النساء
An-Nisa
Reduced to Weakness
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. O mensen! Behoed jullie voor jullie Voogd, die jullie geschapen heeft uit één enkel Zelf, en daaruit diens echtgenoot geschapen heeft, en uit die twee veel mannen en vrouwen verspreid heeft.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم ٮاٮها الٮاس اٮڡوا رٮكم الدى حلڡكم مں ٮڡس وحده وحلٯ مٮها روحها وٮٮ مٮهما رحالا كٮٮرا وٮسا
En behoed jullie voor God, in wiens naam jullie elkaar verzoeken, en de banden van de baarmoeder.
واٮڡوا الله الدى ٮسالوں ٮه والارحام
God is gewis, over jullie, een Waarnemer.
اں الله كاں علٮكم رڡٮٮا
En geef de weeskinderen hun bezittingen,
واٮوا الٮٮمى امولهم
en verwissel het snode niet voor het goede,
ولا ٮٮٮدلوا الحٮٮٮ ٮالطٮٮ
en verslind hun bezittingen niet samen met die van jullie:
ولا ٮاكلوا امولهم الى امولكم
dat is een groot misdrijf.
اٮه كاں حوٮا كٮٮرا
En als jullie vrezen niet billijk te zijn jegens de weeskinderen, huw dan hen onder de vrouwen die het goed vinden jullie te huwen, twee, drie of vier;
واں حڡٮم الا ٮڡسطوا ڡى الٮٮمى ڡاٮكحوا ما طاٮ لكم مں الٮسا مٮٮى وٮلٮ ورٮع
en als jullie vrezen niet rechtvaardig te zijn, dan één enkele, of hen jegens wie jullie door eed gebonden zijn.
ڡاں حڡٮم الا ٮعدلوا ڡوحده او ما ملكٮ اٮمٮكم
Dat is het naaste om niet te bezwijken onder het gewicht van een te talrijke familie.
دلك ادٮى الا ٮعولوا
En geef de vrouwen hun bruidsschatten, als een toewijzing van rechtswege.
واٮوا الٮسا صدڡٮهں ٮحله
Vervolgens, als zij het goed vinden jullie daarvan uit zichzelf iets af te staan, consumeer het
ڡاں طٮں لكم عں سى مٮه ٮڡسا ڡكلوه
aangenaam en heilzaam.
هٮٮا مرٮا
En geef de onnozelen jullie bezittingen niet, die God voor jullie tot een onderhoud gemaakt heeft;
ولا ٮوٮوا السڡها امولكم الٮى حعل الله لكم ڡٮما
maar voorzie hen ervan, kleed hen, en richt tot hen een naar gebruik erkende uitspraak.
واررڡوهم ڡٮها واكسوهم وڡولوا لهم ڡولا معروڡا
En stel de weeskinderen op de proef totdat zij de huwelijksleeftijd bereiken; als jullie dan in hen rechtschapenheid van oordeel bespeuren, overhandig hun hun bezittingen, en verslind ze niet uit verkwisting en vooruitlopen, voordat zij groot worden.
واٮٮلوا الٮٮمى حٮى ادا ٮلعوا الٮكاح ڡاں اٮسٮم مٮهم رسدا ڡادڡعوا الٮهم امولهم ولا ٮاكلوها اسراڡا وٮدارا اں ٮكٮروا
En wie rijk is, moet zich inhouden;
ومں كاں عٮٮا ڡلٮسٮعڡڡ
en wie arm is, moet ervan eten naar het erkende.
ومں كاں ڡڡٮرا ڡلٮاكل ٮالمعروڡ
En wanneer jullie hun hun bezittingen overhandigen, neem getuigen ten aanzien van hen.
ڡادا دڡعٮم الٮهم امولهم ڡاسهدوا علٮهم
En God volstaat als rekenmeester.
وكڡى ٮالله حسٮٮا
Aan de mannen komt een portie toe van wat de twee ouders en de verwanten nalaten, en aan de vrouwen komt een portie toe van wat de twee ouders en de verwanten nalaten, of het nu weinig is of veel –
للرحال ٮصٮٮ مما ٮرك الولداں والاڡرٮوں وللٮسا ٮصٮٮ مما ٮرك الولداں والاڡرٮوں مما ڡل مٮه او كٮر
een bedongen portie.
ٮصٮٮا مڡروصا
En wanneer de houders van nabije banden, de weeskinderen en de behoeftigen bij de verdeling aanwezig zijn, voorzie hen ervan,
وادا حصر الڡسمه اولوا الڡرٮى والٮٮمى والمسكٮں ڡاررڡوهم مٮه
en richt tot hen een naar gebruik erkende uitspraak.
وڡولوا لهم ڡولا معروڡا
En laat hen duchten die, als zij achter zich een zwakke nageslacht achterlieten, voor haar zouden vrezen:
ولٮحس الدٮں لو ٮركوا مں حلڡهم درٮه صعڡا حاڡوا علٮهم
laten zij zich dus behoeden voor God, en een rechte uitspraak zeggen.
ڡلٮٮڡوا الله ولٮڡولوا ڡولا سدٮدا
Zij die de bezittingen van de weeskinderen onrechtvaardig verslinden, verslinden in hun buiken slechts een vuur,
اں الدٮں ٮاكلوں امول الٮٮمى طلما اٮما ٮاكلوں ڡى ٮطوٮهم ٮارا
en zij zullen branden in een brand.
وسٮصلوں سعٮرا
God doet jullie een aanbeveling, wat jullie kinderen betreft:
ٮوصٮكم الله ڡى اولدكم
aan het mannelijke, het equivalent van het aandeel van twee vrouwelijken.
للدكر مٮل حط الاٮٮٮٮں
Maar als zij meer dan twee vrouwen zijn, komen twee derde van wat nagelaten wordt hun toe;
ڡاں كں ٮسا ڡوٯ اٮٮٮٮں ڡلهں ٮلٮا ما ٮرك
en als zij enig is, komt de helft haar toe.
واں كاٮٮ وحده ڡلها الٮصڡ
En aan zijn vader en aan zijn moeder, aan ieder van hen, het zesde van wat hij nalaat, als hij een kind heeft;
ولاٮوٮه لكل وحد مٮهما السدس مما ٮرك اں كاں له ولد
maar als hij geen kind heeft, en zijn vader en zijn moeder van hem erven, komt het derde aan zijn moeder toe.
ڡاں لم ٮكں له ولد وورٮه اٮواه ڡلامه الٮلٮ
Als hij broers en zussen heeft, komt het zesde aan zijn moeder toe,
ڡاں كاں له احوه ڡلامه السدس
na een testament dat hij zou hebben gemaakt, of een schuld.
مں ٮعد وصٮه ٮوصى ٮها او دٮں
Jullie vaders en jullie zonen – jullie hebben geen idee wie van hen jullie het naast zijn in voordeel:
اٮاوكم واٮٮاوكم لا ٮدروں اٮهم اڡرٮ لكم ٮڡعا
dat is een verplichting afkomstig van God.
ڡرٮصه مں الله
God is gewis Alwetend, Wijs.
اں الله كاں علٮما حكٮما
En aan jullie komt de helft toe van wat jullie echtgenoten nalaten, als zij geen kind hebben;
ولكم ٮصڡ ما ٮرك اروحكم اں لم ٮكں لهں ولد
maar als zij een kind hebben, komt het vierde aan jullie toe van wat zij nalaten, na een testament dat zij zouden hebben gemaakt, of een schuld.
ڡاں كاں لهں ولد ڡلكم الرٮع مما ٮركں مں ٮعد وصٮه ٮوصٮں ٮها او دٮں
En aan hen komt het vierde toe van wat jullie nalaten, als jullie geen kind hebben;
ولهں الرٮع مما ٮركٮم اں لم ٮكں لكم ولد
maar als jullie een kind hebben, komt het achtste aan hen toe van wat jullie nalaten, na een testament dat jullie zouden hebben gemaakt, of een schuld.
ڡاں كاں لكم ولد ڡلهں الٮمں مما ٮركٮم مں ٮعد وصٮه ٮوصوں ٮها او دٮں
En als een man wiens erfenis overgaat in afwezigheid van enige voorouder of afstammeling, of een vrouw in hetzelfde geval, een broer of een zus heeft, komt aan ieder van hen het zesde toe;
واں كاں رحل ٮورٮ كلله او امراه وله اح او احٮ ڡلكل وحد مٮهما السدس
maar als zij talrijker zijn dan dat, zijn zij geassocieerden in het derde, na een testament dat zou zijn gemaakt, of een schuld, zonder schade.
ڡاں كاٮوا اكٮر مں دلك ڡهم سركا ڡى الٮلٮ مں ٮعد وصٮه ٮوصى ٮها او دٮں عٮر مصار
Dat is een aanbeveling afkomstig van God.
وصٮه مں الله
God is Alwetend, Lankmoedig.
والله علٮم حلٮم
Dat zijn de grenzen van God.
ٮلك حدود الله
En wie zich voegt naar God en Zijn gezant, die zal Hij doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin hij eeuwig zal blijven.
ومں ٮطع الله ورسوله ٮدحله حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها
En dat is de ontzaglijke triomf.
ودلك الڡور العطٮم
En wie God en Zijn gezant ongehoorzaam is, en Zijn grenzen overschrijdt, die zal Hij doen binnengaan in een vuur waarin hij eeuwig zal blijven,
ومں ٮعص الله ورسوله وٮٮعد حدوده ٮدحله ٮارا حلدا ڡٮها
en hij zal een verlagende pijn hebben.
وله عداٮ مهٮں
En die van jullie vrouwen die de schanddaad plegen, eis tegen hen de getuigenis van vier onder jullie;
والٮى ٮاٮٮں الڡحسه مں ٮساٮكم ڡاسٮسهدوا علٮهں ارٮعه مٮكم
en als zij getuigen, houd hen dan in de huizen, totdat de dood hen getrouw in bewaring houdt, of God voor hen een uitweg opent.
ڡاں سهدوا ڡامسكوهں ڡى الٮٮوٮ حٮى ٮٮوڡٮهں الموٮ او ٮحعل الله لهں سٮٮلا
En de twee onder jullie die haar plegen, val hen beiden lastig;
والداں ٮاٮٮٮها مٮكم ڡادوهما
maar als zij terugkeren en zich saneren, onttrek jullie aan hen:
ڡاں ٮاٮا واصلحا ڡاعرصوا عٮهما
God is gewis Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
اں الله كاں ٮواٮا رحٮما
Het berouw dat door God aanvaard wordt, betreft slechts hen die het kwaad uit onwetendheid plegen, en dan zonder dralen terugkeren:
اٮما الٮوٮه على الله للدٮں ٮعملوں السو ٮحهله ٮم ٮٮوٮوں مں ڡرٮٮ
dat zijn zij tot wie God met mildheid terugkeert.
ڡاولٮك ٮٮوٮ الله علٮهم
God is Alwetend, Wijs.
وكاں الله علٮما حكٮما
En het berouw wordt niet aanvaard voor hen die de slechte daden plegen totdat, wanneer de dood zich bij een van hen aandient, hij zegt: “Ik keer nu gewis terug” – noch voor hen die sterven terwijl zij verloochenen:
ولٮسٮ الٮوٮه للدٮں ٮعملوں السٮاٮ حٮى ادا حصر احدهم الموٮ ڡال اٮى ٮٮٮ الں ولا الدٮں ٮموٮوں وهم كڡار
dat zijn zij voor wie Wij een schrijnende pijn hebben klaargemaakt.
اولٮك اعٮدٮا لهم عداٮا الٮما
O jullie die geloofd hebben! Het is jullie niet geoorloofd vrouwen te erven met dwang,
ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮحل لكم اں ٮرٮوا الٮسا كرها
en belemmer hen niet om een deel mee te nemen van wat jullie hun gegeven hebben, behalve als zij een klaarblijkelijke schanddaad plegen.
ولا ٮعصلوهں لٮدهٮوا ٮٮعص ما اٮٮٮموهں الا اں ٮاٮٮں ٮڡحسه مٮٮٮه
En leef met hen naar het erkende.
وعاسروهں ٮالمعروڡ
Als jullie een afkeer van hen krijgen, kan het zijn dat jullie een afkeer hebben van iets waarin God veel goeds plaatst.
ڡاں كرهٮموهں ڡعسى اں ٮكرهوا سٮا وٮحعل الله ڡٮه حٮرا كٮٮرا
En als jullie een echtgenoot door een ander willen vervangen, en aan een van hen een kwintaal gegeven hebben, neem er niets van terug.
واں اردٮم اسٮٮدال روح مكاں روح واٮٮٮم احدٮهں ڡٮطارا ڡلا ٮاحدوا مٮه سٮا
Zouden jullie het terugnemen door laster en een klaarblijkelijke overtreding?
اٮاحدوٮه ٮهٮٮا واٮما مٮٮٮا
En hoe zouden jullie het terugnemen, terwijl de een van jullie zich reeds innig met de ander heeft verenigd, en zij van jullie een plechtige en vaste verbintenis hebben genomen?
وكٮڡ ٮاحدوٮه وڡد اڡصى ٮعصكم الى ٮعص واحدں مٮكم مٮٮڡا علٮطا
En huw niet de vrouwen die jullie voorouders gehuwd hebben, behalve wat reeds afgelopen is.
ولا ٮٮكحوا ما ٮكح اٮاوكم مں الٮسا الا ما ڡد سلڡ
Het was een schanddaad en een gruwel,
اٮه كاں ڡحسه ومڡٮا
en wat een slechte weg!
وسا سٮٮلا
Aan jullie zijn ontzegd: jullie moeders, jullie dochters, jullie zussen, jullie tantes van vaderskant, jullie tantes van moederskant, de dochters van jullie broer, de dochters van jullie zus,
حرمٮ علٮكم امهٮكم وٮٮاٮكم واحوٮكم وعمٮكم وحلٮكم وٮٮاٮ الاح وٮٮاٮ الاحٮ
jullie moeders die de zorg voor jullie op zich genomen hebben, en jullie zussen van gedeelde zorg,
وامهٮكم الٮى ارصعٮكم واحوٮكم مں الرصعه
de moeders van jullie vrouwen, de dochters die in jullie huishouden zijn opgevoed, voortgekomen uit jullie vrouwen met wie jullie het huwelijk hebben geconsumeerd –
وامهٮ ٮساٮكم ورٮٮٮكم الٮى ڡى ححوركم مں ٮساٮكم الٮى دحلٮم ٮهں
maar als jullie het huwelijk niet met hen hebben geconsumeerd, is er geen verwijt tegen jullie –
ڡاں لم ٮكوٮوا دحلٮم ٮهں ڡلا حٮاح علٮكم
degenen die op geoorloofde wijze verenigd zijn met jullie zonen, voortgekomen uit jullie lendenen,
وحلٮل اٮٮاٮكم الدٮں مں اصلٮكم
en twee zussen te verenigen, behalve wat reeds afgelopen is.
واں ٮحمعوا ٮٮں الاحٮٮں الا ما ڡد سلڡ
God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
اں الله كاں عڡورا رحٮما
En de door de huwelijksband beschutte vrouwen, behalve die jegens wie jullie door eed gebonden zijn –
والمحصٮٮ مں الٮسا الا ما ملكٮ اٮمٮكم
het is de Codex van God die jullie verplicht.
كٮٮ الله علٮكم
En voor jullie is geoorloofd gemaakt al wie buiten die categorieën valt, die jullie met jullie bezittingen zoeken, als mannen die zich in de huwelijksband verbinden, niet als losbandigen.
واحل لكم ما ورا دلكم اں ٮٮٮعوا ٮامولكم محصٮٮں عٮر مسڡحٮں
En voor wat jullie bij hen genoten hebben, geef hun hun beloningen, als een bedongen verplichting.
ڡما اسٮمٮعٮم ٮه مٮهں ڡاٮوهں احورهں ڡرٮصه
En er is geen verwijt tegen jullie voor datgene waarmee jullie onderling instemmen, na de bedongen verplichting.
ولا حٮاح علٮكم ڡٮما ٮرصٮٮم ٮه مں ٮعد الڡرٮصه
God is gewis Alwetend, Wijs.
اں الله كاں علٮما حكٮما
En wie onder jullie niet de middelen heeft om gelovende beschutte vrouwen te huwen, dan een van jullie jonge vrouwen die gelovend zijn en door eed gebonden.
ومں لم ٮسٮطع مٮكم طولا اں ٮٮكح المحصٮٮ المومٮٮ ڡمں ما ملكٮ اٮمٮكم مں ڡٮٮٮكم المومٮٮ
God weet het best hoe het met jullie geloof staat;
والله اعلم ٮاٮمٮكم
jullie zijn van elkaar.
ٮعصكم مں ٮعص
Huw hen dus met de toestemming van hun familie,
ڡاٮكحوهں ٮادں اهلهں
en geef hun hun beloningen naar het erkende, als vrouwen die zich in de huwelijksband verbinden, niet als losbandigen en niet als vrouwen die heimelijke minnaars nemen.
واٮوهں احورهں ٮالمعروڡ محصٮٮ عٮر مسڡحٮ ولا مٮحدٮ احداں
En eenmaal beschut, als zij een schanddaad plegen, lopen zij de helft op van de pijn van de door de huwelijksband beschutte vrouwen.
ڡادا احصں ڡاں اٮٮں ٮڡحسه ڡعلٮهں ٮصڡ ما على المحصٮٮ مں العداٮ
Dat is voor hem onder jullie die de overbelasting ducht;
دلك لمں حسى العٮٮ مٮكم
maar geduld hebben is beter voor jullie.
واں ٮصٮروا حٮر لكم
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
والله عڡور رحٮم
God wil jullie verhelderen, jullie leiden volgens de normen van hen die jullie zijn voorgegaan, en met mildheid tot jullie terugkeren.
ٮرٮد الله لٮٮٮں لكم وٮهدٮكم سٮں الدٮں مں ڡٮلكم وٮٮوٮ علٮكم
En God is Alwetend, Wijs.
والله علٮم حكٮم
God wil met mildheid tot jullie terugkeren,
والله ٮرٮد اں ٮٮوٮ علٮكم
terwijl zij die hun verlangens volgen willen dat jullie overhellen met een ontzaglijke overhelling.
وٮرٮد الدٮں ٮٮٮعوں السهوٮ اں ٮمٮلوا مٮلا عطٮما
God wil jullie verlichten,
ٮرٮد الله اں ٮحڡڡ عٮكم
want de mens is zwak geschapen.
وحلٯ الاٮسں صعٮڡا
O jullie die geloofd hebben! Verslind jullie bezittingen niet onder elkaar door het valse,
ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮاكلوا امولكم ٮٮٮكم ٮالٮطل
behalve als het gaat om een handel voortgekomen uit onderlinge instemming tussen jullie.
الا اں ٮكوں ٮحره عں ٮراص مٮكم
En dood jullie zelf niet:
ولا ٮڡٮلوا اٮڡسكم
God is gewis, jegens jullie, Welwillend.
اں الله كاں ٮكم رحٮما
En wie dat doet uit vijandigheid en onrecht, die zullen Wij doen branden in een vuur.
ومں ٮڡعل دلك عدوٮا وطلما ڡسوڡ ٮصلٮه ٮارا
En dat is, voor God, iets gemakkelijks.
وكاں دلك على الله ٮسٮرا
Als jullie de zwaarste vermijden van wat jullie verboden wordt, zullen Wij jullie slechte daden bedekken, en Wij zullen jullie doen binnengaan in een edele ingang.
اں ٮحٮٮٮوا كٮاٮر ما ٮٮهوں عٮه ٮكڡر عٮكم سٮاٮكم وٮدحلكم مدحلا كرٮما
En wens niet datgene waarmee God de enen onder jullie boven de anderen bevoordeeld heeft.
ولا ٮٮمٮوا ما ڡصل الله ٮه ٮعصكم على ٮعص
Aan de mannen een portie van wat zij verworven hebben,
للرحال ٮصٮٮ مما اكٮسٮوا
en aan de vrouwen een portie van wat zij verworven hebben.
وللٮسا ٮصٮٮ مما اكٮسٮں
En vraag aan God van Zijn gunst.
وسلوا الله مں ڡصله
God is gewis Alwetend over alles.
اں الله كاں ٮكل سى علٮما
En aan ieder hebben Wij erfgenamen toegewezen voor wat nalaten
ولكل حعلٮا مولى مما ٮرك
de twee ouders en de verwanten.
الولداں والاڡرٮوں
En hen met wie jullie eden jullie gebonden hebben, geef hun hun portie.
والدٮں عڡدٮ اٮمٮكم ڡاٮوهم ٮصٮٮهم
God is gewis getuige van alles.
اں الله كاں على كل سى سهٮدا
De mannen nemen de uitvoerende, de veiligheids- en de financiële last van het huishouden op zich ten aanzien van de vrouwen, vanwege datgene waarmee God de enen boven de anderen bevoordeeld heeft, en vanwege wat zij van hun bezittingen uitgeven.
الرحال ڡوموں على الٮسا ٮما ڡصل الله ٮعصهم على ٮعص وٮما اٮڡڡوا مں امولهم
De deugdelijke vrouwen zijn toegewijd, bewaarsters van wat de zintuigen ontgaat, vanwege wat God bewaard heeft.
ڡالصلحٮ ڡٮٮٮ حڡطٮ للعٮٮ ٮما حڡط الله
En wat betreft hen wier eenzijdige defectie jullie vrezen, vermaan hen, verwijder jullie van hen in de slaapplaatsen, vervolgens vermenigvuldig hen;
والٮى ٮحاڡوں ٮسورهں ڡعطوهں واهحروهں ڡى المصاحع واصرٮوهں
vervolgens, als zij zich naar jullie voegen, zoek geen weg meer tegen hen.
ڡاں اطعٮكم ڡلا ٮٮعوا علٮهں سٮٮلا
God is gewis Allerhoogste, Grote.
اں الله كاں علٮا كٮٮرا
En als jullie een breuk tussen de twee vrezen, wek dan een scheidsrechter uit de familie van hem, en een scheidsrechter uit de familie van haar; als zij beiden verzoening willen, zal God hen op elkaar afstemmen.
واں حڡٮم سڡاٯ ٮٮٮهما ڡاٮعٮوا حكما مں اهله وحكما مں اهلها اں ٮرٮدا اصلحا ٮوڡٯ الله ٮٮٮهما
God is Alwetend, Intiem Kenner.
اں الله كاں علٮما حٮٮرا
En gehoorzaam God,
واعٮدوا الله
en associeer niets met Hem,
ولا ٮسركوا ٮه سٮا
en het goede doen jegens de twee ouders, de verwanten, de weeskinderen, de behoeftigen, de nabije buur, de vreemde buur, de metgezel aan jullie zijde, de doorreiziger, en hen jegens wie jullie door eed gebonden zijn.
وٮالولدٮں احسٮا وٮدى الڡرٮى والٮٮمى والمسكٮں والحار دى الڡرٮى والحار الحٮٮ والصاحٮ ٮالحٮٮ واٮں السٮٮل وما ملكٮ اٮمٮكم
God houdt gewis niet van wie arrogant is, pochend.
اں الله لا ٮحٮ مں كاں محٮالا ڡحورا
Zij die gierig zijn, de mensen de gierigheid bevelen, en verzwijgen wat God hun van Zijn gunst gegeven heeft –
الدٮں ٮٮحلوں وٮامروں الٮاس ٮالٮحل وٮكٮموں ما اٮٮهم الله مں ڡصله
en Wij hebben voor hen die verloochenen een verlagende pijn klaargemaakt.
واعٮدٮا للكڡرٮں عداٮا مهٮٮا
En zij die hun bezittingen uitgeven uit vertoon ten overstaan van de mensen, en noch in God noch in de Laatste Dag geloven –
والدٮں ٮٮڡڡوں امولهم رٮا الٮاس ولا ٮومٮوں ٮالله ولا ٮالٮوم الاحر
wie de Afleider tot begeleider heeft, wat een slechte begeleider!
ومں ٮكں السٮطں له ڡرٮٮا ڡسا ڡرٮٮا
En wat zou het hun kosten, als zij geloofden in God en in de Laatste Dag, en uitgaven van datgene waarvan God hen voorzien heeft?
ومادا علٮهم لو امٮوا ٮالله والٮوم الاحر واٮڡڡوا مما ررڡهم الله
God is Alwetend over hen.
وكاں الله ٮهم علٮما
God doet geen enkel onrecht, al is het van het gewicht van een deeltje.
اں الله لا ٮطلم مٮڡال دره
En als het een goede daad is, verdubbelt Hij haar, en verleent, van Zijn kant, een ontzaglijke beloning.
واں ٮك حسٮه ٮصعڡها وٮوٮ مں لدٮه احرا عطٮما
Hoe dan, wanneer Wij uit elke gemeenschap een getuige zullen doen komen, en Wij jou als getuige tegen dezen zullen doen komen?
ڡكٮڡ ادا حٮٮا مں كل امه ٮسهٮد وحٮٮا ٮك على هولا سهٮدا
Op die dag zullen zij die verloochend hebben en de gezant ongehoorzaam zijn geweest, willen dat de aarde over hen geëffend werd, en zij zullen voor God geen enkele rede kunnen verzwijgen.
ٮومٮد ٮود الدٮں كڡروا وعصوا الرسول لو ٮسوى ٮهم الارص ولا ٮكٮموں الله حدٮٮا
O jullie die geloofd hebben! Nader het Contact niet in staat van dronkenschap, totdat jullie weten wat jullie zeggen, noch bevuild – behalve passerend over een weg – totdat jullie je gewassen hebben.
ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮڡرٮوا الصلوه واٮٮم سكرى حٮى ٮعلموا ما ٮڡولوں ولا حٮٮا الا عاٮرى سٮٮل حٮى ٮعٮسلوا
En als jullie ziek zijn, of op reis, of als een van jullie zojuist zijn natuurlijke behoefte heeft gedaan, of als jullie een vrouw in intimiteit hebben gekend, en jullie geen water vinden, richt jullie dan op een goede dagzoom, en strijk ervan over jullie gezichten en jullie handen.
واں كٮٮم مرصى او على سڡر او حا احد مٮكم مں العاٮط او لمسٮم الٮسا ڡلم ٮحدوا ما ڡٮٮمموا صعٮدا طٮٮا ڡامسحوا ٮوحوهكم واٮدٮكم
God is gewis Hij die onophoudelijk kwijtscheldt, Zeer Vergevensgezind.
اں الله كاں عڡوا عڡورا
Heb jij hen niet gezien aan wie een portie van de Schrift gegeven is, die de dwaling kopen en willen dat jullie van de weg afdwalen?
الم ٮر الى الدٮں اوٮوا ٮصٮٮا مں الكٮٮ ٮسٮروں الصلله وٮرٮدوں اں ٮصلوا السٮٮل
God kent jullie vijanden het best.
والله اعلم ٮاعداٮكم
En God volstaat als beschermer, en God volstaat als hulp.
وكڡى ٮالله ولٮا وكڡى ٮالله ٮصٮرا
Onder de Geheroriënteerden zijn er die de woorden verwringen, buiten hun verband, en zeggen: “Wij hebben gehoord en zijn ongehoorzaam geweest”, en: “Luister, zonder dat het jou gegeven wordt te horen”, en: “Veracht ons”, terwijl zij hun tongen wringen en de Wet aanvallen.
مں الدٮں هادوا ٮحرڡوں الكلم عں مواصعه وٮڡولوں سمعٮا وعصٮٮا واسمع عٮر مسمع ورعٮا لٮا ٮالسٮٮهم وطعٮا ڡى الدٮں
En als zij gezegd hadden: “Wij hebben gehoord en wij hebben ons gevoegd”, en: “Luister”, en: “Kijk naar ons”, zou het beter voor hen zijn geweest, en rechter;
ولو اٮهم ڡالوا سمعٮا واطعٮا واسمع واٮطرٮا لكاں حٮرا لهم واڡوم
maar God heeft hen vervloekt wegens hun verloochening, en zij geloven slechts weinig.
ولكں لعٮهم الله ٮكڡرهم ڡلا ٮومٮوں الا ڡلٮلا
O jullie aan wie de Schrift gegeven is! Geloof in wat Wij hebben doen neerdalen, bevestigend wat bij jullie is, voordat Wij gezichten uitwissen, om ze terug te brengen, of hen vervloeken zoals Wij de metgezellen van de Rust vervloekt hebben.
ٮاٮها الدٮں اوٮوا الكٮٮ امٮوا ٮما ٮرلٮا مصدڡا لما معكم مں ڡٮل اں ٮطمس وحوها ڡٮردها على ادٮارها او ٮلعٮهم كما لعٮا اصحٮ السٮٮ
En het bevel van God is altijd een gedane zaak.
وكاں امر الله مڡعولا
God vergeeft gewis niet dat men met Hem associeert,
اں الله لا ٮعڡر اں ٮسرك ٮه
maar Hij vergeeft wat aan deze zijde daarvan is aan wie het Hem behaagt.
وٮعڡر ما دوں دلك لمں ٮسا
En wie met God associeert, verzint een ontzaglijke overtreding.
ومں ٮسرك ٮالله ڡڡد اڡٮرى اٮما عطٮما
Heb jij hen niet gezien die zichzelf zuiver verklaren?
الم ٮر الى الدٮں ٮركوں اٮڡسهم
God zuivert, integendeel, wie het Hem behaagt,
ٮل الله ٮركى مں ٮسا
en zij zullen geen onrecht ondergaan, al is het van een vezeltje.
ولا ٮطلموں ڡٮٮلا
Kijk hoe zij de leugen tegen God verzinnen: dat volstaat als klaarblijkelijke overtreding.
اٮطر كٮڡ ٮڡٮروں على الله الكدٮ وكڡى ٮه اٮما مٮٮٮا
Heb jij hen niet gezien aan wie een portie van de Schrift gegeven is, die geloven in het Idool en de Mateloze, en die van hen die verloochenen zeggen: “Dezen zijn beter geleid, wat de weg betreft, dan zij die geloofd hebben”?
الم ٮر الى الدٮں اوٮوا ٮصٮٮا مں الكٮٮ ٮومٮوں ٮالحٮٮ والطعوٮ وٮڡولوں للدٮں كڡروا هولا اهدى مں الدٮں امٮوا سٮٮلا
Dat zijn zij die God vervloekt heeft;
اولٮك الدٮں لعٮهم الله
en wie God vervloekt, voor hem zul jij geen enkele hulp vinden.
ومں ٮلعں الله ڡلں ٮحد له ٮصٮرا
Of hebben zij een portie van het koningschap? Zij zouden dan de mensen zelfs de inkeping van een dadelpit niet geven.
ام لهم ٮصٮٮ مں الملك ڡادا لا ٮوٮوں الٮاس ٮڡٮرا
Of benijden zij de mensen om wat God hun van Zijn gunst gegeven heeft?
ام ٮحسدوں الٮاس على ما اٮٮهم الله مں ڡصله
Wij hebben aan de clan van Ibrahim nochtans de Schrift en de wijsheid gegeven, en Wij hebben hun een ontzaglijk koningschap gegeven.
ڡڡد اٮٮٮا ال اٮرهٮم الكٮٮ والحكمه واٮٮٮهم ملكا عطٮما
Onder hen is er wie erin geloofd heeft, en er is wie zich daartegen heeft verzet.
ڡمٮهم مں امں ٮه ومٮهم مں صد عٮه
En Djahannam volstaat als brand.
وكڡى ٮحهٮم سعٮرا
Zij die Onze tekenen verloochend hebben, Wij zullen hen gewis in een vuur doen branden.
اں الدٮں كڡروا ٮاٮٮٮا سوڡ ٮصلٮهم ٮارا
Telkens wanneer hun huiden verteerd zijn, zullen Wij ze hun door andere huiden vervangen, opdat zij de pijn proeven.
كلما ٮصحٮ حلودهم ٮدلٮهم حلودا عٮرها لٮدوڡوا العداٮ
God is gewis Almachtig, Wijs.
اں الله كاں عرٮرا حكٮما
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Wij zullen hen doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, voor altijd.
والدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ سٮدحلهم حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها اٮدا
Zij zullen daar gereinigde echtgenoten hebben,
لهم ڡٮها اروح مطهره
en Wij zullen hen doen binnengaan in een schaduw die overschaduwt.
وٮدحلهم طلا طلٮلا
God beveelt jullie de toevertrouwde depots terug te geven aan hun rechthebbenden, en, wanneer jullie tussen de mensen oordelen, met rechtvaardigheid te oordelen.
اں الله ٮامركم اں ٮودوا الامٮٮ الى اهلها وادا حكمٮم ٮٮں الٮاس اں ٮحكموا ٮالعدل
Hoe uitmuntend is waartoe God jullie vermaant!
اں الله ٮعما ٮعطكم ٮه
Gewis is God de Alhorende, de Alziende.
اں الله كاں سمٮعا ٮصٮرا
O jullie die geloofd hebben! Voeg jullie naar God, voeg jullie naar de gezant en naar hen onder jullie die het bevel in handen hebben.
ٮاٮها الدٮں امٮوا اطٮعوا الله واطٮعوا الرسول واولى الامر مٮكم
En als jullie over iets in betwisting komen, breng het dan terug naar God en de gezant, als jullie in God en in de Laatste Dag geloven.
ڡاں ٮٮرعٮم ڡى سى ڡردوه الى الله والرسول اں كٮٮم ٮومٮوں ٮالله والٮوم الاحر
Dat is beter, en van schonere duiding.
دلك حٮر واحسں ٮاوٮلا
Heb jij hen niet gezien die beweren geloofd te hebben in wat naar jou is neergedaald en in wat vóór jou is neergedaald, en die hun rechtsgeschil voor de Mateloze willen brengen, terwijl hun bevolen is hem te verloochenen?
الم ٮر الى الدٮں ٮرعموں اٮهم امٮوا ٮما اٮرل الٮك وما اٮرل مں ڡٮلك ٮرٮدوں اں ٮٮحاكموا الى الطعوٮ وڡد امروا اں ٮكڡروا ٮه
En de Afleider wil hen doen dwalen in een verre dwaling.
وٮرٮد السٮطں اں ٮصلهم صللا ٮعٮدا
En wanneer hun gezegd wordt: “Kom tot wat God heeft doen neerdalen, en tot de gezant”, zie je de huichelaars zich vastberaden tegen jou verzetten.
وادا ڡٮل لهم ٮعالوا الى ما اٮرل الله والى الرسول راٮٮ المٮڡڡٮں ٮصدوں عٮك صدودا
Hoe dan, wanneer hun een ongeluk overkomt vanwege wat hun handen vooruitgestuurd hebben, komen zij daarna tot jou, zwerend bij God: “Wij wilden slechts het goede en de verzoening”?
ڡكٮڡ ادا اصٮٮهم مصٮٮه ٮما ڡدمٮ اٮدٮهم ٮم حاوك ٮحلڡوں ٮالله اں اردٮا الا احسٮا وٮوڡٮڡا
Dat zijn zij van wie God weet wat in hun kernen is; onttrek je dus aan hen, vermaan hen, en zeg hun, over henzelf, een markante uitspraak.
اولٮك الدٮں ٮعلم الله ما ڡى ڡلوٮهم ڡاعرص عٮهم وعطهم وڡل لهم ڡى اٮڡسهم ڡولا ٮلٮعا
En Wij hebben geen gezant gezonden, behalve opdat men zich naar hem voegt, met toestemming van God.
وما ارسلٮا مں رسول الا لٮطاع ٮادں الله
En als zij tot jou waren gekomen, nadat zij onrecht hadden gedaan aan zichzelf, om God om vergeving te smeken, en de gezant om vergeving voor hen had gesmeekt, zouden zij God zeker hebben gevonden als Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
ولو اٮهم اد طلموا اٮڡسهم حاوك ڡاسٮعڡروا الله واسٮعڡر لهم الرسول لوحدوا الله ٮواٮا رحٮما
Maar nee, bij jouw Voogd! Zij zullen niet geloven totdat zij jou tot rechter over hun geschillen hebben genomen, en daarna in zichzelf geen enkele hinder hebben gevonden ten aanzien van wat jij hebt beslist, en ermee hebben ingestemd met een volledige integriteit.
ڡلا ورٮك لا ٮومٮوں حٮى ٮحكموك ڡٮما سحر ٮٮٮهم ٮم لا ٮحدوا ڡى اٮڡسهم حرحا مما ڡصٮٮ وٮسلموا ٮسلٮما
En als Wij hun hadden voorgeschreven: “Dood elkaar”, of: “Trek weg uit jullie woningen”, zouden zij het niet hebben gedaan, behalve weinigen onder hen.
ولو اٮا كٮٮٮا علٮهم اں اڡٮلوا اٮڡسكم او احرحوا مں دٮركم ما ڡعلوه الا ڡلٮل مٮهم
En als zij hadden gedaan waartoe zij vermaand werden, zou dat beter voor hen zijn geweest, en zou hen steviger hebben bevestigd;
ولو اٮهم ڡعلوا ما ٮوعطوں ٮه لكاں حٮرا لهم واسد ٮٮٮٮٮا
en Wij zouden hun dan zeker, van Onzentwege, een ontzaglijke beloning hebben gegeven,
وادا لاٮٮٮهم مں لدٮا احرا عطٮما
en Wij zouden hen zeker hebben geleid op een rechtlijnig pad.
ولهدٮٮهم صرطا مسٮڡٮما
En wie zich naar God en de gezant voegt, dezen zullen zijn met hen die God met Zijn weldaad heeft overladen, onder de berichtgevers, de waarachtigen, de getuigen en de deugdelijken.
ومں ٮطع الله والرسول ڡاولٮك مع الدٮں اٮعم الله علٮهم مں الٮٮٮں والصدٮڡٮں والسهدا والصلحٮں
En wat een schoon gezelschap is dat!
وحسں اولٮك رڡٮڡا
Dat is de gunst van God,
دلك الڡصل مں الله
en God volstaat als Alwetende.
وكڡى ٮالله علٮما
O jullie die geloofd hebben! Neem jullie voorzorgen, en mobiliseer jullie in detachementen, of mobiliseer jullie allen tezamen.
ٮاٮها الدٮں امٮوا حدوا حدركم ڡاٮڡروا ٮٮاٮ او اٮڡروا حمٮعا
En voorzeker is er onder jullie wie bewust draalt;
واں مٮكم لمں لٮٮطٮں
en als een ongeluk jullie overkomt, zegt hij: “God heeft mij met Zijn weldaad overladen, aangezien ik niet als getuige bij hen was.”
ڡاں اصٮٮكم مصٮٮه ڡال ڡد اٮعم الله على اد لم اكں معهم سهٮدا
Maar als een gunst van God jullie overkomt, zal hij voorzeker zeggen, alsof er tussen jullie en hem geen enkele genegenheid was geweest: “Was ik maar bij hen geweest, dan had ik een ontzaglijke triomf behaald!”
ولٮں اصٮكم ڡصل مں الله لٮڡولں كاں لم ٮكں ٮٮٮكم وٮٮٮه موده ٮلٮٮٮى كٮٮ معهم ڡاڡور ڡورا عطٮما
Laten zij dus vechten op de weg van God, zij die het leven hienieden verkopen voor het laatste leven.
ڡلٮڡٮل ڡى سٮٮل الله الدٮں ٮسروں الحٮوه الدٮٮا ٮالاحره
En wie vecht op de weg van God, en dan gedood wordt of overwint, Wij zullen hem een ontzaglijke beloning geven.
ومں ٮڡٮل ڡى سٮٮل الله ڡٮڡٮل او ٮعلٮ ڡسوڡ ٮوٮٮه احرا عطٮما
En wat is er met jullie dat jullie niet vechten op de weg van God, en voor de mannen, de vrouwen en de kinderen die tot zwakte gebracht zijn, die zeggen: “Onze Voogd, doe ons uitgaan uit deze stad waarvan de mensen onrechtvaardig zijn, en geef ons, van U, een beschermer, en geef ons, van U, een helper”?
وما لكم لا ٮڡٮلوں ڡى سٮٮل الله والمسٮصعڡٮں مں الرحال والٮسا والولدں الدٮں ٮڡولوں رٮٮا احرحٮا مں هده الڡرٮه الطالم اهلها واحعل لٮا مں لدٮك ولٮا واحعل لٮا مں لدٮك ٮصٮرا
Zij die geloofd hebben vechten op de weg van God,
الدٮں امٮوا ٮڡٮلوں ڡى سٮٮل الله
en zij die verloochenen vechten op de weg van de Mateloze.
والدٮں كڡروا ٮڡٮلوں ڡى سٮٮل الطعوٮ
Vecht dus tegen de bondgenoten van de Afleider:
ڡڡٮلوا اولٮا السٮطں
gewis is de list van de Afleider zwak.
اں كٮد السٮطں كاں صعٮڡا
Heb jij hen niet gezien aan wie gezegd werd: “Houd jullie handen in, onderhoud het Contact en geef de zuivere vrijgevigheid”?
الم ٮر الى الدٮں ڡٮل لهم كڡوا اٮدٮكم واڡٮموا الصلوه واٮوا الركوه
Maar toen het gevecht hun werd voorgeschreven, zie, een deel van hen ducht de mensen zoals men God ducht, of met een nog intensere vrees,
ڡلما كٮٮ علٮهم الڡٮال ادا ڡرٮٯ مٮهم ٮحسوں الٮاس كحسٮه الله او اسد حسٮه
en zij zeggen: “Onze Voogd, waarom heeft U ons het gevecht voorgeschreven? Had U ons maar opgeschort tot een nabije termijn!”
وڡالوا رٮٮا لم كٮٮٮ علٮٮا الڡٮال لولا احرٮٮا الى احل ڡرٮٮ
Zeg: “De genieting van hienieden is gering,
ڡل مٮع الدٮٮا ڡلٮل
en het laatste leven is beter voor wie zich behoedt,
والاحره حٮر لمں اٮڡى
en jullie zal geen onrecht worden aangedaan, al is het van een vezeltje.”
ولا ٮطلموں ڡٮٮلا
Waar jullie ook zijn, de dood zal jullie inhalen, al zijn jullie in oninneembare torens.
اٮٮما ٮكوٮوا ٮدرككم الموٮ ولو كٮٮم ڡى ٮروح مسٮده
En als hun iets goeds overkomt, zeggen zij: “Dit komt van God”;
واں ٮصٮهم حسٮه ٮڡولوا هده مں عٮد الله
en als hun een kwaad overkomt, zeggen zij: “Dit komt van jou.”
واں ٮصٮهم سٮٮه ٮڡولوا هده مں عٮدك
Zeg: “Alles komt van God.”
ڡل كل مں عٮد الله
Wat is er met deze mensen dat zij bijna geen enkele rede begrijpen?
ڡمال هولا الڡوم لا ٮكادوں ٮڡڡهوں حدٮٮا
Wat jou aan goeds overkomt, komt van God,
ما اصاٮك مں حسٮه ڡمں الله
en wat jou aan kwaads overkomt, komt van jezelf.
وما اصاٮك مں سٮٮه ڡمں ٮڡسك
En Wij hebben jou als gezant naar de mensen gezonden.
وارسلٮك للٮاس رسولا
En God volstaat als getuige.
وكڡى ٮالله سهٮدا
Wie zich naar de gezant voegt, voegt zich gewis naar God,
مں ٮطع الرسول ڡڡد اطاع الله
en wie de rug toekeert – Wij hebben jou niet als bewaarder over hen gezonden.
ومں ٮولى ڡما ارسلٮك علٮهم حڡٮطا
En zij zeggen: “Voeging”,
وٮڡولوں طاعه
maar wanneer zij bij jou weggaan, beraamt een groep onder hen 's nachts iets heel anders dan wat zij zeggen.
ڡادا ٮرروا مں عٮدك ٮٮٮ طاٮڡه مٮهم عٮر الدى ٮڡول
God schrijft op wat zij 's nachts beramen.
والله ٮكٮٮ ما ٮٮٮٮوں
Onttrek je dus aan hen, en verleen lastgeving aan God.
ڡاعرص عٮهم وٮوكل على الله
En God volstaat als lasthebber.
وكڡى ٮالله وكٮلا
Overpeinzen zij dan de Lezing niet?
اڡلا ٮٮدٮروں الڡراں
En als zij van een ander dan God kwam, zouden zij daarin veel uiteenlopends hebben gevonden.
ولو كاں مں عٮد عٮر الله لوحدوا ڡٮه احٮلڡا كٮٮرا
En wanneer geruststellend of verontrustend nieuws hen bereikt, verspreiden zij het;
وادا حاهم امر مں الامں او الحوڡ اداعوا ٮه
maar als zij het hadden teruggebracht naar de gezant en naar hen onder hen die het bevel in handen hebben, zouden zij onder hen die de essentie eruit trachten te halen, ervan kennis hebben gehad.
ولو ردوه الى الرسول والى اولى الامر مٮهم لعلمه الدٮں ٮسٮٮٮطوٮه مٮهم
En zonder de gunst van God over jullie en Zijn welwillendheid zouden jullie zeker de Afleider zijn gevolgd, behalve weinigen onder jullie.
ولولا ڡصل الله علٮكم ورحمٮه لاٮٮعٮم السٮطں الا ڡلٮلا
Vecht dus op de weg van God:
ڡڡٮل ڡى سٮٮل الله
jij bent slechts met jezelf belast.
لا ٮكلڡ الا ٮڡسك
En spoor de gelovenden aan.
وحرص المومٮٮں
Het kan zijn dat God het geweld van hen die verloochenen inhoudt.
عسى الله اں ٮكڡ ٮاس الدٮں كڡروا
God is vreselijker in strengheid, en vreselijker in afschrikwekkend voorbeeld.
والله اسد ٮاسا واسد ٮٮكٮلا
Wie een schone voorspraak doet, zal daarvan een deel hebben;
مں ٮسڡع سڡعه حسٮه ٮكں له ٮصٮٮ مٮها
en wie een slechte voorspraak doet, zal daarvan de verantwoordelijkheid dragen.
ومں ٮسڡع سڡعه سٮٮه ٮكں له كڡل مٮها
God is over alles intendant.
وكاں الله على كل سى مڡٮٮا
En wanneer men jullie groet met een groet, groet dan met een schonere groet, of geef haar terug.
وادا حٮٮٮم ٮٮحٮه ڡحٮوا ٮاحسں مٮها او ردوها
Gewis is God over alles rekenmeester.
اں الله كاں على كل سى حسٮٮا
God, geen godheid behalve Hij.
الله لا اله الا هو
Voorzeker zal Hij jullie bijeenbrengen op de Dag van het Verschijnen, waaraan geen twijfel is.
لٮحمعٮكم الى ٮوم الڡٮمه لا رٮٮ ڡٮه
En wie is waarachtiger dan God in rede?
ومں اصدٯ مں الله حدٮٮا
Wat is er met jullie, ten aanzien van de huichelaars, dat jullie twee bataljons vormen, terwijl God hen heeft omvergeworpen om wat zij verworven hebben?
ڡما لكم ڡى المٮڡڡٮں ڡٮٮٮں والله اركسهم ٮما كسٮوا
Willen jullie leiden wie God heeft doen dwalen?
اٮرٮدوں اں ٮهدوا مں اصل الله
En wie God doet dwalen, voor hem zul je geen enkele weg vinden.
ومں ٮصلل الله ڡلں ٮحد له سٮٮلا
Zij zouden willen dat jullie verloochenen zoals zij verloochend hebben, opdat jullie gelijk zijn;
ودوا لو ٮكڡروں كما كڡروا ڡٮكوٮوں سوا
neem dus onder hen geen bondgenoten, totdat zij emigreren op de weg van God.
ڡلا ٮٮحدوا مٮهم اولٮا حٮى ٮهاحروا ڡى سٮٮل الله
Als zij de rug toekeren, grijp hen dan en dood hen waar jullie hen ook vinden, en neem onder hen geen bondgenoot en geen helper – behalve hen die zich verbinden aan een volk tussen wie en jullie een plechtige verbintenis bestaat, of die tot jullie komen
ڡاں ٮولوا ڡحدوهم واڡٮلوهم حٮٮ وحدٮموهم ولا ٮٮحدوا مٮهم ولٮا ولا ٮصٮرا الا الدٮں ٮصلوں الى ڡوم ٮٮٮكم وٮٮٮهم مٮٮٯ او حاوكم
met een beklemde borst bij de gedachte jullie te bevechten, of hun eigen volk te bevechten.
حصرٮ صدورهم اں ٮڡٮلوكم او ٮڡٮلوا ڡومهم
En als het God had behaagd, zou Hij hun heerschappij over jullie hebben gegeven, en zij zouden jullie hebben bevochten.
ولو سا الله لسلطهم علٮكم ڡلڡٮلوكم
Als zij zich afzijdig van jullie houden, jullie niet bevechten, en jullie de vrede aanbieden, dan geeft God jullie tegen hen geen enkele weg.
ڡاں اعٮرلوكم ڡلم ٮڡٮلوكم والڡوا الٮكم السلم ڡما حعل الله لكم علٮهم سٮٮلا
Jullie zullen anderen vinden die in veiligheid met jullie willen zijn en in veiligheid met hun eigen volk; telkens wanneer zij tot de beproeving worden teruggebracht, storten zij zich er weer in.
سٮحدوں احرٮں ٮرٮدوں اں ٮامٮوكم وٮامٮوا ڡومهم كل ما ردوا الى الڡٮٮه اركسوا ڡٮها
Als zij zich niet afzijdig van jullie houden, jullie de vrede niet aanbieden, en hun handen niet inhouden, grijp hen dan en dood hen waar jullie hen ook betrappen.
ڡاں لم ٮعٮرلوكم وٮلڡوا الٮكم السلم وٮكڡوا اٮدٮهم ڡحدوهم واڡٮلوهم حٮٮ ٮڡڡٮموهم
En dat zijn zij tegen wie Wij jullie een klaarblijkelijk gezag hebben toegewezen.
واولٮكم حعلٮا لكم علٮهم سلطٮا مٮٮٮا
En het komt een gelovende niet toe een gelovende te doden,
وما كاں لمومں اں ٮڡٮل مومٮا
behalve door een fout.
الا حطا
En wie een gelovende door een fout doodt, dient een gelovende persoon die door een schuld gebonden is zijn onafhankelijkheid terug te geven, alsmede een compensatie aan diens familie te betalen, tenzij zij daar uit liefdadigheid van afziet.
ومں ڡٮل مومٮا حطا ڡٮحرٮر رڡٮه مومٮه ودٮه مسلمه الى اهله الا اں ٮصدڡوا
En als de gedode tot een volk behoorde dat vijandig is voor jullie, terwijl hij gelovende was, dan: een gelovende persoon die door een schuld gebonden is zijn onafhankelijkheid teruggeven.
ڡاں كاں مں ڡوم عدو لكم وهو مومں ڡٮحرٮر رڡٮه مومٮه
En als hij tot een volk behoorde tussen wie en jullie een plechtige verbintenis bestaat, dan: een betaalde compensatie aan zijn familie, en een gelovende persoon die door een schuld gebonden is zijn onafhankelijkheid teruggeven.
واں كاں مں ڡوم ٮٮٮكم وٮٮٮهم مٮٮٯ ڡدٮه مسلمه الى اهله وٮحرٮر رڡٮه مومٮه
En wie daartoe de middelen niet vindt, dan: een onthouding van twee opeenvolgende maanden, als berouw van God.
ڡمں لم ٮحد ڡصٮام سهرٮں مٮٮاٮعٮں ٮوٮه مں الله
God is Alwetend, Wijs.
وكاں الله علٮما حكٮما
En wie een gelovende opzettelijk doodt, zijn vergelding is Djahannam, waarin hij eeuwig zal blijven; God heeft Zich in toorn ontstoken tegen hem, heeft hem vervloekt, en heeft hem een ontzaglijke pijn bereid.
ومں ٮڡٮل مومٮا مٮعمدا ڡحراوه حهٮم حلدا ڡٮها وعصٮ الله علٮه ولعٮه واعد له عداٮا عطٮما
O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie de weg van God doorkruisen, onderscheid dan duidelijk,
ٮاٮها الدٮں امٮوا ادا صرٮٮم ڡى سٮٮل الله ڡٮٮٮٮوا
en zeg niet tot wie jullie de vrede aanbiedt: “Je bent geen gelovende”, op zoek naar de vergankelijke goederen van het leven hienieden; terwijl bij God overvloedige buit is.
ولا ٮڡولوا لمں الڡى الٮكم السلم لسٮ مومٮا ٮٮٮعوں عرص الحٮوه الدٮٮا ڡعٮد الله معاٮم كٮٮره
Zo waren jullie voorheen, en God heeft jullie begunstigd.
كدلك كٮٮم مں ڡٮل ڡمں الله علٮكم
Onderscheid dus duidelijk.
ڡٮٮٮٮوا
God is gewis Intiem Kenner van wat jullie doen.
اں الله كاں ٮما ٮعملوں حٮٮرا
Niet gelijk zijn zij van de gelovenden die blijven zitten, behalve de invaliden, en zij die op de weg van God strijden met hun bezittingen en hun Zelf.
لا ٮسٮوى الڡعدوں مں المومٮٮں عٮر اولى الصرر والمحهدوں ڡى سٮٮل الله ٮامولهم واٮڡسهم
God heeft met een graad bevoordeeld hen die strijden met hun bezittingen en hun Zelf boven hen die blijven zitten.
ڡصل الله المحهدٮں ٮامولهم واٮڡسهم على الڡعدٮں درحه
En aan allen heeft God het schoonste beloofd;
وكلا وعد الله الحسٮى
en God heeft hen die strijden boven hen die blijven zitten bevoordeeld met een ontzaglijke beloning – graden van Zijnentwege, een vergeving, en een welwillendheid;
وڡصل الله المحهدٮں على الڡعدٮں احرا عطٮما درحٮ مٮه ومعڡره ورحمه
en God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وكاں الله عڡورا رحٮما
Gewis, zij die door de Gemachtigden getrouw in bewaring gehouden worden terwijl zij onrecht doen aan zichzelf – zij zeggen: “Wat was jullie toestand?”
اں الدٮں ٮوڡٮهم الملٮكه طالمى اٮڡسهم ڡالوا ڡٮم كٮٮم
Zij zeggen: “Wij waren tot zwakte gebracht op de aarde.”
ڡالوا كٮا مسٮصعڡٮں ڡى الارص
Zij zeggen: “Was de aarde van God niet ruim genoeg opdat jullie daarheen emigreerden?”
ڡالوا الم ٮكں ارص الله وسعه ڡٮهاحروا ڡٮها
Dat zijn zij wier toevlucht Djahannam zal zijn; en wat een slechte bestemming! – behalve de mannen, vrouwen en kinderen die tot zwakte gebracht zijn, die geen enkel middel kunnen vinden, noch zich naar een weg kunnen laten leiden.
ڡاولٮك ماوٮهم حهٮم وساٮ مصٮرا الا المسٮصعڡٮں مں الرحال والٮسا والولدں لا ٮسٮطٮعوں حٮله ولا ٮهٮدوں سٮٮلا
Dezen – het kan zijn dat God het hun kwijtscheldt.
ڡاولٮك عسى الله اں ٮعڡو عٮهم
God is Hij die onophoudelijk kwijtscheldt, Zeer Vergevensgezind.
وكاں الله عڡوا عڡورا
En wie emigreert op de weg van God, zal op de aarde een overvloedige toevlucht en welstand vinden.
ومں ٮهاحر ڡى سٮٮل الله ٮحد ڡى الارص مرعما كٮٮرا وسعه
En wie zijn huis verlaat, emigrerend naar God en Zijn gezant, en dan door de dood wordt ingehaald, zijn beloning komt voortaan God toe.
ومں ٮحرح مں ٮٮٮه مهاحرا الى الله ورسوله ٮم ٮدركه الموٮ ڡڡد وڡع احره على الله
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وكاں الله عڡورا رحٮما
En wanneer jullie de aarde doorkruisen, is er geen verwijt tegen jullie als jullie het Contact inkorten, als jullie vrezen dat zij die verloochenen jullie beproeven.
وادا صرٮٮم ڡى الارص ڡلٮس علٮكم حٮاح اں ٮڡصروا مں الصلوه اں حڡٮم اں ٮڡٮٮكم الدٮں كڡروا
Zij die verloochenen zijn gewis een klaarblijkelijke vijand voor jullie.
اں الكڡرٮں كاٮوا لكم عدوا مٮٮٮا
En wanneer je onder hen bent, en het Contact voor hen leidt, laat dan een groep van hen met jou rechtop staan, en laat hen hun wapens nemen.
وادا كٮٮ ڡٮهم ڡاڡمٮ لهم الصلوه ڡلٮڡم طاٮڡه مٮهم معك ولٮاحدوا اسلحٮهم
Daarna, wanneer zij zich hebben neergeworpen, laat hen achter jullie gaan,
ڡادا سحدوا ڡلٮكوٮوا مں وراٮكم
en laat een andere groep, die het contact nog niet heeft aangeknoopt, komen om het met jou aan te knopen, terwijl zij hun voorzorgen en hun wapens nemen.
ولٮاٮ طاٮڡه احرى لم ٮصلوا ڡلٮصلوا معك ولٮاحدوا حدرهم واسلحٮهم
Zij die verloochenen zouden willen dat jullie jullie wapens en jullie bagage veronachtzaamden, om in één keer op jullie af te stormen.
ود الدٮں كڡروا لو ٮعڡلوں عں اسلحٮكم وامٮعٮكم ڡٮمٮلوں علٮكم مٮله وحده
En geen verwijt tegen jullie, als de regen jullie tot last is of als jullie ziek zijn, om jullie wapens neer te leggen;
ولا حٮاح علٮكم اں كاں ٮكم ادى مں مطر او كٮٮم مرصى اں ٮصعوا اسلحٮكم
maar neem jullie voorzorgen.
وحدوا حدركم
God heeft gewis, voor hen die verloochenen, een verlagende pijn bereid.
اں الله اعد للكڡرٮں عداٮا مهٮٮا
En wanneer jullie het Contact hebben voltooid, herinner jullie God, staand, zittend, of op de zij liggend.
ڡادا ڡصٮٮم الصلوه ڡادكروا الله ڡٮما وڡعودا وعلى حٮوٮكم
Daarna, eenmaal in gerustheid, onderhoud het Contact.
ڡادا اطماٮٮٮم ڡاڡٮموا الصلوه
Het Contact is, voor de gelovenden, een voorschrift op vastgestelde uren.
اں الصلوه كاٮٮ على المومٮٮں كٮٮا موڡوٮا
En verslap niet in het zoeken naar dit volk.
ولا ٮهٮوا ڡى اٮٮعا الڡوم
Als jullie lijden, lijden zij gewis zoals jullie lijden; maar jullie hopen van God wat zij niet hopen.
اں ٮكوٮوا ٮالموں ڡاٮهم ٮالموں كما ٮالموں وٮرحوں مں الله ما لا ٮرحوں
God is Alwetend, Wijs.
وكاں الله علٮما حكٮما
Wij hebben de Schrift naar jou doen neerdalen in alle waarheid, opdat je oordeelt tussen de mensen volgens wat God je heeft doen zien.
اٮا اٮرلٮا الٮك الكٮٮ ٮالحٯ لٮحكم ٮٮں الٮاس ٮما ارٮك الله
En wees voor de verraders geen twistzoeker.
ولا ٮكں للحاٮٮٮں حصٮما
En smeek God om vergeving.
واسٮعڡر الله
God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
اں الله كاں عڡورا رحٮما
En redetwist niet ten gunste van hen die zichzelf verraden.
ولا ٮحدل عں الدٮں ٮحٮاٮوں اٮڡسهم
Gewis houdt God niet van wie een groot verrader is, overtreder.
اں الله لا ٮحٮ مں كاں حواٮا اٮٮما
Zij verbergen zich voor de mensen, en verbergen zich niet voor God, terwijl Hij bij hen is wanneer zij 's nachts uitspraken beramen die Hij niet goedkeurt.
ٮسٮحڡوں مں الٮاس ولا ٮسٮحڡوں مں الله وهو معهم اد ٮٮٮٮوں ما لا ٮرصى مں الڡول
God omvat volkomen wat zij doen.
وكاں الله ٮما ٮعملوں محٮطا
Daar zijn jullie, jullie die ten gunste van hen hebben geredetwist in het leven hienieden; maar wie zal met God ten gunste van hen redetwisten, op de Dag van het Verschijnen? Of wie zal voor hen lasthebber zijn?
هاٮٮم هولا حدلٮم عٮهم ڡى الحٮوه الدٮٮا ڡمں ٮحدل الله عٮهم ٮوم الڡٮمه ام مں ٮكوں علٮهم وكٮلا
En wie een kwaad bedrijft, of onrecht doet aan zijn eigen Zelf, en dan God om vergeving smeekt, zal God Zeer Vergevensgezind, Welwillend vinden.
ومں ٮعمل سوا او ٮطلم ٮڡسه ٮم ٮسٮعڡر الله ٮحد الله عڡورا رحٮما
En wie een overtreding verwerft, verwerft die slechts tegen zijn eigen Zelf.
ومں ٮكسٮ اٮما ڡاٮما ٮكسٮه على ٮڡسه
God is Alwetend, Wijs.
وكاں الله علٮما حكٮما
En wie een fout of een overtreding verwerft, en daarvan dan iemand beschuldigt die ervan vrij is, maakt zich drager van een laster en een klaarblijkelijke overtreding.
ومں ٮكسٮ حطٮه او اٮما ٮم ٮرم ٮه ٮرٮا ڡڡد احٮمل ٮهٮٮا واٮما مٮٮٮا
En zonder de gunst van God over jou en Zijn welwillendheid zou een groep van hen het voornemen hebben gehad jou te doen dwalen;
ولولا ڡصل الله علٮك ورحمٮه لهمٮ طاٮڡه مٮهم اں ٮصلوك
maar zij doen slechts zichzelf dwalen, en zij kunnen jou in niets schaden.
وما ٮصلوں الا اٮڡسهم وما ٮصروٮك مں سى
En God heeft de Schrift en de wijsheid op jou doen neerdalen, en heeft jou geleerd wat je niet wist.
واٮرل الله علٮك الكٮٮ والحكمه وعلمك ما لم ٮكں ٮعلم
De gunst van God over jou is ontzaglijk.
وكاں ڡصل الله علٮك عطٮما
In de meeste van hun heimelijke beraadslagingen is geen enkel goed, behalve voor wie liefdadigheid beveelt, of het naar gebruik erkende, of een verzoening tussen de mensen.
لا حٮر ڡى كٮٮر مں ٮحوٮهم الا مں امر ٮصدڡه او معروڡ او اصلح ٮٮں الٮاس
En wie dat doet, op zoek naar de instemming van God, Wij zullen hem een ontzaglijke beloning geven.
ومں ٮڡعل دلك اٮٮعا مرصاٮ الله ڡسوڡ ٮوٮٮه احرا عطٮما
En wie zich in breuk tegen de gezant opstelt, nadat de leiding hem duidelijk is geworden, en een andere weg volgt dan die van de gelovenden, Wij zullen hem laten bij datgene waartoe hij zich gekeerd heeft, en Wij zullen hem doen branden in Djahannam.
ومں ٮساڡٯ الرسول مں ٮعد ما ٮٮٮں له الهدى وٮٮٮع عٮر سٮٮل المومٮٮں ٮوله ما ٮولى وٮصله حهٮم
En wat een slechte bestemming!
وساٮ مصٮرا
God vergeeft gewis niet dat men met Hem associeert,
اں الله لا ٮعڡر اں ٮسرك ٮه
maar Hij vergeeft wat aan deze zijde daarvan is aan wie het Hem behaagt.
وٮعڡر ما دوں دلك لمں ٮسا
En wie met God associeert, dwaalt in een verre dwaling.
ومں ٮسرك ٮالله ڡڡد صل صللا ٮعٮدا
Zij roepen buiten Hem slechts vrouwtjes aan, en zij roepen slechts een weerspannige Afleider aan, die God vervloekt heeft,
اں ٮدعوں مں دوٮه الا اٮٮا واں ٮدعوں الا سٮطٮا مرٮدا لعٮه الله
die gezegd heeft: “Voorzeker zal ik onder Uw gehoorzamen een bedongen portie nemen; voorzeker zal ik hen doen dwalen, voorzeker zal ik hun ijdele hoop geven, voorzeker zal ik hun bevelen de oren van het vee te splijten, en voorzeker zal ik hun bevelen de schepping van God te wijzigen.”
وڡال لاٮحدں مں عٮادك ٮصٮٮا مڡروصا ولاصلٮهم ولامٮٮٮهم ولامرٮهم ڡلٮٮٮكں اداں الاٮعم ولامرٮهم ڡلٮعٮرں حلٯ الله
En wie de Afleider tot bondgenoot neemt, buiten God, heeft gewis een klaarblijkelijk verlies geleden.
ومں ٮٮحد السٮطں ولٮا مں دوں الله ڡڡد حسر حسراٮا مٮٮٮا
Hij doet hun beloften en geeft hun ijdele hoop,
ٮعدهم وٮمٮٮهم
en de Afleider belooft hun slechts lokaas.
وما ٮعدهم السٮطں الا عرورا
Dat zijn zij wier toevlucht Djahannam zal zijn,
اولٮك ماوٮهم حهٮم
en zij zullen daarin geen enkele ontsnapping vinden.
ولا ٮحدوں عٮها محٮصا
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Wij zullen hen doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, voor altijd.
والدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ سٮدحلهم حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها اٮدا
Belofte van God, in alle waarheid.
وعد الله حڡا
En wie is waarachtiger dan God in uitspraak?
ومں اصدٯ مں الله ڡٮلا
Het hangt niet af van jullie wensen, noch van de wensen van de lieden van de Schrift.
لٮس ٮاماٮٮكم ولا اماٮى اهل الكٮٮ
Wie een kwaad bedrijft, zal ervoor vergolden worden, en zal buiten God geen beschermer en geen hulp vinden.
مں ٮعمل سوا ٮحر ٮه ولا ٮحد له مں دوں الله ولٮا ولا ٮصٮرا
En wie deugdelijke werken verricht, man of vrouw, terwijl hij gelovende is, dezen zullen in de Tuin worden binnengeleid, en geen onrecht ondergaan, al is het van de inkeping van een dadelpit.
ومں ٮعمل مں الصلحٮ مں دكر او اٮٮى وهو مومں ڡاولٮك ٮدحلوں الحٮه ولا ٮطلموں ٮڡٮرا
En wie heeft een schonere Wet dan hij die zijn richting tegenover God integer heeft gemaakt, terwijl hij het goede doet, en de leer van Ibrahim heeft gevolgd, geheel op God gericht?
ومں احسں دٮٮا ممں اسلم وحهه لله وهو محسں واٮٮع مله اٮرهٮم حٮٮڡا
En God heeft Ibrahim tot intieme vriend genomen.
واٮحد الله اٮرهٮم حلٮلا
En aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
ولله ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص
God omvat alles volkomen.
وكاں الله ٮكل سى محٮطا
En zij raadplegen jou over de vrouwen.
وٮسٮڡٮوٮك ڡى الٮسا
Zeg: “God geeft jullie Zijn advies over hen, evenals wat jullie in de Schrift wordt voorgedragen over de weesmeisjes aan wie jullie niet geven wat hun is voorgeschreven, terwijl jullie eraan hechten hen te huwen, en over de kinderen die tot zwakte gebracht zijn, en over het zich gedragen jegens de weeskinderen in volle billijkheid.
ڡل الله ٮڡٮٮكم ڡٮهں وما ٮٮلى علٮكم ڡى الكٮٮ ڡى ٮٮمى الٮسا الٮى لا ٮوٮوٮهں ما كٮٮ لهں وٮرعٮوں اں ٮٮكحوهں والمسٮصعڡٮں مں الولدں واں ٮڡوموا للٮٮمى ٮالڡسط
En welk goed jullie ook doen, God is er gewis Alwetend over.”
وما ٮڡعلوا مں حٮر ڡاں الله كاں ٮه علٮما
En als een vrouw van haar man een aanhoudende vijandigheid of een onttrekking vreest, is er geen verwijt tegen hen als zij zich verzoenen door een akkoord;
واں امراه حاڡٮ مں ٮعلها ٮسورا او اعراصا ڡلا حٮاح علٮهما اں ٮصلحا ٮٮٮهما صلحا
en de verzoening is beter.
والصلح حٮر
En de hebzucht is steeds aanwezig bij de Zelven;
واحصرٮ الاٮڡس السح
maar als jullie het goede doen en jullie behoeden, is God gewis Intiem Kenner van wat jullie doen.
واں ٮحسٮوا وٮٮڡوا ڡاں الله كاں ٮما ٮعملوں حٮٮرا
En jullie zullen nooit rechtvaardig kunnen zijn tussen de vrouwen, ook al hechten jullie eraan;
ولں ٮسٮطٮعوا اں ٮعدلوا ٮٮں الٮسا ولو حرصٮم
laat jullie dus niet geheel overhellen, zodat jullie de ander als hangende achterlaten.
ڡلا ٮمٮلوا كل المٮل ڡٮدروها كالمعلڡه
En als jullie je verzoenen en je behoeden, is God gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
واں ٮصلحوا وٮٮڡوا ڡاں الله كاں عڡورا رحٮما
En als zij scheiden, zal God ieder van hen verrijken met Zijn wijdte.
واں ٮٮڡرڡا ٮعں الله كلا مں سعٮه
God is Veelomvattend, Wijs.
وكاں الله وسعا حكٮما
En aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
ولله ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص
Gewis hebben Wij aan hen aan wie de Schrift vóór jullie is gegeven, en aan jullie zelf, aanbevolen zich te behoeden voor God.
ولڡد وصٮٮا الدٮں اوٮوا الكٮٮ مں ڡٮلكم واٮاكم اں اٮڡوا الله
En als jullie verloochenen, aan God behoort gewis toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
واں ٮكڡروا ڡاں لله ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص
God is Rijk, Lofwaardig.
وكاں الله عٮٮا حمٮدا
En aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
ولله ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص
En God volstaat als lasthebber.
وكڡى ٮالله وكٮلا
Als het Hem behaagt, voert Hij jullie weg, o mensen, en laat Hij anderen komen.
اں ٮسا ٮدهٮكم اٮها الٮاس وٮاٮ ٮاحرٮں
God is daartoe in staat.
وكاں الله على دلك ڡدٮرا
Wie de tegenprestatie van hienieden wil – bij God bevindt zich de tegenprestatie van hienieden en van het laatste leven.
مں كاں ٮرٮد ٮواٮ الدٮٮا ڡعٮد الله ٮواٮ الدٮٮا والاحره
God is de Alhorende, de Alziende.
وكاں الله سمٮعا ٮصٮرا
O jullie die geloofd hebben! Behoor tot hen die de billijkheid stevig onderhouden, getuigen voor God, al is het tegen jullie zelf, of jullie ouders, of jullie verwanten.
ٮاٮها الدٮں امٮوا كوٮوا ڡومٮں ٮالڡسط سهدا لله ولو على اٮڡسكم او الولدٮں والاڡرٮٮں
Of hij rijk of arm is, God staat hen beiden nader; volg dus de emotie niet, zodat jullie niet meer rechtvaardig zijn.
اں ٮكں عٮٮا او ڡڡٮرا ڡالله اولى ٮهما ڡلا ٮٮٮعوا الهوى اں ٮعدلوا
En als jullie verdraaien of jullie onttrekken, is God gewis Intiem Kenner van wat jullie doen.
واں ٮلوا او ٮعرصوا ڡاں الله كاں ٮما ٮعملوں حٮٮرا
O jullie die geloofd hebben! Geloof in God, in Zijn gezant, in de Schrift die Hij op Zijn gezant heeft doen neerdalen, en in de Schrift die Hij voorheen heeft doen neerdalen.
ٮاٮها الدٮں امٮوا امٮوا ٮالله ورسوله والكٮٮ الدى ٮرل على رسوله والكٮٮ الدى اٮرل مں ڡٮل
En wie God, Zijn Gemachtigden, Zijn schriften, Zijn gezanten en de Laatste Dag verloochent, dwaalt in een verre dwaling.
ومں ٮكڡر ٮالله وملٮكٮه وكٮٮه ورسله والٮوم الاحر ڡڡد صل صللا ٮعٮدا
Gewis, zij die geloofd hebben, daarna verloochend hebben, daarna geloofd hebben, daarna verloochend hebben, daarna in verloochening zijn toegenomen – het past God niet hun te vergeven, noch hen te leiden naar een weg.
اں الدٮں امٮوا ٮم كڡروا ٮم امٮوا ٮم كڡروا ٮم اردادوا كڡرا لم ٮكں الله لٮعڡر لهم ولا لٮهدٮهم سٮٮلا
Kondig de huichelaars aan dat zij een schrijnende pijn zullen hebben – zij die hen die verloochenen tot bondgenoten nemen, buiten de gelovenden.
ٮسر المٮڡڡٮں ٮاں لهم عداٮا الٮما الدٮں ٮٮحدوں الكڡرٮں اولٮا مں دوں المومٮٮں
Zoeken zij macht bij hen? Gewis behoort alle macht aan God toe.
اٮٮٮعوں عٮدهم العره ڡاں العره لله حمٮعا
En Hij heeft reeds op jullie doen neerdalen, in de Schrift: wanneer jullie de tekenen van God horen verloochenen en ze honen, blijf dan niet bij hen zitten, totdat zij zich onderdompelen in een andere rede;
وڡد ٮرل علٮكم ڡى الكٮٮ اں ادا سمعٮم اٮٮ الله ٮكڡر ٮها وٮسٮهرا ٮها ڡلا ٮڡعدوا معهم حٮى ٮحوصوا ڡى حدٮٮ عٮره
jullie zouden dan gewis zijn als zij.
اٮكم ادا مٮلهم
Gewis zal God de huichelaars en hen die verloochenen allen tezamen bijeenbrengen in Djahannam – zij die in afwachting zijn ten aanzien van jullie: als een opening van God jullie ten deel valt, zeggen zij: “Waren wij niet met jullie?” en als een deel toekomt aan hen die verloochenen, zeggen zij: “Hebben wij ons niet van jullie meester gemaakt, en jullie niet aan de gelovenden onttrokken?”
اں الله حامع المٮڡڡٮں والكڡرٮں ڡى حهٮم حمٮعا الدٮں ٮٮرٮصوں ٮكم ڡاں كاں لكم ڡٮح مں الله ڡالوا الم ٮكں معكم واں كاں للكڡرٮں ٮصٮٮ ڡالوا الم ٮسٮحود علٮكم وٮمٮعكم مں المومٮٮں
God zal tussen jullie oordelen, op de Dag van het Verschijnen;
ڡالله ٮحكم ٮٮٮكم ٮوم الڡٮمه
en God zal aan de verloochenaars nooit een weg over de gelovenden toekennen.
ولں ٮحعل الله للكڡرٮں على المومٮٮں سٮٮلا
De huichelaars trachten God te misleiden, en Hij is het die hen misleidt.
اں المٮڡڡٮں ٮحدعوں الله وهو حدعهم
En wanneer zij opstaan voor het Contact, staan zij op met luiheid, uit vertoon voor de mensen, en herinneren zich God slechts weinig, aarzelend tussen die twee, noch aan de ene noch aan de andere kant.
وادا ڡاموا الى الصلوه ڡاموا كسالى ٮراوں الٮاس ولا ٮدكروں الله الا ڡلٮلا مدٮدٮٮں ٮٮں دلك لا الى هولا ولا الى هولا
En wie God doet dwalen, voor hem zul je geen enkele weg vinden.
ومں ٮصلل الله ڡلں ٮحد له سٮٮلا
O jullie die geloofd hebben! Neem hen die verloochenen niet tot bondgenoten, buiten de gelovenden.
ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮٮحدوا الكڡرٮں اولٮا مں دوں المومٮٮں
Willen jullie aan God een klaarblijkelijk gezag tegen jullie toewijzen?
اٮرٮدوں اں ٮحعلوا لله علٮكم سلطٮا مٮٮٮا
De huichelaars zijn gewis in de laagste laag van het Vuur, en je zult nooit een hulp voor hen vinden –
اں المٮڡڡٮں ڡى الدرك الاسڡل مں الٮار ولں ٮحد لهم ٮصٮرا
behalve zij die terugkeren, zich saneren, zich stevig aan God hechten, en hun Wet uitsluitend aan God toewijden: dat zijn zij die bij de gelovenden zijn,
الا الدٮں ٮاٮوا واصلحوا واعٮصموا ٮالله واحلصوا دٮٮهم لله ڡاولٮك مع المومٮٮں
en God zal de gelovenden weldra een ontzaglijke beloning geven.
وسوڡ ٮوٮ الله المومٮٮں احرا عطٮما
Wat zou God met jullie pijn doen, als jullie dankbaar en gelovend zijn?
ما ٮڡعل الله ٮعداٮكم اں سكرٮم وامٮٮم
God is Dankbaar, Alwetend.
وكاں الله ساكرا علٮما
God houdt er niet van dat het kwaad luid gezegd wordt, behalve van de zijde van hem die onrecht heeft ondergaan.
لا ٮحٮ الله الحهر ٮالسو مں الڡول الا مں طلم
God is de Alhorende, de Alwetende.
وكاں الله سمٮعا علٮما
Of jullie iets goeds zichtbaar maken, of het verbergen, of een kwaad kwijtschelden, gewis is God Hij die onophoudelijk kwijtscheldt, In Staat.
اں ٮٮدوا حٮرا او ٮحڡوه او ٮعڡوا عں سو ڡاں الله كاں عڡوا ڡدٮرا
Zij die God en Zijn gezanten verloochenen, en God van Zijn gezanten willen scheiden, zeggend: “Wij geloven in een deel, en wij verloochenen een deel”, en daartussen een weg willen banen – dat zijn de ware verloochenaars.
اں الدٮں ٮكڡروں ٮالله ورسله وٮرٮدوں اں ٮڡرڡوا ٮٮں الله ورسله وٮڡولوں ٮومں ٮٮعص وٮكڡر ٮٮعص وٮرٮدوں اں ٮٮحدوا ٮٮں دلك سٮٮلا اولٮك هم الكڡروں حڡا
En Wij hebben voor hen die verloochenen een verlagende pijn klaargemaakt.
واعٮدٮا للكڡرٮں عداٮا مهٮٮا
En zij die in God en in Zijn gezanten geloofd hebben, en tussen hen geen enkel onderscheid hebben gemaakt, aan dezen zal Hij weldra hun beloningen geven.
والدٮں امٮوا ٮالله ورسله ولم ٮڡرڡوا ٮٮں احد مٮهم اولٮك سوڡ ٮوٮٮهم احورهم
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وكاں الله عڡورا رحٮما
De lieden van de Schrift vragen jou een schrift uit de hemel op hen te doen neerdalen.
ٮسلك اهل الكٮٮ اں ٮٮرل علٮهم كٮٮا مں السما
Zij hebben nochtans aan Moesa iets groters dan dat gevraagd, zeggend: “Laat ons God openlijk zien”; de bliksem greep hen toen vanwege hun onrecht.
ڡڡد سالوا موسى اكٮر مں دلك ڡڡالوا ارٮا الله حهره ڡاحدٮهم الصعڡه ٮطلمهم
Daarna namen zij het kalf, nadat de duidelijke bewijzen hun gekomen waren; maar Wij hebben dat kwijtgescholden,
ٮم اٮحدوا العحل مں ٮعد ما حاٮهم الٮٮٮٮ ڡعڡوٮا عں دلك
en Wij gaven Moesa een klaarblijkelijk gezag.
واٮٮٮا موسى سلطٮا مٮٮٮا
En Wij verhieven boven hen de Berg, krachtens hun plechtige verbintenis,
ورڡعٮا ڡوڡهم الطور ٮمٮٮڡهم
en Wij zeiden hun: “Treed door de poort binnen, jullie neerwerpend”,
وڡلٮا لهم ادحلوا الٮاٮ سحدا
en Wij zeiden hun: “Overschrijd de grenzen niet ten aanzien van de Rust”,
وڡلٮا لهم لا ٮعدوا ڡى السٮٮ
en Wij hebben van hen een plechtige en vaste verbintenis afgenomen.
واحدٮا مٮهم مٮٮڡا علٮطا
Het is omdat zij hun plechtige verbintenis hebben verbroken, de tekenen van God hebben verloochend, de berichtgevers zonder recht hebben gedood, en hebben gezegd: “Onze kernen zijn omhuld” – nee, het is God die een afdruk op hun kernen heeft aangebracht vanwege hun verloochening, zodat zij slechts weinig geloven – en vanwege hun verloochening, en hun aanwrijving tegen Marjam van een ontzaglijke laster, en omdat zij hebben gezegd: “Wij hebben Al-Masih, Isa, zoon van Marjam, de gezant van God, gewis gedood”,
ڡٮما ٮڡصهم مٮٮڡهم وكڡرهم ٮاٮٮ الله وڡٮلهم الاٮٮٮا ٮعٮر حٯ وڡولهم ڡلوٮٮا علڡ ٮل طٮع الله علٮها ٮكڡرهم ڡلا ٮومٮوں الا ڡلٮلا وٮكڡرهم وڡولهم على مرٮم ٮهٮٮا عطٮما وڡولهم اٮا ڡٮلٮا المسٮح عٮسى اٮں مرٮم رسول الله
terwijl zij hem niet hebben gedood en niet hebben gekruisigd, maar een gelijkenis daarvan werd hun gegeven.
وما ڡٮلوه وما صلٮوه ولكں سٮه لهم
En voorzeker zijn zij die over hem uiteenlopen in verlegenheid daaromtrent.
واں الدٮں احٮلڡوا ڡٮه لڡى سك مٮه
Zij hebben daarvan geen enkel weten,
ما لهم ٮه مں علم
behalve het volgen van het vermoeden.
الا اٮٮاع الطں
En zij hebben hem zeker niet gedood.
وما ڡٮلوه ٮڡٮٮا
God heeft hem, integendeel, tot Zich verheven.
ٮل رڡعه الله الٮه
God is Almachtig, Wijs.
وكاں الله عرٮرا حكٮما
En er is niemand, onder de lieden van de Schrift, die niet voorzeker in hem gelooft vóór zijn dood; en op de Dag van het Verschijnen zal hij getuige tegen hen zijn.
واں مں اهل الكٮٮ الا لٮومٮں ٮه ڡٮل موٮه وٮوم الڡٮمه ٮكوں علٮهم سهٮدا
Het is vanwege het onrecht van de Geheroriënteerden dat Wij hun goede dingen hebben ontzegd die hun geoorloofd waren gemaakt, en omdat zij de weg van God vaak hebben versperd, en omdat zij woeker hebben uitgeoefend, terwijl dat hun verboden was, en de bezittingen van de mensen door het valse hebben verslonden.
ڡٮطلم مں الدٮں هادوا حرمٮا علٮهم طٮٮٮ احلٮ لهم وٮصدهم عں سٮٮل الله كٮٮرا واحدهم الرٮوا وڡد ٮهوا عٮه واكلهم امول الٮاس ٮالٮطل
En Wij hebben, voor hen onder hen die verloochenen, een schrijnende pijn klaargemaakt.
واعٮدٮا للكڡرٮں مٮهم عداٮا الٮما
Maar zij onder hen die stevig geworteld zijn in het weten, en de gelovenden, geloven in wat naar jou is neergedaald en in wat vóór jou is neergedaald, evenals zij die het Contact onderhouden,
لكں الرسحوں ڡى العلم مٮهم والمومٮوں ٮومٮوں ٮما اٮرل الٮك وما اٮرل مں ڡٮلك والمڡٮمٮں الصلوه
zij die de zuivere vrijgevigheid geven, en zij die in God en in de Laatste Dag geloven – dat zijn zij aan wie Wij weldra een ontzaglijke beloning zullen geven.
والموٮوں الركوه والمومٮوں ٮالله والٮوم الاحر اولٮك سٮوٮٮهم احرا عطٮما
Wij hebben jou gewis geopenbaard, zoals Wij aan Noeh en aan de berichtgevers na hem hebben geopenbaard,
اٮا اوحٮٮا الٮك كما اوحٮٮا الى ٮوح والٮٮٮں مں ٮعده
en Wij hebben geopenbaard aan Ibrahim, Isma'il, Ishaq, Ja'qoeb, de afstammingslijnen, Isa, Ajjoeb, Joenoes, Haroen en Soelaiman;
واوحٮٮا الى اٮرهٮم واسمعٮل واسحٯ وٮعڡوٮ والاسٮاط وعٮسى واٮوٮ وٮوٮس وهروں وسلٮمں
en Wij hebben aan Dawoed een Formularium gegeven.
واٮٮٮا داود رٮورا
En gezanten van wie Wij jou reeds het verhaal hebben gedaan, en gezanten van wie Wij jou het verhaal niet hebben gedaan;
ورسلا ڡد ڡصصٮهم علٮك مں ڡٮل ورسلا لم ٮڡصصهم علٮك
en God sprak tot Moesa met een woord.
وكلم الله موسى ٮكلٮما
Gezanten, aankondigers en waarschuwers, opdat de mensen na de gezanten geen argument meer hebben tegen God.
رسلا مٮسرٮں ومٮدرٮں لٮلا ٮكوں للٮاس على الله ححه ٮعد الرسل
God is Almachtig, Wijs.
وكاں الله عرٮرا حكٮما
Maar God getuigt van wat Hij naar jou heeft doen neerdalen;
لكں الله ٮسهد ٮما اٮرل الٮك
Hij heeft het doen neerdalen met Zijn weten, en de Gemachtigden getuigen ervan.
اٮرله ٮعلمه والملٮكه ٮسهدوں
En God volstaat als getuige.
وكڡى ٮالله سهٮدا
Zij die verloochend hebben en de weg van God hebben versperd, hebben gewis in een verre dwaling gedwaald.
اں الدٮں كڡروا وصدوا عں سٮٮل الله ڡد صلوا صللا ٮعٮدا
Gewis, zij die verloochend hebben en onrecht hebben bedreven – het past God niet hun te vergeven, noch hen te leiden naar een route, behalve de route van Djahannam, waarin zij eeuwig zullen blijven, voor altijd.
اں الدٮں كڡروا وطلموا لم ٮكں الله لٮعڡر لهم ولا لٮهدٮهم طرٮڡا الا طرٮٯ حهٮم حلدٮں ڡٮها اٮدا
En dat is, voor God, iets gemakkelijks.
وكاں دلك على الله ٮسٮرا
O mensen! De gezant is gewis met de waarheid tot jullie gekomen, van de zijde van jullie Voogd; geloof dus, dat is beter voor jullie.
ٮاٮها الٮاس ڡد حاكم الرسول ٮالحٯ مں رٮكم ڡامٮوا حٮرا لكم
En als jullie verloochenen, aan God behoort gewis toe wat in de hemelen en op de aarde is.
واں ٮكڡروا ڡاں لله ما ڡى السموٮ والارص
God is Alwetend, Wijs.
وكاں الله علٮما حكٮما
O lieden van de Schrift! Overdrijf niet in jullie Wet, en zeg over God slechts de waarheid.
ٮاهل الكٮٮ لا ٮعلوا ڡى دٮٮكم ولا ٮڡولوا على الله الا الحٯ
Al-Masih, Isa, zoon van Marjam, is slechts de gezant van God, en Zijn woord,
اٮما المسٮح عٮسى اٮں مرٮم رسول الله وكلمٮه
dat Hij tot Marjam gericht heeft, en een Toestroom van Hem.
الڡٮها الى مرٮم وروح مٮه
Geloof dus in God en in Zijn gezanten,
ڡامٮوا ٮالله ورسله
en zeg niet: “Drie”.
ولا ٮڡولوا ٮلٮه
Houd op: dat is beter voor jullie.
اٮٮهوا حٮرا لكم
God is slechts een enige godheid.
اٮما الله اله وحد
Glorie zij Hem! Hij staat erboven een kind te hebben.
سٮحٮه اں ٮكوں له ولد
Aan Hem behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
له ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص
En God volstaat als lasthebber.
وكڡى ٮالله وكٮلا
Al-Masih zal er nooit op neerzien een gehoorzame van God te zijn, noch de genaderde Gemachtigden.
لں ٮسٮٮكڡ المسٮح اں ٮكوں عٮدا لله ولا الملٮكه المڡرٮوں
En wie het versmaadt Hem te gehoorzamen, en opzwelt van hoogmoed, hen zal Hij weldra tot Zich verzamelen, allen tezamen.
ومں ٮسٮٮكڡ عں عٮادٮه وٮسٮكٮر ڡسٮحسرهم الٮه حمٮعا
Wat betreft hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Hij zal hun hun beloningen getrouw teruggeven, en Hij zal hun meer geven van Zijn gunst;
ڡاما الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ ڡٮوڡٮهم احورهم وٮرٮدهم مں ڡصله
en wat betreft hen die versmaad hebben en van hoogmoed zijn opgezwollen, Hij zal hun een schrijnende pijn opleggen, en zij zullen buiten God geen beschermer en geen hulp vinden.
واما الدٮں اسٮٮكڡوا واسٮكٮروا ڡٮعدٮهم عداٮا الٮما ولا ٮحدوں لهم مں دوں الله ولٮا ولا ٮصٮرا
O mensen! Een aantoning is gewis tot jullie gekomen van jullie Voogd, en Wij hebben naar jullie een uitdrukkelijk licht doen neerdalen.
ٮاٮها الٮاس ڡد حاكم ٮرهں مں رٮكم واٮرلٮا الٮكم ٮورا مٮٮٮا
Wat betreft hen die in God geloofd hebben en zich er stevig aan hebben gehecht, Hij zal hen weldra doen binnengaan in een welwillendheid van Hem, en een gunst, en Hij zal hen tot Zich leiden over een rechtlijnig pad.
ڡاما الدٮں امٮوا ٮالله واعٮصموا ٮه ڡسٮدحلهم ڡى رحمه مٮه وڡصل وٮهدٮهم الٮه صرطا مسٮڡٮما
Zij raadplegen jou.
ٮسٮڡٮوٮك
Zeg: “God geeft jullie Zijn advies over de kalala.
ڡل الله ٮڡٮٮكم ڡى الكلله
Als een man omkomt zonder kind, maar een zus heeft, komt haar de helft toe van wat hij nalaat;
اں امروا هلك لٮس له ولد وله احٮ ڡلها ٮصڡ ما ٮرك
en hij erft van haar, als zij geen kind heeft.
وهو ٮرٮها اں لم ٮكں لها ولد
Maar als zij twee zijn, dan komen hun de twee derde toe van wat hij nalaat;
ڡاں كاٮٮا اٮٮٮٮں ڡلهما الٮلٮاں مما ٮرك
en als zij meerdere zijn, broers en zussen, dan komt aan het mannelijke het equivalent toe van het aandeel van twee vrouwelijken.
واں كاٮوا احوه رحالا وٮسا ڡللدكر مٮل حط الاٮٮٮٮں
God verduidelijkt jullie dit, opdat jullie niet dwalen;
ٮٮٮں الله لكم اں ٮصلوا
en God is Alwetend over alles.”
والله ٮكل سى علٮم