Naar de inhoud
القرآنal-quran.fr
Menu
100%
القرآن

يوسف

Yusuf

The Finest of Accounts

Soera 12 · 111 verzen

12:1

In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Ra.

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ الٓرٜۚ

12:1

Dit zijn de tekenen van de uitdrukkelijke Schrift.

تِلۡكَ ءَايَٰتُ ٱلۡكِتَٰبِ ٱلۡمُبِينِ

12:2

Wij hebben haar doen neerdalen als een onberispelijke Lezing, misschien zullen jullie redeneren.

إِنَّآ أَنزَلۡنَٰهُ قُرۡءَٰنًا عَرَبِيّٗا لَّعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ

12:3

Wij vertellen je het schoonste verhaal, door je deze Lezing te openbaren, terwijl je daarover voorzeker tot de onbekommerden behoorde.

نَحۡنُ نَقُصُّ عَلَيۡكَ أَحۡسَنَ ٱلۡقَصَصِ بِمَآ أَوۡحَيۡنَآ إِلَيۡكَ هَٰذَا ٱلۡقُرۡءَانَ وَإِن كُنتَ مِن قَبۡلِهِۦ لَمِنَ ٱلۡغَٰفِلِينَ

12:4

Toen Joesoef tot zijn vader zei: “O mijn vader, ik heb elf sterren gezien, en de zon en de maan,

إِذۡ قَالَ يُوسُفُ لِأَبِيهِ يَٰٓأَبَتِ إِنِّي رَأَيۡتُ أَحَدَ عَشَرَ كَوۡكَبٗا وَٱلشَّمۡسَ وَٱلۡقَمَرَ

12:4

ik heb ze zich voor mij zien neerwerpen.”

رَأَيۡتُهُمۡ لِي سَٰجِدِينَ

12:5

Hij zei: “O mijn kleine, vertel je visioen niet aan je broers, anders zouden zij tegen jou een list smeden,

قَالَ يَٰبُنَيِّ لَا تَقۡصُصۡ رُءۡيَاكَ عَلَىٰٓ إِخۡوَتِكَ فَيَكِيدُواْ لَكَ كَيۡدًاۖ

12:5

want de Afleider is voor de mens een klaarblijkelijke vijand.

إِنَّ ٱلشَّيۡطَٰنَ لِلۡإِنسَٰنِ عَدُوّٞ مُّبِينٞ

12:6

En zo zal jouw Voogd je uitkiezen en je de voorspelling van de gebeurtenissen leren,

وَكَذَٰلِكَ يَجۡتَبِيكَ رَبُّكَ وَيُعَلِّمُكَ مِن تَأۡوِيلِ ٱلۡأَحَادِيثِ

12:6

en Hij zal Zijn weldaad aan jou voltooien en aan de clan van Ja'qoeb, zoals Hij die eerder voltooid heeft aan jouw twee voorouders, Ibrahim en Ishaq;

وَيُتِمُّ نِعۡمَتَهُۥ عَلَيۡكَ وَعَلَىٰٓ ءَالِ يَعۡقُوبَ كَمَآ أَتَمَّهَا عَلَىٰٓ أَبَوَيۡكَ مِن قَبۡلُ إِبۡرَٰهِيمَ وَإِسۡحَٰقَۚ

want jouw Voogd is Alwetend, Wijs.”

إِنَّ رَبَّكَ عَلِيمٌ حَكِيمٞ

12:7

Er waren gewis in Joesoef en zijn broers tekenen voor wie ondervragen.

۞ لَّقَدۡ كَانَ فِي يُوسُفَ وَإِخۡوَتِهِۦٓ ءَايَٰتٞ لِّلسَّآئِلِينَ

12:8

Toen zij zeiden: “Joesoef en zijn broer zijn onze vader dierbaarder dan wij, terwijl wij een hechte bond zijn:

إِذۡ قَالُواْ لَيُوسُفُ وَأَخُوهُ أَحَبُّ إِلَىٰٓ أَبِينَا مِنَّا وَنَحۡنُ عُصۡبَةٌ

12:8

onze vader verkeert voorzeker in een klaarblijkelijke dwaling.

إِنَّ أَبَانَا لَفِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٍ

12:9

Dood Joesoef, of deporteer hem naar een of ander land, opdat het gelaat van jullie vader zich louter voor jullie vrijmaakt, en jullie daarna deugdelijke mensen zijn.”

ٱقۡتُلُواْ يُوسُفَ أَوِ ٱطۡرَحُوهُ أَرۡضٗا يَخۡلُ لَكُمۡ وَجۡهُ أَبِيكُمۡ وَتَكُونُواْ مِنۢ بَعۡدِهِۦ قَوۡمٗا صَٰلِحِينَ

12:10

Een van hen zei: “Dood Joesoef niet, maar werp hem op de bodem van de put: een of andere karavaan zal hem opnemen, als jullie moeten handelen.”

قَالَ قَآئِلٞ مِّنۡهُمۡ لَا تَقۡتُلُواْ يُوسُفَ وَأَلۡقُوهُ فِي غَيَٰبَتِ ٱلۡجُبِّ يَلۡتَقِطۡهُ بَعۡضُ ٱلسَّيَّارَةِ إِن كُنتُمۡ فَٰعِلِينَ

12:11

Zij zeiden: “O onze vader, wat is er met je dat je ons niet vertrouwt met betrekking tot Joesoef, terwijl wij voorzeker oprechte raadgevers voor hem zijn?

قَالُواْ يَٰٓأَبَانَا مَا لَكَ لَا تَأۡمَ۬نَّا عَلَىٰ يُوسُفَ وَإِنَّا لَهُۥ لَنَٰصِحُونَ

12:12

Stuur hem morgen met ons mee, opdat hij zich vermaakt en speelt; wij zullen er voorzeker de bewaarders van zijn.”

أَرۡسِلۡهُ مَعَنَا غَدٗا يَرۡتَعۡ وَيَلۡعَبۡ وَإِنَّا لَهُۥ لَحَٰفِظُونَ

12:13

Hij zei: “Het bedroeft mij voorzeker dat jullie hem meenemen, en ik vrees dat de wolf hem verslindt terwijl jullie er onbekommerd over zouden zijn.”

قَالَ إِنِّي لَيَحۡزُنُنِيٓ أَن تَذۡهَبُواْ بِهِۦ وَأَخَافُ أَن يَأۡكُلَهُ ٱلذِّئۡبُ وَأَنتُمۡ عَنۡهُ غَٰفِلُونَ

Zij zeiden: “Als de wolf hem verslond, terwijl wij een hechte bond zijn, dan zouden wij voorzeker verliezers zijn.”

قَالُواْ لَئِنۡ أَكَلَهُ ٱلذِّئۡبُ وَنَحۡنُ عُصۡبَةٌ إِنَّآ إِذٗا لَّخَٰسِرُونَ

12:15

Toen zij hem meenamen en overeenkwamen hem op de bodem van de put te zetten – en Wij openbaarden hem: “Je zult hen voorzeker berichten over deze zaak, terwijl zij het niet zullen merken” –

فَلَمَّا ذَهَبُواْ بِهِۦ وَأَجۡمَعُوٓاْ أَن يَجۡعَلُوهُ فِي غَيَٰبَتِ ٱلۡجُبِّۚ وَأَوۡحَيۡنَآ إِلَيۡهِ لَتُنَبِّئَنَّهُم بِأَمۡرِهِمۡ هَٰذَا وَهُمۡ لَا يَشۡعُرُونَ

kwamen zij 's avonds bij hun vader, wenend, en zeiden: “O onze vader, wij zijn gewis gegaan om te wedlopen en hebben Joesoef bij onze bagage achtergelaten, en de wolf heeft hem verslonden.

وَجَآءُوٓ أَبَاهُمۡ عِشَآءٗ يَبۡكُونَ قَالُواْ يَٰٓأَبَانَآ إِنَّا ذَهَبۡنَا نَسۡتَبِقُ وَتَرَكۡنَا يُوسُفَ عِندَ مَتَٰعِنَا فَأَكَلَهُ ٱلذِّئۡبُۖ

Maar je zult ons geen krediet geven, ook al spreken wij de waarheid.”

وَمَآ أَنتَ بِمُؤۡمِنٖ لَّنَا وَلَوۡ كُنَّا صَٰدِقِينَ

En zij brachten zijn kleed, bevlekt met leugenachtig bloed.

وَجَآءُو عَلَىٰ قَمِيصِهِۦ بِدَمٖ كَذِبٖۚ

12:18

Hij zei: “Jullie Zelf heeft jullie veeleer een zaak ingefluisterd.

قَالَ بَلۡ سَوَّلَتۡ لَكُمۡ أَنفُسُكُمۡ أَمۡرٗاۖ

12:18

Waardig geduld!

فَصَبۡرٞ جَمِيلٞۖ

12:18

En bij God moet men hulp zoeken tegen wat jullie beschrijven.”

وَٱللَّهُ ٱلۡمُسۡتَعَانُ عَلَىٰ مَا تَصِفُونَ

12:19

En een karavaan kwam aan; zij stuurden hun putschepper, die zijn emmer liet zakken. Hij zei: “Goed nieuws! Daar is een jongen!”

وَجَآءَتۡ سَيَّارَةٞ فَأَرۡسَلُواْ وَارِدَهُمۡ فَأَدۡلَىٰ دَلۡوَهُۥۖ قَالَ يَٰبُشۡرَىٰ هَٰذَا غُلَٰمٞۚ

En zij hielden hem verborgen als koopwaar –

وَأَسَرُّوهُ بِضَٰعَةٗۚ

maar God was Alwetend over wat zij deden.

وَٱللَّهُ عَلِيمُۢ بِمَا يَعۡمَلُونَ

En zij verkochten hem voor een afgeknepen prijs, enkele getelde munten: zij hechtten er nauwelijks belang aan.

وَشَرَوۡهُ بِثَمَنِۭ بَخۡسٖ دَرَٰهِمَ مَعۡدُودَةٖ وَكَانُواْ فِيهِ مِنَ ٱلزَّٰهِدِينَ

12:21

En wie hem kocht, in Egypte, zei tot zijn vrouw: “Maak zijn verblijf eervol; het kan zijn dat hij ons van nut is, of dat wij hem als kind aannemen.”

وَقَالَ ٱلَّذِي ٱشۡتَرَىٰهُ مِن مِّصۡرَ لِٱمۡرَأَتِهِۦٓ أَكۡرِمِي مَثۡوَىٰهُ عَسَىٰٓ أَن يَنفَعَنَآ أَوۡ نَتَّخِذَهُۥ وَلَدٗاۚ

12:21

En zo hebben Wij Joesoef op dit land ingeplant, en om hem de voorspelling van de gebeurtenissen te leren –

وَكَذَٰلِكَ مَكَّنَّا لِيُوسُفَ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلِنُعَلِّمَهُۥ مِن تَأۡوِيلِ ٱلۡأَحَادِيثِۚ

12:21

God is overwinnaar in Zijn beleid,

وَٱللَّهُ غَالِبٌ عَلَىٰٓ أَمۡرِهِۦ

12:21

maar de meeste mensen weten het niet.

وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ

12:22

En toen hij zijn volle rijpheid bereikt had, gaven Wij hem oordeel en weten:

وَلَمَّا بَلَغَ أَشُدَّهُۥٓ ءَاتَيۡنَٰهُ حُكۡمٗا وَعِلۡمٗاۚ

zo vergelden Wij hen die het goede doen.

وَكَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُحۡسِنِينَ

12:23

En zij in wier huis hij verbleef, trachtte hem van zichzelf te verkrijgen; zij sloot de deuren en zei: “Kom hier.”

وَرَٰوَدَتۡهُ ٱلَّتِي هُوَ فِي بَيۡتِهَا عَن نَّفۡسِهِۦ وَغَلَّقَتِ ٱلۡأَبۡوَٰبَ وَقَالَتۡ هَيۡتَ لَكَۚ

Hij zei: “Ik stel mij onder de egide van God!

قَالَ مَعَاذَ ٱللَّهِۖ

12:23

Hij is mijn meester: hij heeft mijn verblijf schoon gemaakt,

إِنَّهُۥ رَبِّيٓ أَحۡسَنَ مَثۡوَايَۖ

want de onrechtvaardigen slagen niet.”

إِنَّهُۥ لَا يُفۡلِحُ ٱلظَّٰلِمُونَ

En gewis, zij had een voornemen jegens hem,

وَلَقَدۡ هَمَّتۡ بِهِۦۖ

12:24

en hij zou er een jegens haar gehad hebben, als hij het bewijs van zijn Voogd niet had gezien:

وَهَمَّ بِهَا لَوۡلَآ أَن رّٜءٜا بُرۡهَٰنَ رَبِّهِۦۚ

zo was het, opdat Wij het kwaad en de schandelijkheid van hem afwendden,

كَذَٰلِكَ لِنَصۡرِفَ عَنۡهُ ٱلسُّوٓءَ وَٱلۡفَحۡشَآءَۚ

12:24

want hij behoorde tot Onze gelouterde gehoorzamen.

إِنَّهُۥ مِنۡ عِبَادِنَا ٱلۡمُخۡلَصِينَ

En beiden trachtten elkaar voor te zijn naar de deur, en zij scheurde zijn kleed van achteren, en zij troffen haar chef aan de deur.

وَٱسۡتَبَقَا ٱلۡبَابَ وَقَدَّتۡ قَمِيصَهُۥ مِن دُبُرٖ وَأَلۡفَيَا سَيِّدَهَا لَدَا ٱلۡبَابِۚ

Zij zei: “Wat is de vergelding voor wie jouw familie kwaad wil doen, behalve de gevangenis of een schrijnende pijn?”

قَالَتۡ مَا جَزَآءُ مَنۡ أَرَادَ بِأَهۡلِكَ سُوٓءًا إِلَّآ أَن يُسۡجَنَ أَوۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ

12:26

Hij zei: “Zij is het die getracht heeft mij van mijzelf te verkrijgen.”

قَالَ هِيَ رَٰوَدَتۡنِي عَن نَّفۡسِيۚ

12:27

En een getuige uit haar familie legde getuigenis af: “Als zijn kleed van voren is gescheurd, spreekt zij de waarheid, en behoort hij tot de leugenaars; maar als zijn kleed van achteren is gescheurd, heeft zij gelogen,

وَشَهِدَ شَاهِدٞ مِّنۡ أَهۡلِهَآ إِن كَانَ قَمِيصُهُۥ قُدَّ مِن قُبُلٖ فَصَدَقَتۡ وَهُوَ مِنَ ٱلۡكَٰذِبِينَ وَإِن كَانَ قَمِيصُهُۥ قُدَّ مِن دُبُرٖ فَكَذَبَتۡ

12:27

en behoort hij tot de waarachtigen.”

وَهُوَ مِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ

12:28

Toen hij zag dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zei hij: “Dit is van jullie list: jullie list is gewis ontzaglijk.

فَلَمَّا رٜءٜا قَمِيصَهُۥ قُدَّ مِن دُبُرٖ قَالَ إِنَّهُۥ مِن كَيۡدِكُنَّۖ إِنَّ كَيۡدَكُنَّ عَظِيمٞ

12:29

Joesoef, onttrek je hieraan;

يُوسُفُ أَعۡرِضۡ عَنۡ هَٰذَاۚ

en jij, smeek om vergeving voor je vergrijp, want je behoort tot de vrouwen die in de fout zijn gegaan.”

وَٱسۡتَغۡفِرِي لِذَنۢبِكِۖ إِنَّكِ كُنتِ مِنَ ٱلۡخَاطِـِٔينَ

12:30

En vrouwen in de Hoofdstad zeiden: “De vrouw van de Machtige tracht haar jongeman van hemzelf te verkrijgen: hij heeft haar voorzeker met liefde gevangengenomen;

۞ وَقَالَ نِسۡوَةٞ فِي ٱلۡمَدِينَةِ ٱمۡرَأَتُ ٱلۡعَزِيزِ تُرَٰوِدُ فَتَىٰهَا عَن نَّفۡسِهِۦۖ قَدۡ شَغَفَهَا حُبًّاۖ

wij zien haar voorzeker in een klaarblijkelijke dwaling.”

إِنَّا لَنَرَىٰهَا فِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٖ

Toen zij hun complot hoorde, nodigde zij hen uit en bereidde voor hen iets om op te leunen; aan ieder van hen gaf zij een mes, en zei: “Kom naar buiten, voor hen.”

فَلَمَّا سَمِعَتۡ بِمَكۡرِهِنَّ أَرۡسَلَتۡ إِلَيۡهِنَّ وَأَعۡتَدَتۡ لَهُنَّ مُتَّكَـٔٗا وَءَاتَتۡ كُلَّ وَٰحِدَةٖ مِّنۡهُنَّ سِكِّينٗا وَقَالَتِ ٱخۡرُجۡ عَلَيۡهِنَّۖ

12:31

Toen zij hem zagen, vonden zij hem zo groot dat zij zich in de handen sneden, zeggende: “God is daarvan gevrijwaard! Dit is geen sterveling:

فَلَمَّا رَأَيۡنَهُۥٓ أَكۡبَرۡنَهُۥ وَقَطَّعۡنَ أَيۡدِيَهُنَّ وَقُلۡنَ حَٰشَ لِلَّهِ مَا هَٰذَا بَشَرًا

12:31

dit is slechts een edele Gemachtigde.”

إِنۡ هَٰذَآ إِلَّا مَلَكٞ كَرِيمٞ

Zij zei: “Dit is hij om wie jullie mij laakten.

قَالَتۡ فَذَٰلِكُنَّ ٱلَّذِي لُمۡتُنَّنِي فِيهِۖ

Ik heb gewis getracht hem van zichzelf te verkrijgen, maar hij hield zich stevig vast aan zijn vrijwaring;

وَلَقَدۡ رَٰوَدتُّهُۥ عَن نَّفۡسِهِۦ فَٱسۡتَعۡصَمَۖ

en als hij niet doet wat ik hem beveel, zal hij voorzeker gevangengezet worden, en voorzeker behoren tot de vernederden.”

وَلَئِن لَّمۡ يَفۡعَلۡ مَآ ءَامُرُهُۥ لَيُسۡجَنَنَّ وَلَيَكُونٗا مِّنَ ٱلصَّٰغِرِينَ

12:33

Hij zei: “Mijn Voogd, de gevangenis is mij dierbaarder dan waartoe zij mij roepen; en als U hun list niet van mij afwendt, zal ik naar hen toe neigen en tot de onwetenden behoren.”

قَالَ رَبِّ ٱلسِّجۡنُ أَحَبُّ إِلَيَّ مِمَّا يَدۡعُونَنِيٓ إِلَيۡهِۖ وَإِلَّا تَصۡرِفۡ عَنِّي كَيۡدَهُنَّ أَصۡبُ إِلَيۡهِنَّ وَأَكُن مِّنَ ٱلۡجَٰهِلِينَ

12:34

Zijn Voogd antwoordde hem en wendde hun list van hem af,

فَٱسۡتَجَابَ لَهُۥ رَبُّهُۥ فَصَرَفَ عَنۡهُ كَيۡدَهُنَّۚ

12:34

want Hij is het, de Alhorende, de Alwetende.

إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ

Daarna werd hun duidelijk, nadat zij de tekenen gezien hadden, dat zij hem voorzeker voor een tijd gevangen zouden zetten.

ثُمَّ بَدَا لَهُم مِّنۢ بَعۡدِ مَا رَأَوُاْ ٱلۡأٓيَٰتِ لَيَسۡجُنُنَّهُۥ حَتَّىٰ حِينٖ

En twee jonge mannen traden met hem de gevangenis binnen.

وَدَخَلَ مَعَهُ ٱلسِّجۡنَ فَتَيَانِۖ

Een van hen zei: “Ik zag mijzelf wijn persen.”

قَالَ أَحَدُهُمَآ إِنِّيٓ أَرَىٰنِيٓ أَعۡصِرُ خَمۡرٗاۖ

En de ander zei: “Ik zag mijzelf brood op mijn hoofd dragen, waarvan de vogels aten.

وَقَالَ ٱلۡأٓخَرُ إِنِّيٓ أَرَىٰنِيٓ أَحۡمِلُ فَوۡقَ رَأۡسِي خُبۡزٗا تَأۡكُلُ ٱلطَّيۡرُ مِنۡهُۖ

Bericht ons over de voorspelling ervan: wij zien jou onder hen die het goede doen.”

نَبِّئۡنَا بِتَأۡوِيلِهِۦٓۖ إِنَّا نَرَىٰكَ مِنَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ

Hij zei: “Geen enkel voedsel waarvan jullie voorzien worden, zal jullie gebracht worden zonder dat ik jullie bericht over de voorspelling ervan voordat het jullie bereikt:

قَالَ لَا يَأۡتِيكُمَا طَعَامٞ تُرۡزَقَانِهِۦٓ إِلَّا نَبَّأۡتُكُمَا بِتَأۡوِيلِهِۦ قَبۡلَ أَن يَأۡتِيَكُمَاۚ

dat behoort tot wat mijn Voogd mij geleerd heeft,

ذَٰلِكُمَا مِمَّا عَلَّمَنِي رَبِّيٓۚ

12:37

want ik heb de leer verlaten van een volk dat niet in God gelooft, en dat het laatste leven verloochent,

إِنِّي تَرَكۡتُ مِلَّةَ قَوۡمٖ لَّا يُؤۡمِنُونَ بِٱللَّهِ وَهُم بِٱلۡأٓخِرَةِ هُمۡ كَٰفِرُونَ

12:38

en ik heb de leer van mijn voorouders gevolgd, Ibrahim, Ishaq en Ja'qoeb:

وَٱتَّبَعۡتُ مِلَّةَ ءَابَآءِيٓ إِبۡرَٰهِيمَ وَإِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَۚ

12:38

het past ons niet iets met God te associëren.

مَا كَانَ لَنَآ أَن نُّشۡرِكَ بِٱللَّهِ مِن شَيۡءٖۚ

Dat komt voort uit de gunst van God over ons en over de mensen,

ذَٰلِكَ مِن فَضۡلِ ٱللَّهِ عَلَيۡنَا وَعَلَى ٱلنَّاسِ

maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.

وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَشۡكُرُونَ

12:39

O mijn twee metgezellen van de gevangenis, zijn verdeelde meesters beter, of God, de Enige, de Overheerser?

يَٰصَٰحِبَيِ ٱلسِّجۡنِ ءَأَرۡبَابٞ مُّتَفَرِّقُونَ خَيۡرٌ أَمِ ٱللَّهُ ٱلۡوَٰحِدُ ٱلۡقَهَّارُ

12:40

Wat jullie buiten Hem gehoorzamen, zijn slechts eigenschappen die jullie genoemd hebben, jullie en jullie voorouders, zonder dat God er enig gezag voor heeft doen neerdalen:

مَا تَعۡبُدُونَ مِن دُونِهِۦٓ إِلَّآ أَسۡمَآءٗ سَمَّيۡتُمُوهَآ أَنتُمۡ وَءَابَآؤُكُم مَّآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بِهَا مِن سُلۡطَٰنٍۚ

12:40

het oordeel behoort alleen aan God toe:

إِنِ ٱلۡحُكۡمُ إِلَّا لِلَّهِ

12:40

Hij heeft bevolen dat jullie niemand dan Hem gehoorzamen:

أَمَرَ أَلَّا تَعۡبُدُوٓاْ إِلَّآ إِيَّاهُۚ

12:40

dat is de rechte Wet,

ذَٰلِكَ ٱلدِّينُ ٱلۡقَيِّمُ

maar de meeste mensen weten het niet.

وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ

O mijn twee metgezellen van de gevangenis, een van jullie tweeën zal zijn meester wijn te drinken geven;

يَٰصَٰحِبَيِ ٱلسِّجۡنِ أَمَّآ أَحَدُكُمَا فَيَسۡقِي رَبَّهُۥ خَمۡرٗاۖ

wat de ander betreft, hij zal gekruisigd worden, en de vogels zullen van zijn hoofd eten.

وَأَمَّا ٱلۡأٓخَرُ فَيُصۡلَبُ فَتَأۡكُلُ ٱلطَّيۡرُ مِن رَّأۡسِهِۦۚ

De zaak waarover jullie mij raadpleegden, is beslist.”

قُضِيَ ٱلۡأَمۡرُ ٱلَّذِي فِيهِ تَسۡتَفۡتِيَانِ

12:42

En hij zei tot hem van de twee van wie hij vermoedde dat hij gered zou worden: “Breng mij in herinnering bij jouw meester.”

وَقَالَ لِلَّذِي ظَنَّ أَنَّهُۥ نَاجٖ مِّنۡهُمَا ٱذۡكُرۡنِي عِندَ رَبِّكَ

12:42

Maar de Afleider deed hem vergeten dit bij zijn meester te vermelden, en hij bracht enkele jaren door in de gevangenis.

فَأَنسَىٰهُ ٱلشَّيۡطَٰنُ ذِكۡرَ رَبِّهِۦ فَلَبِثَ فِي ٱلسِّجۡنِ بِضۡعَ سِنِينَ

En de koning zei: “Ik zie zeven vette koeien die zeven magere verslinden, en zeven groene aren en andere verdorde:

وَقَالَ ٱلۡمَلِكُ إِنِّيٓ أَرَىٰ سَبۡعَ بَقَرَٰتٖ سِمَانٖ يَأۡكُلُهُنَّ سَبۡعٌ عِجَافٞ وَسَبۡعَ سُنۢبُلَٰتٍ خُضۡرٖ وَأُخَرَ يَابِسَٰتٖۖ

12:43

O hof, geef mij jullie advies over mijn visioen, als jullie visioenen kunnen ontcijferen.”

يَٰٓأَيُّهَا ٱلۡمَلَأُ أَفۡتُونِي فِي رُءۡيَٰيَ إِن كُنتُمۡ لِلرُّءۡيَا تَعۡبُرُونَ

Zij zeiden: “Een bundel verwarde dromen,

قَالُوٓاْ أَضۡغَٰثُ أَحۡلَٰمٖۖ

en wij zijn niet bedreven in de voorspelling van dromen.”

وَمَا نَحۡنُ بِتَأۡوِيلِ ٱلۡأَحۡلَٰمِ بِعَٰلِمِينَ

En wie van de twee gered was, zei, zich na een lange tijd herinnerend: “Ik zal jullie berichten over de voorspelling ervan: stuur mij dus.”

وَقَالَ ٱلَّذِي نَجَا مِنۡهُمَا وَٱدَّكَرَ بَعۡدَ أُمَّةٍ أَنَا۠ أُنَبِّئُكُم بِتَأۡوِيلِهِۦ فَأَرۡسِلُونِ

12:46

“Joesoef, waarachtige man, geef ons jouw advies over de zeven vette koeien die zeven magere verslinden, en de zeven groene aren en andere verdorde, misschien keer ik terug naar de mensen, misschien zullen zij het weten.”

يُوسُفُ أَيُّهَا ٱلصِّدِّيقُ أَفۡتِنَا فِي سَبۡعِ بَقَرَٰتٖ سِمَانٖ يَأۡكُلُهُنَّ سَبۡعٌ عِجَافٞ وَسَبۡعِ سُنۢبُلَٰتٍ خُضۡرٖ وَأُخَرَ يَابِسَٰتٖ لَّعَلِّيٓ أَرۡجِعُ إِلَى ٱلنَّاسِ لَعَلَّهُمۡ يَعۡلَمُونَ

12:47

Hij zei: “Jullie zullen zeven jaar lang ijverig verbouwen;

قَالَ تَزۡرَعُونَ سَبۡعَ سِنِينَ دَأۡبٗا

12:47

en wat jullie geoogst hebben, sla het op in zijn aar, behalve het weinige dat jullie eten.

فَمَا حَصَدتُّمۡ فَذَرُوهُ فِي سُنۢبُلِهِۦٓ إِلَّا قَلِيلٗا مِّمَّا تَأۡكُلُونَ

12:48

Daarna zullen, na dat alles, zeven strenge jaren komen, die opeten wat jullie voor hen vooruitgestuurd hebben, behalve het weinige dat jullie beschutten.

ثُمَّ يَأۡتِي مِنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ سَبۡعٞ شِدَادٞ يَأۡكُلۡنَ مَا قَدَّمۡتُمۡ لَهُنَّ إِلَّا قَلِيلٗا مِّمَّا تُحۡصِنُونَ

12:49

Daarna zal, na dat alles, een jaar komen waarin de mensen de reddende regen ontvangen, en waarin zij zullen persen.”

ثُمَّ يَأۡتِي مِنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ عَامٞ فِيهِ يُغَاثُ ٱلنَّاسُ وَفِيهِ يَعۡصِرُونَ

En de koning zei: “Breng hem bij mij.”

وَقَالَ ٱلۡمَلِكُ ٱئۡتُونِي بِهِۦۖ

12:50

Toen de gezant bij hem kwam, zei hij: “Keer terug naar jouw meester, en vraag hem wat er is met de vrouwen die zich in de handen sneden,

فَلَمَّا جَآءَهُ ٱلرَّسُولُ قَالَ ٱرۡجِعۡ إِلَىٰ رَبِّكَ فَسۡـَٔلۡهُ مَا بَالُ ٱلنِّسۡوَةِ ٱلَّٰتِي قَطَّعۡنَ أَيۡدِيَهُنَّۚ

12:50

want mijn Voogd is Alwetend over hun list.”

إِنَّ رَبِّي بِكَيۡدِهِنَّ عَلِيمٞ

12:51

Hij zei: “Wat was jullie zaak, toen jullie Joesoef van zichzelf probeerden te verkrijgen?”

قَالَ مَا خَطۡبُكُنَّ إِذۡ رَٰوَدتُّنَّ يُوسُفَ عَن نَّفۡسِهِۦۚ

12:51

Zij zeiden: “God is daarvan gevrijwaard! Wij kennen van hem geen enkel kwaad.”

قُلۡنَ حَٰشَ لِلَّهِ مَا عَلِمۡنَا عَلَيۡهِ مِن سُوٓءٖۚ

12:51

De vrouw van de Machtige zei: “Nu breekt de waarheid door: ik ben het die getracht heeft hem van zichzelf te verkrijgen, en hij behoort voorzeker tot de waarachtigen.

قَالَتِ ٱمۡرَأَتُ ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡـَٰٔنَ حَصۡحَصَ ٱلۡحَقُّ أَنَا۠ رَٰوَدتُّهُۥ عَن نَّفۡسِهِۦ وَإِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ

12:52

Dit, opdat hij weet dat ik hem niet verraden heb in zijn afwezigheid, en dat God de list van de verraders niet leidt.

ذَٰلِكَ لِيَعۡلَمَ أَنِّي لَمۡ أَخُنۡهُ بِٱلۡغَيۡبِ وَأَنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي كَيۡدَ ٱلۡخَآئِنِينَ

12:53

En ik spreek mijn Zelf niet vrij:

۞ وَمَآ أُبَرِّئُ نَفۡسِيٓۚ

12:53

het Zelf spoort voorzeker aan tot het kwaad, behalve wie mijn Voogd welwillendheid betoont,

إِنَّ ٱلنَّفۡسَ لَأَمَّارَةُۢ بِٱلسُّوٓءِ إِلَّا مَا رَحِمَ رَبِّيٓۚ

12:53

want mijn Voogd is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”

إِنَّ رَبِّي غَفُورٞ رَّحِيمٞ

12:54

En de koning zei: “Breng hem bij mij: ik zal hem uitsluitend de mijne maken.”

وَقَالَ ٱلۡمَلِكُ ٱئۡتُونِي بِهِۦٓ أَسۡتَخۡلِصۡهُ لِنَفۡسِيۖ

12:54

Toen hij met hem gesproken had, zei hij: “Jij bent heden, bij ons, in een positie van gezag en vertrouwen.”

فَلَمَّا كَلَّمَهُۥ قَالَ إِنَّكَ ٱلۡيَوۡمَ لَدَيۡنَا مَكِينٌ أَمِينٞ

12:55

Hij zei: “Stel mij aan het hoofd van de voorraden van dit land, want ik ben een wetende bewaarder.”

قَالَ ٱجۡعَلۡنِي عَلَىٰ خَزَآئِنِ ٱلۡأَرۡضِۖ إِنِّي حَفِيظٌ عَلِيمٞ

12:56

En zo hebben Wij Joesoef op dit land ingeplant, waar hij zich installeerde waar het hem behaagde:

وَكَذَٰلِكَ مَكَّنَّا لِيُوسُفَ فِي ٱلۡأَرۡضِ يَتَبَوَّأُ مِنۡهَا حَيۡثُ يَشَآءُۚ

Wij verlenen Onze welwillendheid aan wie het Ons behaagt, en Wij laten de beloning van hen die het goede doen niet vervliegen.

نُصِيبُ بِرَحۡمَتِنَا مَن نَّشَآءُۖ وَلَا نُضِيعُ أَجۡرَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ

En de beloning van het laatste leven is voorzeker beter voor hen die geloven en zich behoeden.

وَلَأَجۡرُ ٱلۡأٓخِرَةِ خَيۡرٞ لِّلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَكَانُواْ يَتَّقُونَ

12:58

En de broers van Joesoef kwamen en traden bij hem binnen; hij herkende hen, maar zij herkenden hem niet.

وَجَآءَ إِخۡوَةُ يُوسُفَ فَدَخَلُواْ عَلَيۡهِ فَعَرَفَهُمۡ وَهُمۡ لَهُۥ مُنكِرُونَ

Toen hij hen met hun proviand had uitgerust, zei hij: “Breng mij een broer die jullie aan de kant van jullie vader hebben.

وَلَمَّا جَهَّزَهُم بِجَهَازِهِمۡ قَالَ ٱئۡتُونِي بِأَخٖ لَّكُم مِّنۡ أَبِيكُمۡۚ

Zien jullie niet dat ik getrouw de maat geef en dat ik de voortreffelijkste van de gastheren ben?

أَلَا تَرَوۡنَ أَنِّيٓ أُوفِي ٱلۡكَيۡلَ وَأَنَا۠ خَيۡرُ ٱلۡمُنزِلِينَ

En als jullie hem niet bij mij brengen, zullen jullie bij mij geen maat meer hebben, en zullen jullie mij niet meer naderen.”

فَإِن لَّمۡ تَأۡتُونِي بِهِۦ فَلَا كَيۡلَ لَكُمۡ عِندِي وَلَا تَقۡرَبُونِ

Zij zeiden: “Wij zullen proberen hem van zijn vader te verkrijgen, wij zullen het voorzeker doen.”

قَالُواْ سَنُرَٰوِدُ عَنۡهُ أَبَاهُ وَإِنَّا لَفَٰعِلُونَ

12:62

En hij zei tot zijn jonge mannen: “Leg hun koopwaar in hun zadeltassen, misschien herkennen zij haar wanneer zij rechtsomkeert naar de hunnen hebben gemaakt, misschien keren zij terug.”

وَقَالَ لِفِتۡيَتِهِ ٱجۡعَلُواْ بِضَٰعَتَهُمۡ فِي رِحَالِهِمۡ لَعَلَّهُمۡ يَعۡرِفُونَهَآ إِذَا ٱنقَلَبُوٓاْ إِلَىٰٓ أَهۡلِهِمۡ لَعَلَّهُمۡ يَرۡجِعُونَ

Toen zij naar hun vader teruggekeerd waren, zeiden zij: “O onze vader, men heeft ons de maat onthouden; stuur dus onze broer met ons mee, dan zullen wij maat verkrijgen, en wij zullen er voorzeker de bewaarders van zijn.”

فَلَمَّا رَجَعُوٓاْ إِلَىٰٓ أَبِيهِمۡ قَالُواْ يَٰٓأَبَانَا مُنِعَ مِنَّا ٱلۡكَيۡلُ فَأَرۡسِلۡ مَعَنَآ أَخَانَا نَكۡتَلۡ وَإِنَّا لَهُۥ لَحَٰفِظُونَ

Hij zei: “Zou ik jullie voor hem vertrouwen anders dan ik jullie eerder voor zijn broer vertrouwd heb?

قَالَ هَلۡ ءَامَنُكُمۡ عَلَيۡهِ إِلَّا كَمَآ أَمِنتُكُمۡ عَلَىٰٓ أَخِيهِ مِن قَبۡلُ

12:64

God is de voortreffelijkste bewaarder,

فَٱللَّهُ خَيۡرٌ حِفۡظٗاۖ

en Hij is de welwillendste der welwillenden.”

وَهُوَ أَرۡحَمُ ٱلرَّٰحِمِينَ

Toen zij hun bagage openden, vonden zij hun koopwaar, die hun was teruggegeven. Zij zeiden: “O onze vader, wat zouden wij nog meer zoeken?

وَلَمَّا فَتَحُواْ مَتَٰعَهُمۡ وَجَدُواْ بِضَٰعَتَهُمۡ رُدَّتۡ إِلَيۡهِمۡۖ قَالُواْ يَٰٓأَبَانَا مَا نَبۡغِيۖ

Dit is onze koopwaar, die ons is teruggegeven; wij zullen onze familie bevoorraden, wij zullen onze broer bewaren, en wij zullen er de maat van een kameel bij verkrijgen:

هَٰذِهِۦ بِضَٰعَتُنَا رُدَّتۡ إِلَيۡنَاۖ وَنَمِيرُ أَهۡلَنَا وَنَحۡفَظُ أَخَانَا وَنَزۡدَادُ كَيۡلَ بَعِيرٖۖ

dat is een gemakkelijke maat.”

ذَٰلِكَ كَيۡلٞ يَسِيرٞ

Hij zei: “Ik zal hem niet met jullie meesturen, voordat jullie mij een plechtige verbintenis voor God brengen, dat jullie hem voorzeker bij mij terugbrengen, tenzij jullie omsingeld worden.”

قَالَ لَنۡ أُرۡسِلَهُۥ مَعَكُمۡ حَتَّىٰ تُؤۡتُونِ مَوۡثِقٗا مِّنَ ٱللَّهِ لَتَأۡتُنَّنِي بِهِۦٓ إِلَّآ أَن يُحَاطَ بِكُمۡۖ

12:66

Toen zij hem hun plechtige verbintenis hadden gebracht, zei hij: “God is lasthebber van wat wij zeggen.”

فَلَمَّآ ءَاتَوۡهُ مَوۡثِقَهُمۡ قَالَ ٱللَّهُ عَلَىٰ مَا نَقُولُ وَكِيلٞ

12:67

En hij zei: “O mijn zonen, treed niet binnen door één enkele poort, maar treed binnen door afzonderlijke poorten;

وَقَالَ يَٰبَنِيَّ لَا تَدۡخُلُواْ مِنۢ بَابٖ وَٰحِدٖ وَٱدۡخُلُواْ مِنۡ أَبۡوَٰبٖ مُّتَفَرِّقَةٖۖ

12:67

ik zal jullie in niets baten tegen God:

وَمَآ أُغۡنِي عَنكُم مِّنَ ٱللَّهِ مِن شَيۡءٍۖ

12:67

het oordeel behoort alleen aan God toe;

إِنِ ٱلۡحُكۡمُ إِلَّا لِلَّهِۖ

12:67

aan Hem verleen ik lastgeving,

عَلَيۡهِ تَوَكَّلۡتُۖ

12:67

en laten zij die lastgeving verlenen, die aan Hem verlenen.”

وَعَلَيۡهِ فَلۡيَتَوَكَّلِ ٱلۡمُتَوَكِّلُونَ

12:68

Toen zij binnentraden zoals hun vader hun bevolen had, baatte het hun in niets tegen God, behalve een behoefte in het Zelf van Ja'qoeb, die hij vervulde;

وَلَمَّا دَخَلُواْ مِنۡ حَيۡثُ أَمَرَهُمۡ أَبُوهُم مَّا كَانَ يُغۡنِي عَنۡهُم مِّنَ ٱللَّهِ مِن شَيۡءٍ إِلَّا حَاجَةٗ فِي نَفۡسِ يَعۡقُوبَ قَضَىٰهَاۚ

hij bezat voorzeker een weten dat Wij hem geleerd hadden,

وَإِنَّهُۥ لَذُو عِلۡمٖ لِّمَا عَلَّمۡنَٰهُ

maar de meeste mensen weten het niet.

وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ

12:69

Toen zij bij Joesoef binnentraden, onthaalde hij zijn broer bij zich,

وَلَمَّا دَخَلُواْ عَلَىٰ يُوسُفَ ءَاوَىٰٓ إِلَيۡهِ أَخَاهُۖ

en zei: “Ik ben gewis, ik, jouw broer: treur dus niet om wat zij deden.”

قَالَ إِنِّيٓ أَنَا۠ أَخُوكَ فَلَا تَبۡتَئِسۡ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ

Toen hij hen van hun proviand had uitgerust, legde hij de beker in de zadeltas van zijn broer; toen riep een heraut uit: “O karavaan, jullie zijn voorzeker dieven!”

فَلَمَّا جَهَّزَهُم بِجَهَازِهِمۡ جَعَلَ ٱلسِّقَايَةَ فِي رَحۡلِ أَخِيهِ ثُمَّ أَذَّنَ مُؤَذِّنٌ أَيَّتُهَا ٱلۡعِيرُ إِنَّكُمۡ لَسَٰرِقُونَ

Zij zeiden, hun het gezicht toekerend: “Wat ontbreekt jullie?”

قَالُواْ وَأَقۡبَلُواْ عَلَيۡهِم مَّاذَا تَفۡقِدُونَ

Zij zeiden: “Ons ontbreekt de korenmaat van de koning;

قَالُواْ نَفۡقِدُ صُوَاعَ ٱلۡمَلِكِ

wie hem terugbrengt, krijgt de last van een kameel, en ik sta ervoor garant.”

وَلِمَن جَآءَ بِهِۦ حِمۡلُ بَعِيرٖ وَأَنَا۠ بِهِۦ زَعِيمٞ

Zij zeiden: “Bij God, jullie weten gewis dat wij niet gekomen zijn om bederf te zaaien op dit land, en dat wij geen dieven zijn.”

قَالُواْ تَٱللَّهِ لَقَدۡ عَلِمۡتُم مَّا جِئۡنَا لِنُفۡسِدَ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَمَا كُنَّا سَٰرِقِينَ

Zij zeiden: “Wat zal dan zijn vergelding zijn, als jullie leugenaars zijn?”

قَالُواْ فَمَا جَزَٰٓؤُهُۥٓ إِن كُنتُمۡ كَٰذِبِينَ

Zij zeiden: “Zijn vergelding: degene in wiens zadeltas hij gevonden wordt, die zal er zelf de vergelding van zijn.

قَالُواْ جَزَٰٓؤُهُۥ مَن وُجِدَ فِي رَحۡلِهِۦ فَهُوَ جَزَٰٓؤُهُۥۚ

Zo vergelden wij de onrechtvaardigen.”

كَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلظَّٰلِمِينَ

Hij begon met hun zakken vóór de zak van zijn broer, en haalde hem toen uit de zak van zijn broer:

فَبَدَأَ بِأَوۡعِيَتِهِمۡ قَبۡلَ وِعَآءِ أَخِيهِ ثُمَّ ٱسۡتَخۡرَجَهَا مِن وِعَآءِ أَخِيهِۚ

12:76

zo hebben Wij een list gesmeed ten gunste van Joesoef:

كَذَٰلِكَ كِدۡنَا لِيُوسُفَۖ

12:76

hij kon, volgens de wet van de koning, zijn broer niet nemen, tenzij het God behaagde.

مَا كَانَ لِيَأۡخُذَ أَخَاهُ فِي دِينِ ٱلۡمَلِكِ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُۚ

12:76

Wij verheffen in rangen wie het Ons behaagt,

نَرۡفَعُ دَرَجَٰتٖ مَّن نَّشَآءُۗ

12:76

en boven elke houder van weten is er een wetende.

وَفَوۡقَ كُلِّ ذِي عِلۡمٍ عَلِيمٞ

Zij zeiden: “Als hij gestolen heeft, heeft een broer van hem eerder al gestolen.”

۞ قَالُوٓاْ إِن يَسۡرِقۡ فَقَدۡ سَرَقَ أَخٞ لَّهُۥ مِن قَبۡلُۚ

12:77

Joesoef hield dit geheim in zichzelf en liet het hun niet blijken;

فَأَسَرَّهَا يُوسُفُ فِي نَفۡسِهِۦ وَلَمۡ يُبۡدِهَا لَهُمۡۚ

hij zei: “Jullie hebben de slechtste plaats,

قَالَ أَنتُمۡ شَرّٞ مَّكَانٗاۖ

en God weet het best wat jullie beschrijven.”

وَٱللَّهُ أَعۡلَمُ بِمَا تَصِفُونَ

12:78

Zij zeiden: “O Machtige, hij heeft een vader, een zeer bejaarde grijsaard; neem dus een van ons in zijn plaats: wij zien jou onder hen die het goede doen.”

قَالُواْ يَٰٓأَيُّهَا ٱلۡعَزِيزُ إِنَّ لَهُۥٓ أَبٗا شَيۡخٗا كَبِيرٗا فَخُذۡ أَحَدَنَا مَكَانَهُۥٓۖ إِنَّا نَرَىٰكَ مِنَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ

Hij zei: “Wij stellen ons onder de egide van God om niet een ander te nemen dan hem bij wie wij ons voorwerp gevonden hebben: wij zouden dan voorzeker onrechtvaardig zijn.”

قَالَ مَعَاذَ ٱللَّهِ أَن نَّأۡخُذَ إِلَّا مَن وَجَدۡنَا مَتَٰعَنَا عِندَهُۥٓ إِنَّآ إِذٗا لَّظَٰلِمُونَ

12:80

Toen zij alle hoop op hem verloren hadden, trokken zij zich terug in beraad.

فَلَمَّا ٱسۡتَيۡـَٔسُواْ مِنۡهُ خَلَصُواْ نَجِيّٗاۖ

De oudste van hen zei: “Weten jullie niet dat jullie vader jullie een plechtige verbintenis voor God heeft afgenomen,

قَالَ كَبِيرُهُمۡ أَلَمۡ تَعۡلَمُوٓاْ أَنَّ أَبَاكُمۡ قَدۡ أَخَذَ عَلَيۡكُم مَّوۡثِقٗا مِّنَ ٱللَّهِ

12:80

en dat jullie eerder jullie plicht jegens Joesoef verzuimd hebben?

وَمِن قَبۡلُ مَا فَرَّطتُمۡ فِي يُوسُفَۖ

Ik zal dit land dus niet verlaten, voordat mijn vader het mij toestaat, of God ten gunste van mij oordeelt:

فَلَنۡ أَبۡرَحَ ٱلۡأَرۡضَ حَتَّىٰ يَأۡذَنَ لِيٓ أَبِيٓ أَوۡ يَحۡكُمَ ٱللَّهُ لِيۖ

Hij is de voortreffelijkste van de rechters.

وَهُوَ خَيۡرُ ٱلۡحَٰكِمِينَ

12:81

Keer terug naar jullie vader, en zeg: ‘O onze vader, jouw zoon is gewis voor dief verklaard;

ٱرۡجِعُوٓاْ إِلَىٰٓ أَبِيكُمۡ فَقُولُواْ يَٰٓأَبَانَآ إِنَّ ٱبۡنَكَ سَرَقَ

12:81

en wij getuigen slechts van wat wij weten, en wij konden niet bewaren wat de zintuigen ontging.

وَمَا شَهِدۡنَآ إِلَّا بِمَا عَلِمۡنَا وَمَا كُنَّا لِلۡغَيۡبِ حَٰفِظِينَ

En ondervraag de stad waar wij waren, en de karavaan met wie wij teruggekeerd zijn: wij spreken voorzeker de waarheid.’”

وَسۡـَٔلِ ٱلۡقَرۡيَةَ ٱلَّتِي كُنَّا فِيهَا وَٱلۡعِيرَ ٱلَّتِيٓ أَقۡبَلۡنَا فِيهَاۖ وَإِنَّا لَصَٰدِقُونَ

12:83

Hij zei: “Jullie Zelf heeft jullie veeleer een zaak ingefluisterd.

قَالَ بَلۡ سَوَّلَتۡ لَكُمۡ أَنفُسُكُمۡ أَمۡرٗاۖ

12:83

Waardig geduld!

فَصَبۡرٞ جَمِيلٌۖ

12:83

Het kan zijn dat God ze mij allen terugbrengt,

عَسَى ٱللَّهُ أَن يَأۡتِيَنِي بِهِمۡ جَمِيعًاۚ

want Hij is de Alwetende, de Wijze.”

إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡعَلِيمُ ٱلۡحَكِيمُ

12:84

En hij keerde hun de rug toe en zei: “O mijn bitterheid, om Joesoef!”

وَتَوَلَّىٰ عَنۡهُمۡ وَقَالَ يَٰٓأَسَفَىٰ عَلَىٰ يُوسُفَ

12:84

En zijn ogen werden wit van verdriet, terwijl hij zijn kommer inslikte.

وَٱبۡيَضَّتۡ عَيۡنَاهُ مِنَ ٱلۡحُزۡنِ فَهُوَ كَظِيمٞ

12:85

Zij zeiden: “Bij God, je zult niet ophouden je Joesoef te herinneren, tot je uitgeput bent of tot je jezelf vernietigt.”

قَالُواْ تَٱللَّهِ تَفۡتَؤُاْ تَذۡكُرُ يُوسُفَ حَتَّىٰ تَكُونَ حَرَضًا أَوۡ تَكُونَ مِنَ ٱلۡهَٰلِكِينَ

12:86

Hij zei: “Ik klaag mijn uitstorting en mijn verdriet slechts bij God,

قَالَ إِنَّمَآ أَشۡكُواْ بَثِّي وَحُزۡنِيٓ إِلَى ٱللَّهِ

12:86

en ik weet, van God, wat jullie niet weten.

وَأَعۡلَمُ مِنَ ٱللَّهِ مَا لَا تَعۡلَمُونَ

12:87

O mijn zonen, ga en doe navraag naar Joesoef en zijn broer, en verlies de hoop niet op de rust van God,

يَٰبَنِيَّ ٱذۡهَبُواْ فَتَحَسَّسُواْ مِن يُوسُفَ وَأَخِيهِ وَلَا تَاْيۡـَٔسُواْ مِن رَّوۡحِ ٱللَّهِۖ

12:87

want niemand verliest de hoop op de rust van God, behalve het volk dat verloochent.”

إِنَّهُۥ لَا يَاْيۡـَٔسُ مِن رَّوۡحِ ٱللَّهِ إِلَّا ٱلۡقَوۡمُ ٱلۡكَٰفِرُونَ

12:88

Toen zij bij hem binnentraden, zeiden zij: “O Machtige, de schade heeft ons getroffen, en onze familie, en wij zijn gekomen met koopwaar van weinig waarde:

فَلَمَّا دَخَلُواْ عَلَيۡهِ قَالُواْ يَٰٓأَيُّهَا ٱلۡعَزِيزُ مَسَّنَا وَأَهۡلَنَا ٱلضُّرُّ وَجِئۡنَا بِبِضَٰعَةٖ مُّزۡجَىٰةٖ

geef ons dus getrouw de maat, en betoon ons liefdadigheid,

فَأَوۡفِ لَنَا ٱلۡكَيۡلَ وَتَصَدَّقۡ عَلَيۡنَآۖ

want God vergeldt wie liefdadigheid doen.”

إِنَّ ٱللَّهَ يَجۡزِي ٱلۡمُتَصَدِّقِينَ

12:89

Hij zei: “Weten jullie wat jullie Joesoef en zijn broer aangedaan hebben, toen jullie onwetend waren?”

قَالَ هَلۡ عَلِمۡتُم مَّا فَعَلۡتُم بِيُوسُفَ وَأَخِيهِ إِذۡ أَنتُمۡ جَٰهِلُونَ

12:90

Zij zeiden: “Ben jij werkelijk Joesoef?”

قَالُوٓاْ أَءِنَّكَ لَأَنتَ يُوسُفُۖ

12:90

Hij zei: “Ik ben Joesoef, en dit is mijn broer.

قَالَ أَنَا۠ يُوسُفُ وَهَٰذَآ أَخِيۖ

God heeft ons begunstigd:

قَدۡ مَنَّ ٱللَّهُ عَلَيۡنَآۖ

wie zich behoedt en geduldig is – God laat de beloning van wie het goede doen gewis niet vervliegen.”

إِنَّهُۥ مَن يَتَّقِ وَيَصۡبِرۡ فَإِنَّ ٱللَّهَ لَا يُضِيعُ أَجۡرَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ

12:91

Zij zeiden: “Bij God, God heeft jou gewis boven ons verkozen, en wij waren voorzeker in de fout.”

قَالُواْ تَٱللَّهِ لَقَدۡ ءَاثَرَكَ ٱللَّهُ عَلَيۡنَا وَإِن كُنَّا لَخَٰطِـِٔينَ

12:92

Hij zei: “Geen verwijt over jullie:

قَالَ لَا تَثۡرِيبَ عَلَيۡكُمُ

12:92

heden vergeeft God jullie,

ٱلۡيَوۡمَۖ يَغۡفِرُ ٱللَّهُ لَكُمۡۖ

12:92

Hij is de welwillendste der welwillenden.

وَهُوَ أَرۡحَمُ ٱلرَّٰحِمِينَ

Ga met dit kleed van mij, en werp het op het gezicht van mijn vader: hij zal het zicht herkrijgen. Breng mij daarna heel jullie familie.”

ٱذۡهَبُواْ بِقَمِيصِي هَٰذَا فَأَلۡقُوهُ عَلَىٰ وَجۡهِ أَبِي يَأۡتِ بَصِيرٗا وَأۡتُونِي بِأَهۡلِكُمۡ أَجۡمَعِينَ

12:94

Toen de karavaan vertrokken was, zei hun vader: “Ik ruik voorzeker de geur van Joesoef, als jullie mij niet kinds noemen.”

وَلَمَّا فَصَلَتِ ٱلۡعِيرُ قَالَ أَبُوهُمۡ إِنِّي لَأَجِدُ رِيحَ يُوسُفَۖ لَوۡلَآ أَن تُفَنِّدُونِ

Zij zeiden: “Bij God, je verkeert voorzeker in je oude dwaling.”

قَالُواْ تَٱللَّهِ إِنَّكَ لَفِي ضَلَٰلِكَ ٱلۡقَدِيمِ

Toen de aankondiger kwam, wierp hij het op zijn gezicht, en onmiddellijk herkreeg hij het zicht.

فَلَمَّآ أَن جَآءَ ٱلۡبَشِيرُ أَلۡقَىٰهُ عَلَىٰ وَجۡهِهِۦ فَٱرۡتَدَّ بَصِيرٗاۖ

Hij zei: “Heb ik jullie niet gezegd dat ik, van God, weet wat jullie niet weten?”

قَالَ أَلَمۡ أَقُل لَّكُمۡ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ مِنَ ٱللَّهِ مَا لَا تَعۡلَمُونَ

Zij zeiden: “O onze vader, smeek om vergeving voor onze vergrijpen, want wij waren in de fout.”

قَالُواْ يَٰٓأَبَانَا ٱسۡتَغۡفِرۡ لَنَا ذُنُوبَنَآ إِنَّا كُنَّا خَٰطِـِٔينَ

Hij zei: “Ik zal weldra voor jullie smeken om de vergeving van mijn Voogd:

قَالَ سَوۡفَ أَسۡتَغۡفِرُ لَكُمۡ رَبِّيٓۖ

Gewis is Hij het, de Zeer Vergevensgezinde, de Welwillende.”

إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ

12:99

Toen zij bij Joesoef binnentraden, onthaalde hij zijn vader en zijn moeder bij zich, en zei: “Treed Egypte binnen, als het God behaagt, in veiligheid.”

فَلَمَّا دَخَلُواْ عَلَىٰ يُوسُفَ ءَاوَىٰٓ إِلَيۡهِ أَبَوَيۡهِ وَقَالَ ٱدۡخُلُواْ مِصۡرَ إِن شَآءَ ٱللَّهُ ءَامِنِينَ

12:100

En hij verhief zijn vader en zijn moeder op het bouwwerk, en zij vielen neer voor hem, zich neerwerpend.

وَرَفَعَ أَبَوَيۡهِ عَلَى ٱلۡعَرۡشِ وَخَرُّواْ لَهُۥ سُجَّدٗاۖ

12:100

En hij zei: “O mijn vader, dit is de voorspelling van mijn visioen van weleer: mijn Voogd heeft het waar gemaakt.

وَقَالَ يَٰٓأَبَتِ هَٰذَا تَأۡوِيلُ رُءۡيَٰيَ مِن قَبۡلُ قَدۡ جَعَلَهَا رَبِّي حَقّٗاۖ

12:100

En Hij is weldadig jegens mij geweest, toen Hij mij uit de gevangenis liet komen, en jullie van het platteland liet komen, nadat de Afleider tweedracht had gezaaid tussen mijn broers en mij.

وَقَدۡ أَحۡسَنَ بِيٓ إِذۡ أَخۡرَجَنِي مِنَ ٱلسِّجۡنِ وَجَآءَ بِكُم مِّنَ ٱلۡبَدۡوِ مِنۢ بَعۡدِ أَن نَّزَغَ ٱلشَّيۡطَٰنُ بَيۡنِي وَبَيۡنَ إِخۡوَتِيٓۚ

12:100

Mijn Voogd is Subtiel in wat het Hem behaagt,

إِنَّ رَبِّي لَطِيفٞ لِّمَا يَشَآءُۚ

12:100

want Hij is de Alwetende, de Wijze.

إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡعَلِيمُ ٱلۡحَكِيمُ

12:101

Mijn Voogd, U hebt mij een deel van het koningschap toegekend, en U hebt mij de voorspelling van gebeurtenissen geleerd.

۞ رَبِّ قَدۡ ءَاتَيۡتَنِي مِنَ ٱلۡمُلۡكِ وَعَلَّمۡتَنِي مِن تَأۡوِيلِ ٱلۡأَحَادِيثِۚ

12:101

Oorsprong van de hemelen en de aarde, U bent mijn beschermer in dit leven hienieden en in het laatste leven: houd mij getrouw in bewaring, integer tegenover U, en voeg mij bij hen die deugdelijk zijn.”

فَاطِرَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ أَنتَ وَلِيِّۦ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۖ تَوَفَّنِي مُسۡلِمٗا وَأَلۡحِقۡنِي بِٱلصَّٰلِحِينَ

12:102

Dit behoort tot de berichten over wat de zintuigen ontgaat, die Wij je openbaren:

ذَٰلِكَ مِنۡ أَنۢبَآءِ ٱلۡغَيۡبِ نُوحِيهِ إِلَيۡكَۖ

je was niet bij hen toen zij over hun zaak overeenkwamen terwijl zij complotteerden.

وَمَا كُنتَ لَدَيۡهِمۡ إِذۡ أَجۡمَعُوٓاْ أَمۡرَهُمۡ وَهُمۡ يَمۡكُرُونَ

En de meeste mensen zijn, ook al zou je erop staan, geen gelovenden.

وَمَآ أَكۡثَرُ ٱلنَّاسِ وَلَوۡ حَرَصۡتَ بِمُؤۡمِنِينَ

En je vraagt hun hiervoor geen enkele beloning:

وَمَا تَسۡـَٔلُهُمۡ عَلَيۡهِ مِنۡ أَجۡرٍۚ

12:104

het is slechts een herinnering voor alle wezens.

إِنۡ هُوَ إِلَّا ذِكۡرٞ لِّلۡعَٰلَمِينَ

12:105

Hoeveel tekenen in de hemelen en op de aarde, waar zij langs gaan terwijl zij zich eraan onttrekken!

وَكَأَيِّن مِّنۡ ءَايَةٖ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ يَمُرُّونَ عَلَيۡهَا وَهُمۡ عَنۡهَا مُعۡرِضُونَ

12:106

En de meeste van hen geloven niet in God dan terwijl zij met Hem associëren.

وَمَا يُؤۡمِنُ أَكۡثَرُهُم بِٱللَّهِ إِلَّا وَهُم مُّشۡرِكُونَ

12:107

Zijn zij er dan zeker van dat hun niet zal overkomen, van de pijn van God, wat hen overspoelt, of dat het Uur hun niet onverhoeds zal overkomen, zonder dat zij het merken?

أَفَأَمِنُوٓاْ أَن تَأۡتِيَهُمۡ غَٰشِيَةٞ مِّنۡ عَذَابِ ٱللَّهِ أَوۡ تَأۡتِيَهُمُ ٱلسَّاعَةُ بَغۡتَةٗ وَهُمۡ لَا يَشۡعُرُونَ

12:108

Zeg: “Dit is mijn weg: ik roep tot God.

قُلۡ هَٰذِهِۦ سَبِيلِيٓ أَدۡعُوٓاْ إِلَى ٱللَّهِۚ

12:108

In volle klaarziendheid, ik en wie mij volgen.

عَلَىٰ بَصِيرَةٍ أَنَا۠ وَمَنِ ٱتَّبَعَنِيۖ

12:108

En glorie zij God!

وَسُبۡحَٰنَ ٱللَّهِ

12:108

En ik behoor niet tot hen die associëren.”

وَمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلۡمُشۡرِكِينَ

12:109

En Wij hebben vóór jou slechts mannen gezonden aan wie Wij openbaarden, onder de lieden van de steden.

وَمَآ أَرۡسَلۡنَا مِن قَبۡلِكَ إِلَّا رِجَالٗا يُوحَىٰٓ إِلَيۡهِم مِّنۡ أَهۡلِ ٱلۡقُرَىٰٓۗ

Hebben zij de aarde dan niet doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren?

أَفَلَمۡ يَسِيرُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَيَنظُرُواْ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِهِمۡۗ

En het verblijf van het laatste leven is voorzeker beter voor wie zich behoed hebben:

وَلَدَارُ ٱلۡأٓخِرَةِ خَيۡرٞ لِّلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْۚ

12:109

redeneren jullie dan niet?

أَفَلَا تَعۡقِلُونَ

12:110

Totdat, toen de gezanten alle hoop verloren hadden en vermoedden dat zij ontkend waren, Onze hulp hen bereikte, en gered werd wie het Ons behaagde,

حَتَّىٰٓ إِذَا ٱسۡتَيۡـَٔسَ ٱلرُّسُلُ وَظَنُّوٓاْ أَنَّهُمۡ قَدۡ كُذِبُواْ جَآءَهُمۡ نَصۡرُنَا فَنُجِّيَ مَن نَّشَآءُۖ

en Onze strengheid wordt niet teruggenomen van het afgezonderde volk.

وَلَا يُرَدُّ بَأۡسُنَا عَنِ ٱلۡقَوۡمِ ٱلۡمُجۡرِمِينَ

12:111

Er was gewis in hun verhaal een les voor de houders van intelligentie:

لَقَدۡ كَانَ فِي قَصَصِهِمۡ عِبۡرَةٞ لِّأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِۗ

het was geen verzonnen rede,

مَا كَانَ حَدِيثٗا يُفۡتَرَىٰ

maar de bevestiging van wat eraan voorafgaat, het detail van alles, en een leiding en een welwillendheid voor een volk dat gelooft.

وَلَٰكِن تَصۡدِيقَ ٱلَّذِي بَيۡنَ يَدَيۡهِ وَتَفۡصِيلَ كُلِّ شَيۡءٖ وَهُدٗى وَرَحۡمَةٗ لِّقَوۡمٖ يُؤۡمِنُونَ

← Index van de soera's