖ
zeggend: “Vrede over jullie! Ga binnen in de Tuin, om wat jullie deden.”
يَقُولُونَ سَلَٰمٌ عَلَيْكُمُ اُ۟دْخُلُواْ اُ۬لْجَنَّةَ بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَۖ
Wachten zij er dan slechts op dat de Gemachtigden tot hen komen, of dat het bevel van jouw Voogd komt?
هَلْ يَنظُرُونَ إِلَّا أَن تَأْتِيَهُمُ اُ۬لْمَلَٰٓئِكَةُ أَوْ يَأْتِيَ أَمْرُ رَبِّكَۖ
Zo hebben zij gehandeld die vóór hen waren.
كَذَٰلِكَ فَعَلَ اَ۬لذِينَ مِن قَبْلِهِمْۖ
God heeft geen onrecht gedaan aan hen,
وَمَا ظَلَمَهُمُ اُ۬للَّهُۖ
maar aan zichzelf deden zij onrecht.
وَلَٰكِن كَانُواْ أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَۖ
De wandaden van wat zij hadden gedaan overkwamen hen,
فَأَصَابَهُمْ سَيِّـَٔاتُ مَا عَمِلُواْۖ
en datgene wat zij hoonden, omhulde hen.
وَحَاقَ بِهِم مَّا كَانُواْ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَۖ
En zij die hebben geassocieerd hebben gezegd: “Als het God had behaagd, zouden wij aan niets buiten Hem hebben gehoorzaamd, noch wij noch onze voorouders, en wij zouden niets buiten Hem als ontzegd hebben beschouwd.”
وَقَالَ اَ۬لذِينَ أَشْرَكُواْ لَوْ شَآءَ اَ۬للَّهُ مَا عَبَدْنَا مِن دُونِهِۦ مِن شَےْءٖ نَّحْنُ وَلَا ءَابَآؤُنَا وَلَا حَرَّمْنَا مِن دُونِهِۦ مِن شَےْءٖۖ
Zo hebben zij gehandeld die vóór hen waren.
كَذَٰلِكَ فَعَلَ اَ۬لذِينَ مِن قَبْلِهِمْۖ
Wat rust er dan op de gezanten, behalve de uitdrukkelijke overbrenging?
فَهَلْ عَلَى اَ۬لرُّسُلِ إِلَّا اَ۬لْبَلَٰغُ اُ۬لْمُبِينُۖ
Wij hebben gewis in elke gemeenschap een gezant opgewekt: “Gehoorzaam God en mijd de Mateloze”,
وَلَقَدْ بَعَثْنَا فِے كُلِّ أُمَّةٖ رَّسُولاً أَنُ اُ۟عْبُدُواْ اُ۬للَّهَ وَاجْتَنِبُواْ اُ۬لطَّٰغُوتَۖ
er zijn er onder hen die God heeft geleid,
فَمِنْهُم مَّنْ هَدَى اَ۬للَّهُۖ
en er zijn er over wie de dwaling bewaarheid is geworden.
وَمِنْهُم مَّنْ حَقَّتْ عَلَيْهِ اِ۬لضَّلَٰلَةُۖ
Doorkruis dus de aarde en kijk wat het einde was van hen die ontkenden.
فَسِيرُواْ فِے اِ۬لْأَرْضِ فَانظُرُواْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ اُ۬لْمُكَذِّبِينَۖ
Als je hecht aan hun leiding, leidt God gewis niet hem die Hij doet dwalen,
إِن تَحْرِصْ عَلَىٰ هُدَيٰهُمْ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ لَا يُهْدَىٰ مَنْ يُّضِلُّۖ
en zij zullen geen hulp hebben.
وَمَا لَهُم مِّن نَّٰصِرِينَۖ
En zij hebben bij God gezworen, met de volle kracht van hun eden, dat God hem die sterft niet zal opwekken.
۞ وَأَقْسَمُواْ بِاللَّهِ جَهْدَ أَيْمَٰنِهِمْ لَا يَبْعَثُ اُ۬للَّهُ مَنْ يَّمُوتُۖ
Maar jawel! Het is een belofte die op Hem rust, in waarheid – maar de meeste mensen weten het niet – opdat Hij hun uitdrukkelijk maakt waarover zij uiteenlopen, en opdat zij die verloochenen weten dat zij leugenaars waren.
بَلَىٰ وَعْداً عَلَيْهِ حَقّاٗ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ اَ۬لنَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ لِيُبَيِّنَ لَهُمُ اُ۬لذِے يَخْتَلِفُونَ فِيهِ وَلِيَعْلَمَ اَ۬لذِينَ كَفَرُواْ أَنَّهُمْ كَانُواْ كَٰذِبِينَۖ
Onze enige uitspraak, voor een ding, wanneer Wij het willen, is ertegen te zeggen: “Wees”,
إِنَّمَا قَوْلُنَا لِشَےْءٍ إِذَا أَرَدْنَٰهُ أَن نَّقُولَ لَهُۥ كُنۖ
en het is.
فَيَكُونُۖ
En zij die voor God zijn geëmigreerd, nadat zij onrecht hadden ondergaan, Wij zullen hen voorzeker in een schone positie installeren in dit leven hienieden;
وَالذِينَ هَاجَرُواْ فِے اِ۬للَّهِ مِنۢ بَعْدِ مَا ظُلِمُواْ لَنُبَوِّئَنَّهُمْ فِے اِ۬لدُّنْيَا حَسَنَةٗۖ
en de beloning van het laatste leven is nog groter, als zij het wisten –
وَلَأَجْرُ اُ۬لْأٓخِرَةِ أَكْبَرُ لَوْ كَانُواْ يَعْلَمُونَۖ
zij die geduldig zijn geweest en die lastgeving aan hun Voogd verlenen.
اَ۬لذِينَ صَبَرُواْ وَعَلَىٰ رَبِّهِمْ يَتَوَكَّلُونَۖ
En Wij hebben vóór jou slechts mannen gezonden aan wie Wij openbaarden: ondervraag dus de houders van de Herinnering, als jullie het niet weten – met de duidelijke bewijzen en de Formularia.
وَمَا أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ إِلَّا رِجَالاٗ يُوحَىٰ إِلَيْهِمْ فَسْـَٔلُواْ أَهْلَ اَ۬لذِّكْرِ إِن كُنتُمْ لَا تَعْلَمُونَ بِالْبَيِّنَٰتِ وَالزُّبُرِۖ
En Wij hebben de Herinnering naar jou doen neerdalen, opdat jij de mensen uitdrukkelijk maakt wat hun is neergedaald, en misschien zullen zij nadenken.
وَأَنزَلْنَا إِلَيْكَ اَ۬لذِّكْرَ لِتُبَيِّنَ لِلنَّاسِ مَا نُزِّلَ إِلَيْهِمْ وَلَعَلَّهُمْ يَتَفَكَّرُونَۖ
Zijn zij die de wandaden hebben gecomplotteerd dan zeker dat God hen niet door de aarde zal doen verzwelgen, of dat de pijn niet tot hen zal komen van waar zij haar niet voelen, of dat Hij hen niet zal grijpen in hun gaan en komen, zonder dat zij Hem tot onmacht kunnen brengen, of dat Hij hen niet zal grijpen in een geleidelijke vrees?
أَفَأَمِنَ اَ۬لذِينَ مَكَرُواْ اُ۬لسَّيِّـَٔاتِ أَنْ يَّخْسِفَ اَ۬للَّهُ بِهِمُ اُ۬لْأَرْضَ أَوْ يَأْتِيَهُمُ اُ۬لْعَذَابُ مِنْ حَيْثُ لَا يَشْعُرُونَ أَوْ يَأْخُذَهُمْ فِے تَقَلُّبِهِمْ فَمَا هُم بِمُعْجِزِينَ أَوْ يَأْخُذَهُمْ عَلَىٰ تَخَوُّفٖۖ
Jullie Voogd is voorzeker vol goedheid, Welwillend.
فَإِنَّ رَبَّكُمْ لَرَءُوفٞ رَّحِيمٌۖ
Hebben zij niet gezien dat, van alles wat God heeft geschapen, de schaduwen zich buigen naar rechts en naar links, zich neerwerpend voor God, en ter aarde gestrekt?
أَوَلَمْ يَرَوْاْ إِلَىٰ مَا خَلَقَ اَ۬للَّهُ مِن شَےْءٖ يَتَفَيَّؤُاْ ظِلَٰلُهُۥ عَنِ اِ۬لْيَمِينِ وَالشَّمَآئِلِ سُجَّداٗ لِّلهِ وَهُمْ دَٰخِرُونَۖ
En het is voor God dat zich neerwerpt alles wat in de hemelen en op de aarde is, onder de wezens die zich bewegen, evenals de Gemachtigden, zonder dat zij opzwellen van hoogmoed: zij vrezen hun Voogd, boven hen, en doen wat hun bevolen wordt.
وَلِلهِ يَسْجُدُ مَا فِے اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِے اِ۬لْأَرْضِ مِن دَآبَّةٖ وَالْمَلَٰٓئِكَةُ وَهُمْ لَا يَسْتَكْبِرُونَ يَخَافُونَ رَبَّهُم مِّن فَوْقِهِمْ وَيَفْعَلُونَ مَا يُؤْمَرُونَۖ۩
En God heeft gezegd: “Neem geen twee godheden.
۞ وَقَالَ اَ۬للَّهُ لَا تَتَّخِذُواْ إِلَٰهَيْنِ اِ۪ثْنَيْنِۖ
Hij is slechts een enige godheid;
إِنَّمَا هُوَ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞۖ
het is dus Mij die jullie moeten eerbiedigen.”
فَإِيَّٰيَ فَارْهَبُونِۖ
En aan Hem behoort toe wat in de hemelen en op de aarde is,
وَلَهُۥ مَا فِے اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالْأَرْضِۖ
en aan Hem de Wet, permanent.
وَلَهُ اُ۬لدِّينُ وَاصِباًۖ
Is het dan voor een ander dan God dat jullie je behoeden?
أَفَغَيْرَ اَ۬للَّهِ تَتَّقُونَۖ
Elke weldaad die in jullie is, komt van God;
وَمَا بِكُم مِّن نِّعْمَةٖ فَمِنَ اَ۬للَّهِۖ
dan, wanneer de schade jullie raakt, is het tot Hem dat jullie uit nood schreeuwen.
ثُمَّ إِذَا مَسَّكُمُ اُ۬لضُّرُّ فَإِلَيْهِ تَجْـَٔرُونَۖ
Dan, wanneer Hij jullie van de schade verlicht, zie, een fractie van jullie associeert anderen met haar Voogd, om te verloochenen wat Wij hun hebben gegeven.
ثُمَّ إِذَا كَشَفَ اَ۬لضُّرَّ عَنكُمْ إِذَا فَرِيقٞ مِّنكُم بِرَبِّهِمْ يُشْرِكُونَ لِيَكْفُرُواْ بِمَا ءَاتَيْنَٰهُمْۖ
Geniet dus,
فَتَمَتَّعُواْۖ
maar jullie zullen weldra weten.
فَسَوْفَ تَعْلَمُونَۖ
En zij wijzen toe, aan wat zij niet kennen, een portie van datgene waarvan Wij hen voorzien hebben.
وَيَجْعَلُونَ لِمَا لَا يَعْلَمُونَ نَصِيباٗ مِّمَّا رَزَقْنَٰهُمْۖ
Bij God, jullie zullen voorzeker worden ondervraagd over wat jullie verzonnen.
تَاللَّهِ لَتُسْـَٔلُنَّ عَمَّا كُنتُمْ تَفْتَرُونَۖ
En zij wijzen aan God dochters toe – Glorie zij Hem!
وَيَجْعَلُونَ لِلهِ اِ۬لْبَنَٰتِ سُبْحَٰنَهُۥۖ
terwijl aan henzelf toekomt wat zij verlangen.
وَلَهُم مَّا يَشْتَهُونَۖ
En wanneer een van hen de aankondiging van een dochter ontvangt, blijft zijn gezicht verduisterd, en hij is vol wrevel; hij verschuilt zich ver van de lieden, vanwege het kwaad dat hem is aangekondigd:
وَإِذَا بُشِّرَ أَحَدُهُم بِالْأُنثَىٰ ظَلَّ وَجْهُهُۥ مُسْوَدّاٗ وَهْوَ كَظِيمٞ يَتَوَٰرَىٰ مِنَ اَ۬لْقَوْمِ مِن سُوٓءِ مَا بُشِّرَ بِهِۦۖ
zal hij haar houden ondanks de verlaging, of zal hij haar in de aarde ingraven?
أَيُمْسِكُهُۥ عَلَىٰ هُونٍ أَمْ يَدُسُّهُۥ فِے اِ۬لتُّرَابِۖ
Hoe slecht is hun oordeel!
أَلَا سَآءَ مَا يَحْكُمُونَۖ
Aan hen die niet geloven in het laatste leven komt het voorbeeld van het kwaad toe,
لِلذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِالْأٓخِرَةِ مَثَلُ اُ۬لسَّوْءِۖ
en aan God komt het meest verheven voorbeeld toe:
وَلِلهِ اِ۬لْمَثَلُ اُ۬لْأَعْلَىٰۖ
en Hij is de Almachtige, de Wijze.
وَهْوَ اَ۬لْعَزِيزُ اُ۬لْحَكِيمُۖ
En als God de mensen zou grijpen vanwege hun onrecht, zou Hij op de aarde geen enkel wezen laten dat zich beweegt;
وَلَوْ يُؤَاخِذُ اُ۬للَّهُ اُ۬لنَّاسَ بِظُلْمِهِم مَّا تَرَكَ عَلَيْهَا مِن دَآبَّةٖۖ
maar Hij schort hen op tot een genoemde termijn,
وَلَٰكِنْ يُّؤَخِّرُهُمْ إِلَىٰ أَجَلٖ مُّسَمّىٗۖ
en wanneer hun termijn komt, zullen zij hem geen uur kunnen vertragen,
فَإِذَا جَا أَجَلُهُمْ لَا يَسْتَٰٔخِرُونَ سَاعَةٗۖ
noch hem vervroegen.
وَلَا يَسْتَقْدِمُونَۖ
En zij wijzen aan God toe waar zijzelf afkeer van hebben,
وَيَجْعَلُونَ لِلهِ مَا يَكْرَهُونَۖ
en hun tongen beschrijven de leugen, bewerend dat aan hen het schoonste toekomt:
وَتَصِفُ أَلْسِنَتُهُمُ اُ۬لْكَذِبَ أَنَّ لَهُمُ اُ۬لْحُسْنَىٰۖ
onvermijdelijk komt hun het Vuur toe, en zij zullen er als eersten naartoe worden gedreven.
لَا جَرَمَ أَنَّ لَهُمُ اُ۬لنَّارَ وَأَنَّهُم مُّفْرِطُونَۖ
Bij God, Wij hebben gewis gezanten gezonden naar gemeenschappen vóór jou; maar de Afleider heeft hun hun werken verfraaid, en hij is hun bondgenoot vandaag:
۞ تَاللَّهِ لَقَدْ أَرْسَلْنَا إِلَىٰ أُمَمٖ مِّن قَبْلِكَ فَزَيَّنَ لَهُمُ اُ۬لشَّيْطَٰنُ أَعْمَٰلَهُمْ فَهْوَ وَلِيُّهُمُ اُ۬لْيَوْمَۖ
en zij zullen een schrijnende pijn hebben.
وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٞۖ
En Wij hebben de Schrift slechts op jou doen neerdalen opdat jij hun uitdrukkelijk maakt waarover zij zijn uiteengelopen, en als leiding en welwillendheid voor een volk dat gelooft.
وَمَا أَنزَلْنَا عَلَيْكَ اَ۬لْكِتَٰبَ إِلَّا لِتُبَيِّنَ لَهُمُ اُ۬لذِے اِ۪خْتَلَفُواْ فِيهِ وَهُدىٗ وَرَحْمَةٗ لِّقَوْمٖ يُؤْمِنُونَۖ
En God heeft uit de hemel een water doen neerdalen, waardoor Hij de aarde weer leven heeft gegeven na haar dood:
وَاللَّهُ أَنزَلَ مِنَ اَ۬لسَّمَآءِ مَآءٗ فَأَحْيَا بِهِ اِ۬لْأَرْضَ بَعْدَ مَوْتِهَاۖ
daarin is voorzeker een teken voor een volk dat hoort.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لِّقَوْمٖ يَسْمَعُونَۖ
En er is voorzeker, voor jullie, een les in het vee:
وَإِنَّ لَكُمْ فِے اِ۬لْأَنْعَٰمِ لَعِبْرَةٗۖ
Wij geven jullie te drinken van wat in hun buiken is, tussen chymus en bloed, een gelouterde melk, aangenaam om te drinken voor hen die haar drinken; en van de vruchten van de palmen en de wijnstokken, jullie nemen daaruit een dronkenmakende drank en een schone leeftocht.
نَّسْقِيكُم مِّمَّا فِے بُطُونِهِۦ مِنۢ بَيْنِ فَرْثٖ وَدَمٖ لَّبَناً خَالِصاٗ سَآئِغاٗ لِّلشَّٰرِبِينَ وَمِن ثَمَرَٰتِ اِ۬لنَّخِيلِ وَالْأَعْنَٰبِ تَتَّخِذُونَ مِنْهُ سَكَراٗ وَرِزْقاً حَسَناًۖ
Daarin is voorzeker een teken voor een volk dat redeneert.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لِّقَوْمٖ يَعْقِلُونَۖ
En jouw Voogd heeft de bij ingegeven: “Neem, in de bergen, huizen, evenals in de bomen en in wat men bouwt; eet dan van alle vruchten, en volg de wegen van jouw Voogd, gedwee gemaakt.”
وَأَوْحَىٰ رَبُّكَ إِلَى اَ۬لنَّحْلِ أَنِ اِ۪تَّخِذِے مِنَ اَ۬لْجِبَالِ بِيُوتاٗ وَمِنَ اَ۬لشَّجَرِ وَمِمَّا يَعْرِشُونَ ثُمَّ كُلِے مِن كُلِّ اِ۬لثَّمَرَٰتِ فَاسْلُكِے سُبُلَ رَبِّكِ ذُلُلاٗۖ
Uit hun buiken komt een drank van uiteenlopende kleuren, waarin een genezing voor de mensen is:
يَخْرُجُ مِنۢ بُطُونِهَا شَرَابٞ مُّخْتَلِفٌ أَلْوَٰنُهُۥ فِيهِ شِفَآءٞ لِّلنَّاسِۖ
daarin is voorzeker een teken voor een volk dat nadenkt.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لِّقَوْمٖ يَتَفَكَّرُونَۖ
God heeft jullie geschapen, daarna houdt Hij jullie getrouw in bewaring;
وَاللَّهُ خَلَقَكُمْ ثُمَّ يَتَوَفَّيٰكُمْۖ
en er zijn onder jullie die worden teruggebracht tot de laagste leeftijd, om niets meer te weten na het te hebben geweten,
وَمِنكُم مَّنْ يُّرَدُّ إِلَىٰ أَرْذَلِ اِ۬لْعُمُرِ لِكَےْ لَا يَعْلَمَ بَعْدَ عِلْمٖ شَئْاًۖ
want God is Alwetend, in staat.
إِنَّ اَ۬للَّهَ عَلِيمٞ قَدِيرٞۖ
En God heeft sommigen van jullie boven anderen bevoordeeld in de leeftocht:
۞ وَاللَّهُ فَضَّلَ بَعْضَكُمْ عَلَىٰ بَعْضٖ فِے اِ۬لرِّزْقِۖ
zij die zijn bevoordeeld geven hun leeftocht niet terug aan de door eed gebondenen onder hen, zodat zij daarin gelijk zouden zijn.
فَمَا اَ۬لذِينَ فُضِّلُواْ بِرَآدِّے رِزْقِهِمْ عَلَىٰ مَا مَلَكَتْ أَيْمَٰنُهُمْ فَهُمْ فِيهِ سَوَآءٌۖ
Zouden zij dan hardnekkig de weldaad van God betwisten?
أَفَبِنِعْمَةِ اِ۬للَّهِ يَجْحَدُونَۖ
En God heeft voor jullie, uit jullie zelf, echtgenoten gemaakt, en Hij heeft voor jullie, uit jullie echtgenoten, zonen en kleinkinderen gemaakt,
وَاللَّهُ جَعَلَ لَكُم مِّنْ أَنفُسِكُمْ أَزْوَٰجاٗ وَجَعَلَ لَكُم مِّنْ أَزْوَٰجِكُم بَنِينَ وَحَفَدَةٗۖ
en Hij heeft jullie voorzien van de goede dingen.
وَرَزَقَكُم مِّنَ اَ۬لطَّيِّبَٰتِۖ
Geloven zij dan in het valse, en verloochenen zij de weldaad van God?
أَفَبِالْبَٰطِلِ يُؤْمِنُونَ وَبِنِعْمَتِ اِ۬للَّهِ هُمْ يَكْفُرُونَۖ
En zij gehoorzamen, buiten God, aan wat voor hen, uit de hemelen en de aarde, geen enkele leeftocht bezit, in niets, en daartoe niet de macht heeft.
وَيَعْبُدُونَ مِن دُونِ اِ۬للَّهِ مَا لَا يَمْلِكُ لَهُمْ رِزْقاٗ مِّنَ اَ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالْأَرْضِ شَئْاٗ وَلَا يَسْتَطِيعُونَۖ
Vermenigvuldig dus geen voorbeelden voor God,
فَلَا تَضْرِبُواْ لِلهِ اِ۬لْأَمْثَالَۖ
want God weet,
إِنَّ اَ۬للَّهَ يَعْلَمُۖ
en jullie weten niet.
وَأَنتُمْ لَا تَعْلَمُونَۖ
God vermenigvuldigt een voorbeeld: een onvrije, die over geen enkele macht beschikt, en degene die Wij van Onze zijde van een schone leeftocht hebben voorzien, waarvan hij in het geheim en openlijk uitgeeft – zouden zij gelijk zijn?
ضَرَبَ اَ۬للَّهُ مَثَلاً عَبْداٗ مَّمْلُوكاٗ لَّا يَقْدِرُ عَلَىٰ شَےْءٖ وَمَن رَّزَقْنَٰهُ مِنَّا رِزْقاً حَسَناٗ فَهْوَ يُنفِقُ مِنْهُ سِرّاٗ وَجَهْراً هَلْ يَسْتَوُۥنَۖ
Lof zij God!
اَ۬لْحَمْدُ لِلهِۖ
Maar de meesten van hen weten het niet.
بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْلَمُونَۖ
En God vermenigvuldigt een voorbeeld: twee mannen, van wie de ene stom is, verstoken van alle macht, volledig tot last voor zijn naaste borg; waarheen hij hem ook stuurt, hij brengt niets goeds terug – zou die de gelijke zijn van degene die de rechtvaardigheid beveelt en op een rechtlijnig pad staat?
وَضَرَبَ اَ۬للَّهُ مَثَلاٗ رَّجُلَيْنِ أَحَدُهُمَا أَبْكَمُ لَا يَقْدِرُ عَلَىٰ شَےْءٖ وَهْوَ كَلٌّ عَلَىٰ مَوْلَيٰهُ أَيْنَمَا يُوَجِّههُّ لَا يَأْتِ بِخَيْرٍ هَلْ يَسْتَوِے هُوَ وَمَنْ يَّأْمُرُ بِالْعَدْلِ وَهْوَ عَلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسْتَقِيمٖۖ
En aan God komt toe wat de zintuigen ontgaat in de hemelen en op de aarde.
وَلِلهِ غَيْبُ اُ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالْأَرْضِۖ
Het bevel van het Uur is slechts als een oogwenk, of nog sneller,
وَمَا أَمْرُ اُ۬لسَّاعَةِ إِلَّا كَلَمْحِ اِ۬لْبَصَرِ أَوْ هُوَ أَقْرَبُۖ
want God is tot alles in staat.
إِنَّ اَ۬للَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَےْءٖ قَدِيرٞۖ
En God heeft jullie uit de buiken van jullie moeders naar buiten gebracht, zonder dat jullie iets wisten,
وَاللَّهُ أَخْرَجَكُم مِّنۢ بُطُونِ أُمَّهَٰتِكُمْ لَا تَعْلَمُونَ شَئْاٗۖ
en Hij heeft voor jullie het gehoor, het gezichtsvermogen en de Bewustzijnen geplaatst, misschien zullen jullie dankbaar zijn.
وَجَعَلَ لَكُمُ اُ۬لسَّمْعَ وَالْأَبْصَٰرَ وَالْأَفْـِٕدَةَ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَۖ
Hebben jullie de vogels niet gezien, onderworpen in de ruimte van de hemel, die door niets gehouden worden behalve door God?
۞ أَلَمْ يَرَوْاْ إِلَى اَ۬لطَّيْرِ مُسَخَّرَٰتٖ فِے جَوِّ اِ۬لسَّمَآءِ مَا يُمْسِكُهُنَّ إِلَّا اَ۬للَّهُۖ
Daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat gelooft.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوْمٖ يُؤْمِنُونَۖ
En God heeft voor jullie, uit jullie huizen, een vredige woonplaats gemaakt, en Hij heeft voor jullie, uit de huiden van het vee, huizen gemaakt die jullie licht vinden op de dag van jullie vertrek en op de dag van jullie kampement,
وَاللَّهُ جَعَلَ لَكُم مِّنۢ بِيُوتِكُمْ سَكَناٗ وَجَعَلَ لَكُم مِّن جُلُودِ اِ۬لْأَنْعَٰمِ بِيُوتاٗ تَسْتَخِفُّونَهَا يَوْمَ ظَعَنِكُمْ وَيَوْمَ إِقَامَتِكُمْۖ
en, uit hun wol, hun pels en hun haar, uitrustingen en een gebruik voor een tijd.
وَمِنْ أَصْوَافِهَا وَأَوْبَارِهَا وَأَشْعَارِهَا أَثَٰثاٗ وَمَتَٰعاً إِلَىٰ حِينٖۖ
En God heeft voor jullie, uit wat Hij heeft geschapen, schaduwen gemaakt, en Hij heeft voor jullie, uit de bergen, schuilplaatsen gemaakt, en Hij heeft voor jullie tunieken gemaakt die jullie tegen de warmte afschermen, en tunieken die jullie afschermen tegen jullie eigen geweld:
وَاللَّهُ جَعَلَ لَكُم مِّمَّا خَلَقَ ظِلَٰلاٗ وَجَعَلَ لَكُم مِّنَ اَ۬لْجِبَالِ أَكْنَٰناٗ وَجَعَلَ لَكُمْ سَرَٰبِيلَ تَقِيكُمُ اُ۬لْحَرَّ وَسَرَٰبِيلَ تَقِيكُم بَأْسَكُمْۖ
zo voltooit Hij Zijn weldaad aan jullie, misschien zullen jullie integer zijn tegenover Hem.
كَذَٰلِكَ يُتِمُّ نِعْمَتَهُۥ عَلَيْكُمْ لَعَلَّكُمْ تُسْلِمُونَۖ
Indien zij zich afwenden, rust op jou slechts de uitdrukkelijke overbrenging.
فَإِن تَوَلَّوْاْ فَإِنَّمَا عَلَيْكَ اَ۬لْبَلَٰغُ اُ۬لْمُبِينُۖ
Zij erkennen de weldaad van God, en keuren haar daarna af,
يَعْرِفُونَ نِعْمَتَ اَ۬للَّهِ ثُمَّ يُنكِرُونَهَاۖ
en de meesten van hen verloochenen.
وَأَكْثَرُهُمُ اُ۬لْكَٰفِرُونَۖ
En op de dag dat Wij uit elke gemeenschap een getuige zullen opwekken, zal aan hen die verloochenen geen toestemming meer worden gegeven, en men zal hun niet meer vragen om boete te doen.
وَيَوْمَ نَبْعَثُ مِن كُلِّ أُمَّةٖ شَهِيداٗ ثُمَّ لَا يُؤْذَنُ لِلذِينَ كَفَرُواْ وَلَا هُمْ يُسْتَعْتَبُونَۖ
En wanneer zij die onrechtvaardig geweest zijn de pijn zullen zien, zal ze hun niet verlicht worden, en zal hun geen uitstel worden verleend.
وَإِذَا رَءَا اَ۬لذِينَ ظَلَمُواْ اُ۬لْعَذَابَ فَلَا يُخَفَّفُ عَنْهُمْ وَلَا هُمْ يُنظَرُونَۖ
En wanneer zij die geassocieerd hebben hun geassocieerden zullen zien, zullen zij zeggen: “Onze Voogd, dit zijn onze geassocieerden die wij aanriepen buiten U.”
وَإِذَا رَءَا اَ۬لذِينَ أَشْرَكُواْ شُرَكَآءَهُمْ قَالُواْ رَبَّنَا هَٰؤُلَآءِ شُرَكَآؤُنَا اَ۬لذِينَ كُنَّا نَدْعُواْ مِن دُونِكَۖ
Dezen zullen dan deze uitspraak tot hen richten: “Jullie zijn voorzeker leugenaars.”
فَأَلْقَوْاْ إِلَيْهِمُ اُ۬لْقَوْلَ إِنَّكُمْ لَكَٰذِبُونَۖ
En zij zullen God, op die dag, hun overgave aanbieden,
وَأَلْقَوْاْ إِلَى اَ۬للَّهِ يَوْمَئِذٍ اِ۬لسَّلَمَۖ
en wat zij verzonnen zal van hen weg dwalen.
وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُواْ يَفْتَرُونَۖ
Zij die verloochenen en de weg van God hebben versperd – Wij zullen hun een pijn boven op de pijn voegen, voor het bederf dat zij zaaiden.
اَ۬لذِينَ كَفَرُواْ وَصَدُّواْ عَن سَبِيلِ اِ۬للَّهِ زِدْنَٰهُمْ عَذَاباٗ فَوْقَ اَ۬لْعَذَابِ بِمَا كَانُواْ يُفْسِدُونَۖ
En op de dag dat Wij in elke gemeenschap een getuige zullen opwekken, uit haarzelf voortgekomen, tegen haar, en dat Wij jou zullen brengen als getuige tegen dezen.
وَيَوْمَ نَبْعَثُ فِے كُلِّ أُمَّةٖ شَهِيداً عَلَيْهِم مِّنْ أَنفُسِهِمْ وَجِئْنَا بِكَ شَهِيداً عَلَىٰ هَٰؤُلَآءِۖ
En Wij hebben de Schrift op jou doen neerdalen, die alles uitdrukkelijk maakt, en als leiding, welwillendheid en blijde aankondiging voor hen die integer zijn tegenover God.
وَنَزَّلْنَا عَلَيْكَ اَ۬لْكِتَٰبَ تِبْيَٰناٗ لِّكُلِّ شَےْءٖ وَهُدىٗ وَرَحْمَةٗ وَبُشْرَىٰ لِلْمُسْلِمِينَۖ
God beveelt de rechtvaardigheid, de weldadigheid en wat men aan de verwant geeft,
۞ إِنَّ اَ۬للَّهَ يَأْمُرُ بِالْعَدْلِ وَالْإِحْسَٰنِ وَإِيتَآءِےْ ذِے اِ۬لْقُرْبَىٰۖ
en Hij verbiedt de laagheid, het afgekeurde en de afpersing:
وَيَنْهَىٰ عَنِ اِ۬لْفَحْشَآءِ وَالْمُنكَرِ وَالْبَغْيِۖ
Hij spoort jullie aan, misschien zullen jullie je herinneren.
يَعِظُكُمْ لَعَلَّكُمْ تَذَّكَّرُونَۖ
En wees getrouw aan het pact van God wanneer jullie een pact sluiten,
وَأَوْفُواْ بِعَهْدِ اِ۬للَّهِ إِذَا عَٰهَدتُّمْۖ
en verbreek de eden niet nadat jullie ze hebben bekrachtigd, terwijl jullie God tot borg over jullie hebben genomen,
وَلَا تَنقُضُواْ اُ۬لْأَيْمَٰنَ بَعْدَ تَوْكِيدِهَا وَقَدْ جَعَلْتُمُ اُ۬للَّهَ عَلَيْكُمْ كَفِيلاًۖ
want God weet wat jullie doen.
إِنَّ اَ۬للَّهَ يَعْلَمُ مَا تَفْعَلُونَۖ
En wees niet als zij die haar draad ontrafelde, nadat zij hem stevig gesponnen had, door hem tot draadjes te maken; jullie nemen jullie eden als een middel tot bedrog onder elkaar, onder het voorwendsel dat de ene gemeenschap talrijker zou zijn dan de andere:
وَلَا تَكُونُواْ كَالتِے نَقَضَتْ غَزْلَهَا مِنۢ بَعْدِ قُوَّةٍ أَنكَٰثاٗ تَتَّخِذُونَ أَيْمَٰنَكُمْ دَخَلاَۢ بَيْنَكُمْ أَن تَكُونَ أُمَّةٌ هِيَ أَرْبَىٰ مِنْ أُمَّةٍۖ
God stelt jullie daardoor enkel op de proef,
إِنَّمَا يَبْلُوكُمُ اُ۬للَّهُ بِهِۦۖ
en Hij zal jullie voorzeker, op de Dag van het Verschijnen, uitdrukkelijk maken waarover jullie uiteenliepen.
وَلَيُبَيِّنَنَّ لَكُمْ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِ مَا كُنتُمْ فِيهِ تَخْتَلِفُونَۖ
En als het God behaagd had, had Hij van jullie één enkele gemeenschap gemaakt;
وَلَوْ شَآءَ اَ۬للَّهُ لَجَعَلَكُمْ أُمَّةٗ وَٰحِدَةٗۖ
maar Hij doet dwalen wie het Hem behaagt en leidt wie het Hem behaagt,
وَلَٰكِنْ يُّضِلُّ مَنْ يَّشَآءُ وَيَهْدِے مَنْ يَّشَآءُۖ
en jullie zullen voorzeker ondervraagd worden over wat jullie deden.
وَلَتُسْـَٔلُنَّ عَمَّا كُنتُمْ تَعْمَلُونَۖ
En neem jullie eden niet als een middel tot bedrog onder elkaar, anders zou een voet wegglijden nadat hij vast had gestaan, en zouden jullie het kwaad proeven omdat jullie de weg van God hebben versperd; en jullie zouden een ontzaglijke pijn hebben.
وَلَا تَتَّخِذُواْ أَيْمَٰنَكُمْ دَخَلاَۢ بَيْنَكُمْ فَتَزِلَّ قَدَمُۢ بَعْدَ ثُبُوتِهَا وَتَذُوقُواْ اُ۬لسُّوٓءَ بِمَا صَدَدتُّمْ عَن سَبِيلِ اِ۬للَّهِ وَلَكُمْ عَذَابٌ عَظِيمٞۖ
En koop niet, met het pact van God, een povere prijs:
وَلَا تَشْتَرُواْ بِعَهْدِ اِ۬للَّهِ ثَمَناٗ قَلِيلاًۖ
wat bij God is, is beter voor jullie, indien jullie het wisten.
إِنَّمَا عِندَ اَ۬للَّهِ هُوَ خَيْرٞ لَّكُمْ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَۖ
Wat bij jullie is, raakt uitgeput,
مَا عِندَكُمْ يَنفَدُۖ
en wat bij God is, blijft bestaan.
وَمَا عِندَ اَ۬للَّهِ بَاقٖۖ
En Wij zullen voorzeker hen die geduldig geweest zijn vergelden met hun beloning, naar het schoonste van hun daden.
وَلَيَجْزِيَنَّ اَ۬لذِينَ صَبَرُواْ أَجْرَهُم بِأَحْسَنِ مَا كَانُواْ يَعْمَلُونَۖ
Wie een deugdelijk werk verricht, man of vrouw, terwijl hij gelovend is, Wij zullen hem voorzeker een goed leven doen leven, en Wij zullen hen voorzeker vergelden met hun beloning, naar het schoonste van hun daden.
مَنْ عَمِلَ صَٰلِحاٗ مِّن ذَكَرٍ أَوْ أُنثَىٰ وَهْوَ مُؤْمِنٞ فَلَنُحْيِيَنَّهُۥ حَيَوٰةٗ طَيِّبَةٗ وَلَنَجْزِيَنَّهُمْ أَجْرَهُم بِأَحْسَنِ مَا كَانُواْ يَعْمَلُونَۖ
Wanneer je de Lezing leest, zoek de egide van God tegen de verbannen Afleider,
۞ فَإِذَا قَرَأْتَ اَ۬لْقُرْءَانَ فَاسْتَعِذْ بِاللَّهِ مِنَ اَ۬لشَّيْطَٰنِ اِ۬لرَّجِيمِۖ
want hij heeft geen enkel gezag over hen die geloven en die lastgeving verlenen aan hun Voogd.
إِنَّهُۥ لَيْسَ لَهُۥ سُلْطَٰنٌ عَلَى اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ وَعَلَىٰ رَبِّهِمْ يَتَوَكَّلُونَۖ
Zijn gezag strekt zich enkel uit over hen die hem als bondgenoot nemen, en over hen die van hem een geassocieerde maken.
إِنَّمَا سُلْطَٰنُهُۥ عَلَى اَ۬لذِينَ يَتَوَلَّوْنَهُۥ وَالذِينَ هُم بِهِۦ مُشْرِكُونَۖ
En wanneer Wij een teken door een ander teken vervangen – God weet het best wat Hij doet neerdalen – zeggen zij: “Je bent slechts een verzinner.”
وَإِذَا بَدَّلْنَا ءَايَةٗ مَّكَانَ ءَايَةٖ وَاللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا يُنَزِّلُ قَالُواْ إِنَّمَا أَنتَ مُفْتَرِۢۖ
Maar de meesten van hen weten het niet.
بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْلَمُونَۖ
Zeg: “De heilige Toestroom heeft het doen neerdalen, van jouw Voogd, met de waarheid, om hen die geloven standvastig te maken, en als leiding en blijde aankondiging voor hen die integer zijn tegenover God.”
قُلْ نَزَّلَهُۥ رُوحُ اُ۬لْقُدُسِ مِن رَّبِّكَ بِالْحَقِّ لِيُثَبِّتَ اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ وَهُدىٗ وَبُشْرَىٰ لِلْمُسْلِمِينَۖ
Wij zullen gewis weten dat zij zeggen: “Het is slechts een sterveling die het hem onderwijst.”
وَلَقَدْ نَعْلَمُ أَنَّهُمْ يَقُولُونَ إِنَّمَا يُعَلِّمُهُۥ بَشَرٞۖ
Maar de taal van hem op wie zij zinspelen is onduidelijk, terwijl deze taal onberispelijk is, uitdrukkelijk.
لِّسَانُ اُ۬لذِے يُلْحِدُونَ إِلَيْهِ أَعْجَمِيّٞ وَهَٰذَا لِسَانٌ عَرَبِيّٞ مُّبِينٌۖ
Zij die niet geloven in de tekenen van God, God leidt hen gewis niet,
إِنَّ اَ۬لذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ لَا يَهْدِيهِمُ اُ۬للَّهُۖ
en zij zullen een schrijnende pijn hebben.
وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌۖ
Zij die de leugen verzinnen zijn zij die niet geloven in de tekenen van God,
إِنَّمَا يَفْتَرِے اِ۬لْكَذِبَ اَ۬لذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِۖ
en zij zijn het, de leugenaars.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لْكَٰذِبُونَۖ
Wie God verloochent nadat hij geloofd heeft – behalve wie daartoe gedwongen wordt, terwijl zijn kern in gerustheid blijft in het geloof –
مَن كَفَرَ بِاللَّهِ مِنۢ بَعْدِ إِيمَٰنِهِۦ إِلَّا مَنْ أُكْرِهَ وَقَلْبُهُۥ مُطْمَئِنُّۢ بِالْإِيمَٰنِۖ
maar wie zijn borst opent voor de verloochening, over hen is een toorn van God,
وَلَٰكِن مَّن شَرَحَ بِالْكُفْرِ صَدْراٗ فَعَلَيْهِمْ غَضَبٞ مِّنَ اَ۬للَّهِۖ
en zij zullen een ontzaglijke pijn hebben.
وَلَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٞۖ
Dit, omdat zij meer van het leven hienieden hebben gehouden dan van het laatste leven, en omdat God het volk dat verloochent niet leidt.
ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمُ اُ۪سْتَحَبُّواْ اُ۬لْحَيَوٰةَ اَ۬لدُّنْيَا عَلَى اَ۬لْأٓخِرَةِ وَأَنَّ اَ۬للَّهَ لَا يَهْدِے اِ۬لْقَوْمَ اَ۬لْكَٰفِرِينَۖ
Dit zijn zij op wie God een stempel heeft gedrukt: op hun kern, hun gehoor en hun gezichtsvermogen,
أُوْلَٰٓئِكَ اَ۬لذِينَ طَبَعَ اَ۬للَّهُ عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ وَسَمْعِهِمْ وَأَبْصَٰرِهِمْۖ
en dit zijn de onbekommerden.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لْغَٰفِلُونَۖ
Onvermijdelijk, in het laatste leven, zijn zij het die de verliezers zijn.
لَا جَرَمَ أَنَّهُمْ فِے اِ۬لْأٓخِرَةِ هُمُ اُ۬لْخَٰسِرُونَۖ
Vervolgens, jouw Voogd, jegens hen die zijn geëmigreerd nadat zij op de proef waren gesteld, die daarna hebben gestreden en geduldig zijn geweest – jouw Voogd, daarna, is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
ثُمَّ إِنَّ رَبَّكَ لِلذِينَ هَاجَرُواْ مِنۢ بَعْدِ مَا فُتِنُواْ ثُمَّ جَٰهَدُواْ وَصَبَرُواْ إِنَّ رَبَّكَ مِنۢ بَعْدِهَا لَغَفُورٞ رَّحِيمٞۖ
De dag waarop elk Zelf zal komen pleiten voor zichzelf, en waarop elk Zelf getrouw zal ontvangen wat het gedaan heeft, zonder onrecht te ondergaan.
۞ يَوْمَ تَأْتِے كُلُّ نَفْسٖ تُجَٰدِلُ عَن نَّفْسِهَا وَتُوَفَّىٰ كُلُّ نَفْسٖ مَّا عَمِلَتْ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَۖ
En God vermenigvuldigt een voorbeeld: een stad die in veiligheid was, in gerustheid, waarheen haar leeftocht gemakkelijk van overal kwam; toen verloochende zij de weldaden van God, en God deed haar het kleed van de honger en de vrees proeven, voor wat zij deden.
وَضَرَبَ اَ۬للَّهُ مَثَلاٗ قَرْيَةٗ كَانَتْ ءَامِنَةٗ مُّطْمَئِنَّةٗ يَأْتِيهَا رِزْقُهَا رَغَداٗ مِّن كُلِّ مَكَانٖ فَكَفَرَتْ بِأَنْعُمِ اِ۬للَّهِ فَأَذَاقَهَا اَ۬للَّهُ لِبَاسَ اَ۬لْجُوعِ وَالْخَوْفِ بِمَا كَانُواْ يَصْنَعُونَۖ
Een gezant, uit hen voortgekomen, was hun gewis gekomen, maar zij ontkenden hem; en de pijn greep hen, terwijl zij onrechtvaardig waren.
وَلَقَدْ جَآءَهُمْ رَسُولٞ مِّنْهُمْ فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَهُمُ اُ۬لْعَذَابُ وَهُمْ ظَٰلِمُونَۖ
Eet dus van waarvan God jullie voorzien heeft, van wat geoorloofd en goed is,
فَكُلُواْ مِمَّا رَزَقَكُمُ اُ۬للَّهُ حَلَٰلاٗ طَيِّباٗۖ
en wees dankbaar voor de weldaad van God, indien jullie Hem gehoorzamen.
وَاشْكُرُواْ نِعْمَتَ اَ۬للَّهِ إِن كُنتُمْ إِيَّاهُ تَعْبُدُونَۖ
Hij heeft jullie slechts het dode dier, het bloed, het varkensvlees, en wat aan een ander dan God is opgedragen ontzegd.
إِنَّمَا حَرَّمَ عَلَيْكُمُ اُ۬لْمَيْتَةَ وَالدَّمَ وَلَحْمَ اَ۬لْخِنزِيرِ وَمَا أُهِلَّ لِغَيْرِ اِ۬للَّهِ بِهِۦۖ
Maar wie daartoe gedwongen wordt, zonder weerspannig te zijn of de grenzen te overschrijden, God is dan gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
فَمَنُ اُ۟ضْطُرَّ غَيْرَ بَاغٖ وَلَا عَادٖ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞۖ
En zeg niet, om wat jullie tongen leugenachtig beschrijven: “Dit is geoorloofd en dit is ontzegd”, om de leugen tegen God te verzinnen,
وَلَا تَقُولُواْ لِمَا تَصِفُ أَلْسِنَتُكُمُ اُ۬لْكَذِبَ هَٰذَا حَلَٰلٞ وَهَٰذَا حَرَامٞ لِّتَفْتَرُواْ عَلَى اَ۬للَّهِ اِ۬لْكَذِبَۖ
want zij die de leugen tegen God verzinnen zullen niet slagen.
إِنَّ اَ۬لذِينَ يَفْتَرُونَ عَلَى اَ۬للَّهِ اِ۬لْكَذِبَ لَا يُفْلِحُونَۖ
Het is een genieting van weinig waarde,
مَتَٰعٞ قَلِيلٞۖ
en zij zullen een schrijnende pijn hebben.
وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٞۖ
En aan de Geheroriënteerden hebben Wij ontzegd wat Wij jou reeds hebben verhaald;
وَعَلَى اَ۬لذِينَ هَادُواْ حَرَّمْنَا مَا قَصَصْنَا عَلَيْكَ مِن قَبْلُۖ
Wij zijn jegens hen niet onrechtvaardig geweest,
وَمَا ظَلَمْنَٰهُمْۖ
maar aan zichzelf deden zij onrecht.
وَلَٰكِن كَانُواْ أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَۖ
Vervolgens, jouw Voogd, jegens hen die het kwaad uit onwetendheid hebben gedaan, daarna berouw hebben getoond en zich hebben hersteld – jouw Voogd, daarna, is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
ثُمَّ إِنَّ رَبَّكَ لِلذِينَ عَمِلُواْ اُ۬لسُّوٓءَ بِجَهَٰلَةٖ ثُمَّ تَابُواْ مِنۢ بَعْدِ ذَٰلِكَ وَأَصْلَحُواْ إِنَّ رَبَّكَ مِنۢ بَعْدِهَا لَغَفُورٞ رَّحِيمٌۖ
Ibrahim was een gemeenschap, toegewijd aan God, geheel naar Hem toegekeerd, en hij was niet een van hen die associëren,
۞ إِنَّ إِبْرَٰهِيمَ كَانَ أُمَّةٗ قَانِتاٗ لِّلهِ حَنِيفاٗ وَلَمْ يَكُ مِنَ اَ۬لْمُشْرِكِينَۖ
dankbaar voor Zijn weldaden.
شَاكِراٗ لِّأَنْعُمِهِۖ
Hij heeft hem uitverkoren en geleid naar een rechtlijnig pad.
اِ۪جْتَبَيٰهُ وَهَدَيٰهُ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسْتَقِيمٖۖ
En Wij hebben hem, hienieden, het goede gegeven;
وَءَاتَيْنَٰهُ فِے اِ۬لدُّنْيَا حَسَنَةٗۖ
en in het laatste leven zal hij voorzeker behoren tot hen die deugdelijk zijn.
وَإِنَّهُۥ فِے اِ۬لْأٓخِرَةِ لَمِنَ اَ۬لصَّٰلِحِينَۖ
Daarna hebben Wij jou geopenbaard: “Volg de leer van Ibrahim, geheel naar God toegekeerd”,
ثُمَّ أَوْحَيْنَا إِلَيْكَ أَنِ اِ۪تَّبِعْ مِلَّةَ إِبْرَٰهِيمَ حَنِيفاٗۖ
en hij behoorde niet tot hen die associëren.
وَمَا كَانَ مِنَ اَ۬لْمُشْرِكِينَۖ
De Rust is slechts ingesteld voor hen die erover uiteenliepen:
إِنَّمَا جُعِلَ اَ۬لسَّبْتُ عَلَى اَ۬لذِينَ اَ۪خْتَلَفُواْ فِيهِۖ
jouw Voogd zal voorzeker tussen hen oordelen, op de Dag van het Verschijnen, over datgene waarin zij uiteenliepen.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَيَحْكُمُ بَيْنَهُمْ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِ فِيمَا كَانُواْ فِيهِ يَخْتَلِفُونَۖ
Roep op tot de weg van jouw Voogd met de wijsheid en de schone aansporing, en debatteer met hen op de schoonste wijze;
اَ۟دْعُ إِلَىٰ سَبِيلِ رَبِّكَ بِالْحِكْمَةِ وَالْمَوْعِظَةِ اِ۬لْحَسَنَةِ وَجَٰدِلْهُم بِالتِے هِيَ أَحْسَنُۖ
want jouw Voogd weet het best wie van Zijn weg is afgedwaald,
إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبِيلِهِۦۖ
en Hij weet het best wie zich laten leiden.
وَهْوَ أَعْلَمُ بِالْمُهْتَدِينَۖ
En indien jullie vergelden, vergeld dan naar de juiste maat van wat men jullie heeft laten ondergaan;
وَإِنْ عَاقَبْتُمْ فَعَاقِبُواْ بِمِثْلِ مَا عُوقِبْتُم بِهِۦۖ
maar indien jullie geduldig zijn, is het voorzeker beter voor hen die geduldig zijn.
وَلَئِن صَبَرْتُمْ لَهْوَ خَيْرٞ لِّلصَّٰبِرِينَۖ
En wees geduldig –
وَاصْبِرْۖ
want jouw geduld hangt slechts van God af.
وَمَا صَبْرُكَ إِلَّا بِاللَّهِۖ
En wees niet bedroefd om hen, en wees niet benauwd door wat zij beramen,
وَلَا تَحْزَنْ عَلَيْهِمْ وَلَا تَكُ فِے ضَيْقٖ مِّمَّا يَمْكُرُونَۖ
want God is met hen die zich behoeden en met hen die het goede doen.
إِنَّ اَ۬للَّهَ مَعَ اَ۬لذِينَ اَ۪تَّقَواْ وَّالذِينَ هُم مُّحْسِنُونَۖ