هود
Hud
Stand Straight
بسم ٱلله ٱلرحمن ٱلرحيم
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
Alif. Lam. Ra.
الر
Een Schrift waarvan de tekenen onaantastbaar zijn gemaakt, vervolgens gedetailleerd, van de kant van een Wijze, Intiem Kenner: “Gehoorzaam slechts God; ik ben voor jullie, van Zijn kant, een waarschuwer en een aankondiger; smeek jullie Voogd om vergeving, keer vervolgens tot Hem terug: Hij zal jullie een schone genieting doen genieten tot een genoemde termijn, en Hij zal aan elke houder van gunst zijn gunst verlenen.
كتب أحكمت ءايته ثم فصلت من لدن حكيم خبير ألا تعبدوا إلا ٱلله إنني لكم منه نذير وبشير وأن ٱستغفروا ربكم ثم توبوا إليه يمتعكم متعا حسنا إلى أجل مسمى ويؤت كل ذي فضل فضله
Maar als jullie de rug toekeren, vrees ik dan gewis voor jullie de pijn van een grote dag.”
وإن تولوا فإني أخاف عليكم عذاب يوم كبير
Tot God is jullie terugkeer,
إلى ٱلله مرجعكم
en Hij is tot alles in staat.
وهو على كل شىء قدير
Is het niet zo: zij vouwen gewis hun borst op om zich voor Hem te verbergen.
ألآ إنهم يثنون صدورهم ليستخفوا منه
Is het niet zo dat Hij, wanneer zij zich met hun kleren bedekken, weet wat zij geheimhouden en wat zij bekendmaken?
ألا حين يستغشون ثيابهم يعلم ما يسرون وما يعلنون
Hij is Alwetend over de inhoud van de borsten.
إنه عليم بذات ٱلصدور
Er is geen wezen dat zich op de aarde beweegt wiens leeftocht niet aan God toekomt; Hij kent zijn haven en zijn plaats van deponering:
وما من دآبة في ٱلأرض إلا على ٱلله رزقها ويعلم مستقرها ومستودعها
alles staat in een uitdrukkelijk register.
كل في كتب مبين
En Hij is het die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, terwijl Zijn Bouwwerk zich grondde op het water, om jullie te beproeven: wie van jullie het beste handelt.
وهو ٱلذي خلق ٱلسموت وٱلأرض في ستة أيام وكان عرشه على ٱلمآء ليبلوكم أيكم أحسن عملا
En als je zegt: “Jullie zullen opgewekt worden na de dood”, zullen zij die verloochenen voorzeker zeggen: “Dit is niets dan een klaarblijkelijke begoocheling.”
ولئن قلت إنكم مبعوثون من بعد ٱلموت ليقولن ٱلذين كفروا إن هذآ إلا سحر مبين
En als Wij voor hen de pijn vertragen tot een getelde tijd, zullen zij voorzeker zeggen: “Wat houdt haar in het ongewisse?”
ولئن أخرنا عنهم ٱلعذاب إلى أمة معدودة ليقولن ما يحبسه
Is het niet zo dat zij, de dag waarop zij tot hen komt, niet van hen zal worden afgewend,
ألا يوم يأتيهم ليس مصروفا عنهم
en wat zij hoonden, zal hen omhullen.
وحاق بهم ما كانوا به يستهزءون
En als Wij de mens een welwillendheid van Onze kant laten proeven, haar hem vervolgens ontnemen, dan is hij voorzeker zonder hoop, een groot verloochenaar.
ولئن أذقنا ٱلإنسن منا رحمة ثم نزعنها منه إنه ليوس كفور
En als Wij hem een weldaad laten proeven na een schade die hem getroffen heeft, zal hij voorzeker zeggen: “De slechte handelingen zijn ver van mij heengegaan”:
ولئن أذقنه نعمآء بعد ضرآء مسته ليقولن ذهب ٱلسيات عني
daar is hij voorzeker vrolijk, opschepperig.
إنه لفرح فخور
Behalve zij die geduldig zijn geweest en de deugdelijke werken hebben verricht: dezen zullen vergeving en een grote beloning hebben.
إلا ٱلذين صبروا وعملوا ٱلصلحت أولئك لهم مغفرة وأجر كبير
Misschien zul je een deel achterlaten van wat je geopenbaard wordt, en je borst zal er benauwd van worden, omdat zij zeggen: “Waarom heeft men geen schat op hem doen neerdalen, of komt er geen Gemachtigde met hem mee!”
فلعلك تارك بعض ما يوحى إليك وضآئق به صدرك أن يقولوا لولآ أنزل عليه كنز أو جآء معه ملك
Jij bent slechts een waarschuwer;
إنمآ أنت نذير
en God is, over alles, lasthebber.
وٱلله على كل شىء وكيل
Of zullen zij zeggen: “Hij heeft haar verzonnen”?
أم يقولون ٱفترىه
Zeg: “Breng dan tien verzonnen soera's, aan haar gelijk, en roep wie jullie kunnen, buiten God, als jullie waarachtig zijn.”
قل فأتوا بعشر سور مثله مفتريت وٱدعوا من ٱستطعتم من دون ٱلله إن كنتم صدقين
Als zij jullie niet antwoorden, weet dan dat dit slechts met het weten van God neergedaald is, en dat er geen godheid is behalve Hij.
فإلم يستجيبوا لكم فٱعلموا أنمآ أنزل بعلم ٱلله وأن لآ إله إلا هو
Zullen jullie dan integer zijn tegenover God?
فهل أنتم مسلمون
Wie het leven hienieden en zijn tooi wil, aan hem geven Wij zijn werken getrouw terug in dit leven, en hij zal daarin niet tekortgedaan worden:
من كان يريد ٱلحيوة ٱلدنيا وزينتها نوف إليهم أعملهم فيها وهم فيها لا يبخسون
dat zijn zij die in het laatste leven niets dan het Vuur zullen hebben;
أولئك ٱلذين ليس لهم في ٱلءاخرة إلا ٱلنار
wat zij daarin gedaan hebben zal ingestort zijn,
وحبط ما صنعوا فيها
en ijdel zal zijn wat zij deden.
وبطل ما كانوا يعملون
Wie zich grondt op een duidelijk bewijs van zijn Voogd, en op wie een getuige van Zijn kant volgt?
أفمن كان على بينة من ربه ويتلوه شاهد منه
En vóór hem, de Schrift van Moesa, als referentie en welwillendheid.
ومن قبله كتب موسى إماما ورحمة
Dat zijn zij die erin geloven.
أولئك يؤمنون به
En wie, onder de partijen, het verloochent, heeft het Vuur als afspraak:
ومن يكفر به من ٱلأحزاب فٱلنار موعده
treed er dan niet over in controverse,
فلا تك في مرية منه
want het is de waarheid, komend van jouw Voogd, maar de meeste mensen geloven niet.
إنه ٱلحق من ربك ولكن أكثر ٱلناس لا يؤمنون
En wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een leugen tegen God verzint?
ومن أظلم ممن ٱفترى على ٱلله كذبا
Dat zijn zij die voor hun Voogd voorgeleid zullen worden, en de getuigen zullen zeggen: “Dat zijn zij die tegen hun Voogd gelogen hebben!”
أولئك يعرضون على ربهم ويقول ٱلأشهد هؤلآء ٱلذين كذبوا على ربهم
Is het niet zo dat de vloek van God over de onrechtvaardigen is, zij die de weg van God versperren en haar kronkelig trachten te maken, en die het laatste leven verloochenen?
ألا لعنة ٱلله على ٱلظلمين ٱلذين يصدون عن سبيل ٱلله ويبغونها عوجا وهم بٱلءاخرة هم كفرون
Dat zijn zij die, op de aarde, Hem niet tot onmacht zullen kunnen brengen, en die buiten God geen enkele bondgenoot zullen hebben:
أولئك لم يكونوا معجزين في ٱلأرض وما كان لهم من دون ٱلله من أوليآء
de pijn zal hun verdubbeld worden.
يضعف لهم ٱلعذاب
Zij konden noch horen, noch helder zien.
ما كانوا يستطيعون ٱلسمع وما كانوا يبصرون
Dat zijn zij die het verlies van hun Zelf veroorzaakt hebben, en wat zij verzonnen is ver van hen weggedwaald.
أولئك ٱلذين خسروا أنفسهم وضل عنهم ما كانوا يفترون
Onvermijdelijk zijn zij het in het laatste leven die de grootste verliezers zijn.
لا جرم أنهم في ٱلءاخرة هم ٱلأخسرون
Zij die geloofd hebben, de deugdelijke werken hebben verricht en zich gebogen hebben voor hun Voogd: dat zijn de metgezellen van de Tuin,
إن ٱلذين ءامنوا وعملوا ٱلصلحت وأخبتوا إلى ربهم أولئك أصحب ٱلجنة
waarin zij eeuwig zullen blijven.
هم فيها خلدون
Het voorbeeld van de twee fracties is als de blinde en de dove, en de ziende en de horende:
مثل ٱلفريقين كٱلأعمى وٱلأصم وٱلبصير وٱلسميع
zijn zij gelijk in voorbeeld?
هل يستويان مثلا
Herinneren jullie je dan niet?
أفلا تذكرون
Wij hebben Noeh gewis tot zijn volk gezonden:
ولقد أرسلنا نوحا إلى قومه
“Ik ben voor jullie een uitdrukkelijke waarschuwer:
إني لكم نذير مبين
gehoorzaam slechts God;
أن لا تعبدوا إلا ٱلله
want ik vrees voor jullie de pijn van een schrijnende dag.”
إني أخاف عليكم عذاب يوم أليم
Het hof van hen die verloochenden, onder zijn volk, zei: “Wij zien in jou slechts een sterveling zoals wij, en wij zien dat alleen zij je gevolgd hebben die, onder ons, de laagsten zijn, op het eerste gezicht.
فقال ٱلملأ ٱلذين كفروا من قومه ما نرىك إلا بشرا مثلنا وما نرىك ٱتبعك إلا ٱلذين هم أراذلنا بادي ٱلرأي
En wij zien bij jullie geen enkele gunst boven ons; wij vermoeden eerder dat jullie leugenaars zijn.”
وما نرى لكم علينا من فضل بل نظنكم كذبين
Hij zei: “O mijn volk, zien jullie het? Als ik mij grond op een duidelijk bewijs van mijn Voogd, en Hij mij een welwillendheid van Zijn kant verleend heeft, en zij voor jullie verduisterd is, zouden wij haar dan aan jullie opleggen terwijl jullie er een afkeer van hebben?
قال يقوم أرءيتم إن كنت على بينة من ربي وءاتىني رحمة من عنده فعميت عليكم أنلزمكموها وأنتم لها كرهون
O mijn volk, ik vraag jullie hiervoor geen enkel goed:
ويقوم لآ أسلكم عليه مالا
mijn beloning ligt slechts bij God.
إن أجري إلا على ٱلله
En ik behoor niet tot degenen die hen afwijzen die geloven: zij zullen gewis hun Voogd ontmoeten;
ومآ أنا بطارد ٱلذين ءامنوا إنهم ملقوا ربهم
maar ik zie in jullie een onwetend volk.
ولكني أرىكم قوما تجهلون
O mijn volk, wie zou mij te hulp komen tegen God, als ik hen afwees?
ويقوم من ينصرني من ٱلله إن طردتهم
Herinneren jullie je dan niet?
أفلا تذكرون
En ik zeg jullie niet dat ik de reserves van God bij mij heb, noch dat ik ken wat de zintuigen ontgaat, noch dat ik een Gemachtigde ben;
ولآ أقول لكم عندي خزآئن ٱلله ولآ أعلم ٱلغيب ولآ أقول إني ملك
en ik zeg niet, van hen die jullie ogen minachten, dat God hun geen enkel goed zal verlenen:
ولآ أقول للذين تزدري أعينكم لن يؤتيهم ٱلله خيرا
God weet het best wat in hun Zelven is.
ٱلله أعلم بما في أنفسهم
Dan zou ik voorzeker tot de onrechtvaardigen behoren.”
إني إذا لمن ٱلظلمين
Zij zeiden: “O Noeh, je hebt met ons gedebatteerd, en je bent overvloedig geweest in het debat; breng ons dan wat je ons belooft, als je tot de waarachtigen behoort.”
قالوا ينوح قد جدلتنا فأكثرت جدلنا فأتنا بما تعدنآ إن كنت من ٱلصدقين
Hij zei: “Het is God alleen die het jullie zal brengen, als het Hem behaagt, en jullie zullen Hem niet tot onmacht kunnen brengen.
قال إنما يأتيكم به ٱلله إن شآء ومآ أنتم بمعجزين
En mijn raad zal jullie van geen enkel nut zijn, al wilde ik jullie raad geven, als God jullie wil doen ronddolen:
ولا ينفعكم نصحي إن أردت أن أنصح لكم إن كان ٱلله يريد أن يغويكم
Hij is jullie Voogd,
هو ربكم
en tot Hem zullen jullie teruggebracht worden.”
وإليه ترجعون
Of zullen zij zeggen: “Hij heeft haar verzonnen”?
أم يقولون ٱفترىه
Zeg: “Als ik haar verzonnen heb, dan ligt mijn afzondering bij mij, en ben ik vrij van jullie afzondering.”
قل إن ٱفتريته فعلى إجرامي وأنا بريء مما تجرمون
En aan Noeh werd geopenbaard dat niemand, van jouw volk, nog zal geloven, uitgezonderd zij die reeds geloofd hebben:
وأوحي إلى نوح أنه لن يؤمن من قومك إلا من قد ءامن
kwijn dan niet weg om wat zij deden.
فلا تبتئس بما كانوا يفعلون
En vervaardig het vaartuig, onder Onze ogen en volgens Onze openbaring,
وٱصنع ٱلفلك بأعيننا ووحينا
en richt je niet tot Mij omtrent hen die onrechtvaardig zijn geweest, want zij zullen verdrinken.
ولا تخطبني في ٱلذين ظلموا إنهم مغرقون
En hij vervaardigde het vaartuig; en telkens wanneer een hof van zijn volk langs hem kwam, spotte het met hem.
ويصنع ٱلفلك وكلما مر عليه ملأ من قومه سخروا منه
Hij zei: “Als jullie met ons spotten, zullen wij gewis met jullie spotten zoals jullie met ons spotten.
قال إن تسخروا منا فإنا نسخر منكم كما تسخرون
Weldra zullen jullie weten bij wie een pijn komt die hem met schande bedekt, en over wie een pijn neerstort die zich handhaaft.”
فسوف تعلمون من يأتيه عذاب يخزيه ويحل عليه عذاب مقيم
Totdat, toen Ons bevel kwam en de oven begon te borrelen, Wij zeiden: “Laad daarin, van alles, twee elementen van een paar, alsook jouw familie, uitgezonderd hem op wie de eerdere uitspraak drukt, en zij die geloofd hebben.”
حتى إذا جآء أمرنا وفار ٱلتنور قلنا ٱحمل فيها من كل زوجين ٱثنين وأهلك إلا من سبق عليه ٱلقول ومن ءامن
En slechts weinigen geloofden met hem.
ومآ ءامن معه إلا قليل
En hij zei: “Klim erin: in de naam van God zijn haar koers en haar ankerplaats.
وقال ٱركبوا فيها بسم ٱلله مجرىها ومرسىهآ
Mijn Voogd is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”
إن ربي لغفور رحيم
En het voer met hen in een deining als bergen.
وهي تجري بهم في موج كٱلجبال
En Noeh riep zijn zoon toe, die zich terzijde hield: “O mijn kleine, klim met ons mee, en wees niet met hen die verloochenen.”
ونادى نوح ٱبنه وكان في معزل يبنى ٱركب معنا ولا تكن مع ٱلكفرين
Hij zei: “Ik zal mijn toevlucht zoeken op een berg, die mij tegen het water zal vrijwaren.”
قال ساوي إلى جبل يعصمني من ٱلمآء
Hij zei: “Er is vandaag geen vrijwaring tegen het bevel van God, behalve voor degene aan wie Hij welwillendheid bewijst.”
قال لا عاصم ٱليوم من أمر ٱلله إلا من رحم
En de deining schoof zich tussen hen beiden, en hij behoorde tot de verdronkenen.
وحال بينهما ٱلموج فكان من ٱلمغرقين
En er werd gezegd: “O aarde, slik jouw water in! O hemel, houd op!”
وقيل يأرض ٱبلعي مآءك ويسمآء أقلعي
En het water trok zich terug, de zaak werd beslist, en het vaartuig vestigde zich op de Djoedi.
وغيض ٱلمآء وقضي ٱلأمر وٱستوت على ٱلجودي
En er werd gezegd: “Moge het volk van de onrechtvaardigen ver weg zijn!”
وقيل بعدا للقوم ٱلظلمين
En Noeh riep tot zijn Voogd en zei: “Mijn Voogd, mijn zoon is gewis van mijn familie, en Uw belofte is waarheid,
ونادى نوح ربه فقال رب إن ٱبني من أهلي وإن وعدك ٱلحق
en U bent de rechtvaardigste van de rechters.”
وأنت أحكم ٱلحكمين
Hij zei: “O Noeh, hij is gewis niet van jouw familie,
قال ينوح إنه ليس من أهلك
want hij heeft verricht wat niet deugdelijk is.
إنه عمل غير صلح
Vraag Mij dan niet naar datgene waarvan je geen enkel weten hebt,
فلا تسلن ما ليس لك به علم
want ik vermaan je om niet tot de onwetenden te behoren.”
إني أعظك أن تكون من ٱلجهلين
Hij zei: “Mijn Voogd, ik stel mij gewis onder Uw egide om U niet te vragen naar datgene waarvan ik geen enkel weten heb,
قال رب إني أعوذ بك أن أسلك ما ليس لي به علم
en als U mij niet vergeeft en mij geen welwillendheid bewijst, zal ik tot de verliezers behoren.”
وإلا تغفر لي وترحمني أكن من ٱلخسرين
Er werd gezegd: “O Noeh, daal neer met een vrede van Ons, en zegeningen over jou en over gemeenschappen voortkomend uit hen die met jou zijn;
قيل ينوح ٱهبط بسلم منا وبركت عليك وعلى أمم ممن معك
en er zijn gemeenschappen die Wij zullen doen genieten, waarna een schrijnende pijn hen van Onze kant zal raken.”
وأمم سنمتعهم ثم يمسهم منا عذاب أليم
Dit zijn berichten over wat de zintuigen ontgaat, die Wij je openbaren:
تلك من أنبآء ٱلغيب نوحيهآ إليك
je kende ze niet, noch jij noch jouw volk, daarvóór.
ما كنت تعلمهآ أنت ولا قومك من قبل هذا
Wees dus geduldig,
فٱصبر
want de afloop komt toe aan hen die zich behoeden.
إن ٱلعقبة للمتقين
En tot de Aad, hun broer Hoed:
وإلى عاد أخاهم هودا
hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God: jullie hebben geen andere godheid dan Hem;
قال يقوم ٱعبدوا ٱلله ما لكم من إله غيره
jullie zijn slechts verzinners.
إن أنتم إلا مفترون
O mijn volk, ik vraag jullie hiervoor geen enkele beloning:
يقوم لآ أسلكم عليه أجرا
mijn beloning ligt slechts bij Hem die mij oorspronkelijk geschapen heeft.
إن أجري إلا على ٱلذي فطرني
Redeneren jullie dan niet?
أفلا تعقلون
O mijn volk, smeek jullie Voogd om vergeving, keer vervolgens tot Hem terug: Hij zal de vloeiende hemel over jullie zenden, en Hij zal kracht toevoegen aan jullie kracht; en keer de rug niet toe als afgezonderden.”
ويقوم ٱستغفروا ربكم ثم توبوا إليه يرسل ٱلسمآء عليكم مدرارا ويزدكم قوة إلى قوتكم ولا تتولوا مجرمين
Zij zeiden: “O Hoed, je hebt ons geen duidelijk bewijs gebracht, en wij zullen onze godheden niet achterlaten op jouw uitspraak, en wij geven jou geen krediet.
قالوا يهود ما جئتنا ببينة وما نحن بتاركي ءالهتنا عن قولك وما نحن لك بمؤمنين
Wij zeggen slechts dat een van onze godheden je met kwaad geslagen heeft.”
إن نقول إلا ٱعترىك بعض ءالهتنا بسوء
Hij zei: “Ik neem God gewis tot getuige,
قال إني أشهد ٱلله
en wees getuigen dat ik vrij ben van wat jullie buiten Hem associëren:
وٱشهدوا أني بريء مما تشركون من دونه
smeed dan allen tegen mij een complot, en verleen mij geen uitstel,
فكيدوني جميعا ثم لا تنظرون
want ik verleen lastgeving aan God, mijn Voogd en jullie Voogd:
إني توكلت على ٱلله ربي وربكم
er is geen wezen dat zich beweegt of Hij houdt het bij de kuif vast.
ما من دآبة إلا هو ءاخذ بناصيتهآ
Mijn Voogd is op een rechtlijnig pad.
إن ربي على صرط مستقيم
Als jullie de rug toekeren, heb ik jullie al overgebracht datgene waarmee ik tot jullie gezonden ben;
فإن تولوا فقد أبلغتكم مآ أرسلت به إليكم
en mijn Voogd zal in jullie plaats een ander volk doen opvolgen, zonder dat jullie Hem in iets schaden,
ويستخلف ربي قوما غيركم ولا تضرونه شيا
want mijn Voogd bewaart alles.”
إن ربي على كل شىء حفيظ
En toen Ons bevel kwam, redden Wij Hoed en zij die met hem geloofd hadden, door een welwillendheid van Onze kant, en Wij redden hen van een harde pijn.
ولما جآء أمرنا نجينا هودا وٱلذين ءامنوا معه برحمة منا ونجينهم من عذاب غليظ
En dat zijn de Aad: zij betwistten hardnekkig de tekenen van hun Voogd, waren ongehoorzaam aan Zijn gezanten, en volgden het bevel van elke koppige tiran.
وتلك عاد جحدوا بايت ربهم وعصوا رسله وٱتبعوا أمر كل جبار عنيد
En zij werden achtervolgd, in dit leven hienieden, door een vloek, evenals op de Dag van het Verschijnen:
وأتبعوا في هذه ٱلدنيا لعنة ويوم ٱلقيمة
is het niet zo: de Aad hebben hun Voogd gewis verloochend.
ألآ إن عادا كفروا ربهم
Mogen de Aad, het volk van Hoed, ver weg zijn!
ألا بعدا لعاد قوم هود
En tot de Thamoed, hun broer Salih:
وإلى ثمود أخاهم صلحا
hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God: jullie hebben geen andere godheid dan Hem.
قال يقوم ٱعبدوا ٱلله ما لكم من إله غيره
Hij is het die jullie uit de aarde heeft doen ontstaan en jullie daarin lang heeft doen leven: smeek dan om Zijn vergeving, keer vervolgens tot Hem terug,
هو أنشأكم من ٱلأرض وٱستعمركم فيها فٱستغفروه ثم توبوا إليه
want mijn Voogd is nabij, en Hij antwoordt.”
إن ربي قريب مجيب
Zij zeiden: “O Salih, je was onder ons een hoop daarvóór; verbied je ons te gehoorzamen aan datgene waaraan onze voorouders gehoorzaamden? Voorzeker zijn wij in een verontrustende verlegenheid over datgene waartoe je ons roept.”
قالوا يصلح قد كنت فينا مرجوا قبل هذآ أتنهىنآ أن نعبد ما يعبد ءابآؤنا وإننا لفي شك مما تدعونآ إليه مريب
Hij zei: “O mijn volk, zien jullie het? Als ik mij grond op een duidelijk bewijs van mijn Voogd, en Hij mij, van Zijn kant, een welwillendheid verleend heeft, wie zou mij dan te hulp komen tegen God als ik Hem ongehoorzaam was?
قال يقوم أرءيتم إن كنت على بينة من ربي وءاتىني منه رحمة فمن ينصرني من ٱلله إن عصيته
Jullie zouden dan slechts mijn verlies vergroten.
فما تزيدونني غير تخسير
O mijn volk, dit is de kamelin van God, een teken voor jullie:
ويقوم هذه ناقة ٱلله لكم ءاية
laat haar dus achter: laat haar eten op de aarde van God,
فذروها تأكل في أرض ٱلله
en raak haar niet met enig kwaad, anders zou een nabije pijn jullie grijpen.”
ولا تمسوها بسوء فيأخذكم عذاب قريب
Maar zij verminkten haar. Toen zei hij: “Geniet in jullie woning drie dagen:
فعقروها فقال تمتعوا في داركم ثلثة أيام
dat is een belofte die niet ontkend zal worden.”
ذلك وعد غير مكذوب
Toen Ons bevel kwam, redden Wij Salih en zij die met hem geloofd hadden, door een welwillendheid van Onze kant, en van de schande van die dag;
فلما جآء أمرنا نجينا صلحا وٱلذين ءامنوا معه برحمة منا ومن خزي يومئذ
want jouw Voogd is de Sterke, de Almachtige.
إن ربك هو ٱلقوي ٱلعزيز
En de Kreet greep hen die onrechtvaardig geweest waren, zodat zij zich, in hun woningen, liggend en roerloos bevonden, alsof zij daar nooit geleefd hadden.
وأخذ ٱلذين ظلموا ٱلصيحة فأصبحوا في ديرهم جثمين كأن لم يغنوا فيهآ
Is het niet zo: de Thamoed hebben hun Voogd gewis verloochend.
ألآ إن ثمودا كفروا ربهم
Mogen de Thamoed ver weg zijn!
ألا بعدا لثمود
En Onze gezanten kwamen gewis tot Ibrahim met het goede nieuws: zij zeiden: “Vrede!”
ولقد جآءت رسلنآ إبرهيم بٱلبشرى قالوا سلما
Hij zei: “Vrede!”
قال سلم
en hij draalde niet om een gebraden kalf te brengen.
فما لبث أن جآء بعجل حنيذ
Maar toen hij zag dat hun handen het niet bereikten, vond hij hen vreemd en voelde hij vrees voor hen.
فلما رءآ أيديهم لا تصل إليه نكرهم وأوجس منهم خيفة
Zij zeiden: “Vrees niet,
قالوا لا تخف
want wij zijn gezonden tot het volk van Loet.”
إنآ أرسلنآ إلى قوم لوط
En zijn vrouw, staande, begon te lachen;
وٱمرأته قآئمة فضحكت
Wij kondigden haar toen Ishaq aan,
فبشرنها بإسحق
en, na Ishaq, Ja'qoeb.
ومن ورآء إسحق يعقوب
Zij zei: “Wat een ongeluk voor mij! Zou ik baren terwijl ik oud ben, en zie hier mijn echtgenoot, een grijsaard?
قالت يويلتى ءألد وأنا عجوز وهذا بعلي شيخا
Dit is voorzeker een verbazingwekkend ding!”
إن هذا لشىء عجيب
Zij zeiden: “Verbaas je je over het bevel van God?
قالوا أتعجبين من أمر ٱلله
Mogen de welwillendheid van God en Zijn zegeningen over jullie zijn, lieden van het huis!
رحمت ٱلله وبركته عليكم أهل ٱلبيت
Want Hij is Lofwaardig, vol glorie.”
إنه حميد مجيد
Toen de ontsteltenis Ibrahim verlaten had en het goede nieuws tot hem gekomen was, begon hij met Ons te debatteren over het volk van Loet:
فلما ذهب عن إبرهيم ٱلروع وجآءته ٱلبشرى يجدلنا في قوم لوط
Ibrahim is voorzeker lankmoedig, vol zuchten, zich onophoudelijk tot Hem wendend.
إن إبرهيم لحليم أوه منيب
“O Ibrahim, onttrek je hieraan:
يإبرهيم أعرض عن هذآ
het bevel van jouw Voogd is reeds gekomen,
إنه قد جآء أمر ربك
en een pijn die niet herroepen kan worden komt gewis tot hen.”
وإنهم ءاتيهم عذاب غير مردود
En toen Onze gezanten tot Loet kwamen, mishaagde hun komst hem, en hij voelde zich radeloos omtrent hen, en zei: “Dit is een moeizame dag.”
ولما جآءت رسلنا لوطا سيء بهم وضاق بهم ذرعا وقال هذا يوم عصيب
En zijn volk kwam naar hem toe, zich voortspoedend, terwijl zij tevoren de slechte handelingen begingen.
وجآءه قومه يهرعون إليه ومن قبل كانوا يعملون ٱلسيات
Hij zei: “O mijn volk, dit zijn mijn dochters: zij zijn reiner voor jullie; behoed jullie dan voor God, en bedek mij niet met schande omtrent mijn gasten:
قال يقوم هؤلآء بناتي هن أطهر لكم فٱتقوا ٱلله ولا تخزون في ضيفي
is er onder jullie geen verstandig man?”
أليس منكم رجل رشيد
Zij zeiden: “Jij weet al welk recht wij op je dochters hebben, en jij weet voorzeker wat wij willen.”
قالوا لقد علمت ما لنا في بناتك من حق وإنك لتعلم ما نريد
Hij zei: “Had ik maar enige kracht tegen jullie, of kon ik mijn toevlucht zoeken bij een stevige steun!”
قال لو أن لي بكم قوة أو ءاوي إلى ركن شديد
Zij zeiden: “O Loet, wij zijn gewis de gezanten van jouw Voogd: zij zullen je nooit bereiken.
قالوا يلوط إنا رسل ربك لن يصلوا إليك
Vertrek dan met jouw familie, uitgezonderd jouw vrouw, op een moment van de nacht, en laat niemand van jullie zich omdraaien,
فأسر بأهلك بقطع من ٱليل ولا يلتفت منكم أحد إلا ٱمرأتك
want wat hun zal toevallen zal ook haar toevallen.
إنه مصيبها مآ أصابهم
Hun afspraak is de ochtend:
إن موعدهم ٱلصبح
is de ochtend niet nabij?”
أليس ٱلصبح بقريب
Toen Ons bevel kwam, maakten Wij van haar bovenkant haar onderkant, en deden Wij over haar stenen van gevormde klei regenen, opgestapeld, gemerkt bij jouw Voogd:
فلما جآء أمرنا جعلنا عليها سافلها وأمطرنا عليها حجارة من سجيل منضود مسومة عند ربك
en zij is niet ver van de onrechtvaardigen.
وما هي من ٱلظلمين ببعيد
En tot Madjan, hun broer Sjoe'aib:
وإلى مدين أخاهم شعيبا
hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God: jullie hebben geen andere godheid dan Hem,
قال يقوم ٱعبدوا ٱلله ما لكم من إله غيره
en verminder noch de maat noch de weegschaal.
ولا تنقصوا ٱلمكيال وٱلميزان
Ik zie jullie gewis in het goede, en ik vrees voor jullie de pijn van een dag die omsingelt.
إني أرىكم بخير وإني أخاف عليكم عذاب يوم محيط
O mijn volk, geef de maat en de weegschaal getrouw, met billijkheid,
ويقوم أوفوا ٱلمكيال وٱلميزان بٱلقسط
en doe de mensen niet tekort in hun dingen, en zaai geen wanorde op de aarde als bedervers.
ولا تبخسوا ٱلناس أشيآءهم ولا تعثوا في ٱلأرض مفسدين
Wat bij God overblijft is beter voor jullie, als jullie gelovenden zijn;
بقيت ٱلله خير لكم إن كنتم مؤمنين
en ik ben over jullie geen bewaarder.”
ومآ أنا عليكم بحفيظ
Zij zeiden: “O Sjoe'aib, beveelt jouw Contact je dat wij achterlaten datgene waaraan onze voorouders gehoorzaamden, of dat wij ophouden met onze bezittingen te doen wat ons behaagt?
قالوا يشعيب أصلوتك تأمرك أن نترك ما يعبد ءابآؤنآ أو أن نفعل في أمولنا ما نشؤا
Jij bent voorzeker, jij, de lankmoedige, de verstandige!”
إنك لأنت ٱلحليم ٱلرشيد
Hij zei: “O mijn volk, zien jullie het? Als ik mij grond op een duidelijk bewijs van mijn Voogd, en Hij mij, van Zijn kant, voorzien heeft van een schone leeftocht…
قال يقوم أرءيتم إن كنت على بينة من ربي ورزقني منه رزقا حسنا
En ik wil jullie niet tegenspreken om zelf te doen wat ik jullie verbied:
ومآ أريد أن أخالفكم إلى مآ أنهىكم عنه
ik wil slechts de sanering, voor zover ik kan;
إن أريد إلا ٱلإصلح ما ٱستطعت
en mijn succes hangt slechts van God af:
وما توفيقي إلا بٱلله
aan Hem verleen ik lastgeving,
عليه توكلت
en het is tot Hem dat ik mij wend.
وإليه أنيب
O mijn volk, laat jullie breuk met mij jullie er niet toe brengen dat jullie toevalt wat het volk van Noeh toeviel, of het volk van Hoed, of het volk van Salih;
ويقوم لا يجرمنكم شقاقي أن يصيبكم مثل مآ أصاب قوم نوح أو قوم هود أو قوم صلح
en het volk van Loet is niet ver van jullie.
وما قوم لوط منكم ببعيد
En smeek jullie Voogd om vergeving, keer vervolgens tot Hem terug,
وٱستغفروا ربكم ثم توبوا إليه
want mijn Voogd is Welwillend, Liefhebbend.”
إن ربي رحيم ودود
Zij zeiden: “O Sjoe'aib, wij begrijpen niet veel van wat je zegt, en wij zien je voorzeker zwak onder ons; zonder jouw verwantschap zouden wij je verbannen hebben; en jij hebt over ons geen enkele macht.”
قالوا يشعيب ما نفقه كثيرا مما تقول وإنا لنرىك فينا ضعيفا ولولا رهطك لرجمنك ومآ أنت علينا بعزيز
Hij zei: “O mijn volk, heeft mijn verwantschap dan meer gewicht voor jullie dan God, die jullie achter jullie rug hebben gesteld?
قال يقوم أرهطي أعز عليكم من ٱلله وٱتخذتموه ورآءكم ظهريا
Mijn Voogd omsingelt volkomen wat jullie doen.
إن ربي بما تعملون محيط
O mijn volk, handel naar jullie plaats, want ook ik handel:
ويقوم ٱعملوا على مكانتكم إني عمل
jullie zullen weldra weten bij wie een pijn komt die hem met schande bedekt, en wie een leugenaar is.
سوف تعلمون من يأتيه عذاب يخزيه ومن هو كذب
En loer dan,
وٱرتقبوا
want ik loer met jullie.”
إني معكم رقيب
En toen Ons bevel kwam, redden Wij Sjoe'aib en zij die met hem geloofd hadden, door een welwillendheid van Onze kant.
ولما جآء أمرنا نجينا شعيبا وٱلذين ءامنوا معه برحمة منا
En de Kreet greep hen die onrechtvaardig geweest waren, zodat zij zich, in hun woningen, liggend en roerloos bevonden, alsof zij daar nooit geleefd hadden.
وأخذت ٱلذين ظلموا ٱلصيحة فأصبحوا في ديرهم جثمين كأن لم يغنوا فيهآ
Moge Madjan ver weg zijn, zoals de Thamoed ver weg geraakt zijn!
ألا بعدا لمدين كما بعدت ثمود
Wij hebben Moesa gewis gezonden met Onze tekenen en een klaarblijkelijk gezag, tot Fir'aun en zijn hof; maar zij volgden het bevel van Fir'aun,
ولقد أرسلنا موسى بايتنا وسلطن مبين إلى فرعون وملإيه فٱتبعوا أمر فرعون
en het bevel van Fir'aun was niet verstandig.
ومآ أمر فرعون برشيد
Hij zal aan het hoofd van zijn volk voortschrijden op de Dag van het Verschijnen, en hen aan het Vuur doen aankomen:
يقدم قومه يوم ٱلقيمة فأوردهم ٱلنار
wat een verfoeilijke plaats van aankomst is die waar men aankomt!
وبئس ٱلورد ٱلمورود
En zij werden achtervolgd, hienieden, door een vloek, evenals op de Dag van het Verschijnen:
وأتبعوا في هذه لعنة ويوم ٱلقيمة
wat een verfoeilijk cadeau is dat wat hun gegeven werd!
بئس ٱلرفد ٱلمرفود
Dit zijn berichten over de steden die Wij je vertellen: er zijn er die overeind overblijven, en andere die geoogst zijn.
ذلك من أنبآء ٱلقرى نقصه عليك منها قآئم وحصيد
En Wij hebben hun geen onrecht gedaan, maar zij hebben zichzelf onrecht gedaan:
وما ظلمنهم ولكن ظلموا أنفسهم
hun godheden, die zij buiten God aanriepen, dienden hun tot niets toen het bevel van jouw Voogd kwam,
فمآ أغنت عنهم ءالهتهم ٱلتي يدعون من دون ٱلله من شىء لما جآء أمر ربك
en zij vergrootten slechts hun ondergang.
وما زادوهم غير تتبيب
Zo is de greep van jouw Voogd, wanneer Hij de steden grijpt terwijl zij onrechtvaardig zijn:
وكذلك أخذ ربك إذآ أخذ ٱلقرى وهي ظلمة
Zijn greep is gewis schrijnend, streng.
إن أخذه أليم شديد
Voorzeker is daarin een teken voor wie de pijn van het laatste leven vreest:
إن في ذلك لءاية لمن خاف عذاب ٱلءاخرة
het is een dag waarop de mensen bijeengebracht zullen worden,
ذلك يوم مجموع له ٱلناس
en het is een geattesteerde dag.
وذلك يوم مشهود
En Wij schorten het slechts op tot een getelde termijn.
وما نؤخره إلا لأجل معدود
Op de dag waarop hij komt, zal geen enkel Zelf spreken zonder Zijn toestemming:
يوم يأت لا تكلم نفس إلا بإذنه
er zullen dan de ellendige en de gelukkige zijn.
فمنهم شقي وسعيد
Wat hen betreft die ellendig zullen zijn, zij zullen in het Vuur zijn, waar zij gereutel en gesnik zullen hebben, waarin zij eeuwig zullen blijven, zolang de hemelen en de aarde duren, behalve wat het jouw Voogd behaagt,
فأما ٱلذين شقوا ففي ٱلنار لهم فيها زفير وشهيق خلدين فيها ما دامت ٱلسموت وٱلأرض إلا ما شآء ربك
want jouw Voogd doet voortdurend wat Hij wil.
إن ربك فعال لما يريد
En wat hen betreft die gelukkig zullen zijn, zij zullen in de Tuin zijn, waarin zij eeuwig zullen blijven, zolang de hemelen en de aarde duren, behalve wat het jouw Voogd behaagt:
وأما ٱلذين سعدوا ففي ٱلجنة خلدين فيها ما دامت ٱلسموت وٱلأرض إلا ما شآء ربك
een dotatie die nooit zal opdrogen.
عطآء غير مجذوذ
Treed dan niet in controverse over datgene waaraan dezen gehoorzamen:
فلا تك في مرية مما يعبد هؤلآء
zij gehoorzamen slechts zoals hun voorouders tevoren gehoorzaamden.
ما يعبدون إلا كما يعبد ءابآؤهم من قبل
En Wij zullen hun voorzeker hun portie getrouw teruggeven, zonder er iets van te verminderen.
وإنا لموفوهم نصيبهم غير منقوص
Wij hebben Moesa gewis de Schrift gegeven, en men heeft erover gedivergeerd;
ولقد ءاتينا موسى ٱلكتب فٱختلف فيه
en zonder een voorafgaand woord van jouw Voogd zou er tussen hen beslist zijn;
ولولا كلمة سبقت من ربك لقضي بينهم
en zij zijn voorzeker, daarover, in een verontrustende verlegenheid.
وإنهم لفي شك منه مريب
En aan allen zal jouw Voogd voorzeker hun werken getrouw teruggeven,
وإن كلا لما ليوفينهم ربك أعملهم
want Hij is Intiem Kenner van wat zij doen.
إنه بما يعملون خبير
Houd je dan rechtop, zoals je bevolen is, alsook zij die met jou teruggekeerd zijn, en ga de maat niet te buiten,
فٱستقم كمآ أمرت ومن تاب معك ولا تطغوا
want Hij is Alziend over wat jullie doen.
إنه بما تعملون بصير
En steun niet op hen die onrechtvaardig zijn geweest, anders zou het Vuur jullie raken,
ولا تركنوا إلى ٱلذين ظلموا فتمسكم ٱلنار
en jullie zouden, buiten God, geen enkele bondgenoot hebben,
وما لكم من دون ٱلله من أوليآء
en dan zouden jullie niet geholpen worden.
ثم لا تنصرون
En onderhoud het Contact aan de twee uiteinden van de dag, en op nabije momenten van de nacht,
وأقم ٱلصلوة طرفى ٱلنهار وزلفا من ٱليل
want de goede daden verdrijven de slechte daden:
إن ٱلحسنت يذهبن ٱلسيات
dat is een herinnering voor wie zich herinneren.
ذلك ذكرى للذكرين
En wees geduldig,
وٱصبر
want God laat de beloning van hen die het goede doen niet vervliegen.
فإن ٱلله لا يضيع أجر ٱلمحسنين
Waren er onder de geslachten van voor jullie geen houders van een overschot die het bederf op de aarde verboden, behalve weinigen van hen die Wij gered hebben?
فلولا كان من ٱلقرون من قبلكم أولوا بقية ينهون عن ٱلفساد في ٱلأرض إلا قليلا ممن أنجينا منهم
En wie onrechtvaardig waren, volgden wat hen in overvloed liet leven, en waren afgezonderden.
وٱتبع ٱلذين ظلموا مآ أترفوا فيه وكانوا مجرمين
En het ligt niet in de aard van jouw Voogd om de steden onrechtvaardig te vernietigen, terwijl de mensen daar saneren.
وما كان ربك ليهلك ٱلقرى بظلم وأهلها مصلحون
En had het jouw Voogd behaagd, dan had Hij van de mensen één gemeenschap gemaakt;
ولو شآء ربك لجعل ٱلناس أمة وحدة
maar zij blijven uiteenlopen, behalve wie jouw Voogd welwillendheid betoont,
ولا يزالون مختلفين إلا من رحم ربك
en daarom heeft Hij hen geschapen.
ولذلك خلقهم
En het woord van jouw Voogd is voltooid: “Voorzeker zal Ik Djahannam vullen met de Verborgenen en de mensen, allen tezamen.”
وتمت كلمة ربك لأملأن جهنم من ٱلجنة وٱلناس أجمعين
En alles wat Wij je vertellen van de berichten over de gezanten, daarmee maken Wij jouw Bewustzijn standvastig;
وكلا نقص عليك من أنبآء ٱلرسل ما نثبت به فؤادك
en daarin is de waarheid tot je gekomen, een vermaning en een herinnering voor de gelovenden.
وجآءك في هذه ٱلحق وموعظة وذكرى للمؤمنين
En zeg tot hen die niet geloven: “Handel naar jullie plaats; wij, wij handelen; en wacht af: ook wij wachten gewis af.”
وقل للذين لا يؤمنون ٱعملوا على مكانتكم إنا عملون وٱنتظروا إنا منتظرون
En aan God behoort toe wat de zintuigen ontgaat in de hemelen en op de aarde,
ولله غيب ٱلسموت وٱلأرض
en tot Hem keert het bevel in zijn geheel terug:
وإليه يرجع ٱلأمر كله
gehoorzaam Hem dus, en verleen Hem lastgeving:
فٱعبده وتوكل عليه
en jouw Voogd is niet onbekommerd over wat jullie doen.
وما ربك بغفل عما تعملون