غافر
Ghafir
My Guardian Is God
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Ḥa. Mim.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم حم
De neerdaling van de Schrift komt van God, de Almachtige, de Alwetende, Hij die het vergrijp vergeeft en het berouw ontvangt, streng in de sanctie, houder van de ruimhartigheid,
ٮٮرٮل الكٮٮ مں الله العرٮر العلٮم عاڡر الدٮٮ وڡاٮل الٮوٮ سدٮد العڡاٮ دى الطول
geen godheid behalve Hij;
لا اله الا هو
tot Hem is de bestemming.
الٮه المصٮر
Slechts zij die verloochenen debatteren over de tekenen van God;
ما ٮحدل ڡى اٮٮ الله الا الدٮں كڡروا
laat hun komen en gaan door de landen jou dus niet bedriegen.
ڡلا ٮعررك ٮڡلٮهم ڡى الٮلد
Vóór hen heeft het volk van Noeh ontkend, en de partijen na hen,
كدٮٮ ڡٮلهم ڡوم ٮوح والاحراٮ مں ٮعدهم
en elke gemeenschap had de bedoeling haar gezant te grijpen,
وهمٮ كل امه ٮرسولهم لٮاحدوه
en zij hebben met het valse gedebatteerd om er de waarheid mee te weerleggen – toen heb Ik hen gegrepen:
وحدلوا ٮالٮطل لٮدحصوا ٮه الحٯ ڡاحدٮهم
en hoe was toen Mijn sanctie?
ڡكٮڡ كاں عڡاٮ
Zo heeft het woord van jouw Voogd zich bewaarheid tegen hen die verloochenen: zij zijn de metgezellen van het Vuur.
وكدلك حڡٮ كلمٮ رٮك على الدٮں كڡروا اٮهم اصحٮ الٮار
Zij die het Bouwwerk dragen en zij die het omringen glorifiëren hun Voogd, Hem lovend, geloven in Hem en smeken om vergeving voor hen die geloven:
الدٮں ٮحملوں العرس ومں حوله ٮسٮحوں ٮحمد رٮهم وٮومٮوں ٮه وٮسٮعڡروں للدٮں امٮوا
“Onze Voogd, U omvat alles met welwillendheid en weten; vergeef dan hen die terugkeren en Uw weg volgen, en behoed hen voor de pijn van de Gloeioven;
رٮٮا وسعٮ كل سى رحمه وعلما ڡاعڡر للدٮں ٮاٮوا واٮٮعوا سٮٮلك وڡهم عداٮ الححٮم
Onze Voogd, laat hen binnentreden in de Tuinen van de bestendigheid die U hun hebt beloofd, evenals hen die deugdelijk zijn geweest onder hun vaders, hun echtgenoten en hun nakomelingschappen;
رٮٮا وادحلهم حٮٮ عدں الٮى وعدٮهم ومں صلح مں اٮاٮهم واروحهم ودرٮٮهم
want U bent het, de Almachtige, de Wijze.
اٮك اٮٮ العرٮر الحكٮم
En behoed hen voor de kwade daden;
وڡهم السٮاٮ
en wie U die dag voor de kwade daden behoedt, aan hem hebt U welwillendheid bewezen,
ومں ٮٯ السٮاٮ ٮومٮد ڡڡد رحمٮه
en dat is de ontzaglijke triomf.”
ودلك هو الڡور العطٮم
Zij die verloochenen zullen toegeroepen worden: “De verafschuwing van God is voorzeker groter dan jullie eigen verafschuwing van jullie zelf, toen men jullie tot het geloof riep en jullie verloochenden.”
اں الدٮں كڡروا ٮٮادوں لمڡٮ الله اكٮر مں مڡٮكم اٮڡسكم اد ٮدعوں الى الاٮمں ڡٮكڡروں
Zij zullen zeggen: “Onze Voogd, U hebt ons tweemaal doen sterven en U hebt ons tweemaal doen leven; wij erkennen onze vergrijpen – is er dan een middel om eruit te komen?”
ڡالوا رٮٮا امٮٮا اٮٮٮٮں واحٮٮٮٮا اٮٮٮٮں ڡاعٮرڡٮا ٮدٮوٮٮا ڡهل الى حروح مں سٮٮل
Dat, omdat jullie verloochenden toen God alleen werd aangeroepen, en dat jullie geloofden als men Hem iets associeerde;
دلكم ٮاٮه ادا دعى الله وحده كڡرٮم واں ٮسرك ٮه ٮومٮوا
het oordeel behoort dus aan God, de Allerhoogste, de Grote.
ڡالحكم لله العلى الكٮٮر
Hij is het die jullie Zijn tekenen toont en voor jullie uit de hemel een leeftocht doet neerdalen;
هو الدى ٮرٮكم اٮٮه وٮٮرل لكم مں السما ررڡا
maar slechts wie zich tot Hem wendt, herinnert zich.
وما ٮٮدكر الا مں ٮٮٮٮ
Roep dus God aan, Hem uitsluitend de Wet toewijdend, al zouden zij die verloochenen er een afschuw van hebben.
ڡادعوا الله محلصٮں له الدٮں ولو كره الكڡروں
Hij is het die in graden verheft, houder van het Bouwwerk;
رڡٮع الدرحٮ دو العرس
Hij werpt de Toestroom van Zijn bevel op wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen, om te waarschuwen voor de Dag van de Ontmoeting, de dag waarop zij in het volle daglicht zullen zijn,
ٮلڡى الروح مں امره على مں ٮسا مں عٮاده لٮٮدر ٮوم الٮلاٯ ٮوم هم ٮرروں
niets van hen is voor God verborgen.
لا ٮحڡى على الله مٮهم سى
Aan wie behoort het koningschap vandaag?
لمں الملك الٮوم
Aan God, de Enige, de Overheerser.
لله الوحد الڡهار
Vandaag zal ieder Zelf vergolden worden naar wat het verworven heeft;
الٮوم ٮحرى كل ٮڡس ٮما كسٮٮ
geen onrecht vandaag;
لا طلم الٮوم
want God is snel in de rekening.
اں الله سرٮع الحساٮ
En waarschuw hen voor de Dag van de Naderende, wanneer de kernen ter hoogte van de kelen zullen zijn, beklemd,
واٮدرهم ٮوم الارڡه اد الڡلوٮ لدى الحٮاحر كطمٮں
de onrechtvaardigen zullen geen hartelijke vriend hebben, noch een bemiddelaar naar wie men zich voegt.
ما للطلمٮں مں حمٮم ولا سڡٮع ٮطاع
Hij kent het verraad van de ogen en wat de borsten verbergen.
ٮعلم حاٮٮه الاعٮں وما ٮحڡى الصدور
God beslist met waarheid,
والله ٮڡصى ٮالحٯ
terwijl zij die zij buiten Hem aanroepen niets beslissen;
والدٮں ٮدعوں مں دوٮه لا ٮڡصوں ٮسى
want God is de Alhorende, de Alziende.
اں الله هو السمٮع الٮصٮر
Hebben zij de aarde dan niet doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren?
اولم ٮسٮروا ڡى الارص ڡٮٮطروا كٮڡ كاں عڡٮه الدٮں كاٮوا مں ڡٮلهم
Zij waren superieur aan hen in kracht en in sporen op de aarde, en God heeft hen gegrepen om hun vergrijpen;
كاٮوا هم اسد مٮهم ڡوه واٮارا ڡى الارص ڡاحدهم الله ٮدٮوٮهم
en zij hadden, tegen God, niemand om hen te behoeden.
وما كاں لهم مں الله مں واٯ
Dat, omdat hun gezanten hun de duidelijke bewijzen brachten, maar zij verloochenden; toen heeft God hen gegrepen,
دلك ٮاٮهم كاٮٮ ٮاٮٮهم رسلهم ٮالٮٮٮٮ ڡكڡروا ڡاحدهم الله
want Hij is sterk, streng in de sanctie.
اٮه ڡوى سدٮد العڡاٮ
Wij hebben Moesa gewis gezonden met Onze tekenen en een klaarblijkelijk gezag, tot Fir'aun, Haman en Qaroen; zij zeiden: “Een begoochelaar, een groot leugenaar.”
ولڡد ارسلٮا موسى ٮاٮٮٮا وسلطں مٮٮں الى ڡرعوں وهمں وڡروں ڡڡالوا سحر كداٮ
Vervolgens, toen hij hun de waarheid van Ons bracht, zeiden zij: “Dood de zonen van hen die met hem geloofd hebben, en tast de eerbaarheid van hun vrouwen aan”;
ڡلما حاهم ٮالحٯ مں عٮدٮا ڡالوا اڡٮلوا اٮٮا الدٮں امٮوا معه واسٮحٮوا ٮساهم
maar de list van hen die verloochenen is slechts in dwaling.
وما كٮد الكڡرٮں الا ڡى صلل
En Fir'aun zei: “Laat mij Moesa doden, en laat hem zijn Voogd aanroepen, want ik vrees dat hij jullie Wet verandert en dat hij het bederf op de aarde aan het licht brengt.”
وڡال ڡرعوں دروٮى اڡٮل موسى ولٮدع رٮه اٮى احاڡ اں ٮٮدل دٮٮكم او اں ٮطهر ڡى الارص الڡساد
En Moesa zei: “Gewis stel ik mij onder de egide van mijn Voogd en van jullie Voogd tegen iedere hoogmoedige die niet gelooft in de Dag van de Rekening.”
وڡال موسى اٮى عدٮ ٮرٮى ورٮكم مں كل مٮكٮر لا ٮومں ٮٮوم الحساٮ
En een gelovende man uit de clan van Fir'aun, die zijn geloof verzweeg, zei: “Gaan jullie een man doden omdat hij zegt: ‘Mijn Voogd is God’, terwijl hij jullie de duidelijke bewijzen van jullie Voogd heeft gebracht? Als hij liegt, valt zijn leugen op hem terug; en als hij waarachtig is, zal een deel van wat hij jullie belooft jullie overkomen,
وڡال رحل مومں مں ال ڡرعوں ٮكٮم اٮمٮه اٮڡٮلوں رحلا اں ٮڡول رٮى الله وڡد حاكم ٮالٮٮٮٮ مں رٮكم واں ٮك كدٮا ڡعلٮه كدٮه واں ٮك صادڡا ٮصٮكم ٮعص الدى ٮعدكم
want God leidt niet hem die buitensporig is, een groot leugenaar.
اں الله لا ٮهدى مں هو مسرڡ كداٮ
O mijn volk, het koningschap is vandaag aan jullie, jullie zijn overheersend op de aarde; maar wie zal ons helpen tegen de strengheid van God als zij over ons komt?”
ٮڡوم لكم الملك الٮوم طهرٮں ڡى الارص ڡمں ٮٮصرٮا مں ٮاس الله اں حاٮا
Fir'aun zei: “Ik toon jullie slechts wat ik zie, en ik leid jullie slechts naar de weg van de rechtschapenheid.”
ڡال ڡرعوں ما ارٮكم الا ما ارى وما اهدٮكم الا سٮٮل الرساد
En hij die geloofd had zei: “O mijn volk, gewis vrees ik voor jullie een dag gelijk aan die van de partijen, gelijk aan het gedrag van het volk van Noeh, van de Aad, van de Thamoed, en van hen die na hen kwamen;
وڡال الدى امں ٮڡوم اٮى احاڡ علٮكم مٮل ٮوم الاحراٮ مٮل داٮ ڡوم ٮوح وعاد وٮمود والدٮں مں ٮعدهم
en God wil geen enkel onrecht voor de gehoorzamen.”
وما الله ٮرٮد طلما للعٮاد
“O mijn volk, gewis vrees ik voor jullie de Dag waarop men elkaar zal toeroepen, de dag waarop jullie vluchtend de rug toekeren, zonder dat jullie enige vrijwaring tegen God hebben;
وٮڡوم اٮى احاڡ علٮكم ٮوم الٮٮاد ٮوم ٮولوں مدٮرٮں ما لكم مں الله مں عاصم
en wie God doet dwalen, die heeft geen leidsman meer.
ومں ٮصلل الله ڡما له مں هاد
Joesoef is voorheen gewis tot jullie gekomen met de duidelijke bewijzen, en jullie zijn niet opgehouden in verlegenheid te zijn over wat hij jullie bracht, totdat jullie, toen hij omkwam, zeiden: ‘God zal na hem geen gezant meer opwekken’;
ولڡد حاكم ٮوسڡ مں ڡٮل ٮالٮٮٮٮ ڡما رلٮم ڡى سك مما حاكم ٮه حٮى ادا هلك ڡلٮم لں ٮٮعٮ الله مں ٮعده رسولا
zo doet God dwalen wie buitensporig is, vol twijfel –
كدلك ٮصل الله مں هو مسرڡ مرٮاٮ
zij die over de tekenen van God debatteren zonder dat enig gezag hun gekomen is;
الدٮں ٮحدلوں ڡى اٮٮ الله ٮعٮر سلطں اٮٮهم
dat is een grote gruwel bij God en bij hen die geloven.
كٮر مڡٮا عٮد الله وعٮد الدٮں امٮوا
Zo brengt God een afdruk aan op de kern van iedere tirannieke hoogmoedige.”
كدلك ٮطٮع الله على كل ڡلٮ مٮكٮر حٮار
En Fir'aun zei: “O Haman, bouw mij een belvedère, misschien bereik ik de middelen, de middelen van de hemelen, en bespeur ik de godheid van Moesa; ik vermoed hem voorzeker een leugenaar.”
وڡال ڡرعوں ٮهمں اٮں لى صرحا لعلى اٮلع الاسٮٮ اسٮٮ السموٮ ڡاطلع الى اله موسى واٮى لاطٮه كدٮا
Zo werd, in de ogen van Fir'aun, het kwaad van zijn werk verfraaid, en de weg werd hem versperd;
وكدلك رٮں لڡرعوں سو عمله وصد عں السٮٮل
de list van Fir'aun was slechts ondergang.
وما كٮد ڡرعوں الا ڡى ٮٮاٮ
En hij die geloofd had zei: “O mijn volk, volg mij, ik zal jullie leiden naar de weg van de rechtschapenheid;
وڡال الدى امں ٮڡوم اٮٮعوں اهدكم سٮٮل الرساد
o mijn volk, dit leven hienieden is slechts genieting,
ٮڡوم اٮما هده الحٮوه الدٮٮا مٮع
terwijl het laatste leven gewis het verblijf van de stabiliteit is.
واں الاحره هى دار الڡرار
Wie een kwade daad verricht, wordt slechts met het equivalent ervan vergolden,
مں عمل سٮٮه ڡلا ٮحرى الا مٮلها
en wie een deugdelijk werk verricht, man of vrouw, terwijl hij gelovend is, dezen zullen in de Tuin binnengebracht worden, waar zij zonder rekening van leeftocht voorzien worden.
ومں عمل صلحا مں دكر او اٮٮى وهو مومں ڡاولٮك ٮدحلوں الحٮه ٮررڡوں ڡٮها ٮعٮر حساٮ
O mijn volk, wat heb ik toch, dat ik jullie roep tot de redding, terwijl jullie mij roepen tot het Vuur?
وٮڡوم ما لى ادعوكم الى الٮحوه وٮدعوٮٮى الى الٮار
Jullie roepen mij om God te verloochenen en Hem te associëren datgene waarvan ik geen enkel weten heb, terwijl ik jullie roep tot de Almachtige, de Grote Vergever;
ٮدعوٮٮى لاكڡر ٮالله واسرك ٮه ما لٮس لى ٮه علم واٮا ادعوكم الى العرٮر العڡر
onvermijdelijk heeft datgene waartoe jullie mij roepen geen enkele roep, noch hienieden noch in het laatste leven; tot God zullen wij teruggebracht worden, en de buitensporigen zijn de metgezellen van het Vuur.
لا حرم اٮما ٮدعوٮٮى الٮه لٮس له دعوه ڡى الدٮٮا ولا ڡى الاحره واں مردٮا الى الله واں المسرڡٮں هم اصحٮ الٮار
Jullie zullen je weldra herinneren wat ik jullie zeg;
ڡسٮدكروں ما اڡول لكم
en ik draag mijn zaak aan God over;
واڡوص امرى الى الله
want God is Alziend over de gehoorzamen.”
اں الله ٮصٮر ٮالعٮاد
God behoedde hem toen voor de kwaden van wat zij complotteerden,
ڡوڡٮه الله سٮاٮ ما مكروا
en de kwade pijn omsloot de clan van Fir'aun:
وحاٯ ٮال ڡرعوں سو العداٮ
het Vuur, waaraan zij morgen en avond worden blootgesteld,
الٮار ٮعرصوں علٮها عدوا وعسٮا
en de dag waarop het Uur zich zal verheffen: “Treed binnen, clan van Fir'aun, in de strengste der pijnen.”
وٮوم ٮڡوم الساعه ادحلوا ال ڡرعوں اسد العداٮ
En wanneer zij in het Vuur met elkaar in geschil raken, zullen de zwakken zeggen tot hen die opzwollen van hoogmoed: “Wij waren gewis jullie volgers; kunnen jullie ons dan van nut zijn tegen een gedeelte van het Vuur?”
واد ٮٮحاحوں ڡى الٮار ڡٮڡول الصعڡوا للدٮں اسٮكٮروا اٮا كٮا لكم ٮٮعا ڡهل اٮٮم معٮوں عٮا ٮصٮٮا مں الٮار
Zij die opzwollen van hoogmoed zullen zeggen: “Gewis zijn wij er allen; God heeft reeds geoordeeld tussen de gehoorzamen.”
ڡال الدٮں اسٮكٮروا اٮا كل ڡٮها اں الله ڡد حكم ٮٮں العٮاد
En zij die in het Vuur zijn zullen tot de aangestelden van Djahannam zeggen: “Roep jullie Voogd aan, opdat Hij voor ons de pijn lichter maakt, al was het maar één dag.”
وڡال الدٮں ڡى الٮار لحرٮه حهٮم ادعوا رٮكم ٮحڡڡ عٮا ٮوما مں العداٮ
Zij zullen zeggen: “Brachten jullie gezanten jullie dan niet de duidelijke bewijzen?” Zij zullen zeggen: “Jawel.” Zij zullen zeggen: “Roep dan aan.”
ڡالوا اولم ٮك ٮاٮٮكم رسلكم ٮالٮٮٮٮ ڡالوا ٮلى ڡالوا ڡادعوا
Maar de aanroeping van hen die verloochenen is slechts in dwaling.
وما دعوا الكڡرٮں الا ڡى صلل
Wij helpen voorzeker Onze gezanten en hen die geloven, in het leven hienieden en op de dag waarop de getuigen zich zullen verheffen, de dag waarop de verontschuldiging van de onrechtvaardigen hun niet zal baten; zij zullen de vervloeking hebben, en zij zullen het kwade verblijf hebben.
اٮا لٮٮصر رسلٮا والدٮں امٮوا ڡى الحٮوه الدٮٮا وٮوم ٮڡوم الاسهد ٮوم لا ٮٮڡع الطلمٮں معدرٮهم ولهم اللعٮه ولهم سو الدار
Wij hebben Moesa gewis de leiding gegeven, en de zonen van Israël de Schrift doen erven, leiding en herinnering voor de houders van intelligentie.
ولڡد اٮٮٮا موسى الهدى واورٮٮا ٮٮى اسرٮل الكٮٮ هدى ودكرى لاولى الالٮٮ
Heb geduld dus, want de belofte van God is waarheid;
ڡاصٮر اں وعد الله حٯ
en smeek om vergeving voor jouw vergrijp, en glorifieer, door de lof, jouw Voogd, in de avond en bij de dageraad.
واسٮعڡر لدٮٮك وسٮح ٮحمد رٮك ٮالعسى والاٮكر
Zij die over de tekenen van God debatteren zonder dat enig gezag hun gekomen is, hebben in hun borst slechts een hoogmoed die zij nooit zullen bereiken;
اں الدٮں ٮحدلوں ڡى اٮٮ الله ٮعٮر سلطں اٮٮهم اں ڡى صدورهم الا كٮر ما هم ٮٮلعٮه
zoek dus de egide van God,
ڡاسٮعد ٮالله
want Hij is het, de Alhorende, de Alziende.
اٮه هو السمٮع الٮصٮر
De schepping van de hemelen en de aarde is voorzeker groter dan de schepping van de mensen,
لحلٯ السموٮ والارص اكٮر مں حلٯ الٮاس
maar de meeste mensen weten het niet.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮعلموں
De blinde en de ziende zijn niet gelijk, evenmin als zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht en hij die kwaad handelt;
وما ٮسٮوى الاعمى والٮصٮر والدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ ولا المسى
zij herinneren zich zeer weinig.
ڡلٮلا ما ٮٮدكروں
Het Uur komt voorzeker, geen twijfel erover,
اں الساعه لاٮٮه لا رٮٮ ڡٮها
maar de meeste mensen geloven niet.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮومٮوں
En jullie Voogd heeft gezegd: “Roep Mij aan, Ik zal jullie antwoorden;
وڡال رٮكم ادعوٮى اسٮحٮ لكم
want zij die opzwellen van hoogmoed tegenover Mijn gehoorzaamheid zullen weldra Djahannam binnengaan, neergeslagen.”
اں الدٮں ٮسٮكٮروں عں عٮادٮى سٮدحلوں حهٮم داحرٮں
God is het die voor jullie de nacht heeft gemaakt opdat jullie daarin rusten, en de dag om helder te zien;
الله الدى حعل لكم الٮل لٮسكٮوا ڡٮه والٮهار مٮصرا
God bezit voorzeker een gunst jegens de mensen,
اں الله لدو ڡصل على الٮاس
maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮسكروں
Dat is God, jullie Voogd,
دلكم الله رٮكم
Schepper van alles;
حلٯ كل سى
geen godheid behalve Hij;
لا اله الا هو
hoe worden jullie dan van het spoor gebracht?
ڡاٮى ٮوڡكوں
Zo worden zij van het spoor gebracht die de tekenen van God halsstarrig ontkenden.
كدلك ٮوڡك الدٮں كاٮوا ٮاٮٮ الله ٮححدوں
God is het die voor jullie de aarde tot een stabiele plaats heeft gemaakt en de hemel tot een bouwsel, die jullie vorm heeft gegeven en jullie vormen schoon heeft gemaakt, en jullie van goede dingen heeft voorzien;
الله الدى حعل لكم الارص ڡرارا والسما ٮٮا وصوركم ڡاحسں صوركم وررڡكم مں الطٮٮٮ
dat is God, jullie Voogd;
دلكم الله رٮكم
gezegend zij God, Voogd van alle wezens.
ڡٮٮارك الله رٮ العلمٮں
Hij is de Levende;
هو الحى
geen godheid behalve Hij;
لا اله الا هو
roep Hem dus aan, Hem uitsluitend de Wet toewijdend;
ڡادعوه محلصٮں له الدٮں
lof zij God, Voogd van alle wezens.
الحمد لله رٮ العلمٮں
Zeg: “Gewis is het mij verboden hen te gehoorzamen die jullie buiten God aanroepen, nu de duidelijke bewijzen mij van mijn Voogd gekomen zijn; en mij is bevolen integer te zijn tegenover de Voogd van alle wezens.”
ڡل اٮى ٮهٮٮ اں اعٮد الدٮں ٮدعوں مں دوں الله لما حاٮى الٮٮٮٮ مں رٮى وامرٮ اں اسلم لرٮ العلمٮں
Hij is het die jullie uit aarde geschapen heeft, vervolgens uit een druppel, vervolgens uit een aanhechting, vervolgens doet Hij jullie als kind naar buiten komen, vervolgens laat Hij jullie jullie volle rijpheid bereiken, vervolgens grijsaards worden –
هو الدى حلڡكم مں ٮراٮ ٮم مں ٮطڡه ٮم مں علڡه ٮم ٮحرحكم طڡلا ٮم لٮٮلعوا اسدكم ٮم لٮكوٮوا سٮوحا
en sommigen onder jullie worden eerder getrouw in bewaring gehouden – opdat jullie een genoemde termijn bereiken, en misschien zullen jullie redeneren.
ومٮكم مں ٮٮوڡى مں ڡٮل ولٮٮلعوا احلا مسمى ولعلكم ٮعڡلوں
Hij is het die doet leven en doet sterven;
هو الدى ٮحى وٮمٮٮ
en wanneer Hij iets decreteert, zegt Hij er slechts tegen: “Wees”,
ڡادا ڡصى امرا ڡاٮما ٮڡول له كں
en het is.
ڡٮكوں
Heb jij hen niet gezien die over de tekenen van God debatteren, hoe zij afgewend worden?
الم ٮر الى الدٮں ٮحدلوں ڡى اٮٮ الله اٮى ٮصرڡوں
Zij die de Schrift en datgene waarmee Wij Onze gezanten hebben gezonden hebben ontkend, zullen weldra weten, wanneer de halsijzers om hun nek zullen zijn, evenals de kettingen,
الدٮں كدٮوا ٮالكٮٮ وٮما ارسلٮا ٮه رسلٮا ڡسوڡ ٮعلموں اد الاعلل ڡى اعٮڡهم والسلسل
zij zullen in het kokende water gesleept worden, vervolgens zullen zij in het Vuur ontstoken worden.
ٮسحٮوں ڡى الحمٮم ٮم ڡى الٮار ٮسحروں
Vervolgens zal hun gezegd worden: “Waar zijn zij die jullie buiten God associeerden?”
ٮم ڡٮل لهم اٮں ما كٮٮم ٮسركوں مں دوں الله
Zij zullen zeggen: “Zij hebben ver van ons gedwaald; in feite riepen wij voorheen niets aan.”
ڡالوا صلوا عٮا ٮل لم ٮكں ٮدعوا مں ڡٮل سٮا
Zo doet God dwalen hen die verloochenen.
كدلك ٮصل الله الكڡرٮں
Dat is omdat jullie je zonder recht op de aarde verheugd hebben, en omdat jullie gepronkt hebben;
دلكم ٮما كٮٮم ٮڡرحوں ڡى الارص ٮعٮر الحٯ وٮما كٮٮم ٮمرحوں
treed binnen door de poorten van Djahannam, om daar eeuwig te blijven:
ادحلوا اٮوٮ حهٮم حلدٮں ڡٮها
wat een verfoeilijk onderkomen, dat van de hoogmoedigen!
ڡٮٮس مٮوى المٮكٮرٮں
Heb geduld dus, want de belofte van God is waarheid;
ڡاصٮر اں وعد الله حٯ
of Wij jou een deel tonen van wat Wij hun beloven, of dat Wij jou getrouw in bewaring houden, tot Ons zullen zij teruggebracht worden.
ڡاما ٮرٮٮك ٮعص الدى ٮعدهم او ٮٮوڡٮٮك ڡالٮٮا ٮرحعوں
Wij hebben gewis gezanten gezonden vóór jou; onder hen zijn er van wie Wij jou het verhaal hebben gedaan, en anderen van wie Wij jou het verhaal niet hebben gedaan;
ولڡد ارسلٮا رسلا مں ڡٮلك مٮهم مں ڡصصٮا علٮك ومٮهم مں لم ٮڡصص علٮك
en het komt geen gezant toe een teken te brengen, behalve met de toestemming van God;
وما كاں لرسول اں ٮاٮى ٮاٮه الا ٮادں الله
en wanneer het bevel van God komt, wordt er in alle waarheid beslist, en de vervaardigers van het valse zijn dan verliezers.
ڡادا حا امر الله ڡصى ٮالحٯ وحسر هٮالك المٮطلوں
God is het die voor jullie het vee heeft gemaakt, opdat jullie sommige dieren berijden en andere eten;
الله الدى حعل لكم الاٮعم لٮركٮوا مٮها ومٮها ٮاكلوں
en jullie hebben daarin nuttigheden,
ولكم ڡٮها مٮڡع
en opdat jullie op hen een behoefte bereiken die in jullie borst is,
ولٮٮلعوا علٮها حاحه ڡى صدوركم
en op hen, evenals op de vaartuigen, worden jullie vervoerd.
وعلٮها وعلى الڡلك ٮحملوں
En Hij toont jullie Zijn tekenen;
وٮرٮكم اٮٮه
welke dan van de tekenen van God keuren jullie af?
ڡاى اٮٮ الله ٮٮكروں
Hebben zij de aarde dan niet doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren?
اڡلم ٮسٮروا ڡى الارص ڡٮٮطروا كٮڡ كاں عڡٮه الدٮں مں ڡٮلهم
Zij waren talrijker dan zij en superieur in kracht en in sporen op de aarde; maar wat zij verwierven diende hun tot niets.
كاٮوا اكٮر مٮهم واسد ڡوه واٮارا ڡى الارص ڡما اعٮى عٮهم ما كاٮوا ٮكسٮوں
Vervolgens, toen hun gezanten hun de duidelijke bewijzen brachten, verheugden zij zich over het weten dat zij bij zich hadden;
ڡلما حاٮهم رسلهم ٮالٮٮٮٮ ڡرحوا ٮما عٮدهم مں العلم
en datgene wat zij hoonden, omhulde hen.
وحاٯ ٮهم ما كاٮوا ٮه ٮسٮهروں
Vervolgens, toen zij Onze strengheid zagen, zeiden zij: “Wij geloven in God alleen, en wij verloochenen wat wij met Hem associeerden.”
ڡلما راوا ٮاسٮا ڡالوا امٮا ٮالله وحده وكڡرٮا ٮما كٮا ٮه مسركٮں
Maar hun geloof baatte hun niet, nadat zij Onze strengheid zagen –
ڡلم ٮك ٮٮڡعهم اٮمٮهم لما راوا ٮاسٮا
dat is de norm van God, die reeds onder Zijn gehoorzamen voorbijgegaan is;
سٮٮ الله الٮى ڡد حلٮ ڡى عٮاده
en zij die verloochenden waren daarin verliezers.
وحسر هٮالك الكڡروں