المؤمنون
Al-Mu'minun
Have Attained Success
بسم ٱلله ٱلرحمن ٱلرحيم
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
De gelovenden zijn geslaagd,
قد أفلح ٱلمؤمنون
zij die, in hun Contact, nederig zijn,
ٱلذين هم في صلاتهم خشعون
en zij die zich onttrekken aan de beuzelarijen,
وٱلذين هم عن ٱللغو معرضون
en zij die de zuivere vrijgevigheid geven,
وٱلذين هم للزكوة فعلون
en zij die hun kuisheid bewaren, behalve jegens hun echtgenoten of de door eed gebondenen – dan worden zij niet gelaakt;
وٱلذين هم لفروجهم حفظون إلا على أزوجهم أو ما ملكت أيمنهم فإنهم غير ملومين
wie verder dan dat zoekt, dezen zijn zij die de grenzen overschrijden.
فمن ٱبتغى ورآء ذلك فأولئك هم ٱلعادون
en zij die oplettend zijn voor hun toevertrouwde goederen en voor hun pact,
وٱلذين هم لأمنتهم وعهدهم رعون
en zij die hun Contacten voortdurend bewaren – dezen zijn de erfgenamen, die Firdaus zullen erven,
وٱلذين هم على صلوتهم يحافظون أولئك هم ٱلورثون ٱلذين يرثون ٱلفردوس
daarin eeuwig blijvend.
هم فيها خلدون
Wij hebben de mens gewis geschapen uit een extract van klei,
ولقد خلقنا ٱلإنسن من سللة من طين
daarna hebben Wij er een druppel van gemaakt op een veilige en vaste plaats,
ثم جعلنه نطفة في قرار مكين
daarna hebben Wij uit de druppel een aanhechting geschapen, daarna hebben Wij uit de aanhechting een embryo geschapen, daarna hebben Wij uit het embryo beenderen geschapen, daarna hebben Wij de beenderen bekleed met vlees, daarna hebben Wij hem doen ontstaan als een andere schepping.
ثم خلقنا ٱلنطفة علقة فخلقنا ٱلعلقة مضغة فخلقنا ٱلمضغة عظما فكسونا ٱلعظم لحما ثم أنشأنه خلقا ءاخر
Gezegend zij God, de schoonste der scheppers!
فتبارك ٱلله أحسن ٱلخلقين
Daarna, hierna, zijn jullie voorzeker bestemd om te sterven,
ثم إنكم بعد ذلك لميتون
daarna zullen jullie, op de Dag van het Verschijnen, gewis opgewekt worden.
ثم إنكم يوم ٱلقيمة تبعثون
Wij hebben gewis boven jullie zeven routes geschapen,
ولقد خلقنا فوقكم سبع طرآئق
en Wij zijn nooit onbekommerd geweest over de schepping.
وما كنا عن ٱلخلق غفلين
En Wij hebben uit de hemel een water doen neerdalen naar een maat, en Wij hebben het in de aarde doen wonen –
وأنزلنا من ٱلسمآء مآء بقدر فأسكنه في ٱلأرض
en Wij zijn voorzeker in staat het te doen vertrekken.
وإنا على ذهاب به لقدرون
Zo hebben Wij voor jullie, daardoor, tuinen van palmen en wijnstokken doen ontstaan, waarin jullie overvloedige smaken hebben en waarvan jullie eten, en een boom die uit de Berg Sinaï voortkomt, die groeit met de olie en een kruiderij voor hen die eten.
فأنشأنا لكم به جنت من نخيل وأعنب لكم فيها فوكه كثيرة ومنها تأكلون وشجرة تخرج من طور سينآء تنبت بٱلدهن وصبغ للءاكلين
En er is voorzeker, voor jullie, een les in het vee:
وإن لكم في ٱلأنعم لعبرة
Wij laven jullie met wat in hun buiken is,
نسقيكم مما في بطونها
en jullie hebben daarin talrijke baten, en jullie eten ervan, en op hen, evenals op de vaartuigen, worden jullie vervoerd.
ولكم فيها منفع كثيرة ومنها تأكلون وعليها وعلى ٱلفلك تحملون
Wij hebben Noeh gewis naar zijn volk gezonden, en hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God: jullie hebben geen andere godheid dan Hem.
ولقد أرسلنا نوحا إلى قومه فقال يقوم ٱعبدوا ٱلله ما لكم من إله غيره
Behoeden jullie je dan niet?”
أفلا تتقون
Toen zei het hof van zijn volk, dat verloochende: “Dit is slechts een sterveling zoals jullie, die zich superioriteit over jullie wil verschaffen; als het God behaagd had, zou Hij Gemachtigden hebben doen neerdalen; dit hebben wij niet gehoord bij onze eerste voorouders. Hij is slechts een man die door verwardheid is getroffen – blijf dus in afwachting omtrent hem voor een tijd.”
فقال ٱلملؤا ٱلذين كفروا من قومه ما هذآ إلا بشر مثلكم يريد أن يتفضل عليكم ولو شآء ٱلله لأنزل ملئكة ما سمعنا بهذا في ءابآئنا ٱلأولين إن هو إلا رجل به جنة فتربصوا به حتى حين
Hij zei: “Mijn Voogd, help mij, want zij hebben mij ontkend.”
قال رب ٱنصرني بما كذبون
Wij hebben hem dan geopenbaard: “Vervaardig het vaartuig onder Onze ogen en volgens Onze openbaring.
فأوحينآ إليه أن ٱصنع ٱلفلك بأعيننا ووحينا
Daarna, wanneer Ons bevel komt en de oven opborrelt, laat daarin ingaan, van alles, twee elementen van een paar, evenals jouw familie, behalve wie van hen de voorafgaande uitspraak tegen zich heeft;
فإذا جآء أمرنا وفار ٱلتنور فٱسلك فيها من كل زوجين ٱثنين وأهلك إلا من سبق عليه ٱلقول منهم
en richt je niet tot Mij omtrent hen die onrechtvaardig zijn geweest, want zij zullen verdrinken.
ولا تخطبني في ٱلذين ظلموا إنهم مغرقون
En wanneer je je hebt gevestigd, jij en zij die met je zijn, in het vaartuig, zeg: ‘Lof zij God, die ons gered heeft van het volk van de onrechtvaardigen.’
فإذا ٱستويت أنت ومن معك على ٱلفلك فقل ٱلحمد لله ٱلذي نجىنا من ٱلقوم ٱلظلمين
En zeg: ‘Mijn Voogd, doe mij neerdalen in een gezegende plaats van onthaal, want U bent de voortreffelijkste van de gastheren.’”
وقل رب أنزلني منزلا مباركا وأنت خير ٱلمنزلين
Hierin zijn voorzeker tekenen,
إن في ذلك لءايت
en Wij waren voorzeker aan het beproeven.
وإن كنا لمبتلين
Daarna hebben Wij na hen een andere generatie doen ontstaan, en Wij hebben onder hen een gezant uit hen gezonden: “Gehoorzaam God: jullie hebben geen andere godheid dan Hem.
ثم أنشأنا من بعدهم قرنا ءاخرين فأرسلنا فيهم رسولا منهم أن ٱعبدوا ٱلله ما لكم من إله غيره
Behoeden jullie je dan niet?”
أفلا تتقون
En het hof van zijn volk, dat verloochende en de ontmoeting van het laatste leven ontkende, en aan wie Wij weelde hadden gegeven in het leven hienieden, zei: “Dit is slechts een sterveling zoals jullie, die eet van wat jullie eten en drinkt van wat jullie drinken; en als jullie je voegen naar een sterveling zoals jullie, zullen jullie dan voorzeker verliezers zijn. Belooft hij jullie dat jullie, eenmaal gestorven en tot aarde en beenderen geworden, naar buiten gebracht zullen worden? Ver, heel ver, wat jullie beloofd wordt! Er is slechts ons leven hienieden, wij sterven en wij leven, en wij zullen niet opgewekt worden! Hij is slechts een man die een leugen tegen God heeft verzonnen, en wij zullen hem geen krediet geven.”
وقال ٱلملأ من قومه ٱلذين كفروا وكذبوا بلقآء ٱلءاخرة وأترفنهم في ٱلحيوة ٱلدنيا ما هذآ إلا بشر مثلكم يأكل مما تأكلون منه ويشرب مما تشربون ولئن أطعتم بشرا مثلكم إنكم إذا لخسرون أيعدكم أنكم إذا متم وكنتم ترابا وعظما أنكم مخرجون هيهات هيهات لما توعدون إن هي إلا حياتنا ٱلدنيا نموت ونحيا وما نحن بمبعوثين إن هو إلا رجل ٱفترى على ٱلله كذبا وما نحن له بمؤمنين
Hij zei: “Mijn Voogd, help mij, want zij hebben mij ontkend.”
قال رب ٱنصرني بما كذبون
Hij zei: “Nog even, en zij zullen zich voorzeker vol spijt terugvinden.”
قال عما قليل ليصبحن ندمين
De Kreet greep hen dan in alle waarheid, en Wij hebben van hen strohalmen gemaakt.
فأخذتهم ٱلصيحة بٱلحق فجعلنهم غثآء
Moge het volk van de onrechtvaardigen dan ver weg zijn!
فبعدا للقوم ٱلظلمين
Daarna hebben Wij na hen andere generaties doen ontstaan.
ثم أنشأنا من بعدهم قرونا ءاخرين
Geen enkele gemeenschap loopt vooruit op haar termijn, noch vertraagt zij die.
ما تسبق من أمة أجلها وما يستخرون
Daarna hebben Wij Onze gezanten gezonden, de een na de ander.
ثم أرسلنا رسلنا تترا
Telkens wanneer een gezant tot een gemeenschap kwam, ontkende zij hem;
كل ما جآء أمة رسولها كذبوه
Wij hebben hen dus de ene na de andere laten volgen, en Wij hebben van hen onderwerpen van rede gemaakt.
فأتبعنا بعضهم بعضا وجعلنهم أحاديث
Moge dan een volk dat niet gelooft ver weg zijn!
فبعدا لقوم لا يؤمنون
Daarna hebben Wij Moesa en zijn broer Haroen gezonden, met Onze tekenen en een klaarblijkelijk gezag, naar Fir'aun en zijn hof; maar zij zwollen op van hoogmoed en waren een hooghartig volk,
ثم أرسلنا موسى وأخاه هرون بايتنا وسلطن مبين إلى فرعون وملإيه فٱستكبروا وكانوا قوما عالين
en zij zeiden: “Zullen wij krediet geven aan twee stervelingen zoals wij, terwijl hun volk ons gehoorzaamt?”
فقالوا أنؤمن لبشرين مثلنا وقومهما لنا عبدون
Zij ontkenden hen, en behoorden zo tot het getal van de vernietigden.
فكذبوهما فكانوا من ٱلمهلكين
Wij hebben Moesa gewis de Schrift gegeven, misschien zouden zij zich laten leiden.
ولقد ءاتينا موسى ٱلكتب لعلهم يهتدون
En Wij hebben van de zoon van Marjam en van zijn moeder een teken gemaakt,
وجعلنا ٱبن مريم وأمه ءاية
en Wij hebben hun toevlucht verleend op een hoogte die voorzien is van stabiliteit en van bronwater.
وءاوينهمآ إلى ربوة ذات قرار ومعين
O gezanten, eet van de goede dingen en verricht een deugdelijk werk,
يأيها ٱلرسل كلوا من ٱلطيبت وٱعملوا صلحا
want Ik ben Alwetend over wat jullie doen.
إني بما تعملون عليم
En deze gemeenschap die van jullie is, is gewis één enkele gemeenschap,
وإن هذه أمتكم أمة وحدة
en Ik ben jullie Voogd: behoed jullie dus voor Mij.
وأنا ربكم فٱتقون
Maar zij hebben hun zaak onder elkaar gesplitst, in stukken,
فتقطعوا أمرهم بينهم زبرا
elke partij verheugd over wat zij in handen heeft.
كل حزب بما لديهم فرحون
Laat hen dus achter in hun afgrond, voor een tijd.
فذرهم في غمرتهم حتى حين
Denken zij dat Wij Ons, door hen uit te rusten met bezittingen en zonen, voor hen haasten in het goede?
أيحسبون أنما نمدهم به من مال وبنين نسارع لهم في ٱلخيرت
Nee, zij voelen het niet.
بل لا يشعرون
Zij die, hun Voogd duchtend, vol bezorgdheid zijn, en zij die in de tekenen van hun Voogd geloven, en zij die niets met hun Voogd associëren, en zij die geven wat zij geven, hun kern bevend omdat zij tot hun Voogd terugkeren – dezen haasten zich in het goede,
إن ٱلذين هم من خشية ربهم مشفقون وٱلذين هم بايت ربهم يؤمنون وٱلذين هم بربهم لا يشركون وٱلذين يؤتون مآ ءاتوا وقلوبهم وجلة أنهم إلى ربهم رجعون أولئك يسرعون في ٱلخيرت
en zij zijn het die daarin de voorsprong nemen.
وهم لها سبقون
En Wij leggen een Zelf slechts zijn vermogen op,
ولا نكلف نفسا إلا وسعها
en Wij hebben een register dat de waarheid uitspreekt, en zij zullen geen onrecht ondergaan.
ولدينا كتب ينطق بٱلحق وهم لا يظلمون
Maar hun kern is hierover in een afgrond,
بل قلوبهم في غمرة من هذا
en zij hebben, buiten dat om, werken
ولهم أعمل من دون ذلك
die zij zullen blijven verrichten –
هم لها عملون
totdat Wij hun weelderigen grijpen met de pijn: zie, zij schreeuwen het uit van nood.
حتى إذآ أخذنا مترفيهم بٱلعذاب إذا هم يجرون
Schreeuw vandaag niet,
لا تجروا ٱليوم
want jullie zullen van Onze zijde niet geholpen worden.
إنكم منا لا تنصرون
Mijn tekenen werden jullie voorgedragen, en jullie weken terug op jullie hielen, opzwellend van hoogmoed erover,
قد كانت ءايتي تتلى عليكم فكنتم على أعقبكم تنكصون مستكبرين به
's nachts converserend, hielden jullie krenkende uitspraken.
سمرا تهجرون
Hebben zij dan de uitspraak niet overpeinsd, of is tot hen gekomen wat niet tot hun eerste voorouders gekomen was?
أفلم يدبروا ٱلقول أم جآءهم ما لم يأت ءابآءهم ٱلأولين
Of hebben zij hun gezant niet herkend, zodat zij hem afkeuren?
أم لم يعرفوا رسولهم فهم له منكرون
Of zeggen zij dat hij door verwardheid is getroffen?
أم يقولون به جنة
Nee, hij is tot hen gekomen met de waarheid,
بل جآءهم بٱلحق
maar de meesten van hen hebben een afkeer van de waarheid.
وأكثرهم للحق كرهون
En als de waarheid hun emoties had gevolgd, zouden de hemelen, de aarde en zij die zich daarin bevinden verdorven zijn geweest.
ولو ٱتبع ٱلحق أهوآءهم لفسدت ٱلسموت وٱلأرض ومن فيهن
Nee, Wij zijn tot hen gekomen met hun eigen Herinnering,
بل أتينهم بذكرهم
maar zij onttrekken zich aan hun Herinnering.
فهم عن ذكرهم معرضون
Of vraag je hun een schatting?
أم تسلهم خرجا
De schatting van jouw Voogd is beter,
فخراج ربك خير
en Hij is de voortreffelijkste van de voorzieners.
وهو خير ٱلرزقين
En jij, jij roept hen voorzeker naar een rechtlijnig pad;
وإنك لتدعوهم إلى صرط مستقيم
maar zij die niet geloven in het laatste leven wijken voorzeker af van dat pad.
وإن ٱلذين لا يؤمنون بٱلءاخرة عن ٱلصرط لنكبون
En als Wij hun welwillendheid betoonden en hen verlichtten van de schade die hen treft, zouden zij wegzinken in hun mateloosheid, rondtastend.
ولو رحمنهم وكشفنا ما بهم من ضر للجوا في طغينهم يعمهون
Wij hebben hen gewis met de pijn gegrepen, en zij hebben zich niet geplooid voor hun Voogd, en zij hebben niet gesmeekt,
ولقد أخذنهم بٱلعذاب فما ٱستكانوا لربهم وما يتضرعون
totdat Wij hun een deur zullen openen die uitkomt op een strenge pijn: zie, zij zijn wanhopig.
حتى إذا فتحنا عليهم بابا ذا عذاب شديد إذا هم فيه مبلسون
En Hij is Degene die voor jullie het gehoor, het gezichtsvermogen en de Bewustzijnen heeft doen ontstaan.
وهو ٱلذي أنشأ لكم ٱلسمع وٱلأبصر وٱلأفدة
Hoe weinig zijn jullie dankbaar!
قليلا ما تشكرون
En Hij is Degene die jullie op de aarde heeft verspreid, en tot Hem zullen jullie verzameld worden.
وهو ٱلذي ذرأكم في ٱلأرض وإليه تحشرون
En Hij is Degene die doet leven en doet sterven,
وهو ٱلذي يحي ويميت
en aan Hem behoort de afwisseling van de nacht en de dag toe.
وله ٱختلف ٱليل وٱلنهار
Redeneren jullie dan niet?
أفلا تعقلون
Maar zij hebben hetzelfde gezegd als wat de eersten zeiden; zij zeiden: “Wanneer wij gestorven zijn en tot aarde en beenderen geworden, zullen wij dan werkelijk opgewekt worden?
بل قالوا مثل ما قال ٱلأولون قالوا أءذا متنا وكنا ترابا وعظما أءنا لمبعوثون
Dit is ons gewis beloofd, aan ons en aan onze voorouders, voorheen;
لقد وعدنا نحن وءابآؤنا هذا من قبل
dit zijn slechts legenden van de ouden.”
إن هذآ إلآ أسطير ٱلأولين
Zeg: “Aan wie behoort de aarde toe en zij die zich daarop bevinden, als jullie weten?” Zij zullen zeggen: “Aan God.”
قل لمن ٱلأرض ومن فيهآ إن كنتم تعلمون سيقولون لله
Zeg: “Herinneren jullie je dan niet?”
قل أفلا تذكرون
Zeg: “Wie is de Voogd van de zeven hemelen en de Voogd van het ontzaglijke Bouwwerk?”
قل من رب ٱلسموت ٱلسبع ورب ٱلعرش ٱلعظيم
Zij zullen zeggen: “Aan God.”
سيقولون لله
Zeg: “Behoeden jullie je dan niet?”
قل أفلا تتقون
Zeg: “Wie heeft in Zijn hand het soevereine koningschap van alles, die asiel verleent, en tegen wie niemand asiel kan verkrijgen, als jullie weten?” Zij zullen zeggen: “Aan God.”
قل من بيده ملكوت كل شىء وهو يجير ولا يجار عليه إن كنتم تعلمون سيقولون لله
Zeg: “Hoe worden jullie dan bedrogen door de begoocheling?”
قل فأنى تسحرون
Nee, Wij zijn tot hen gekomen met de waarheid,
بل أتينهم بٱلحق
en zij zijn voorzeker leugenaars.
وإنهم لكذبون
God heeft Zich geen enkel kind toegeschreven,
ما ٱتخذ ٱلله من ولد
en er was geen enkele godheid bij Hem –
وما كان معه من إله
anders zou elke godheid zijn heengegaan met wat zij geschapen heeft, en sommige zouden zich boven de andere hebben verheven.
إذا لذهب كل إله بما خلق ولعلا بعضهم على بعض
Glorie zij God, boven wat zij beschrijven!
سبحن ٱلله عما يصفون
Hij die weet wat de zintuigen ontgaat en wat geattesteerd is,
علم ٱلغيب وٱلشهدة
Hij staat ver boven wat zij met Hem associëren.
فتعلى عما يشركون
Zeg: “Mijn Voogd, als U mij toont wat hun beloofd wordt, dan, mijn Voogd, plaats mij niet onder het volk van de onrechtvaardigen.”
قل رب إما تريني ما يوعدون رب فلا تجعلني في ٱلقوم ٱلظلمين
En Wij zijn voorzeker in staat je te tonen wat Wij hun beloven.
وإنا على أن نريك ما نعدهم لقدرون
Weer het kwaad af met wat schoner is –
ٱدفع بٱلتي هي أحسن ٱلسيئة
Wij weten het best wat zij beschrijven.
نحن أعلم بما يصفون
En zeg: “Mijn Voogd, ik stel mij onder Uw egide tegen de ophitsingen van de Afleiders, en ik stel mij onder Uw egide, mijn Voogd, tegen hun aanwezigheid bij mij.”
وقل رب أعوذ بك من همزت ٱلشيطين وأعوذ بك رب أن يحضرون
Totdat, wanneer de dood tot een van hen komt, hij zegt: “Mijn Voogd, laat mij terugkeren, misschien zal ik een deugdelijk werk verrichten in wat ik achtergelaten heb.” Geenszins!
حتى إذا جآء أحدهم ٱلموت قال رب ٱرجعون لعلي أعمل صلحا فيما تركت كلآ
Het is gewis een woord dat hij zegt,
إنها كلمة هو قآئلها
en voorbij hen bevindt zich een barrière, tot de dag waarop zij opgewekt zullen worden.
ومن ورآئهم برزخ إلى يوم يبعثون
Daarna, wanneer men in de Hoorn zal blazen, zullen er op die dag geen banden van afstamming meer tussen hen zijn, en zij zullen elkaar niet ondervragen.
فإذا نفخ في ٱلصور فلآ أنساب بينهم يومئذ ولا يتسآءلون
Zij wier weegschalen zwaar zullen zijn – dezen zijn zij die slagen;
فمن ثقلت موزينه فأولئك هم ٱلمفلحون
En zij wier weegschalen licht zullen zijn – dezen zijn zij die het verlies van hun Zelf hebben veroorzaakt, eeuwig blijvend in Djahannam; het Vuur zal hun gezicht verbranden, en zij zullen daarin grijnzen, de lippen verkrampt.
ومن خفت موزينه فأولئك ٱلذين خسروا أنفسهم في جهنم خلدون تلفح وجوههم ٱلنار وهم فيها كلحون
Werden Mijn tekenen jullie niet voorgedragen, en jullie ontkenden ze?
ألم تكن ءايتي تتلى عليكم فكنتم بها تكذبون
Zij zullen zeggen: “Onze Voogd, onze ellende heeft ons overwonnen, en wij waren een dwalend volk.
قالوا ربنا غلبت علينا شقوتنا وكنا قوما ضآلين
Onze Voogd, doe ons daaruit komen; als wij recidiveren, zullen wij dan gewis onrechtvaardig zijn.”
ربنآ أخرجنا منها فإن عدنا فإنا ظلمون
Hij zal zeggen: “Blijf daarin, teruggedrongen, en spreek Mij niet meer aan.”
قال ٱخسوا فيها ولا تكلمون
Er was een fractie onder Mijn gehoorzamen die zeiden: “Onze Voogd, wij geloven; vergeef ons en betoon ons welwillendheid, want U bent de voortreffelijkste van hen die welwillendheid betonen” – maar jullie hebben hen tot voorwerp van spot genomen, zodat zij jullie Mijn Herinnering deden vergeten, en jullie lachten om hen.
إنه كان فريق من عبادي يقولون ربنآ ءامنا فٱغفر لنا وٱرحمنا وأنت خير ٱلرحمين فٱتخذتموهم سخريا حتى أنسوكم ذكري وكنتم منهم تضحكون
Ik heb hen vandaag gewis vergolden voor hun geduld: zij zijn de zegevierenden.
إني جزيتهم ٱليوم بما صبروا أنهم هم ٱلفآئزون
Hij zal zeggen: “Hoeveel jaren hebben jullie op de aarde doorgebracht?”
قل كم لبثتم في ٱلأرض عدد سنين
Zij zullen zeggen: “Wij hebben een dag doorgebracht,
قالوا لبثنا يوما
of een deel van een dag; ondervraag dus hen die tellen.”
أو بعض يوم فسل ٱلعآدين
Hij zal zeggen: “Jullie hebben slechts weinig tijd doorgebracht, als jullie het maar wisten.”
قل إن لبثتم إلا قليلا لو أنكم كنتم تعلمون
Dachten jullie dan dat Wij jullie tevergeefs geschapen hadden, en dat jullie niet tot Ons teruggebracht zouden worden?
أفحسبتم أنما خلقنكم عبثا وأنكم إلينا لا ترجعون
Moge God verheven zijn, de Soeverein, de Waarheid!
فتعلى ٱلله ٱلملك ٱلحق
Geen godheid behalve Hij,
لآ إله إلا هو
de Voogd van het edele Bouwwerk.
رب ٱلعرش ٱلكريم
En wie, met God, een andere godheid aanroept, zonder daarover een betoog te hebben, zijn rekening is slechts bij zijn Voogd,
ومن يدع مع ٱلله إلها ءاخر لا برهن له به فإنما حسابه عند ربه
want zij die verloochenen bereiken geenszins het welslagen.
إنه لا يفلح ٱلكفرون
En zeg: “Mijn Voogd, vergeef en betoon welwillendheid, want U bent de voortreffelijkste van hen die welwillendheid betonen.”
وقل رب ٱغفر وٱرحم وأنت خير ٱلرحمين