Naar de inhoud
القرآنal-quran.fr
Menu
100%
القرآن

الاسراء

Al-Isra

To What Is Most Upright

Soera 17 · 111 verzen

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ

In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.

17:1

Glorie zij Hem die Zijn gehoorzame bij nacht heeft doen reizen, van de onschendbare plaats van neerwerping naar de verste plaats van neerwerping, waarvan Wij de omgeving gezegend hebben, om hem enkele van Onze tekenen te tonen;

سُبْحَٰنَ ٱلَّذِىٓ أَسْرَىٰ بِعَبْدِهِۦ لَيْلًۭا مِّنَ ٱلْمَسْجِدِ ٱلْحَرَامِ إِلَى ٱلْمَسْجِدِ ٱلْأَقْصَا ٱلَّذِى بَٰرَكْنَا حَوْلَهُۥ لِنُرِيَهُۥ مِنْ ءَايَٰتِنَآ

want Hij is het, de Alhorende, de Alziende.

إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْبَصِيرُ

17:2–3

En Wij hebben Moesa de Schrift gegeven, en daarvan een leiding gemaakt voor de zonen van Israël: “Neem niemand, buiten Mij, tot lasthebber” – nageslacht van hen die Wij met Noeh hebben gedragen;

وَءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْكِتَٰبَ وَجَعَلْنَٰهُ هُدًۭى لِّبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ أَلَّا تَتَّخِذُوا۟ مِن دُونِى وَكِيلًۭا ذُرِّيَّةَ مَنْ حَمَلْنَا مَعَ نُوحٍ

want hij was een gehoorzame, dankbaar.

إِنَّهُۥ كَانَ عَبْدًۭا شَكُورًۭا

17:4

En Wij hebben voor de zonen van Israël in de Schrift bepaald: “Jullie zullen voorzeker tweemaal bederf zaaien op de aarde, en jullie zullen jullie voorzeker verheffen met een grote hoogte.”

وَقَضَيْنَآ إِلَىٰ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ فِى ٱلْكِتَٰبِ لَتُفْسِدُنَّ فِى ٱلْأَرْضِ مَرَّتَيْنِ وَلَتَعْلُنَّ عُلُوًّۭا كَبِيرًۭا

17:5

Toen de belofte van de eerste van die twee keer kwam, wekten Wij tegen jullie gehoorzamen van Ons op, begiftigd met een strenge hardheid, die de woningen van begin tot eind doorkruisten –

فَإِذَا جَآءَ وَعْدُ أُولَىٰهُمَا بَعَثْنَا عَلَيْكُمْ عِبَادًۭا لَّنَآ أُو۟لِى بَأْسٍۢ شَدِيدٍۢ فَجَاسُوا۟ خِلَٰلَ ٱلدِّيَارِ

en het was een belofte, een voldongen zaak.

وَكَانَ وَعْدًۭا مَّفْعُولًۭا

Daarna gaven Wij jullie de wraak op hen terug, en Wij versterkten jullie met bezittingen en zonen, en Wij maakten jullie tot de talrijkste in aantal.

ثُمَّ رَدَدْنَا لَكُمُ ٱلْكَرَّةَ عَلَيْهِمْ وَأَمْدَدْنَٰكُم بِأَمْوَٰلٍۢ وَبَنِينَ وَجَعَلْنَٰكُمْ أَكْثَرَ نَفِيرًا

17:7

Indien jullie goed handelen, handelen jullie goed voor jezelf,

إِنْ أَحْسَنتُمْ أَحْسَنتُمْ لِأَنفُسِكُمْ

17:7

en indien jullie slecht handelen, is het tegen jezelf.

وَإِنْ أَسَأْتُمْ فَلَهَا

17:7

Daarna, toen de belofte van de tweede keer kwam, was het opdat zij ongenoegen op jullie gezichten drukten, opdat zij de plaats van neerwerping binnengingen zoals zij haar de eerste keer waren binnengegaan, en opdat zij geheel verwoestten wat zij in handen hadden gekregen.

فَإِذَا جَآءَ وَعْدُ ٱلْءَاخِرَةِ لِيَسُۥٓـُٔوا۟ وُجُوهَكُمْ وَلِيَدْخُلُوا۟ ٱلْمَسْجِدَ كَمَا دَخَلُوهُ أَوَّلَ مَرَّةٍۢ وَلِيُتَبِّرُوا۟ مَا عَلَوْا۟ تَتْبِيرًا

Het kan zijn dat jullie Voogd jullie welwillendheid betoont;

عَسَىٰ رَبُّكُمْ أَن يَرْحَمَكُمْ

17:8

maar indien jullie terugvallen, zullen Wij terugvallen.

وَإِنْ عُدتُّمْ عُدْنَا

17:8

En Wij hebben Djahannam, voor hen die verloochenen, tot een omheining gemaakt.

وَجَعَلْنَا جَهَنَّمَ لِلْكَٰفِرِينَ حَصِيرًا

17:9–10

Deze Lezing leidt gewis naar wat het rechtst is, en kondigt aan de gelovenden die de deugdelijke werken verrichten aan dat zij een grote beloning zullen hebben, en dat voor hen die niet geloven in het laatste leven – Wij hebben voor hen een schrijnende pijn bereid.

إِنَّ هَٰذَا ٱلْقُرْءَانَ يَهْدِى لِلَّتِى هِىَ أَقْوَمُ وَيُبَشِّرُ ٱلْمُؤْمِنِينَ ٱلَّذِينَ يَعْمَلُونَ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أَنَّ لَهُمْ أَجْرًۭا كَبِيرًۭا وَأَنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْءَاخِرَةِ أَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابًا أَلِيمًۭا

17:11

En de mens roept het kwaad aan zoals hij het goede aanroept,

وَيَدْعُ ٱلْإِنسَٰنُ بِٱلشَّرِّ دُعَآءَهُۥ بِٱلْخَيْرِ

17:11

want de mens is haastig.

وَكَانَ ٱلْإِنسَٰنُ عَجُولًۭا

En Wij hebben van de nacht en de dag twee tekenen gemaakt; Wij hebben het teken van de nacht uitgewist en het teken van de dag geschikt gemaakt om helder te zien, opdat jullie een gunst van jullie Voogd zoeken en het aantal van de jaren en de berekening kennen.

وَجَعَلْنَا ٱلَّيْلَ وَٱلنَّهَارَ ءَايَتَيْنِ فَمَحَوْنَآ ءَايَةَ ٱلَّيْلِ وَجَعَلْنَآ ءَايَةَ ٱلنَّهَارِ مُبْصِرَةًۭ لِّتَبْتَغُوا۟ فَضْلًۭا مِّن رَّبِّكُمْ وَلِتَعْلَمُوا۟ عَدَدَ ٱلسِّنِينَ وَٱلْحِسَابَ

En alles hebben Wij in detail gedetailleerd.

وَكُلَّ شَىْءٍۢ فَصَّلْنَٰهُ تَفْصِيلًۭا

17:13

En aan elk mens hebben Wij zijn eigen voorteken aan zijn nek gehecht; en Wij zullen voor hem, op de Dag van het Verschijnen, een register naar buiten brengen dat hij ontvouwd zal ontmoeten:

وَكُلَّ إِنسَٰنٍ أَلْزَمْنَٰهُ طَٰٓئِرَهُۥ فِى عُنُقِهِۦ وَنُخْرِجُ لَهُۥ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ كِتَٰبًۭا يَلْقَىٰهُ مَنشُورًا

17:14

“Lees je register: heden volstaat het dat jij zelf je eigen rekenmeester bent.”

ٱقْرَأْ كِتَٰبَكَ كَفَىٰ بِنَفْسِكَ ٱلْيَوْمَ عَلَيْكَ حَسِيبًۭا

17:15

Wie zich laat leiden, laat zich slechts leiden voor zichzelf,

مَّنِ ٱهْتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهْتَدِى لِنَفْسِهِۦ

17:15

en wie dwaalt, dwaalt slechts tegen zichzelf.

وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيْهَا

17:15

En geen drager van een last zal de last van een ander dragen.

وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٌۭ وِزْرَ أُخْرَىٰ

17:15

En Wij leggen nooit pijn op voordat Wij een gezant hebben opgewekt.

وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبْعَثَ رَسُولًۭا

17:16

En wanneer Wij een stad willen vernietigen, richten Wij Onze bevelen aan haar welgestelden, maar zij overschrijden de grenzen daarin; dan blijkt de uitspraak waar tegen haar, en Wij vernietigen haar met een totale vernietiging.

وَإِذَآ أَرَدْنَآ أَن نُّهْلِكَ قَرْيَةً أَمَرْنَا مُتْرَفِيهَا فَفَسَقُوا۟ فِيهَا فَحَقَّ عَلَيْهَا ٱلْقَوْلُ فَدَمَّرْنَٰهَا تَدْمِيرًۭا

17:17

Hoeveel generaties hebben Wij na Noeh vernietigd!

وَكَمْ أَهْلَكْنَا مِنَ ٱلْقُرُونِ مِنۢ بَعْدِ نُوحٍۢ

En jouw Voogd volstaat als Intiem Kenner en Alziende van de vergrijpen van Zijn gehoorzamen.

وَكَفَىٰ بِرَبِّكَ بِذُنُوبِ عِبَادِهِۦ خَبِيرًۢا بَصِيرًۭا

17:18

Wie het onmiddellijke leven wil, Wij verhaasten voor hem daarin wat het Ons behaagt, voor wie Wij willen; daarna wijzen Wij hem Djahannam toe, waar hij zal branden, verworpen, verdrongen.

مَّن كَانَ يُرِيدُ ٱلْعَاجِلَةَ عَجَّلْنَا لَهُۥ فِيهَا مَا نَشَآءُ لِمَن نُّرِيدُ ثُمَّ جَعَلْنَا لَهُۥ جَهَنَّمَ يَصْلَىٰهَا مَذْمُومًۭا مَّدْحُورًۭا

17:19

En wie het laatste leven wil en zich daarvoor inspant met de inspanning die nodig is, terwijl hij gelovend is – dezen zijn het wier inspanning erkend zal worden.

وَمَنْ أَرَادَ ٱلْءَاخِرَةَ وَسَعَىٰ لَهَا سَعْيَهَا وَهُوَ مُؤْمِنٌۭ فَأُو۟لَٰٓئِكَ كَانَ سَعْيُهُم مَّشْكُورًۭا

17:20

Allen rusten Wij uit –

كُلًّۭا نُّمِدُّ

17:20

dezen zowel als genen – van de dotatie van jouw Voogd,

هَٰٓؤُلَآءِ وَهَٰٓؤُلَآءِ مِنْ عَطَآءِ رَبِّكَ

17:20

en de dotatie van jouw Voogd is nooit beperkt.

وَمَا كَانَ عَطَآءُ رَبِّكَ مَحْظُورًا

Kijk hoe Wij de ene boven de andere hebben bevoordeeld;

ٱنظُرْ كَيْفَ فَضَّلْنَا بَعْضَهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍۢ

en het laatste leven is gewis groter in rangen, en groter in gunst.

وَلَلْءَاخِرَةُ أَكْبَرُ دَرَجَٰتٍۢ وَأَكْبَرُ تَفْضِيلًۭا

Plaats met God geen andere godheid, anders zou je verworpen en in de steek gelaten achterblijven.

لَّا تَجْعَلْ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ فَتَقْعُدَ مَذْمُومًۭا مَّخْذُولًۭا

17:23

En jouw Voogd heeft bepaald dat jullie slechts Hem gehoorzamen,

وَقَضَىٰ رَبُّكَ أَلَّا تَعْبُدُوٓا۟ إِلَّآ إِيَّاهُ

17:23

en de weldadigheid jegens de beide ouders.

وَبِٱلْوَٰلِدَيْنِ إِحْسَٰنًا

17:23

Indien een van hen, of beiden, bij jou de hoge leeftijd bereiken, zeg niet “foei!” tegen hen en snauw hen niet af,

إِمَّا يَبْلُغَنَّ عِندَكَ ٱلْكِبَرَ أَحَدُهُمَآ أَوْ كِلَاهُمَا فَلَا تَقُل لَّهُمَآ أُفٍّۢ وَلَا تَنْهَرْهُمَا

17:23

maar richt een edele uitspraak tot hen.

وَقُل لَّهُمَا قَوْلًۭا كَرِيمًۭا

17:24

En laat voor hen de vleugel van de volgzaamheid zakken, uit welwillendheid,

وَٱخْفِضْ لَهُمَا جَنَاحَ ٱلذُّلِّ مِنَ ٱلرَّحْمَةِ

17:24

en zeg: “Mijn Voogd, betoon hun welwillendheid zoals zij mij als klein kind hebben grootgebracht.”

وَقُل رَّبِّ ٱرْحَمْهُمَا كَمَا رَبَّيَانِى صَغِيرًۭا

Jullie Voogd weet het best wat in jullie Zelf is.

رَّبُّكُمْ أَعْلَمُ بِمَا فِى نُفُوسِكُمْ

Indien jullie deugdelijk zijn, is Hij gewis, jegens hen die voortdurend tot Hem terugkeren, Zeer Vergevensgezind.

إِن تَكُونُوا۟ صَٰلِحِينَ فَإِنَّهُۥ كَانَ لِلْأَوَّٰبِينَ غَفُورًۭا

17:26

En geef aan de verwant zijn deel, evenals aan de behoeftige en aan de doorreiziger,

وَءَاتِ ذَا ٱلْقُرْبَىٰ حَقَّهُۥ وَٱلْمِسْكِينَ وَٱبْنَ ٱلسَّبِيلِ

17:26

en verkwist niet op maatloze wijze,

وَلَا تُبَذِّرْ تَبْذِيرًا

17:27

want zij die verkwisten zijn de broers van de Afleiders,

إِنَّ ٱلْمُبَذِّرِينَ كَانُوٓا۟ إِخْوَٰنَ ٱلشَّيَٰطِينِ

17:27

en de Afleider is, jegens zijn Voogd, een groot verloochenaar.

وَكَانَ ٱلشَّيْطَٰنُ لِرَبِّهِۦ كَفُورًۭا

En indien je je aan hen moet onttrekken, op zoek naar een welwillendheid van jouw Voogd waarop je hoopt, richt dan een gemakkelijke uitspraak tot hen.

وَإِمَّا تُعْرِضَنَّ عَنْهُمُ ٱبْتِغَآءَ رَحْمَةٍۢ مِّن رَّبِّكَ تَرْجُوهَا فَقُل لَّهُمْ قَوْلًۭا مَّيْسُورًۭا

17:29

En maak je hand niet aan je nek geketend, en strek haar ook niet geheel uit, anders zou je achterblijven, gelaakt, leeggezogen door de troosteloosheid;

وَلَا تَجْعَلْ يَدَكَ مَغْلُولَةً إِلَىٰ عُنُقِكَ وَلَا تَبْسُطْهَا كُلَّ ٱلْبَسْطِ فَتَقْعُدَ مَلُومًۭا مَّحْسُورًا

17:30

want jouw Voogd spreidt de leeftocht uit aan wie het Hem behaagt, en meet hem toe;

إِنَّ رَبَّكَ يَبْسُطُ ٱلرِّزْقَ لِمَن يَشَآءُ وَيَقْدِرُ

want Hij is, jegens Zijn gehoorzamen, Intiem Kenner en Alziende.

إِنَّهُۥ كَانَ بِعِبَادِهِۦ خَبِيرًۢا بَصِيرًۭا

17:31

En dood jullie kinderen niet uit vrees voor gebrek:

وَلَا تَقْتُلُوٓا۟ أَوْلَٰدَكُمْ خَشْيَةَ إِمْلَٰقٍۢ

17:31

Wij zijn het die hen voorzien, en jullie,

نَّحْنُ نَرْزُقُهُمْ وَإِيَّاكُمْ

17:31

want hen te doden is een grote fout.

إِنَّ قَتْلَهُمْ كَانَ خِطْـًۭٔا كَبِيرًۭا

17:32

En kom de ontucht niet nabij, want het is een laagheid, en wat een slechte weg!

وَلَا تَقْرَبُوا۟ ٱلزِّنَىٰٓ إِنَّهُۥ كَانَ فَٰحِشَةًۭ وَسَآءَ سَبِيلًۭا

17:33

En dood het Zelf niet dat God onschendbaar heeft gemaakt, tenzij met recht.

وَلَا تَقْتُلُوا۟ ٱلنَّفْسَ ٱلَّتِى حَرَّمَ ٱللَّهُ إِلَّا بِٱلْحَقِّ

17:33

En wie op onrechtvaardige wijze gedood wordt, Wij hebben aan zijn wettelijk verantwoordelijke een gezag toegewezen; maar laat hij niet buitensporig zijn in het doden,

وَمَن قُتِلَ مَظْلُومًۭا فَقَدْ جَعَلْنَا لِوَلِيِّهِۦ سُلْطَٰنًۭا فَلَا يُسْرِف فِّى ٱلْقَتْلِ

want hij zal geholpen worden.

إِنَّهُۥ كَانَ مَنصُورًۭا

En kom het goed van de wees niet nabij, tenzij op de schoonste wijze, totdat hij zijn volle rijpheid bereikt,

وَلَا تَقْرَبُوا۟ مَالَ ٱلْيَتِيمِ إِلَّا بِٱلَّتِى هِىَ أَحْسَنُ حَتَّىٰ يَبْلُغَ أَشُدَّهُۥ

en wees getrouw aan het pact,

وَأَوْفُوا۟ بِٱلْعَهْدِ

want naar het pact zal gevraagd worden.

إِنَّ ٱلْعَهْدَ كَانَ مَسْـُٔولًۭا

17:35

En geef getrouw de maat wanneer jullie meten, en weeg met de rechte weegschaal:

وَأَوْفُوا۟ ٱلْكَيْلَ إِذَا كِلْتُمْ وَزِنُوا۟ بِٱلْقِسْطَاسِ ٱلْمُسْتَقِيمِ

dat is beter, en van schonere uitleg.

ذَٰلِكَ خَيْرٌۭ وَأَحْسَنُ تَأْوِيلًۭا

17:36

En volg niet na waarvan je geen enkel weten hebt,

وَلَا تَقْفُ مَا لَيْسَ لَكَ بِهِۦ عِلْمٌ

17:36

want het gehoor, het gezichtsvermogen en het Bewustzijn – van elk van hen zal gevraagd worden.

إِنَّ ٱلسَّمْعَ وَٱلْبَصَرَ وَٱلْفُؤَادَ كُلُّ أُو۟لَٰٓئِكَ كَانَ عَنْهُ مَسْـُٔولًۭا

17:37

En loop niet pronkend over de aarde,

وَلَا تَمْشِ فِى ٱلْأَرْضِ مَرَحًا

17:37

want je zult de aarde nooit doorboren, noch de bergen in hoogte bereiken.

إِنَّكَ لَن تَخْرِقَ ٱلْأَرْضَ وَلَن تَبْلُغَ ٱلْجِبَالَ طُولًۭا

17:38

Dit alles, het kwaad ervan is, bij jouw Voogd, verfoeilijk.

كُلُّ ذَٰلِكَ كَانَ سَيِّئُهُۥ عِندَ رَبِّكَ مَكْرُوهًۭا

17:39

Dit is wat jouw Voogd jou heeft geopenbaard van de wijsheid.

ذَٰلِكَ مِمَّآ أَوْحَىٰٓ إِلَيْكَ رَبُّكَ مِنَ ٱلْحِكْمَةِ

17:39

En plaats met God geen andere godheid, anders zou je in Djahannam geworpen worden, gelaakt, verdrongen.

وَلَا تَجْعَلْ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ فَتُلْقَىٰ فِى جَهَنَّمَ مَلُومًۭا مَّدْحُورًا

17:40

Zou jullie Voogd jullie dan de zonen hebben voorbehouden, en uit de Gemachtigden dochters hebben genomen?

أَفَأَصْفَىٰكُمْ رَبُّكُم بِٱلْبَنِينَ وَٱتَّخَذَ مِنَ ٱلْمَلَٰٓئِكَةِ إِنَٰثًا

Jullie doen daar voorzeker een ontzaglijke uitspraak.

إِنَّكُمْ لَتَقُولُونَ قَوْلًا عَظِيمًۭا

Wij hebben gewis de voorbeelden gediversifieerd in deze Lezing, opdat zij zich herinneren; maar het doet hun afkeer slechts toenemen.

وَلَقَدْ صَرَّفْنَا فِى هَٰذَا ٱلْقُرْءَانِ لِيَذَّكَّرُوا۟ وَمَا يَزِيدُهُمْ إِلَّا نُفُورًۭا

17:42

Zeg: “Indien er met Hem godheden waren, zoals zij zeggen, dan zouden zij een weg gezocht hebben naar de Houder van het Bouwwerk.”

قُل لَّوْ كَانَ مَعَهُۥٓ ءَالِهَةٌۭ كَمَا يَقُولُونَ إِذًۭا لَّٱبْتَغَوْا۟ إِلَىٰ ذِى ٱلْعَرْشِ سَبِيلًۭا

17:43

Glorie zij Hem, en Hij staat ver boven wat zij zeggen, in grote hoogheid.

سُبْحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يَقُولُونَ عُلُوًّۭا كَبِيرًۭا

17:44

De zeven hemelen glorifiëren Hem, evenals de aarde en wie daarop zijn;

تُسَبِّحُ لَهُ ٱلسَّمَٰوَٰتُ ٱلسَّبْعُ وَٱلْأَرْضُ وَمَن فِيهِنَّ

17:44

er is niets dat Hem niet glorifieert terwijl het Hem looft,

وَإِن مِّن شَىْءٍ إِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهِۦ

17:44

maar jullie begrijpen hun glorifiëren niet,

وَلَٰكِن لَّا تَفْقَهُونَ تَسْبِيحَهُمْ

17:44

want Hij is Lankmoedig, Zeer Vergevensgezind.

إِنَّهُۥ كَانَ حَلِيمًا غَفُورًۭا

17:45

En wanneer je de Lezing leest, plaatsen Wij tussen jou en hen die niet geloven in het laatste leven een verborgen sluier,

وَإِذَا قَرَأْتَ ٱلْقُرْءَانَ جَعَلْنَا بَيْنَكَ وَبَيْنَ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْءَاخِرَةِ حِجَابًۭا مَّسْتُورًۭا

17:46

en Wij plaatsen op hun kernen omhulsels, opdat zij haar niet begrijpen, en in hun oren een doofheid.

وَجَعَلْنَا عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ أَكِنَّةً أَن يَفْقَهُوهُ وَفِىٓ ءَاذَانِهِمْ وَقْرًۭا

17:46

En wanneer je in de Lezing jouw Voogd vermeldt, Hem alleen, keren zij met afkeer de rug toe.

وَإِذَا ذَكَرْتَ رَبَّكَ فِى ٱلْقُرْءَانِ وَحْدَهُۥ وَلَّوْا۟ عَلَىٰٓ أَدْبَٰرِهِمْ نُفُورًۭا

17:47

Wij weten het best wat zij beluisteren, wanneer zij naar jou luisteren, en wanneer zij in beraad zijn, wanneer de onrechtvaardigen zeggen: “Jullie volgen slechts een man die door de begoocheling is begoocheld.”

نَّحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَسْتَمِعُونَ بِهِۦٓ إِذْ يَسْتَمِعُونَ إِلَيْكَ وَإِذْ هُمْ نَجْوَىٰٓ إِذْ يَقُولُ ٱلظَّٰلِمُونَ إِن تَتَّبِعُونَ إِلَّا رَجُلًۭا مَّسْحُورًا

17:48

Kijk hoe zij de voorbeelden over jou hebben vermenigvuldigd, en zo zijn afgedwaald:

ٱنظُرْ كَيْفَ ضَرَبُوا۟ لَكَ ٱلْأَمْثَالَ فَضَلُّوا۟

zij kunnen dus geen weg vinden.

فَلَا يَسْتَطِيعُونَ سَبِيلًۭا

17:49

En zij hebben gezegd: “Wanneer wij beenderen en brokjes zijn, zullen wij dan werkelijk opgewekt worden in een nieuwe schepping?”

وَقَالُوٓا۟ أَءِذَا كُنَّا عِظَٰمًۭا وَرُفَٰتًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ خَلْقًۭا جَدِيدًۭا

Zeg: “Wees steen, of ijzer, of enige schepping die in jullie borsten groot lijkt.”

قُلْ كُونُوا۟ حِجَارَةً أَوْ حَدِيدًا أَوْ خَلْقًۭا مِّمَّا يَكْبُرُ فِى صُدُورِكُمْ

Zij zullen dan zeggen: “Wie zal ons terugbrengen?”

فَسَيَقُولُونَ مَن يُعِيدُنَا

Zeg: “Hij die jullie oorspronkelijk heeft geschapen, de eerste keer.”

قُلِ ٱلَّذِى فَطَرَكُمْ أَوَّلَ مَرَّةٍۢ

Dan zullen zij het hoofd naar jou schudden en zeggen: “Wanneer zal dat zijn?”

فَسَيُنْغِضُونَ إِلَيْكَ رُءُوسَهُمْ وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هُوَ

Zeg: “Het kan zijn dat het nabij is.

قُلْ عَسَىٰٓ أَن يَكُونَ قَرِيبًۭا

Op de dag waarop Hij jullie zal roepen, zullen jullie antwoorden terwijl jullie Hem loven, en jullie zullen vermoeden slechts weinig tijd te hebben doorgebracht.”

يَوْمَ يَدْعُوكُمْ فَتَسْتَجِيبُونَ بِحَمْدِهِۦ وَتَظُنُّونَ إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا قَلِيلًۭا

17:53

En zeg aan Mijn gehoorzamen om te zeggen wat het schoonste is:

وَقُل لِّعِبَادِى يَقُولُوا۟ ٱلَّتِى هِىَ أَحْسَنُ

17:53

de Afleider zaait tweedracht onder hen;

إِنَّ ٱلشَّيْطَٰنَ يَنزَغُ بَيْنَهُمْ

17:53

want de Afleider is, voor de mens, een klaarblijkelijke vijand.

إِنَّ ٱلشَّيْطَٰنَ كَانَ لِلْإِنسَٰنِ عَدُوًّۭا مُّبِينًۭا

Jullie Voogd kent jullie het best; indien het Hem behaagt, betoont Hij jullie welwillendheid, en indien het Hem behaagt, legt Hij jullie pijn op.

رَّبُّكُمْ أَعْلَمُ بِكُمْ إِن يَشَأْ يَرْحَمْكُمْ أَوْ إِن يَشَأْ يُعَذِّبْكُمْ

17:54

Wij hebben jou niet gezonden om hun lasthebber te zijn.

وَمَآ أَرْسَلْنَٰكَ عَلَيْهِمْ وَكِيلًۭا

Jouw Voogd weet het best wie in de hemelen en op de aarde zijn.

وَرَبُّكَ أَعْلَمُ بِمَن فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ

17:55

Wij hebben gewis sommige berichtgevers boven andere bevoordeeld, en Wij hebben Dawoed een Formularium gegeven.

وَلَقَدْ فَضَّلْنَا بَعْضَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ عَلَىٰ بَعْضٍۢ وَءَاتَيْنَا دَاوُۥدَ زَبُورًۭا

17:56

Zeg: “Roep aan wie jullie beweren, buiten Hem: zij bezitten geen enkele macht om jullie van de schade te verlichten, noch om haar te verplaatsen.”

قُلِ ٱدْعُوا۟ ٱلَّذِينَ زَعَمْتُم مِّن دُونِهِۦ فَلَا يَمْلِكُونَ كَشْفَ ٱلضُّرِّ عَنكُمْ وَلَا تَحْوِيلًا

17:57

Juist zij die zij aanroepen zoeken, bij hun Voogd, het middel tot nadering – wie van hen het naast zal zijn – en hopen op Zijn welwillendheid en vrezen Zijn pijn,

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ يَدْعُونَ يَبْتَغُونَ إِلَىٰ رَبِّهِمُ ٱلْوَسِيلَةَ أَيُّهُمْ أَقْرَبُ وَيَرْجُونَ رَحْمَتَهُۥ وَيَخَافُونَ عَذَابَهُۥٓ

want de pijn van jouw Voogd is van die waartegen men op zijn hoede moet zijn.

إِنَّ عَذَابَ رَبِّكَ كَانَ مَحْذُورًۭا

17:58

En er is geen stad die Wij niet vernietigen vóór de Dag van het Verschijnen, of waaraan Wij niet een strenge pijn opleggen:

وَإِن مِّن قَرْيَةٍ إِلَّا نَحْنُ مُهْلِكُوهَا قَبْلَ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ أَوْ مُعَذِّبُوهَا عَذَابًۭا شَدِيدًۭا

17:58

dit staat opgetekend in het register.

كَانَ ذَٰلِكَ فِى ٱلْكِتَٰبِ مَسْطُورًۭا

Niets heeft Ons belet de tekenen te zenden, dan dat de eersten ze hebben ontkend.

وَمَا مَنَعَنَآ أَن نُّرْسِلَ بِٱلْءَايَٰتِ إِلَّآ أَن كَذَّبَ بِهَا ٱلْأَوَّلُونَ

En Wij hebben aan de Thamoed de kameelmerrie gegeven, als bewijs, maar zij waren onrechtvaardig jegens haar.

وَءَاتَيْنَا ثَمُودَ ٱلنَّاقَةَ مُبْصِرَةًۭ فَظَلَمُوا۟ بِهَا

Doch Wij zenden de tekenen slechts om te doen schrikken.

وَمَا نُرْسِلُ بِٱلْءَايَٰتِ إِلَّا تَخْوِيفًۭا

En toen Wij jou zeiden dat jouw Voogd de mensen omsingelt –

وَإِذْ قُلْنَا لَكَ إِنَّ رَبَّكَ أَحَاطَ بِٱلنَّاسِ

17:60

Wij hebben van het visioen dat Wij jou hebben getoond slechts een beproeving voor de mensen gemaakt, evenals van de vervloekte boom in deze Lezing.

وَمَا جَعَلْنَا ٱلرُّءْيَا ٱلَّتِىٓ أَرَيْنَٰكَ إِلَّا فِتْنَةًۭ لِّلنَّاسِ وَٱلشَّجَرَةَ ٱلْمَلْعُونَةَ فِى ٱلْقُرْءَانِ

En Wij doen hen schrikken, maar het doet hun grote mateloosheid slechts toenemen.

وَنُخَوِّفُهُمْ فَمَا يَزِيدُهُمْ إِلَّا طُغْيَٰنًۭا كَبِيرًۭا

17:61

En toen Wij tot de Gemachtigden zeiden: “Werp jullie neer voor Adam”, wierpen zij zich neer,

وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَٰٓئِكَةِ ٱسْجُدُوا۟ لِءَادَمَ فَسَجَدُوٓا۟

17:61

behalve Iblis: hij zei: “Zou ik mij neerwerpen voor wie U uit klei hebt geschapen?”

إِلَّآ إِبْلِيسَ قَالَ ءَأَسْجُدُ لِمَنْ خَلَقْتَ طِينًۭا

17:62

Hij zei: “Ziet U deze hier, die U boven mij hebt geëerd? Indien U mij uitstel geeft tot de Dag van het Verschijnen, zal ik mij voorzeker meester maken van zijn nageslacht, op enkelen van hen na.”

قَالَ أَرَءَيْتَكَ هَٰذَا ٱلَّذِى كَرَّمْتَ عَلَىَّ لَئِنْ أَخَّرْتَنِ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ لَأَحْتَنِكَنَّ ذُرِّيَّتَهُۥٓ إِلَّا قَلِيلًۭا

17:63

Hij zei: “Ga! Wie van hen jou volgt – Djahannam zal gewis jullie vergelding zijn, een overvloedige vergelding.

قَالَ ٱذْهَبْ فَمَن تَبِعَكَ مِنْهُمْ فَإِنَّ جَهَنَّمَ جَزَآؤُكُمْ جَزَآءًۭ مَّوْفُورًۭا

17:64

En verdrijf, met je stem, wie je kunt van hen; roep tegen hen je ruiterij en je voetvolk op; associeer je met hen in de bezittingen en de kinderen; en doe hun beloften –

وَٱسْتَفْزِزْ مَنِ ٱسْتَطَعْتَ مِنْهُم بِصَوْتِكَ وَأَجْلِبْ عَلَيْهِم بِخَيْلِكَ وَرَجِلِكَ وَشَارِكْهُمْ فِى ٱلْأَمْوَٰلِ وَٱلْأَوْلَٰدِ وَعِدْهُمْ

17:64

doch de Afleider belooft hun slechts bedrog.

وَمَا يَعِدُهُمُ ٱلشَّيْطَٰنُ إِلَّا غُرُورًا

17:65

Over Mijn gehoorzamen heb je gewis geen enkel gezag;

إِنَّ عِبَادِى لَيْسَ لَكَ عَلَيْهِمْ سُلْطَٰنٌۭ

17:65

en jouw Voogd volstaat als lasthebber.”

وَكَفَىٰ بِرَبِّكَ وَكِيلًۭا

Jullie Voogd is Hij die voor jullie het vaartuig over de zee doet varen, opdat jullie van Zijn gunst zoeken,

رَّبُّكُمُ ٱلَّذِى يُزْجِى لَكُمُ ٱلْفُلْكَ فِى ٱلْبَحْرِ لِتَبْتَغُوا۟ مِن فَضْلِهِۦٓ

want Hij is jegens jullie Welwillend.

إِنَّهُۥ كَانَ بِكُمْ رَحِيمًۭا

En wanneer de schade jullie op zee treft, dwalen zij weg die jullie aanroepen, behalve Hij.

وَإِذَا مَسَّكُمُ ٱلضُّرُّ فِى ٱلْبَحْرِ ضَلَّ مَن تَدْعُونَ إِلَّآ إِيَّاهُ

Daarna, wanneer Hij jullie redt naar het vasteland, onttrekken jullie je:

فَلَمَّا نَجَّىٰكُمْ إِلَى ٱلْبَرِّ أَعْرَضْتُمْ

17:67

de mens is een groot verloochenaar.

وَكَانَ ٱلْإِنسَٰنُ كَفُورًا

17:68–69

Zijn jullie er dan zeker van dat Wij jullie niet zullen laten verzwelgen door een stuk van het vasteland, of dat Wij geen rukwind van keien over jullie zullen zenden, zodat jullie dan geen lasthebber vinden? Of zijn jullie er zeker van dat Wij jullie er niet nog een keer naartoe zullen terugbrengen, om over jullie een brekende wind te zenden die jullie doet verdrinken, vanwege jullie verloochening, zodat jullie dan niemand vinden om Ons ter verantwoording te roepen?

أَفَأَمِنتُمْ أَن يَخْسِفَ بِكُمْ جَانِبَ ٱلْبَرِّ أَوْ يُرْسِلَ عَلَيْكُمْ حَاصِبًۭا ثُمَّ لَا تَجِدُوا۟ لَكُمْ وَكِيلًا أَمْ أَمِنتُمْ أَن يُعِيدَكُمْ فِيهِ تَارَةً أُخْرَىٰ فَيُرْسِلَ عَلَيْكُمْ قَاصِفًۭا مِّنَ ٱلرِّيحِ فَيُغْرِقَكُم بِمَا كَفَرْتُمْ ثُمَّ لَا تَجِدُوا۟ لَكُمْ عَلَيْنَا بِهِۦ تَبِيعًۭا

17:70

Wij hebben gewis de zonen van Adam geëerd, Wij hebben hen gedragen op het vasteland en op de zee, Wij hebben hen voorzien van de goede dingen, en Wij hebben hen duidelijk bevoordeeld boven velen van hen die Wij geschapen hebben.

وَلَقَدْ كَرَّمْنَا بَنِىٓ ءَادَمَ وَحَمَلْنَٰهُمْ فِى ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ وَرَزَقْنَٰهُم مِّنَ ٱلطَّيِّبَٰتِ وَفَضَّلْنَٰهُمْ عَلَىٰ كَثِيرٍۢ مِّمَّنْ خَلَقْنَا تَفْضِيلًۭا

17:71

De dag waarop Wij elke groep mensen zullen roepen met hun referentie,

يَوْمَ نَدْعُوا۟ كُلَّ أُنَاسٍۭ بِإِمَٰمِهِمْ

17:71

wie zijn register in zijn rechterhand wordt gegeven – dezen zullen hun register lezen, en zullen geen onrecht ondergaan, al is het een vezeltje.

فَمَنْ أُوتِىَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ فَأُو۟لَٰٓئِكَ يَقْرَءُونَ كِتَٰبَهُمْ وَلَا يُظْلَمُونَ فَتِيلًۭا

En wie blind is in dit leven, zal blind zijn in het laatste leven, en nog meer afgedwaald wat de weg betreft.

وَمَن كَانَ فِى هَٰذِهِۦٓ أَعْمَىٰ فَهُوَ فِى ٱلْءَاخِرَةِ أَعْمَىٰ وَأَضَلُّ سَبِيلًۭا

17:73

En zij hebben jou voorzeker bijna, door de beproeving, afgebracht van wat Wij jou hebben geopenbaard, opdat je tegen Ons iets anders zou verzinnen;

وَإِن كَادُوا۟ لَيَفْتِنُونَكَ عَنِ ٱلَّذِىٓ أَوْحَيْنَآ إِلَيْكَ لِتَفْتَرِىَ عَلَيْنَا غَيْرَهُۥ

17:73

dan zouden zij jou tot intieme vriend hebben genomen.

وَإِذًۭا لَّٱتَّخَذُوكَ خَلِيلًۭا

17:74

En indien Wij jou niet standvastig hadden gemaakt, zou je gewis bijna op hen hebben geleund, een klein beetje.

وَلَوْلَآ أَن ثَبَّتْنَٰكَ لَقَدْ كِدتَّ تَرْكَنُ إِلَيْهِمْ شَيْـًۭٔا قَلِيلًا

17:75

Dan zouden Wij jou het dubbele van het leven en het dubbele van de dood hebben doen proeven; daarna zou je tegen Ons geen enkele hulp hebben gevonden.

إِذًۭا لَّأَذَقْنَٰكَ ضِعْفَ ٱلْحَيَوٰةِ وَضِعْفَ ٱلْمَمَاتِ ثُمَّ لَا تَجِدُ لَكَ عَلَيْنَا نَصِيرًۭا

En zij hebben jou voorzeker bijna van deze aarde verdreven, om je ervan uit te zetten –

وَإِن كَادُوا۟ لَيَسْتَفِزُّونَكَ مِنَ ٱلْأَرْضِ لِيُخْرِجُوكَ مِنْهَا

17:76

en dan zouden zij daar, na jou, slechts zeer weinig tijd hebben doorgebracht.

وَإِذًۭا لَّا يَلْبَثُونَ خِلَٰفَكَ إِلَّا قَلِيلًۭا

17:77

Dit is de norm met betrekking tot hen die Wij vóór jou hebben gezonden onder Onze gezanten,

سُنَّةَ مَن قَدْ أَرْسَلْنَا قَبْلَكَ مِن رُّسُلِنَا

en in Onze norm zul je geen enkele verplaatsing vinden.

وَلَا تَجِدُ لِسُنَّتِنَا تَحْوِيلًا

17:78

Onderhoud het Contact vanaf het neigen van de zon tot het donker van de nacht, evenals de Lezing van de dageraad,

أَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ لِدُلُوكِ ٱلشَّمْسِ إِلَىٰ غَسَقِ ٱلَّيْلِ وَقُرْءَانَ ٱلْفَجْرِ

17:78

want de Lezing van de dageraad is geattesteerd.

إِنَّ قُرْءَانَ ٱلْفَجْرِ كَانَ مَشْهُودًۭا

17:79

En gedurende een deel van de nacht, waak daarmee, als toegift voor jou: het kan zijn dat jouw Voogd jou opwekt tot een positie van lof.

وَمِنَ ٱلَّيْلِ فَتَهَجَّدْ بِهِۦ نَافِلَةًۭ لَّكَ عَسَىٰٓ أَن يَبْعَثَكَ رَبُّكَ مَقَامًۭا مَّحْمُودًۭا

17:80

En zeg: “Mijn Voogd, laat mij binnengaan door een waarachtige ingang, en laat mij uitgaan door een waarachtige uitgang, en wijs mij, van U, een hulpvaardig gezag toe.”

وَقُل رَّبِّ أَدْخِلْنِى مُدْخَلَ صِدْقٍۢ وَأَخْرِجْنِى مُخْرَجَ صِدْقٍۢ وَٱجْعَل لِّى مِن لَّدُنكَ سُلْطَٰنًۭا نَّصِيرًۭا

17:81

En zeg: “De waarheid is gekomen, en het valse is vervlogen:

وَقُلْ جَآءَ ٱلْحَقُّ وَزَهَقَ ٱلْبَٰطِلُ

17:81

het valse is gewis bestemd om te vervliegen.”

إِنَّ ٱلْبَٰطِلَ كَانَ زَهُوقًۭا

17:82

En Wij doen uit deze Lezing neerdalen wat genezing en welwillendheid is voor de gelovenden,

وَنُنَزِّلُ مِنَ ٱلْقُرْءَانِ مَا هُوَ شِفَآءٌۭ وَرَحْمَةٌۭ لِّلْمُؤْمِنِينَ

maar het doet de onrechtvaardigen slechts in verlies toenemen.

وَلَا يَزِيدُ ٱلظَّٰلِمِينَ إِلَّا خَسَارًۭا

En wanneer Wij de mens met weldaden overladen, onttrekt hij zich en houdt zich afzijdig;

وَإِذَآ أَنْعَمْنَا عَلَى ٱلْإِنسَٰنِ أَعْرَضَ وَنَـَٔا بِجَانِبِهِۦ

17:83

en wanneer het kwaad hem treft, is hij zonder hoop.

وَإِذَا مَسَّهُ ٱلشَّرُّ كَانَ يَـُٔوسًۭا

17:84

Zeg: “Ieder handelt naar zijn eigen wijze; jullie Voogd weet het best wie het best geleid is wat de weg betreft.”

قُلْ كُلٌّۭ يَعْمَلُ عَلَىٰ شَاكِلَتِهِۦ فَرَبُّكُمْ أَعْلَمُ بِمَنْ هُوَ أَهْدَىٰ سَبِيلًۭا

17:85

En zij ondervragen jou over de Toestroom.

وَيَسْـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلرُّوحِ

17:85

Zeg: “De Toestroom hoort bij het bevel van mijn Voogd; en jullie hebben slechts bitter weinig weten ontvangen.”

قُلِ ٱلرُّوحُ مِنْ أَمْرِ رَبِّى وَمَآ أُوتِيتُم مِّنَ ٱلْعِلْمِ إِلَّا قَلِيلًۭا

En indien het Ons behaagde, zouden Wij voorzeker wegnemen wat Wij jou hebben geopenbaard; dan zou je tegen Ons geen enkele lasthebber daarvoor vinden – behalve een welwillendheid van jouw Voogd;

وَلَئِن شِئْنَا لَنَذْهَبَنَّ بِٱلَّذِىٓ أَوْحَيْنَآ إِلَيْكَ ثُمَّ لَا تَجِدُ لَكَ بِهِۦ عَلَيْنَا وَكِيلًا إِلَّا رَحْمَةًۭ مِّن رَّبِّكَ

want Zijn gunst jegens jou is groot.

إِنَّ فَضْلَهُۥ كَانَ عَلَيْكَ كَبِيرًۭا

17:88

Zeg: “Indien de mensen en de Verborgenen zich zouden verenigen om het equivalent van deze Lezing te brengen, zouden zij het equivalent ervan niet brengen, al waren zij elkaars steun.”

قُل لَّئِنِ ٱجْتَمَعَتِ ٱلْإِنسُ وَٱلْجِنُّ عَلَىٰٓ أَن يَأْتُوا۟ بِمِثْلِ هَٰذَا ٱلْقُرْءَانِ لَا يَأْتُونَ بِمِثْلِهِۦ وَلَوْ كَانَ بَعْضُهُمْ لِبَعْضٍۢ ظَهِيرًۭا

17:89

Wij hebben gewis voor de mensen, in deze Lezing, allerlei voorbeelden gediversifieerd; maar de meeste mensen hebben alles geweigerd, behalve de verloochening.

وَلَقَدْ صَرَّفْنَا لِلنَّاسِ فِى هَٰذَا ٱلْقُرْءَانِ مِن كُلِّ مَثَلٍۢ فَأَبَىٰٓ أَكْثَرُ ٱلنَّاسِ إِلَّا كُفُورًۭا

17:90–93

En zij hebben gezegd: “Wij zullen jou geen krediet geven voordat je voor ons uit de aarde een bron laat opwellen, of dat je een tuin van palmen en wijnstokken hebt waarin je rivieren overvloedig laat opwellen, of dat je de hemel in stukken op ons laat neerstorten zoals je beweert, of dat je God en de Gemachtigden voor ons brengt, of dat je een huis van verguldsel hebt, of dat je naar de hemel opstijgt – en wij zullen zelfs je opstijging geen krediet geven voordat je op ons een register doet neerdalen dat wij kunnen lezen.”

وَقَالُوا۟ لَن نُّؤْمِنَ لَكَ حَتَّىٰ تَفْجُرَ لَنَا مِنَ ٱلْأَرْضِ يَنۢبُوعًا أَوْ تَكُونَ لَكَ جَنَّةٌۭ مِّن نَّخِيلٍۢ وَعِنَبٍۢ فَتُفَجِّرَ ٱلْأَنْهَٰرَ خِلَٰلَهَا تَفْجِيرًا أَوْ تُسْقِطَ ٱلسَّمَآءَ كَمَا زَعَمْتَ عَلَيْنَا كِسَفًا أَوْ تَأْتِىَ بِٱللَّهِ وَٱلْمَلَٰٓئِكَةِ قَبِيلًا أَوْ يَكُونَ لَكَ بَيْتٌۭ مِّن زُخْرُفٍ أَوْ تَرْقَىٰ فِى ٱلسَّمَآءِ وَلَن نُّؤْمِنَ لِرُقِيِّكَ حَتَّىٰ تُنَزِّلَ عَلَيْنَا كِتَٰبًۭا نَّقْرَؤُهُۥ

17:90–93

Zeg: “Glorie zij mijn Voogd! Ben ik slechts een sterveling, een gezant?”

قُلْ سُبْحَانَ رَبِّى هَلْ كُنتُ إِلَّا بَشَرًۭا رَّسُولًۭا

17:94

En niets heeft de mensen belet te geloven, toen de leiding hun kwam, dan dat zij zeiden: “Zou God een sterveling als gezant hebben opgewekt?”

وَمَا مَنَعَ ٱلنَّاسَ أَن يُؤْمِنُوٓا۟ إِذْ جَآءَهُمُ ٱلْهُدَىٰٓ إِلَّآ أَن قَالُوٓا۟ أَبَعَثَ ٱللَّهُ بَشَرًۭا رَّسُولًۭا

17:95

Zeg: “Indien er op aarde Gemachtigden waren die in alle gerustheid rondliepen, zouden Wij voor hen uit de hemel een Gemachtigde als gezant hebben doen neerdalen.”

قُل لَّوْ كَانَ فِى ٱلْأَرْضِ مَلَٰٓئِكَةٌۭ يَمْشُونَ مُطْمَئِنِّينَ لَنَزَّلْنَا عَلَيْهِم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ مَلَكًۭا رَّسُولًۭا

Zeg: “God volstaat als getuige tussen mij en jullie,

قُلْ كَفَىٰ بِٱللَّهِ شَهِيدًۢا بَيْنِى وَبَيْنَكُمْ

want Hij is, jegens Zijn gehoorzamen, Intiem Kenner en Alziende.”

إِنَّهُۥ كَانَ بِعِبَادِهِۦ خَبِيرًۢا بَصِيرًۭا

En wie God leidt, die laat zich leiden,

وَمَن يَهْدِ ٱللَّهُ فَهُوَ ٱلْمُهْتَدِ

en wie Hij doet dwalen, voor hen zul je nooit bondgenoten vinden buiten Hem.

وَمَن يُضْلِلْ فَلَن تَجِدَ لَهُمْ أَوْلِيَآءَ مِن دُونِهِۦ

17:97

En Wij zullen hen verzamelen, op de Dag van het Verschijnen, op hun gezichten, blind, stom en doof:

وَنَحْشُرُهُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ عُمْيًۭا وَبُكْمًۭا وَصُمًّۭا

17:97

hun toevlucht zal Djahannam zijn:

مَّأْوَىٰهُمْ جَهَنَّمُ

17:97

telkens wanneer zij afneemt, vergroten Wij voor hen de Brand.

كُلَّمَا خَبَتْ زِدْنَٰهُمْ سَعِيرًۭا

17:98

Dit is hun vergelding, omdat zij Onze tekenen hebben verloochend en hebben gezegd: “Wanneer wij beenderen en brokjes zijn, zullen wij dan werkelijk opgewekt worden in een nieuwe schepping?”

ذَٰلِكَ جَزَآؤُهُم بِأَنَّهُمْ كَفَرُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا وَقَالُوٓا۟ أَءِذَا كُنَّا عِظَٰمًۭا وَرُفَٰتًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ خَلْقًۭا جَدِيدًا

Hebben zij niet gezien dat God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, in staat is hun gelijke te scheppen, en dat Hij hun een termijn heeft toegewezen waaraan geen twijfel bestaat?

أَوَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّ ٱللَّهَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ قَادِرٌ عَلَىٰٓ أَن يَخْلُقَ مِثْلَهُمْ وَجَعَلَ لَهُمْ أَجَلًۭا لَّا رَيْبَ فِيهِ

Maar de onrechtvaardigen hebben alles geweigerd, behalve de verloochening.

فَأَبَى ٱلظَّٰلِمُونَ إِلَّا كُفُورًۭا

Zeg: “Indien jullie de voorraden van de welwillendheid van mijn Voogd bezaten, dan zouden jullie ze achterhouden, uit vrees voor de uitgave.”

قُل لَّوْ أَنتُمْ تَمْلِكُونَ خَزَآئِنَ رَحْمَةِ رَبِّىٓ إِذًۭا لَّأَمْسَكْتُمْ خَشْيَةَ ٱلْإِنفَاقِ

De mens is gierig.

وَكَانَ ٱلْإِنسَٰنُ قَتُورًۭا

17:101

Wij hebben Moesa gewis negen duidelijke tekenen gegeven:

وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَىٰ تِسْعَ ءَايَٰتٍۭ بَيِّنَٰتٍۢ

17:101

ondervraag dus de zonen van Israël: toen hij tot hen kwam, zei Fir'aun tot hem: “Ik vermoed voorzeker dat je door een begoocheling begoocheld bent, o Moesa.”

فَسْـَٔلْ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ إِذْ جَآءَهُمْ فَقَالَ لَهُۥ فِرْعَوْنُ إِنِّى لَأَظُنُّكَ يَٰمُوسَىٰ مَسْحُورًۭا

17:102

Hij zei: “Je weet gewis dat niemand anders dan de Voogd van de hemelen en de aarde deze verhelderende bewijzen heeft doen neerdalen,

قَالَ لَقَدْ عَلِمْتَ مَآ أَنزَلَ هَٰٓؤُلَآءِ إِلَّا رَبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ بَصَآئِرَ

17:102

en ik vermoed voorzeker dat jij ten onder gaat, o Fir'aun.”

وَإِنِّى لَأَظُنُّكَ يَٰفِرْعَوْنُ مَثْبُورًۭا

Hij wilde hen dan van deze aarde verdrijven; maar Wij deden hem verdrinken, hem en allen die met hem waren.

فَأَرَادَ أَن يَسْتَفِزَّهُم مِّنَ ٱلْأَرْضِ فَأَغْرَقْنَٰهُ وَمَن مَّعَهُۥ جَمِيعًۭا

En Wij zeiden na hem tot de zonen van Israël: “Bewoon deze aarde,

وَقُلْنَا مِنۢ بَعْدِهِۦ لِبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ ٱسْكُنُوا۟ ٱلْأَرْضَ

17:104

daarna, wanneer de belofte van de tweede keer komt, zullen Wij jullie allen samen terugbrengen, dooreengevlochten.”

فَإِذَا جَآءَ وَعْدُ ٱلْءَاخِرَةِ جِئْنَا بِكُمْ لَفِيفًۭا

17:105

En met de waarheid hebben Wij het doen neerdalen,

وَبِٱلْحَقِّ أَنزَلْنَٰهُ

17:105

en met de waarheid is het neergedaald;

وَبِٱلْحَقِّ نَزَلَ

en Wij hebben jou slechts gezonden als aankondiger en waarschuwer.

وَمَآ أَرْسَلْنَٰكَ إِلَّا مُبَشِّرًۭا وَنَذِيرًۭا

17:106

En een Lezing die Wij hebben opgedeeld, opdat je haar aan de mensen met gradatie leest,

وَقُرْءَانًۭا فَرَقْنَٰهُ لِتَقْرَأَهُۥ عَلَى ٱلنَّاسِ عَلَىٰ مُكْثٍۢ

17:106

en Wij hebben haar doen neerdalen in opeenvolgende zendingen.

وَنَزَّلْنَٰهُ تَنزِيلًۭا

Zeg: “Geloof erin, of geloof er niet in:

قُلْ ءَامِنُوا۟ بِهِۦٓ أَوْ لَا تُؤْمِنُوٓا۟

zij aan wie het weten vóór haar is gegeven, wanneer zij hun wordt voorgedragen, vallen zich neerwerpend op de kin, zeggend: ‘Glorie zij onze Voogd! De belofte van onze Voogd is voorzeker een voldongen zaak.’

إِنَّ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْعِلْمَ مِن قَبْلِهِۦٓ إِذَا يُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ يَخِرُّونَ لِلْأَذْقَانِ سُجَّدًۭا وَيَقُولُونَ سُبْحَٰنَ رَبِّنَآ إِن كَانَ وَعْدُ رَبِّنَا لَمَفْعُولًۭا

En zij vallen op de kin, wenend, en het doet hun nederigheid toenemen.”

وَيَخِرُّونَ لِلْأَذْقَانِ يَبْكُونَ وَيَزِيدُهُمْ خُشُوعًۭا

17:110

Zeg: “Roep God aan, of roep de Alwelwillende aan:

قُلِ ٱدْعُوا۟ ٱللَّهَ أَوِ ٱدْعُوا۟ ٱلرَّحْمَٰنَ

17:110

wie jullie ook aanroepen, aan Hem behoren de schoonste eigenschappen.”

أَيًّۭا مَّا تَدْعُوا۟ فَلَهُ ٱلْأَسْمَآءُ ٱلْحُسْنَىٰ

17:110

En spreek je Contact niet hardop uit, en fluister het ook niet: zoek, tussen die twee, een weg.

وَلَا تَجْهَرْ بِصَلَاتِكَ وَلَا تُخَافِتْ بِهَا وَٱبْتَغِ بَيْنَ ذَٰلِكَ سَبِيلًۭا

17:111

En zeg: “Lof zij God, die Zich geen kind heeft toegeschreven, die geen geassocieerde heeft in het koningschap, en die geen beschermer heeft tegen de vernedering”,

وَقُلِ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ٱلَّذِى لَمْ يَتَّخِذْ وَلَدًۭا وَلَمْ يَكُن لَّهُۥ شَرِيكٌۭ فِى ٱلْمُلْكِ وَلَمْ يَكُن لَّهُۥ وَلِىٌّۭ مِّنَ ٱلذُّلِّ

17:111

en kondig Zijn grootheid af, ten volle.

وَكَبِّرْهُ تَكْبِيرًۢا

← Index van de soera's