القمر
Al-Qamar
Is There Anyone to Remember?
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Het Uur is genaderd, en de maan is gespleten.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم اڡٮرٮٮ الساعه واٮسٯ الڡمر
En als zij een teken zien, onttrekken zij zich eraan en zeggen: “Een aanhoudende begoocheling.”
واں ٮروا اٮه ٮعرصوا وٮڡولوا سحر مسٮمر
En zij hebben ontkend en hun emoties gevolgd.
وكدٮوا واٮٮعوا اهواهم
Welnu, elke zaak vindt haar stabiele plaats.
وكل امر مسٮڡر
Hun is toch, onder de berichten, gekomen wat hen kan weerhouden,
ولڡد حاهم مں الاٮٮا ما ڡٮه مردحر
een voltooide wijsheid –
حكمه ٮلعه
maar wat baten de waarschuwingen?
ڡما ٮعں الٮدر
Keer hun dus de rug toe.
ڡٮول عٮهم
Op de dag waarop de Oproeper zal oproepen tot een ongehoord ding, hun gezichtsvermogen nederig, zullen zij uit de grafkelders komen als ontvouwde sprinkhanen, toesnellend naar de Oproeper,
ٮوم ٮدع الداع الى سى ٮكر حسعا اٮصرهم ٮحرحوں مں الاحداٮ كاٮهم حراد مٮٮسر مهطعٮں الى الداع
zij die verloochenen zullen zeggen: “Dit is een zware dag.”
ٮڡول الكڡروں هدا ٮوم عسر
Vóór hen heeft het volk van Noeh ontkend: zij ontkenden Onze gehoorzame en zeiden: “Hij is verward”, en hij werd met geweld berispt.
كدٮٮ ڡٮلهم ڡوم ٮوح ڡكدٮوا عٮدٮا وڡالوا محٮوں واردحر
Toen riep hij zijn Voogd aan: “Ik ben overwonnen, verleen mij de hulp.”
ڡدعا رٮه اٮى معلوٮ ڡاٮٮصر
Toen openden Wij de poorten van de hemel met torrentieel water,
ڡڡٮحٮا اٮوٮ السما ٮما مٮهمر
en Wij deden de aarde in bronnen opwellen, zodat de wateren elkaar ontmoetten volgens een reeds bepaald bevel.
وڡحرٮا الارص عٮوٮا ڡالٮڡى الما على امر ڡد ڡدر
En Wij droegen hem op een vaartuig gemaakt van planken en samenvoegende spijkers.
وحملٮه على داٮ الوح ودسر
Het voer onder Onze ogen, als vergelding voor hem die men verloochend had.
ٮحرى ٮاعٮٮٮا حرا لمں كاں كڡر
Wij hebben het inderdaad als teken achtergelaten: is er dan iemand om er de herinnering uit te trekken?
ولڡد ٮركٮها اٮه ڡهل مں مدكر
Hoe waren dan Mijn pijn en Mijn waarschuwingen?
ڡكٮڡ كاں عداٮى وٮدر
Wij hebben inderdaad de Lezing gemakkelijk gemaakt voor de Herinnering: is er dan iemand om er de herinnering uit te trekken?
ولڡد ٮسرٮا الڡراں للدكر ڡهل مں مدكر
De Aad hebben ontkend. Hoe waren dan Mijn pijn en Mijn waarschuwingen?
كدٮٮ عاد ڡكٮڡ كاں عداٮى وٮدر
Wij hebben op hen een ijskoude wind gezonden, op een dag van aanhoudend onheil, die de mensen wegrukte als stammen van ontwortelde palmen.
اٮا ارسلٮا علٮهم رٮحا صرصرا ڡى ٮوم ٮحس مسٮمر ٮٮرع الٮاس كاٮهم اعحار ٮحل مٮڡعر
Hoe waren dan Mijn pijn en Mijn waarschuwingen?
ڡكٮڡ كاں عداٮى وٮدر
Wij hebben inderdaad de Lezing gemakkelijk gemaakt voor de Herinnering: is er dan iemand om er de herinnering uit te trekken?
ولڡد ٮسرٮا الڡراں للدكر ڡهل مں مدكر
De Thamoed hebben de waarschuwingen ontkend.
كدٮٮ ٮمود ٮالٮدر
Zij zeiden: “Zouden wij een gewone sterveling volgen, alleen onder ons? Wij zouden dan voorzeker in dwaling en waanzin zijn. Zou de Herinnering op hem geworpen zijn, onder ons? Hij is veeleer een pretentieuze leugenaar.”
ڡڡالوا اٮسرا مٮا وحدا ٮٮٮعه اٮا ادا لڡى صلل وسعر الڡى الدكر علٮه مں ٮٮٮٮا ٮل هو كداٮ اسر
Zij zullen morgen weten wie de pretentieuze leugenaar is.
سٮعلموں عدا مں الكداٮ الاسر
Wij zenden de kameelmerrie als beproeving voor hen: kijk dus naar hen uit, en wees standvastig.
اٮا مرسلوا الٮاڡه ڡٮٮه لهم ڡارٮڡٮهم واصطٮر
En bericht hun dat het water onder hen verdeeld is,
وٮٮٮهم اں الما ڡسمه ٮٮٮهم
bij elke drinkbeurt meldt men zich aan.
كل سرٮ محٮصر
Toen riepen zij hun metgezel, die zich ervan meester maakte en haar verminkte.
ڡٮادوا صاحٮهم ڡٮعاطى ڡعڡر
Hoe waren dan Mijn pijn en Mijn waarschuwingen?
ڡكٮڡ كاں عداٮى وٮدر
Wij hebben op hen één enkele kreet gezonden, en zij werden als de gedroogde twijgen van hem die een omheining maakt.
اٮا ارسلٮا علٮهم صٮحه وحده ڡكاٮوا كهسٮم المحٮطر
Wij hebben inderdaad de Lezing gemakkelijk gemaakt voor de Herinnering: is er dan iemand om er de herinnering uit te trekken?
ولڡد ٮسرٮا الڡراں للدكر ڡهل مں مدكر
Het volk van Loet heeft de waarschuwingen ontkend.
كدٮٮ ڡوم لوط ٮالٮدر
Wij hebben op hen een vlaag van keien gezonden, behalve de clan van Loet, die Wij hebben gered in de laatste uren van de nacht,
اٮا ارسلٮا علٮهم حاصٮا الا ال لوط ٮحٮٮهم ٮسحر
als een weldaad afkomstig van Ons.
ٮعمه مں عٮدٮا
Zo vergelden Wij hem die dankbaar is.
كدلك ٮحرى مں سكر
Hij had hen toch gewaarschuwd voor Onze omklemming, maar zij traden in controverse over de waarschuwingen.
ولڡد اٮدرهم ٮطسٮٮا ڡٮماروا ٮالٮدر
Zij trachtten hem van zijn gasten af te brengen; toen wisten Wij hun ogen uit: “Proef dus Mijn pijn en Mijn waarschuwingen.”
ولڡد رودوه عں صٮڡه ڡطمسٮا اعٮٮهم ڡدوڡوا عداٮى وٮدر
Een stabiele pijn overviel hen inderdaad bij de dageraad,
ولڡد صٮحهم ٮكره عداٮ مسٮڡر
“Proef dus Mijn pijn en Mijn waarschuwingen.”
ڡدوڡوا عداٮى وٮدر
Wij hebben inderdaad de Lezing gemakkelijk gemaakt voor de Herinnering: is er dan iemand om er de herinnering uit te trekken?
ولڡد ٮسرٮا الڡراں للدكر ڡهل مں مدكر
De waarschuwingen zijn toch gekomen tot de clan van Fir'aun.
ولڡد حا ال ڡرعوں الٮدر
Zij hebben al Onze tekenen ontkend; toen hebben Wij hen gegrepen met de greep van een Almachtige die in staat is.
كدٮوا ٮاٮٮٮا كلها ڡاحدٮهم احد عرٮر مڡٮدر
Zouden degenen onder jullie die verloochenen beter zijn dan dezen, of bezitten jullie een kwijting in de Formularia?
اكڡاركم حٮر مں اولٮكم ام لكم ٮراه ڡى الرٮر
Of zeggen zij: “Wij zijn een verenigde schare, die zichzelf weet te helpen”?
ام ٮڡولوں ٮحں حمٮع مٮٮصر
Deze schare zal verslagen worden, en zij zullen de rug toekeren.
سٮهرم الحمع وٮولوں الدٮر
Het Uur is veeleer hun afspraak,
ٮل الساعه موعدهم
en het Uur is rampzaliger en bitterder.
والساعه ادهى وامر
De afgezonderden zijn, gewis, in dwaling en waanzin, de dag waarop zij in het Vuur zullen worden gesleept, op hun gezichten: “Proef de aanraking van Saqar.”
اں المحرمٮں ڡى صلل وسعر ٮوم ٮسحٮوں ڡى الٮار على وحوههم دوڡوا مس سڡر
Wij hebben alles geschapen volgens een bepaalde maat.
اٮا كل سى حلڡٮه ٮڡدر
En Ons bevel is niets dan één, als een oogwenk.
وما امرٮا الا وحده كلمح ٮالٮصر
Wij hebben inderdaad die van jullie soort vernietigd: is er dan iemand om er de herinnering uit te trekken?
ولڡد اهلكٮا اسٮاعكم ڡهل مں مدكر
En alles wat zij hebben gedaan staat in de Formularia.
وكل سى ڡعلوه ڡى الرٮر
En alles, klein of groot, is opgetekend.
وكل صعٮر وكٮٮر مسٮطر
De behoedzamen zijn, gewis, in tuinen en een rivier, in een zitplaats van waarachtigheid, bij een Soeverein die in staat is.
اں المٮڡٮں ڡى حٮٮ وٮهر ڡى مڡعد صدٯ عٮد ملٮك مڡٮدر