الصف
As-Saff
The Close Rank
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alles wat in de hemelen en op de aarde is, heeft God geglorifieerd,
بِسْمِ اِ۬للَّهِ اِ۬لرَّحْمَٰنِ اِ۬لرَّحِيمِ سَبَّحَ لِلهِ مَا فِے اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِے اِ۬لَارْضِۖ
en Hij is de Almachtige, de Wijze.
وَهُوَ اَ۬لْعَزِيزُ اُ۬لْحَكِيمُۖ
O jullie die geloofd hebben! Waarom zeggen jullie wat jullie niet doen?
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ لِمَ تَقُولُونَ مَا لَا تَفْعَلُونَۖ
Het is een grote gruwel bij God dat jullie zeggen wat jullie niet doen.
كَبُرَ مَقْتاً عِندَ اَ۬للَّهِ أَن تَقُولُواْ مَا لَا تَفْعَلُونَۖ
God houdt gewis van hen die strijden op Zijn weg in gesloten gelederen, alsof zij een compacte constructie waren.
إِنَّ اَ۬للَّهَ يُحِبُّ اُ۬لذِينَ يُقَٰتِلُونَ فِے سَبِيلِهِۦ صَفّاٗ كَأَنَّهُم بُنْيَٰنٞ مَّرْصُوصٞۖ
En toen Moesa tot zijn volk zei: “O mijn volk! Waarom vallen jullie mij lastig, terwijl jullie gewis zullen weten dat ik de gezant van God ben, naar jullie gezonden?”
وَإِذْ قَالَ مُوس۪ىٰ لِقَوْمِهِۦ يَٰقَوْمِ لِمَ تُوذُونَنِے وَقَد تَّعْلَمُونَ أَنِّے رَسُولُ اُ۬للَّهِ إِلَيْكُمْۖ
En toen zij afweken, deed God hun kernen afwijken.
فَلَمَّا زَاغُوٓاْ أَزَاغَ اَ۬للَّهُ قُلُوبَهُمْۖ
En God leidt het volk van de grensoverschrijders niet.
وَاللَّهُ لَا يَهْدِے اِ۬لْقَوْمَ اَ۬لْفَٰسِقِينَۖ
En toen Isa, zoon van Marjam, zei: “O zonen van Israël! Ik ben gewis de gezant van God, naar jullie gezonden, bevestigend wat mij voorafgaat van de Taurah, en een gezant aankondigend die na mij zal komen, wiens eigenschap is: de meest loffelijke.”
وَإِذْ قَالَ عِيسَى اَ۪بْنُ مَرْيَمَ يَٰبَنِےٓ إِسْرَآءِيلَ إِنِّے رَسُولُ اُ۬للَّهِ إِلَيْكُم مُّصَدِّقاٗ لِّمَا بَيْنَ يَدَيَّ مِنَ اَ۬لتَّوْر۪يٰةِ وَمُبَشِّراَۢ بِرَسُولٖ يَاتِے مِنۢ بَعْدِيَ اَ۪سْمُهُۥٓ أَحْمَدُۖ
Daarna, toen hij hun de duidelijke bewijzen bracht, zeiden zij: “Dit is een klaarblijkelijke begoocheling.”
فَلَمَّا جَآءَهُم بِالْبَيِّنَٰتِ قَالُواْ هَٰذَا سِحْرٞ مُّبِينٞۖ
En wie is onrechtvaardiger dan hij die de leugen tegen God verzint, terwijl hij tot integriteit tegenover God wordt geroepen?
وَمَنَ اَظْلَمُ مِمَّنِ اِ۪فْتَر۪ىٰ عَلَى اَ۬للَّهِ اِ۬لْكَذِبَ وَهُوَ يُدْع۪ىٰٓ إِلَى اَ۬لِاسْلَٰمِۖ
En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
وَاللَّهُ لَا يَهْدِے اِ۬لْقَوْمَ اَ۬لظَّٰلِمِينَۖ
Zij willen het licht van God met hun monden uitdoven, maar God voltooit Zijn licht, ook al hebben zij die verloochenen er afschuw van.
يُرِيدُونَ لِيُطْفِـُٔواْ نُورَ اَ۬للَّهِ بِأَفْوَٰهِهِمْ وَاللَّهُ مُتِمّٞ نُّورَهُۥ وَلَوْ كَرِهَ اَ۬لْكَٰفِرُونَۖ
Hij is het die Zijn gezant gezonden heeft met de leiding en de Wet van de waarheid, om haar de overhand te doen krijgen op elke wet, ook al hadden de associeerders er afschuw van.
هُوَ اَ۬لذِےٓ أَرْسَلَ رَسُولَهُۥ بِالْهُد۪ىٰ وَدِينِ اِ۬لْحَقِّ لِيُظْهِرَهُۥ عَلَى اَ۬لدِّينِ كُلِّهِۦ وَلَوْ كَرِهَ اَ۬لْمُشْرِكُونَۖ
O jullie die geloofd hebben! Willen jullie dat Ik jullie een handel aanwijs die jullie zal redden van een schrijnende pijn? Jullie geloven in God en in Zijn gezant, en jullie strijden op de weg van God met jullie bezittingen en jullie Zelven – dat is beter voor jullie, indien jullie wisten. Hij zal jullie vergrijpen vergeven en jullie doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen, en in goede woningen, in de Tuinen van de bestendigheid.
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ هَلَ اَدُلُّكُمْ عَلَىٰ تِجَٰرَةٖ تُنجِيكُم مِّنْ عَذَابٍ اَلِيمٖ تُومِنُونَ بِاللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَتُجَٰهِدُونَ فِے سَبِيلِ اِ۬للَّهِ بِأَمْوَٰلِكُمْ وَأَنفُسِكُمْ ذَٰلِكُمْ خَيْرٞ لَّكُمُۥٓ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ يَغْفِرْ لَكُمْ ذُنُوبَكُمْ وَيُدْخِلْكُمْ جَنَّٰتٖ تَجْرِے مِن تَحْتِهَا اَ۬لَانْهَٰرُ وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِے جَنَّٰتِ عَدْنٖۖ
Dat is de ontzaglijke triomf.
ذَٰلِكَ اَ۬لْفَوْزُ اُ۬لْعَظِيمُۖ
En er is nog iets anders waarvan jullie houden: een hulp van God en een nabije opening.
وَأُخْر۪ىٰ تُحِبُّونَهَا نَصْرٞ مِّنَ اَ۬للَّهِ وَفَتْحٞ قَرِيبٞۖ
En kondig het goede nieuws aan de gelovenden aan.
وَبَشِّرِ اِ۬لْمُومِنِينَۖ
O jullie die geloofd hebben! Wees de helpers van God, zoals Isa, zoon van Marjam, tot de leerlingen zei: “Wie zijn mijn helpers naar God?”
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ كُونُوٓاْ أَنصَاراٗ لِّلهِ كَمَا قَالَ عِيسَى اَ۪بْنُ مَرْيَمَ لِلْحَوَارِيِّـۧنَ مَنَ اَنصَارِيَ إِلَى اَ۬للَّهِۖ
De leerlingen zeiden: “Wij zijn de helpers van God.”
قَالَ اَ۬لْحَوَارِيُّونَ نَحْنُ أَنصَارُ اُ۬للَّهِۖ
Toen geloofde een groep van de zonen van Israël, en een groep verloochende.
فَـَٔامَنَت طَّآئِفَةٞ مِّنۢ بَنِےٓ إِسْرَآءِيلَ وَكَفَرَت طَّآئِفَةٞۖ
Wij versterkten toen hen die geloofden tegen hun vijand, en zij werden dominant.
فَأَيَّدْنَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ عَلَىٰ عَدُوِّهِمْ فَأَصْبَحُواْ ظَٰهِرِينَۖ