يونس
Yunus
The Abode of Peace
بسم ٱلله ٱلرحمن ٱلرحيم
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
Alif. Lam. Ra.
الر
Dit zijn de tekenen van de Schrift vol wijsheid.
تلك ءايت ٱلكتب ٱلحكيم
Is het dan bevreemdend voor de mensen dat Wij aan een man onder hen hebben geopenbaard: “Waarschuw de mensen,
أكان للناس عجبا أن أوحينآ إلى رجل منهم أن أنذر ٱلناس
en kondig aan hen die geloofd hebben aan dat zij, bij hun Voogd, een zekere stap van waarachtigheid hebben”?
وبشر ٱلذين ءامنوا أن لهم قدم صدق عند ربهم
Zij die verloochenen, zeggen: “Dat is voorzeker een klaarblijkelijke begoocheling.”
قال ٱلكفرون إن هذا لسحر مبين
Jullie Voogd is gewis God, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen, daarna Zich op het Bouwwerk heeft gevestigd.
إن ربكم ٱلله ٱلذي خلق ٱلسموت وٱلأرض في ستة أيام ثم ٱستوى على ٱلعرش
Hij regelt het Bevel.
يدبر ٱلأمر
Geen voorspreker behalve na Zijn toestemming.
ما من شفيع إلا من بعد إذنه
Dat is God, jullie Voogd.
ذلكم ٱلله ربكم
Gehoorzaam Hem dus.
فٱعبدوه
Herinneren jullie je dan niet?
أفلا تذكرون
Naar Hem zal jullie terugkeer zijn, van jullie allen.
إليه مرجعكم جميعا
Belofte van God, in alle waarheid.
وعد ٱلله حقا
Hij is het die de schepping begint, en haar daarna opnieuw maakt, om hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht met billijkheid te vergelden.
إنه يبدؤا ٱلخلق ثم يعيده ليجزي ٱلذين ءامنوا وعملوا ٱلصلحت بٱلقسط
Wat betreft hen die verloochend hebben, zij zullen een drank van kokend water hebben en een schrijnende pijn, omdat zij verloochend hebben.
وٱلذين كفروا لهم شراب من حميم وعذاب أليم بما كانوا يكفرون
Hij is het die van de zon een helderheid heeft gemaakt en van de maan een licht, en Hij heeft voor haar stations vastgesteld, opdat jullie het aantal van de jaren en de berekening kennen.
هو ٱلذي جعل ٱلشمس ضيآء وٱلقمر نورا وقدره منازل لتعلموا عدد ٱلسنين وٱلحساب
God heeft dat slechts in alle waarheid geschapen.
ما خلق ٱلله ذلك إلا بٱلحق
Hij zet de tekenen uiteen voor een volk dat weet.
يفصل ٱلءايت لقوم يعلمون
In de afwisseling van de nacht en de dag, en in wat God in de hemelen en op de aarde heeft geschapen, zijn er voorzeker tekenen voor een volk dat zich behoedt.
إن في ٱختلف ٱليل وٱلنهار وما خلق ٱلله في ٱلسموت وٱلأرض لءايت لقوم يتقون
Gewis, zij die niet op Onze ontmoeting hopen, die zich tevredenstelden met het leven hienieden en daarin gerustheid vonden, en zij die onbekommerd zijn over Onze tekenen – dat zijn zij wier toevlucht het Vuur zal zijn, voor wat zij verwierven.
إن ٱلذين لا يرجون لقآءنا ورضوا بٱلحيوة ٱلدنيا وٱطمأنوا بها وٱلذين هم عن ءايتنا غفلون أولئك مأوىهم ٱلنار بما كانوا يكسبون
Gewis, zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, hun Voogd leidt hen vanwege hun geloof.
إن ٱلذين ءامنوا وعملوا ٱلصلحت يهديهم ربهم بإيمنهم
Onder hen zullen de rivieren stromen, in de tuinen van de weldaad.
تجري من تحتهم ٱلأنهر في جنت ٱلنعيم
Hun uitroep daar zal zijn: “Glorie zij U, o God!”
دعوىهم فيها سبحنك ٱللهم
En hun groet daar zal zijn: “Vrede”.
وتحيتهم فيها سلم
En als laatste zal hun uitroep zijn: “Lof zij God, Voogd van alle wezens.”
وءاخر دعوىهم أن ٱلحمد لله رب ٱلعلمين
En als God voor de mensen het kwaad verhaastte zoals zij het goede trachten te verhaasten, zou hun termijn hun reeds zijn geregeld.
ولو يعجل ٱلله للناس ٱلشر ٱستعجالهم بٱلخير لقضي إليهم أجلهم
Wij laten dus hen die niet op Onze ontmoeting hopen achter in hun mateloosheid, waarin zij rondtasten.
فنذر ٱلذين لا يرجون لقآءنا في طغينهم يعمهون
En wanneer de schade de mens treft, roept hij Ons aan, op de zij liggend, zittend of staand;
وإذا مس ٱلإنسن ٱلضر دعانا لجنبه أو قاعدا أو قآئما
daarna, wanneer Wij hem van zijn schade hebben verlicht, vervolgt hij zijn pad alsof hij Ons nooit had aangeroepen met betrekking tot een schade die hem had getroffen.
فلما كشفنا عنه ضره مر كأن لم يدعنآ إلى ضر مسه
Zo werden voor de buitensporigen de daden die zij verrichtten verfraaid.
كذلك زين للمسرفين ما كانوا يعملون
Wij hebben de generaties vernietigd die jullie zijn voorgegaan, zodra zij onrecht pleegden, hoewel hun gezanten tot hen gekomen waren met de duidelijke bewijzen;
ولقد أهلكنا ٱلقرون من قبلكم لما ظلموا وجآءتهم رسلهم بٱلبينت
maar zij waren niet bereid te geloven.
وما كانوا ليؤمنوا
Zo vergelden Wij het volk van de afgezonderden.
كذلك نجزي ٱلقوم ٱلمجرمين
Daarna hebben Wij van jullie opvolgers gemaakt op de aarde, na hen, om te kijken hoe jullie zouden handelen.
ثم جعلنكم خلئف في ٱلأرض من بعدهم لننظر كيف تعملون
En wanneer Onze tekenen hun worden voorgedragen, volkomen uitdrukkelijk, zeggen zij die niet op Onze ontmoeting hopen: “Breng een andere Lezing dan deze, of verander haar.”
وإذا تتلى عليهم ءاياتنا بينت قال ٱلذين لا يرجون لقآءنا ٱئت بقرءان غير هذآ أو بدله
Zeg: “Het komt mij niet toe haar op eigen gezag te veranderen;
قل ما يكون لي أن أبدله من تلقآئ نفسي
ik volg slechts wat mij geopenbaard wordt.
إن أتبع إلا ما يوحى إلى
Ik vrees gewis, als ik ongehoorzaam ben aan mijn Voogd, de pijn van een ontzaglijke dag.”
إني أخاف إن عصيت ربي عذاب يوم عظيم
Zeg: “Als het God had behaagd, zou ik haar jullie niet hebben voorgedragen, en Hij zou jullie er geen idee van hebben gegeven.
قل لو شآء ٱلله ما تلوته عليكم ولآ أدرىكم به
Ik heb nochtans een heel leven onder jullie doorgebracht, voor haar.
فقد لبثت فيكم عمرا من قبله
Redeneren jullie dan niet?”
أفلا تعقلون
Wie is dan onrechtvaardiger dan wie een leugen tegen God verzint, of Zijn tekenen ontkent?
فمن أظلم ممن ٱفترى على ٱلله كذبا أو كذب بايته
De afgezonderden slagen gewis niet.
إنه لا يفلح ٱلمجرمون
En zij gehoorzamen, buiten God, aan wat hun noch schaadt noch baat, en zij zeggen: “Dit zijn onze voorsprekers bij God.”
ويعبدون من دون ٱلله ما لا يضرهم ولا ينفعهم ويقولون هؤلآء شفعؤنا عند ٱلله
Zeg: “Berichten jullie God over wat Hij niet weet in de hemelen noch op de aarde?”
قل أتنبون ٱلله بما لا يعلم في ٱلسموت ولا في ٱلأرض
Glorie zij Hem, en Hij staat ver boven wat zij met Hem associëren.
سبحنه وتعلى عما يشركون
De mensen vormden slechts één gemeenschap, daarna liepen zij uiteen.
وما كان ٱلناس إلآ أمة وحدة فٱختلفوا
En zonder een voorafgaand woord van jouw Voogd zou er reeds tussen hen beslist zijn over datgene waarin zij uiteenlopen.
ولولا كلمة سبقت من ربك لقضي بينهم فيما فيه يختلفون
En zij zeggen: “Waarom heeft men hem geen teken van zijn Voogd doen neerdalen!”
ويقولون لولآ أنزل عليه ءاية من ربه
Zeg: “Wat de zintuigen ontgaat behoort slechts aan God toe.
فقل إنما ٱلغيب لله
Wacht dus:
فٱنتظروا
ik behoor gewis, met jullie, tot hen die wachten.”
إني معكم من ٱلمنتظرين
En wanneer Wij de mensen een welwillendheid doen proeven na een schade die hen had getroffen, zie, dan complotteren zij tegen Onze tekenen.
وإذآ أذقنا ٱلناس رحمة من بعد ضرآء مستهم إذا لهم مكر في ءاياتنا
Zeg: “God is sneller in complot.”
قل ٱلله أسرع مكرا
Onze gezondenen leggen gewis schriftelijk vast wat jullie complotteren.
إن رسلنا يكتبون ما تمكرون
Hij is het die jullie het vasteland en de zee doet doorkruisen,
هو ٱلذي يسيركم في ٱلبر وٱلبحر
totdat, wanneer jullie in het vaartuig zijn en het met hen vaart met een goede wind, en zij zich erover verheugen, een hevige wind het aanvalt, de deining hun van overal komt, en zij vermoeden dat zij omsingeld zijn – dan roepen zij God aan, Hem uitsluitend de Wet toewijdend: “Als U ons hiervan redt, zullen wij voorzeker behoren tot de dankbaren.”
حتى إذا كنتم في ٱلفلك وجرين بهم بريح طيبة وفرحوا بها جآءتها ريح عاصف وجآءهم ٱلموج من كل مكان وظنوا أنهم أحيط بهم دعوا ٱلله مخلصين له ٱلدين لئن أنجيتنا من هذه لنكونن من ٱلشكرين
Maar zodra Hij hen heeft gered, zie, dan plegen zij afpersingen op aarde, zonder recht.
فلمآ أنجىهم إذا هم يبغون في ٱلأرض بغير ٱلحق
O mensen! Jullie afpersing valt slechts op jullie zelf terug,
يأيها ٱلناس إنما بغيكم على أنفسكم
genieting van het leven hienieden;
متع ٱلحيوة ٱلدنيا
daarna zal jullie terugkeer naar Ons zijn, en Wij zullen jullie berichten over wat jullie deden.
ثم إلينا مرجعكم فننبئكم بما كنتم تعملون
Het voorbeeld van het leven hienieden is dat van een water dat Wij uit de hemel doen neerdalen, en dat zich vermengt
إنما مثل ٱلحيوة ٱلدنيا كمآء أنزلنه من ٱلسمآء فٱختلط
met de plantengroei van de aarde, waarvan de mensen en het vee eten,
به نبات ٱلأرض مما يأكل ٱلناس وٱلأنعم
totdat, wanneer de aarde haar vergulding heeft aangenomen en zich heeft verfraaid, en de lieden van deze aarde vermoeden dat zij haar beheersen, Ons bevel haar bereikt, 's nachts of overdag, en Wij ervan een geoogste aarde maken, alsof zij de dag tevoren geen voorspoed had gekend.
حتى إذآ أخذت ٱلأرض زخرفها وٱزينت وظن أهلهآ أنهم قدرون عليهآ أتىهآ أمرنا ليلا أو نهارا فجعلنها حصيدا كأن لم تغن بٱلأمس
Zo zetten Wij de tekenen uiteen voor een volk dat nadenkt.
كذلك نفصل ٱلءايت لقوم يتفكرون
God roept op tot het Verblijf van de Vrede, en Hij leidt wie het Hem behaagt naar een rechtlijnig pad.
وٱلله يدعوا إلى دار ٱلسلم ويهدي من يشآء إلى صرط مستقيم
Aan hen die het goede doen komt het schoonste toe, en meer nog;
للذين أحسنوا ٱلحسنى وزيادة
noch zwart stof noch vernedering zullen hun gezichten omhullen.
ولا يرهق وجوههم قتر ولا ذلة
Dat zijn de metgezellen van de Tuin,
أولئك أصحب ٱلجنة
zij blijven daar eeuwig.
هم فيها خلدون
Wat betreft hen die slechte daden hebben verworven, de vergelding van een slechte daad zal haar equivalent zijn, en de vernedering zal hen omhullen; zij zullen geen enkele vrijwaring tegen God hebben – alsof hun gezichten waren bedekt met een donker stuk van de nacht.
وٱلذين كسبوا ٱلسيات جزآء سيئة بمثلها وترهقهم ذلة ما لهم من ٱلله من عاصم كأنمآ أغشيت وجوههم قطعا من ٱليل مظلما
Dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
أولئك أصحب ٱلنار هم فيها خلدون
En de dag waarop Wij hen allen zullen verzamelen, en dan tot hen die geassocieerd hebben zullen zeggen: “Blijf op jullie plaats, jullie en jullie geassocieerden” – daarna zullen Wij hen van elkaar scheiden,
ويوم نحشرهم جميعا ثم نقول للذين أشركوا مكانكم أنتم وشركآؤكم فزيلنا بينهم
en hun geassocieerden zullen zeggen: “Niet aan ons gehoorzaamden jullie.”
وقال شركآؤهم ما كنتم إيانا تعبدون
God volstaat als getuige tussen ons en jullie: wij waren zeker onbekommerd over jullie gehoorzaamheid.
فكفى بٱلله شهيدا بيننا وبينكم إن كنا عن عبادتكم لغفلين
Daar zal elk Zelf voordragen wat het eertijds heeft gedaan,
هنالك تبلوا كل نفس مآ أسلفت
en zij zullen teruggebracht worden naar God, hun ware naaste Garant,
وردوا إلى ٱلله مولىهم ٱلحق
en wat zij verzonnen zal ver van hen zijn afgedwaald.
وضل عنهم ما كانوا يفترون
Zeg: “Wie voorziet jullie vanuit de hemel en de aarde?
قل من يرزقكم من ٱلسمآء وٱلأرض
Of wie bezit het gehoor en het gezichtsvermogen, wie brengt het levende uit het dode naar buiten en het dode uit het levende, en wie regelt het Bevel?”
أمن يملك ٱلسمع وٱلأبصر ومن يخرج ٱلحى من ٱلميت ويخرج ٱلميت من ٱلحى ومن يدبر ٱلأمر
Zij zullen zeggen: “God.”
فسيقولون ٱلله
Zeg dan: “Behoeden jullie je dan niet?”
فقل أفلا تتقون
Dat is God, jullie ware Voogd.
فذلكم ٱلله ربكم ٱلحق
Na de waarheid, wat is er anders dan de dwaling?
فماذا بعد ٱلحق إلا ٱلضلل
Hoe worden jullie dan afgewend?
فأنى تصرفون
Zo is het woord van jouw Voogd over de grensoverschrijders bewaarheid: zij geloven niet.
كذلك حقت كلمت ربك على ٱلذين فسقوا أنهم لا يؤمنون
Zeg: “Is er, onder jullie geassocieerden, iemand die de schepping begint en haar daarna opnieuw maakt?”
قل هل من شركآئكم من يبدؤا ٱلخلق ثم يعيده
Zeg: “God begint de schepping, en maakt haar daarna opnieuw.
قل ٱلله يبدؤا ٱلخلق ثم يعيده
Hoe worden jullie dan van het spoor gebracht?”
فأنى تؤفكون
Zeg: “Is er, onder jullie geassocieerden, iemand die leidt naar de waarheid?”
قل هل من شركآئكم من يهدي إلى ٱلحق
Zeg: “God leidt naar de waarheid.
قل ٱلله يهدي للحق
Verdient hij die naar de waarheid leidt het meer gevolgd te worden, of hij die zich slechts laat leiden als hij wordt geleid?
أفمن يهدي إلى ٱلحق أحق أن يتبع أمن لا يهدي إلآ أن يهدى
Wat hebben jullie dan? Hoe oordelen jullie?”
فما لكم كيف تحكمون
De meesten van hen volgen slechts een vermoeden;
وما يتبع أكثرهم إلا ظنا
maar het vermoeden dient tot niets tegenover de waarheid.
إن ٱلظن لا يغني من ٱلحق شيا
God is gewis Alwetend over wat zij doen.
إن ٱلله عليم بما يفعلون
Deze Lezing was er niet een die buiten God kon worden verzonnen;
وما كان هذا ٱلقرءان أن يفترى من دون ٱلله
zij bevestigt integendeel wat haar voorafgaat, en zij zet de Codex uiteen – geen twijfel mogelijk – van de zijde van de Voogd van alle wezens.
ولكن تصديق ٱلذي بين يديه وتفصيل ٱلكتب لا ريب فيه من رب ٱلعلمين
Of zullen zij zeggen: “Hij heeft haar verzonnen”?
أم يقولون ٱفترىه
Zeg: “Breng dan een soera soortgelijk aan haar,
قل فأتوا بسورة مثله
en roep wie jullie maar kunnen, buiten God, als jullie waarachtig zijn.”
وٱدعوا من ٱستطعتم من دون ٱلله إن كنتم صدقين
In werkelijkheid hebben zij ontkend wat zij niet omsingelden door het weten, en waarvan de voorspelling hen nog niet had bereikt.
بل كذبوا بما لم يحيطوا بعلمه ولما يأتهم تأويله
Zo hebben zij die vóór hen waren ontkend.
كذلك كذب ٱلذين من قبلهم
Kijk dus wat het einde van de onrechtvaardigen was.
فٱنظر كيف كان عقبة ٱلظلمين
En onder hen zijn er die erin geloven, en er zijn er die er niet in geloven;
ومنهم من يؤمن به ومنهم من لا يؤمن به
jouw Voogd kent de bedervers het best.
وربك أعلم بٱلمفسدين
En als zij je ontkennen, zeg dan: “Aan mij mijn werk, aan jullie het werk van jullie; jullie zijn vrij van wat ik doe, en ik ben vrij van wat jullie doen.”
وإن كذبوك فقل لي عملي ولكم عملكم أنتم بريون ممآ أعمل وأنا بريء مما تعملون
En onder hen zijn er die naar je luisteren –
ومنهم من يستمعون إليك
maar zul jij de doven doen horen, zelfs als zij niet redeneren?
أفأنت تسمع ٱلصم ولو كانوا لا يعقلون
En onder hen zijn er die naar je kijken –
ومنهم من ينظر إليك
maar zul jij de blinden leiden, zelfs als zij niet helder zien?
أفأنت تهدي ٱلعمي ولو كانوا لا يبصرون
God doet de mensen gewis in niets onrecht;
إن ٱلله لا يظلم ٱلناس شيا
het zijn de mensen die zichzelf onrecht doen.
ولكن ٱلناس أنفسهم يظلمون
En op de dag waarop Hij hen zal verzamelen, alsof zij niet meer dan een uur van de dag hadden doorgebracht, zullen zij elkaar onderling herkennen.
ويوم يحشرهم كأن لم يلبثوا إلا ساعة من ٱلنهار يتعارفون بينهم
Zij zijn gewis verliezers, zij die de ontmoeting met God ontkend hebben, en zij lieten zich niet leiden.
قد خسر ٱلذين كذبوا بلقآء ٱلله وما كانوا مهتدين
En hetzij Wij je een deel laten zien van wat Wij hun beloven, hetzij Wij je getrouw in bewaring houden, tot Ons zal hun terugkeer zijn;
وإما نرينك بعض ٱلذي نعدهم أو نتوفينك فإلينا مرجعهم
God is daarna getuige van wat zij doen.
ثم ٱلله شهيد على ما يفعلون
En voor elke gemeenschap, een gezant.
ولكل أمة رسول
En toen hun gezant kwam, werd er onder hen met billijkheid beslist, zonder dat zij onrecht ondergingen.
فإذا جآء رسولهم قضي بينهم بٱلقسط وهم لا يظلمون
En zij zeggen: “Wanneer komt deze belofte, als jullie waarachtig zijn?”
ويقولون متى هذا ٱلوعد إن كنتم صدقين
Zeg: “Ik bezit, voor mijzelf, noch schade noch voordeel, behalve wat God behaagt.
قل لآ أملك لنفسي ضرا ولا نفعا إلا ما شآء ٱلله
Voor elke gemeenschap een termijn.
لكل أمة أجل
Wanneer hun termijn aanbreekt, kunnen zij hem geen uur uitstellen,
إذا جآء أجلهم فلا يستخرون ساعة
noch vervroegen.”
ولا يستقدمون
Zeg: “Zien jullie het? Als Zijn pijn jullie 's nachts of overdag overkomt, wat zouden de afgezonderden ervan willen verhaasten?
قل أرءيتم إن أتىكم عذابه بيتا أو نهارا ماذا يستعجل منه ٱلمجرمون
Is het dan pas wanneer zij is overkomen dat jullie erin geloven?
أثم إذا ما وقع ءامنتم به
Nu?! Terwijl jullie haar probeerden te verhaasten!”
ءآلن وقد كنتم به تستعجلون
Vervolgens zal er gezegd worden tot hen die onrecht hebben begaan: “Proef de pijn van de eeuwigheid;
ثم قيل للذين ظلموا ذوقوا عذاب ٱلخلد
worden jullie anders vergolden dan naar wat jullie verwierven?”
هل تجزون إلا بما كنتم تكسبون
En zij vragen jou om bericht: “Is het werkelijk waar?”
ويستنبونك أحق هو
Zeg: “Ja, bij mijn Voogd! Het is voorzeker waar, en jullie zullen Hem niet tot onmacht kunnen brengen.”
قل إي وربي إنه لحق ومآ أنتم بمعجزين
En als elk onrechtvaardig Zelf alles bezat wat op aarde is, zou het zich ermee vrijkopen.
ولو أن لكل نفس ظلمت ما في ٱلأرض لٱفتدت به
En zij zullen hun spijt geheimhouden bij het zien van de pijn, en er zal onder hen met billijkheid beslist worden, zonder dat zij onrecht ondergaan.
وأسروا ٱلندامة لما رأوا ٱلعذاب وقضي بينهم بٱلقسط وهم لا يظلمون
Is het niet zo: aan God behoort toe wat in de hemelen en op de aarde is.
ألآ إن لله ما في ٱلسموت وٱلأرض
Is het niet zo: de belofte van God is waar;
ألآ إن وعد ٱلله حق
maar de meesten van hen weten het niet.
ولكن أكثرهم لا يعلمون
Hij is het die doet leven en doet sterven,
هو يحي ويميت
en tot Hem zullen jullie teruggebracht worden.
وإليه ترجعون
O mensen! Een vermaning is tot jullie gekomen van jullie Voogd, een genezing voor wat in de borsten is, een leiding en een welwillendheid voor de gelovenden.
يأيها ٱلناس قد جآءتكم موعظة من ربكم وشفآء لما في ٱلصدور وهدى ورحمة للمؤمنين
Zeg: “Het is door de gunst van God en door Zijn welwillendheid – dat zij zich daarover verheugen!
قل بفضل ٱلله وبرحمته فبذلك فليفرحوا
Het is beter dan wat zij vergaren.”
هو خير مما يجمعون
Zeg: “Zien jullie het? Wat God voor jullie heeft doen neerdalen als leeftocht, daarvan hebben jullie een ontzegd deel en een geoorloofd deel gemaakt” –
قل أرءيتم مآ أنزل ٱلله لكم من رزق فجعلتم منه حراما وحللا
zeg: “Is het God die het jullie heeft toegestaan, of verzinnen jullie het tegen God?”
قل ءآلله أذن لكم أم على ٱلله تفترون
Wat zullen zij die de leugen tegen God verzinnen, op de Dag van het Verschijnen, vermoeden?
وما ظن ٱلذين يفترون على ٱلله ٱلكذب يوم ٱلقيمة
God bezit voorzeker een gunst jegens de mensen,
إن ٱلله لذو فضل على ٱلناس
maar de meesten onder hen zijn niet dankbaar.
ولكن أكثرهم لا يشكرون
Jij bevindt je in geen enkele situatie, je draagt geen enkele Lezing voor die ervan voortkomt, jullie verrichten geen enkele handeling, zonder dat Wij getuige van jullie zijn op het moment waarop jullie je eraan wijden.
وما تكون في شأن وما تتلوا منه من قرءان ولا تعملون من عمل إلا كنا عليكم شهودا إذ تفيضون فيه
Niets is voor jouw Voogd onbereikbaar, al is het het gewicht van een deeltje op aarde of in de hemel,
وما يعزب عن ربك من مثقال ذرة في ٱلأرض ولا في ٱلسمآء
niets kleiners en niets groters dat niet in een uitdrukkelijk register staat.
ولآ أصغر من ذلك ولآ أكبر إلا في كتب مبين
Is het niet zo: de bondgenoten van God, geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn,
ألآ إن أوليآء ٱلله لا خوف عليهم ولا هم يحزنون
zij die geloofd hebben en zich behoedden.
ٱلذين ءامنوا وكانوا يتقون
Voor hen is de blijde aankondiging, in het leven hienieden en in het laatste leven.
لهم ٱلبشرى في ٱلحيوة ٱلدنيا وفي ٱلءاخرة
Geen verandering aan de woorden van God.
لا تبديل لكلمت ٱلله
Dat is de ontzaglijke triomf.
ذلك هو ٱلفوز ٱلعظيم
En laat hun uitspraak je niet bedroeven:
ولا يحزنك قولهم
gewis behoort de macht geheel aan God toe.
إن ٱلعزة لله جميعا
Hij is de Alhorende, de Alwetende.
هو ٱلسميع ٱلعليم
Is het niet zo: aan God behoort toe wie in de hemelen is en wie op de aarde is;
ألآ إن لله من في ٱلسموت ومن في ٱلأرض
wat volgen dan zij die buiten God geassocieerden aanroepen?
وما يتبع ٱلذين يدعون من دون ٱلله شركآء
Zij volgen slechts het vermoeden,
إن يتبعون إلا ٱلظن
en zij doen niets dan gissen.
وإن هم إلا يخرصون
Hij is het die voor jullie de nacht gemaakt heeft opdat jullie erin rusten, en de dag om er helder te zien.
هو ٱلذي جعل لكم ٱليل لتسكنوا فيه وٱلنهار مبصرا
Voorzeker zijn daarin tekenen voor een volk dat hoort.
إن في ذلك لءايت لقوم يسمعون
Zij zeggen: “God heeft Zich een kind toegeschreven.”
قالوا ٱتخذ ٱلله ولدا
Glorie zij Hem!
سبحنه
Hij is de Rijke.
هو ٱلغني
Aan Hem behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
له ما في ٱلسموت وما في ٱلأرض
Jullie hebben hiervoor geen enkel gezag.
إن عندكم من سلطن بهذآ
Zullen jullie over God zeggen wat jullie niet weten?
أتقولون على ٱلله ما لا تعلمون
Zeg: “Gewis slagen zij die de leugen tegen God verzinnen niet.”
قل إن ٱلذين يفترون على ٱلله ٱلكذب لا يفلحون
Genot hienieden,
متع في ٱلدنيا
vervolgens zal hun terugkeer tot Ons zijn; vervolgens zullen Wij hen de strenge pijn laten proeven, omdat zij verloochend hebben.
ثم إلينا مرجعهم ثم نذيقهم ٱلعذاب ٱلشديد بما كانوا يكفرون
En draag hun het bericht over Noeh voor, toen hij tot zijn volk zei: “O mijn volk! Als mijn aanwezigheid onder jullie en mijn herinnering aan de tekenen van God jullie zwaar vallen, dan is het aan God dat ik lastgeving verleen.
وٱتل عليهم نبأ نوح إذ قال لقومه يقوم إن كان كبر عليكم مقامي وتذكيري بايت ٱلله فعلى ٱلله توكلت
Breng dan jullie plan en jullie geassocieerden bijeen,
فأجمعوا أمركم وشركآءكم
laat jullie plan voor jullie niet langer iets nevelachtigs blijven,
ثم لا يكن أمركم عليكم غمة
voer het vervolgens tegen mij uit, en verleen mij geen uitstel.
ثم ٱقضوا إلى ولا تنظرون
Als jullie de rug toekeren, heb ik jullie geen enkele beloning gevraagd;
فإن توليتم فما سألتكم من أجر
mijn beloning ligt slechts bij God,
إن أجري إلا على ٱلله
en mij is bevolen om tot de integeren tegenover God te behoren.”
وأمرت أن أكون من ٱلمسلمين
Maar zij ontkenden hem; Wij redden hem, en wie met hem in het vaartuig waren, en Wij maakten hen tot opvolgers,
فكذبوه فنجينه ومن معه في ٱلفلك وجعلنهم خلئف
en Wij deden hen verdrinken die Onze tekenen ontkend hadden.
وأغرقنا ٱلذين كذبوا بايتنا
Kijk dan wat het einde was van hen die gewaarschuwd werden.
فٱنظر كيف كان عقبة ٱلمنذرين
Vervolgens, na hem, wekten Wij gezanten op tot hun volken; zij brachten hun de duidelijke bewijzen, maar zij waren niet bereid te geloven in wat zij eerst ontkend hadden.
ثم بعثنا من بعده رسلا إلى قومهم فجآءوهم بٱلبينت فما كانوا ليؤمنوا بما كذبوا به من قبل
Zo zetten Wij een stempel op de kernen van hen die de grenzen overschrijden.
كذلك نطبع على قلوب ٱلمعتدين
Vervolgens, na hen, wekten Wij Moesa en Haroen op tot Fir'aun en zijn hof, met Onze tekenen; maar zij zwollen op van hoogmoed en waren een volk van afgezonderden.
ثم بعثنا من بعدهم موسى وهرون إلى فرعون وملإيه بايتنا فٱستكبروا وكانوا قوما مجرمين
Toen de waarheid van Onze zijde tot hen kwam, zeiden zij: “Dit is voorzeker een klaarblijkelijke begoocheling.”
فلما جآءهم ٱلحق من عندنا قالوا إن هذا لسحر مبين
Moesa zei: “Zeggen jullie dit van de waarheid, nadat zij tot jullie gekomen is?
قال موسى أتقولون للحق لما جآءكم
Is dat begoocheling?
أسحر هذا
Welnu, de begoochelaars slagen niet.”
ولا يفلح ٱلسحرون
Zij zeiden: “Ben je tot ons gekomen om ons af te leiden van datgene waarbij wij onze voorouders aantroffen, en opdat de grootheid op aarde aan jullie beiden toekomt? Wij zullen jullie beiden geen krediet geven.”
قالوا أجئتنا لتلفتنا عما وجدنا عليه ءابآءنا وتكون لكما ٱلكبريآء في ٱلأرض وما نحن لكما بمؤمنين
En Fir'aun zei: “Breng mij elke geleerde begoochelaar.”
وقال فرعون ٱئتوني بكل سحر عليم
Toen de begoochelaars kwamen, zei Moesa tot hen: “Werp wat jullie te werpen hebben.”
فلما جآء ٱلسحرة قال لهم موسى ألقوا مآ أنتم ملقون
Toen zij geworpen hadden, zei Moesa: “Wat jullie gebracht hebben is de begoocheling;
فلمآ ألقوا قال موسى ما جئتم به ٱلسحر
God zal het ijdel maken.
إن ٱلله سيبطله
God maakt het werk van de bedervers gewis niet deugdelijk.”
إن ٱلله لا يصلح عمل ٱلمفسدين
En God bewaarheidt de waarheid door Zijn woorden, ook al zouden de afgezonderden er afschuw van hebben.
ويحق ٱلله ٱلحق بكلمته ولو كره ٱلمجرمون
Niemand gaf krediet aan Moesa, behalve een nageslacht van zijn volk, uit vrees voor Fir'aun en voor hun hof, dat hij hen zou beproeven.
فمآ ءامن لموسى إلا ذرية من قومه على خوف من فرعون وملإيهم أن يفتنهم
En Fir'aun was voorzeker hooggeplaatst op aarde,
وإن فرعون لعال في ٱلأرض
en hij behoorde voorzeker tot de buitensporigen.
وإنه لمن ٱلمسرفين
En Moesa zei: “O mijn volk, als jullie in God geloven, verleen Hem dan lastgeving, als jullie integer zijn tegenover God.”
وقال موسى يقوم إن كنتم ءامنتم بٱلله فعليه توكلوا إن كنتم مسلمين
Zij zeiden: “Het is aan God dat wij lastgeving verlenen.
فقالوا على ٱلله توكلنا
Onze Voogd, maak ons niet tot een beproeving voor het onrechtvaardige volk,
ربنا لا تجعلنا فتنة للقوم ٱلظلمين
en red ons, door Uw welwillendheid, van het volk dat verloochent.”
ونجنا برحمتك من ٱلقوم ٱلكفرين
En Wij openbaarden aan Moesa en aan zijn broer: “Vestig voor jullie volk, in Egypte, huizen; maak van jullie huizen een trefpunt; en onderhoud het Contact.”
وأوحينآ إلى موسى وأخيه أن تبوءا لقومكما بمصر بيوتا وٱجعلوا بيوتكم قبلة وأقيموا ٱلصلوة
En kondig het goede nieuws aan de gelovenden aan.
وبشر ٱلمؤمنين
En Moesa zei: “Onze Voogd, U hebt aan Fir'aun en zijn hof tooi en bezittingen gegeven in het leven hienieden,
وقال موسى ربنآ إنك ءاتيت فرعون وملأه زينة وأمولا في ٱلحيوة ٱلدنيا
onze Voogd, opdat zij doen dwalen, ver van Uw weg.
ربنا ليضلوا عن سبيلك
Onze Voogd, wis hun bezittingen uit en vernauw hun kernen, opdat zij niet geloven voordat zij de schrijnende pijn zien.”
ربنا ٱطمس على أمولهم وٱشدد على قلوبهم فلا يؤمنوا حتى يروا ٱلعذاب ٱلأليم
Hij zei: “Er is geantwoord op jullie aanroeping; houd jullie dan rechtop, jullie beiden,
قال قد أجيبت دعوتكما فٱستقيما
en volg niet de weg van hen die niet weten.”
ولا تتبعآن سبيل ٱلذين لا يعلمون
En Wij deden de zonen van Israël de zee oversteken; Fir'aun en zijn legers achtervolgden hen uit afpersing en vijandigheid,
وجوزنا ببني إسرءيل ٱلبحر فأتبعهم فرعون وجنوده بغيا وعدوا
totdat hij, toen de verdrinking hem inhaalde, zei: “Ik geloof dat er geen godheid is behalve Hij in wie de zonen van Israël geloofd hebben, en ik behoor tot de integeren tegenover God.”
حتى إذآ أدركه ٱلغرق قال ءامنت أنه لآ إله إلا ٱلذي ءامنت به بنوا إسرءيل وأنا من ٱلمسلمين
“Nu?! Terwijl je tevoren ongehoorzaam bent geweest, en tot de bedervers behoorde!
ءآلن وقد عصيت قبل وكنت من ٱلمفسدين
Vandaag dan redden Wij je wat je lichaam betreft, opdat je een teken zou zijn voor wie na jou komen.”
فٱليوم ننجيك ببدنك لتكون لمن خلفك ءاية
Maar vele mensen zijn voorzeker onbekommerd over Onze tekenen.
وإن كثيرا من ٱلناس عن ءايتنا لغفلون
Wij hebben de zonen van Israël gevestigd in een vestiging van waarachtigheid, en Wij hebben hen voorzien van goede dingen; zij liepen pas uiteen nadat het weten tot hen gekomen was.
ولقد بوأنا بني إسرءيل مبوأ صدق ورزقنهم من ٱلطيبت فما ٱختلفوا حتى جآءهم ٱلعلم
Jouw Voogd zal gewis tussen hen beslissen, op de Dag van het Verschijnen, over datgene waarin zij uiteenliepen.
إن ربك يقضي بينهم يوم ٱلقيمة فيما كانوا فيه يختلفون
Als je in verlegenheid bent over wat Wij tot je hebben doen neerdalen, ondervraag dan hen die de Schrift lezen vóór jou.
فإن كنت في شك ممآ أنزلنآ إليك فسل ٱلذين يقرءون ٱلكتب من قبلك
De waarheid is gewis tot je gekomen van jouw Voogd;
لقد جآءك ٱلحق من ربك
behoor dus nooit tot hen die in controverse treden.
فلا تكونن من ٱلممترين
En behoor niet tot hen die de tekenen van God ontkend hebben, dan zou je tot de verliezers behoren.
ولا تكونن من ٱلذين كذبوا بايت ٱلله فتكون من ٱلخسرين
Zij over wie het woord van jouw Voogd bewaarheid is, zullen niet geloven, ook al kwam elk teken tot hen, totdat zij de schrijnende pijn zien.
إن ٱلذين حقت عليهم كلمت ربك لا يؤمنون ولو جآءتهم كل ءاية حتى يروا ٱلعذاب ٱلأليم
Waarom is er geen stad geweest die geloofd heeft en wie haar geloof ten voordele strekte – behalve het volk van Joenoes! Toen zij geloofden, verlichtten Wij hen van de pijn van de schande in het leven hienieden, en Wij verleenden hun genieting voor een tijd.
فلولا كانت قرية ءامنت فنفعهآ إيمنهآ إلا قوم يونس لمآ ءامنوا كشفنا عنهم عذاب ٱلخزي في ٱلحيوة ٱلدنيا ومتعنهم إلى حين
En als het jouw Voogd behaagd had, zouden allen die op aarde zijn geloofd hebben, absoluut allen.
ولو شآء ربك لءامن من في ٱلأرض كلهم جميعا
Ben jij het die de mensen zou dwingen gelovenden te worden?
أفأنت تكره ٱلناس حتى يكونوا مؤمنين
Het komt aan geen enkel Zelf toe te geloven, behalve met de toestemming van God,
وما كان لنفس أن تؤمن إلا بإذن ٱلله
en Hij legt het slijk op hen die niet redeneren.
ويجعل ٱلرجس على ٱلذين لا يعقلون
Zeg: “Kijk naar wat in de hemelen en op de aarde is” – maar waartoe dienen de tekenen en de waarschuwingen voor een volk dat niet gelooft?
قل ٱنظروا ماذا في ٱلسموت وٱلأرض وما تغني ٱلءايت وٱلنذر عن قوم لا يؤمنون
Wat wachten zij dan anders af dan het equivalent van de dagen van hen die vóór hen zijn voorbijgegaan?
فهل ينتظرون إلا مثل أيام ٱلذين خلوا من قبلهم
Zeg: “Wacht dan, ik behoor gewis, met jullie, tot hen die wachten.”
قل فٱنتظروا إني معكم من ٱلمنتظرين
Vervolgens redden Wij Onze gezanten, en zij die geloofd hebben – zo;
ثم ننجي رسلنا وٱلذين ءامنوا كذلك
het is een plicht voor Ons de gelovenden te redden.
حقا علينا ننج ٱلمؤمنين
Zeg: “O mensen! Als jullie in verlegenheid zijn over mijn Wet, gehoorzaam ik niet hen die jullie buiten God gehoorzamen,
قل يأيها ٱلناس إن كنتم في شك من ديني فلآ أعبد ٱلذين تعبدون من دون ٱلله
maar ik gehoorzaam God, die jullie getrouw in bewaring zal houden.
ولكن أعبد ٱلله ٱلذي يتوفىكم
En mij is bevolen om tot de gelovenden te behoren,
وأمرت أن أكون من ٱلمؤمنين
en: ‘Houd je richting op de Wet, geheel op God gericht,
وأن أقم وجهك للدين حنيفا
en behoor nooit tot hen die associëren.’”
ولا تكونن من ٱلمشركين
En roep buiten God niet aan wat je niet ten voordele strekt en je niet schaadt;
ولا تدع من دون ٱلله ما لا ينفعك ولا يضرك
als je het deed, zou je gewis dan tot de onrechtvaardigen behoren.
فإن فعلت فإنك إذا من ٱلظلمين
En als God je met schade raakt, kan niemand je ervan verlichten dan Hij;
وإن يمسسك ٱلله بضر فلا كاشف له إلا هو
en als Hij het goede voor je wil, kan niemand Zijn gunst herroepen.
وإن يردك بخير فلا رآد لفضله
Hij laat haar toevallen aan wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen.
يصيب به من يشآء من عباده
Hij is de Zeer Vergevensgezinde, de Welwillende.
وهو ٱلغفور ٱلرحيم
Zeg: “O mensen! De waarheid is tot jullie gekomen van jullie Voogd;
قل يأيها ٱلناس قد جآءكم ٱلحق من ربكم
wie zich laat leiden, laat zich dus slechts voor zichzelf leiden,
فمن ٱهتدى فإنما يهتدي لنفسه
en wie dwaalt, dwaalt slechts tegen zichzelf.
ومن ضل فإنما يضل عليها
En ik ben voor jullie geen lasthebber.”
ومآ أنا عليكم بوكيل
En volg wat je geopenbaard wordt, en wees geduldig totdat God oordeelt.
وٱتبع ما يوحى إليك وٱصبر حتى يحكم ٱلله
Hij is de voortreffelijkste van de rechters.
وهو خير ٱلحكمين