التوبة
At-Tawba
God Suffices Me
Kwijting, van de zijde van God en Zijn gezant, jegens hen onder de associeerders met wie jullie een pact gesloten hadden.
ٮراه مں الله ورسوله الى الدٮں عهدٮم مں المسركٮں
Wees dus rondtrekkend op de aarde gedurende vier maanden,
ڡسٮحوا ڡى الارص ارٮعه اسهر
en weet dat jullie God niet tot onmacht zullen brengen, en dat God hen die verloochenen met schaamte bedekt.
واعلموا اٮكم عٮر معحرى الله واں الله محرى الكڡرٮں
En een afkondiging van God en Zijn gezant aan de mensen, op de dag van de Grote Convergentie van de hadj: God is vrij van de associeerders, evenals Zijn gezant.
وادں مں الله ورسوله الى الٮاس ٮوم الحح الاكٮر اں الله ٮرى مں المسركٮں ورسوله
Als jullie dus terugkeren, is dat beter voor jullie;
ڡاں ٮٮٮم ڡهو حٮر لكم
maar als jullie de rug toekeren, weet dat jullie God niet tot onmacht zullen brengen.
واں ٮولٮٮم ڡاعلموا اٮكم عٮر معحرى الله
En kondig hen die verloochend hebben een schrijnende pijn aan – behalve hen onder de associeerders met wie jullie een pact gesloten hebben, die jullie daarna in niets in de steek gelaten hebben en niemand tegen jullie hebben gesteund: voltooi jegens hen hun pact tot zijn termijn.
وٮسر الدٮں كڡروا ٮعداٮ الٮم الا الدٮں عهدٮم مں المسركٮں ٮم لم ٮٮڡصوكم سٮا ولم ٮطهروا علٮكم احدا ڡاٮموا الٮهم عهدهم الى مدٮهم
Gewis houdt God van hen die zich behoeden.
اں الله ٮحٮ المٮڡٮں
Wanneer de onschendbare maanden afgelopen zijn, dood de associeerders overal waar jullie hen vinden; grijp hen, beleger hen, en stel jullie voor hen op bij elk observatiepunt.
ڡادا اٮسلح الاسهر الحرم ڡاڡٮلوا المسركٮں حٮٮ وحدٮموهم وحدوهم واحصروهم واڡعدوا لهم كل مرصد
Maar als zij terugkeren, het Contact onderhouden en de zuivere vrijgevigheid geven, laat hun dan de weg vrij.
ڡاں ٮاٮوا واڡاموا الصلوه واٮوا الركوه ڡحلوا سٮٮلهم
God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
اں الله عڡور رحٮم
En als een van de associeerders je om asiel vraagt, verleen hem asiel, totdat hij het woord van God hoort, breng hem dan naar zijn veilige plaats.
واں احد مں المسركٮں اسٮحارك ڡاحره حٮى ٮسمع كلم الله ٮم اٮلعه مامٮه
Dat, omdat zij een volk zijn dat niet weet.
دلك ٮاٮهم ڡوم لا ٮعلموں
Hoe zou er voor de associeerders een pact kunnen zijn bij God en bij Zijn gezant – behalve voor hen met wie jullie een pact gesloten hebben nabij de onschendbare plaats van neerwerping? Zolang zij zich rechtop houden jegens jullie, houd jullie rechtop jegens hen.
كٮڡ ٮكوں للمسركٮں عهد عٮد الله وعٮد رسوله الا الدٮں عهدٮم عٮد المسحد الحرام ڡما اسٮڡموا لكم ڡاسٮڡٮموا لهم
Gewis houdt God van hen die zich behoeden.
اں الله ٮحٮ المٮڡٮں
Hoe dan? Als zij de overhand over jullie kregen, zouden zij ten aanzien van jullie geen verwantschapsschakel en geen waarborg respecteren.
كٮڡ واں ٮطهروا علٮكم لا ٮرڡٮوا ڡٮكم الا ولا دمه
Zij stellen jullie tevreden met hun monden, terwijl hun kernen weigeren; en de meesten van hen zijn grensoverschrijders.
ٮرصوٮكم ٮاڡوههم وٮاٮى ڡلوٮهم واكٮرهم ڡسڡوں
Zij hebben, met de tekenen van God, een povere prijs gekocht, en zij hebben Zijn weg versperd.
اسٮروا ٮاٮٮ الله ٮمٮا ڡلٮلا ڡصدوا عں سٮٮله
Hoe slecht is wat zij deden!
اٮهم سا ما كاٮوا ٮعملوں
Zij respecteren, ten aanzien van een gelovende, geen verwantschapsschakel en geen waarborg.
لا ٮرڡٮوں ڡى مومں الا ولا دمه
En dat zijn de agressors.
واولٮك هم المعٮدوں
Als zij terugkeren, het Contact onderhouden en de zuivere vrijgevigheid geven, dan zijn zij jullie broers in de Wet.
ڡاں ٮاٮوا واڡاموا الصلوه واٮوا الركوه ڡاحوٮكم ڡى الدٮں
En Wij zetten de tekenen uiteen voor een volk dat weet.
وٮڡصل الاٮٮ لڡوم ٮعلموں
Maar als zij hun eden schenden na hun pact, en jullie Wet te lijf gaan, bevecht dan de leidsmannen van de verloochening,
واں ٮكٮوا اٮمٮهم مں ٮعد عهدهم وطعٮوا ڡى دٮٮكم ڡڡٮلوا اٮمه الكڡر
want zij hebben geen geldige eden – misschien zullen zij ophouden.
اٮهم لا اٮمں لهم لعلهم ٮٮٮهوں
Zullen jullie dan geen volk bevechten dat zijn eden geschonden heeft, dat het voornemen had de gezant te verdrijven, en dat jullie als eerste aangevallen heeft? Zouden jullie hen duchten?
الا ٮڡٮلوں ڡوما ٮكٮوا اٮمٮهم وهموا ٮاحراح الرسول وهم ٮدوكم اول مره اٮحسوٮهم
God heeft er meer recht op dat jullie Hem duchten, als jullie gelovenden zijn.
ڡالله احٯ اں ٮحسوه اں كٮٮم مومٮٮں
Bevecht hen: God zal hun pijn opleggen door jullie handen, hen met schaamte bedekken, jullie helpen tegen hen, de borsten van een gelovend volk genezen, en de woede van hun kernen wegnemen.
ڡٮلوهم ٮعدٮهم الله ٮاٮدٮكم وٮحرهم وٮٮصركم علٮهم وٮسڡ صدور ڡوم مومٮٮں وٮدهٮ عٮط ڡلوٮهم
En God keert met mildheid terug naar wie het Hem behaagt.
وٮٮوٮ الله على مں ٮسا
En God is Alwetend, Wijs.
والله علٮم حكٮم
Of dachten jullie dat jullie gelaten zouden worden, zonder dat God nog onderscheiden had wie van jullie gestreden hebben en, buiten God, Zijn gezant en de gelovenden, geen enkele vertrouweling hebben genomen?
ام حسٮٮم اں ٮٮركوا ولما ٮعلم الله الدٮں حهدوا مٮكم ولم ٮٮحدوا مں دوں الله ولا رسوله ولا المومٮٮں ولٮحه
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
والله حٮٮر ٮما ٮعملوں
Het komt de associeerders niet toe de plaatsen van neerwerping van God te bevolken, terwijl zij tegen zichzelf getuigen van de verloochening.
ما كاں للمسركٮں اں ٮعمروا مسحد الله سهدٮں على اٮڡسهم ٮالكڡر
Dat zijn zij wier werken zijn ingestort, en die eeuwig in het Vuur verblijven.
اولٮك حٮطٮ اعملهم وڡى الٮار هم حلدوں
De plaatsen van neerwerping van God bevolkt slechts wie in God en in de Laatste Dag geloofd heeft, het Contact onderhouden heeft, de zuivere vrijgevigheid gegeven heeft, en niemand dan God alleen geducht heeft – het kan zijn dat zij tot hen behoren die zich laten leiden.
اٮما ٮعمر مسحد الله مں امں ٮالله والٮوم الاحر واڡام الصلوه واٮى الركوه ولم ٮحس الا الله ڡعسى اولٮك اں ٮكوٮوا مں المهٮدٮں
Hebben jullie het laven van hen die de hadj verrichten en het bevolken van de onschendbare plaats van neerwerping het equivalent gemaakt van hem die in God en in de Laatste Dag geloofd heeft, en die gestreden heeft op de weg van God?
احعلٮم سڡاٮه الحاح وعماره المسحد الحرام كمں امں ٮالله والٮوم الاحر وحهد ڡى سٮٮل الله
Zij zijn niet gelijk bij God.
لا ٮسٮوں عٮد الله
En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
والله لا ٮهدى الڡوم الطلمٮں
Zij die geloofd hebben, die geëmigreerd zijn en die gestreden hebben op de weg van God, met hun bezittingen en hun Zelf, hebben een ontzaglijker graad bij God,
الدٮں امٮوا وهاحروا وحهدوا ڡى سٮٮل الله ٮامولهم واٮڡسهم اعطم درحه عٮد الله
en dezen zijn de zegevierenden.
واولٮك هم الڡاٮروں
Hun Voogd kondigt hun een welwillendheid van Hem aan, een instemming, en tuinen waar zij een weldaad zullen hebben die zich handhaaft, om er eeuwig te blijven, voor immer.
ٮٮسرهم رٮهم ٮرحمه مٮه ورصوں وحٮٮ لهم ڡٮها ٮعٮم مڡٮم حلدٮں ڡٮها اٮدا
Bij God is een ontzaglijke beloning.
اں الله عٮده احر عطٮم
O jullie die geloofd hebben! Neem jullie vaders en jullie broers niet tot bondgenoten, als zij de verloochening liever hebben dan het geloof.
ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮٮحدوا اٮاكم واحوٮكم اولٮا اں اسٮحٮوا الكڡر على الاٮمں
En wie van jullie hen tot bondgenoten neemt, dat zijn de onrechtvaardigen.
ومں ٮٮولهم مٮكم ڡاولٮك هم الطلموں
Zeg: “Als jullie vaders, jullie zonen, jullie broers, jullie echtgenoten, jullie huisgenoten, de bezittingen die jullie verworven hebben, een handel waarvan jullie de teruggang duchten, en woningen waarmee jullie tevreden zijn, jullie dierbaarder zijn dan God, dan Zijn gezant, en dan de strijd op Zijn weg, blijf dan in afwachting, totdat God Zijn bevel laat komen.”
ڡل اں كاں اٮاوكم واٮٮاوكم واحوٮكم واروحكم وعسٮرٮكم وامول اڡٮرڡٮموها وٮحره ٮحسوں كسادها ومسكں ٮرصوٮها احٮ الٮكم مں الله ورسوله وحهاد ڡى سٮٮله ڡٮرٮصوا حٮى ٮاٮى الله ٮامره
En God leidt het volk van de grensoverschrijders niet.
والله لا ٮهدى الڡوم الڡسڡٮں
God heeft jullie gewis geholpen op vele plaatsen, en op de dag van Hoenain, toen jullie grote aantal jullie verblindde, maar het jullie van geen nut was, en de aarde, ondanks haar uitgestrektheid, jullie te nauw werd; daarna keerden jullie de rug toe, vluchtend.
لڡد ٮصركم الله ڡى مواطں كٮٮره وٮوم حٮٮں اد اعحٮٮكم كٮرٮكم ڡلم ٮعں عٮكم سٮا وصاڡٮ علٮكم الارص ٮما رحٮٮ ٮم ولٮٮم مدٮرٮں
Daarna deed God Zijn kalmte neerdalen op Zijn gezant en op de gelovenden, en deed legers neerdalen die jullie niet zagen, en Hij legde hen die verloochend hadden pijn op.
ٮم اٮرل الله سكٮٮٮه على رسوله وعلى المومٮٮں واٮرل حٮودا لم ٮروها وعدٮ الدٮں كڡروا
En dat is de vergelding van hen die verloochenen.
ودلك حرا الكڡرٮں
Daarna keert God met mildheid terug, hierna, naar wie het Hem behaagt.
ٮم ٮٮوٮ الله مں ٮعد دلك على مں ٮسا
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
والله عڡور رحٮم
O jullie die geloofd hebben! De associeerders zijn slechts onreinheid: laten zij de onschendbare plaats van neerwerping dus niet meer naderen, na dit jaar.
ٮاٮها الدٮں امٮوا اٮما المسركوں ٮحس ڡلا ٮڡرٮوا المسحد الحرام ٮعد عامهم هدا
En als jullie de benardheid vrezen, zal God jullie verrijken met Zijn gunst, als het Hem behaagt.
واں حڡٮم عٮله ڡسوڡ ٮعٮٮكم الله مں ڡصله اں سا
God is gewis Alwetend, Wijs.
اں الله علٮم حكٮم
Bevecht hen die niet geloven in God noch in de Laatste Dag, die niet als ontzegd beschouwen wat God en Zijn gezant ontzegd hebben, en die zich niet schikken naar de Wet van de waarheid, onder hen aan wie de Schrift gegeven is – totdat zij de oorlogsvergoeding betalen, uit eigen hand, terwijl zij vernederd worden.
ڡٮلوا الدٮں لا ٮومٮوں ٮالله ولا ٮالٮوم الاحر ولا ٮحرموں ما حرم الله ورسوله ولا ٮدٮٮوں دٮں الحٯ مں الدٮں اوٮوا الكٮٮ حٮى ٮعطوا الحرٮه عں ٮد وهم صعروں
En de Geheroriënteerden hebben gezegd: “Al-'Oezair is zoon van God”;
وڡالٮ الٮهود عرٮر اٮں الله
en de Helpers hebben gezegd: “Al-Masih is zoon van God.”
وڡالٮ الٮصرى المسٮح اٮں الله
Dat is hun uitspraak, uit hun monden; zij doen de uitspraak na van hen die, vóór hen, verloochend hebben.
دلك ڡولهم ٮاڡوههم ٮصهوں ڡول الدٮں كڡروا مں ڡٮل
Moge God hen bevechten!
ڡٮلهم الله
Hoe worden zij dan van het spoor gebracht?
اٮى ٮوڡكوں
Zij hebben hun rabbijnen en hun monniken tot meesters genomen buiten God, alsook Al-Masih, zoon van Marjam,
اٮحدوا احٮارهم ورهٮٮهم ارٮاٮا مں دوں الله والمسٮح اٮں مرٮم
terwijl hun niets anders bevolen was dan een enige godheid te gehoorzamen.
وما امروا الا لٮعٮدوا الها وحدا
Geen godheid behalve Hij.
لا اله الا هو
Glorie zij Hem, boven wat zij met Hem associëren!
سٮحٮه عما ٮسركوں
Zij willen het licht van God doven met hun monden, maar God weigert alles, behalve Zijn licht te voltooien, ook al hadden zij die verloochenen er afschuw van.
ٮرٮدوں اں ٮطڡوا ٮور الله ٮاڡوههم وٮاٮى الله الا اں ٮٮم ٮوره ولو كره الكڡروں
Hij is het die Zijn gezant gezonden heeft met de leiding en de Wet van de waarheid, om haar de overhand te doen krijgen op elke wet, ook al hadden de associeerders er afschuw van.
هو الدى ارسل رسوله ٮالهدى ودٮں الحٯ لٮطهره على الدٮں كله ولو كره المسركوں
O jullie die geloofd hebben! Velen van de rabbijnen en monniken verslinden voorzeker de bezittingen van de mensen door het valse, en versperren de weg van God.
ٮاٮها الدٮں امٮوا اں كٮٮرا مں الاحٮار والرهٮاں لٮاكلوں امول الٮاس ٮالٮطل وٮصدوں عں سٮٮل الله
En zij die het goud en het zilver oppotten, en ze niet uitgeven op de weg van God – kondig hun een schrijnende pijn aan,
والدٮں ٮكٮروں الدهٮ والڡصه ولا ٮٮڡڡوٮها ڡى سٮٮل الله ڡٮسرهم ٮعداٮ الٮم
op de dag waarop men ze zal verhitten in het vuur van Djahannam, en men daarmee hun voorhoofden, hun flanken en hun ruggen zal schroeien: “Dit is wat jullie voor jullie zelf hebben opgepot; proef dus wat jullie oppotten!”
ٮوم ٮحمى علٮها ڡى ٮار حهٮم ڡٮكوى ٮها حٮاههم وحٮوٮهم وطهورهم هدا ما كٮرٮم لاٮڡسكم ڡدوڡوا ما كٮٮم ٮكٮروں
Gewis is het aantal van de maanden, bij God, twaalf maanden, in de Codex van God, sinds de dag waarop Hij de hemelen en de aarde schiep;
اں عده السهور عٮد الله اٮٮا عسر سهرا ڡى كٮٮ الله ٮوم حلٯ السموٮ والارص
vier ervan zijn onschendbaar.
مٮها ارٮعه حرم
Dat is de rechte Wet.
دلك الدٮں الڡٮم
Doe jullie zelf dus geen onrecht gedurende deze.
ڡلا ٮطلموا ڡٮهں اٮڡسكم
En bevecht de associeerders gedurende alle maanden, zoals zij jullie bevechten gedurende alle maanden,
وڡٮلوا المسركٮں كاڡه كما ٮڡٮلوٮكم كاڡه
en weet dat God met de behoedzamen is.
واعلموا اں الله مع المٮڡٮں
De verdaging is slechts een overmaat aan verloochening: daardoor doen zij die verloochenen dwalen; zij maken het een jaar geoorloofd en maken het een jaar onschendbaar, om het aantal van wat God onschendbaar heeft gemaakt te vertrappen, en zo geoorloofd te maken wat God onschendbaar heeft gemaakt.
اٮما الٮسى رٮاده ڡى الكڡر ٮصل ٮه الدٮں كڡروا ٮحلوٮه عاما وٮحرموٮه عاما لٮواطوا عده ما حرم الله ڡٮحلوا ما حرم الله
Het kwaad van hun werken is hun verfraaid.
رٮں لهم سو اعملهم
En God leidt het volk dat verloochent niet.
والله لا ٮهدى الڡوم الكڡرٮں
O jullie die geloofd hebben! Wat hebben jullie, wanneer tot jullie wordt gezegd: “Mobiliseer jullie op de weg van God”, dat jullie je zwaar naar de aarde laten zakken?
ٮاٮها الدٮں امٮوا ما لكم ادا ڡٮل لكم اٮڡروا ڡى سٮٮل الله اٮاڡلٮم الى الارص
Zijn jullie tevreden met het leven hienieden in plaats van het laatste leven?
ارصٮٮم ٮالحٮوه الدٮٮا مں الاحره
De genieting van het leven hienieden is, vergeleken met het laatste leven, slechts weinig.
ڡما مٮع الحٮوه الدٮٮا ڡى الاحره الا ڡلٮل
Als jullie je niet mobiliseren, zal Hij jullie een schrijnende pijn opleggen, en jullie door een ander volk vervangen, zonder dat jullie Hem in enig opzicht schaden.
الا ٮٮڡروا ٮعدٮكم عداٮا الٮما وٮسٮٮدل ڡوما عٮركم ولا ٮصروه سٮا
En God is tot alles in staat.
والله على كل سى ڡدٮر
Als jullie hem niet helpen, God heeft hem reeds geholpen, toen zij die verloochend hadden hem verdreven, hem, de tweede van twee, toen zij beiden in de grot waren, toen hij tot zijn metgezel zei: “Wees niet bedroefd, God is gewis met ons.”
الا ٮٮصروه ڡڡد ٮصره الله اد احرحه الدٮں كڡروا ٮاٮى اٮٮٮں اد هما ڡى العار اد ٮڡول لصحٮه لا ٮحرں اں الله معٮا
God deed toen Zijn kalmte op hem neerdalen,
ڡاٮرل الله سكٮٮٮه علٮه
en Hij versterkte hem met legers die jullie niet zagen,
واٮده ٮحٮود لم ٮروها
en Hij maakte het woord van hen die verloochend hadden tot het laagste,
وحعل كلمه الدٮں كڡروا السڡلى
terwijl het woord van God zelf het hoogste is.
وكلمه الله هى العلٮا
God is Almachtig, Wijs.
والله عرٮر حكٮم
Mobiliseer jullie, licht of zwaar, en strijd met jullie bezittingen en jullie Zelf op de weg van God.
اٮڡروا حڡاڡا وٮڡالا وحهدوا ٮامولكم واٮڡسكم ڡى سٮٮل الله
Dat is beter voor jullie, als jullie wisten.
دلكم حٮر لكم اں كٮٮم ٮعلموں
Als het een nabije winst en een gematigde reis was geweest, zouden zij je gevolgd hebben; maar de afstand is hun lang voorgekomen.
لو كاں عرصا ڡرٮٮا وسڡرا ڡاصدا لاٮٮعوك ولكں ٮعدٮ علٮهم السڡه
En zij zullen bij God zweren: “Als wij gekund hadden, zouden wij met jullie zijn uitgegaan”;
وسٮحلڡوں ٮالله لو اسٮطعٮا لحرحٮا معكم
zij vernietigen zichzelf,
ٮهلكوں اٮڡسهم
en God weet dat zij voorzeker leugenaars zijn.
والله ٮعلم اٮهم لكدٮوں
Moge God het jou kwijtschelden! Waarom heb je hun deze toestemming gegeven, voordat voor jou duidelijk zijn geworden zij die de waarheid gezegd hebben, en je de leugenaars zou kennen?
عڡا الله عٮك لم ادٮٮ لهم حٮى ٮٮٮٮں لك الدٮں صدڡوا وٮعلم الكدٮٮں
Zij die in God en in de Laatste Dag geloven, vragen je geen toestemming wanneer het erom gaat met hun bezittingen en hun Zelf te strijden.
لا ٮسٮدٮك الدٮں ٮومٮوں ٮالله والٮوم الاحر اں ٮحهدوا ٮامولهم واٮڡسهم
God is Alwetend over hen die zich behoeden.
والله علٮم ٮالمٮڡٮں
Alleen zij die niet in God noch in de Laatste Dag geloven, vragen je toestemming, en hun kernen zijn door twijfel bevangen, zodat zij in hun twijfel aarzelen.
اٮما ٮسٮدٮك الدٮں لا ٮومٮوں ٮالله والٮوم الاحر وارٮاٮٮ ڡلوٮهم ڡهم ڡى رٮٮهم ٮٮرددوں
En als zij hadden willen uitgaan, zouden zij daarvoor een uitrusting hebben bereid;
ولو ارادوا الحروح لاعدوا له عده
maar God had een afkeer ervan dat zij opgewekt zouden worden, en Hij remde hen af, en er werd tot hen gezegd: “Blijf zitten met hen die blijven zitten.”
ولكں كره الله اٮٮعاٮهم ڡٮٮطهم وڡٮل اڡعدوا مع الڡعدٮں
Als zij onder jullie waren uitgegaan, zouden zij slechts jullie ontreddering hebben doen toenemen, en zouden zij heen en weer onder jullie hebben gerend, terwijl zij trachtten jullie de beproeving te doen ondergaan – en er zijn, onder jullie, lieden die naar hen luisteren.
لو حرحوا ڡٮكم ما رادوكم الا حٮالا ولاوصعوا حللكم ٮٮعوٮكم الڡٮٮه وڡٮكم سمعوں لهم
En God is Alwetend over de onrechtvaardigen.
والله علٮم ٮالطلمٮں
Zij hadden reeds eerder de beproeving gezocht, en hadden voor jou de zaken in alle richtingen omgekeerd, totdat de waarheid kwam en het bevel van God onbedekt was, ondanks hun afkeer.
لڡد اٮٮعوا الڡٮٮه مں ڡٮل وڡلٮوا لك الامور حٮى حا الحٯ وطهر امر الله وهم كرهوں
En onder hen is er een die zegt: “Verleen mij toestemming, en stel mij niet bloot aan de beproeving.”
ومٮهم مں ٮڡول اٮدں لى ولا ٮڡٮٮى
Is het niet in de beproeving dat zij reeds zijn gevallen?
الا ڡى الڡٮٮه سڡطوا
En Djahannam omsingelt voorzeker hen die verloochenen.
واں حهٮم لمحٮطه ٮالكڡرٮں
Als jou een goed overkomt, mishaagt het hen,
اں ٮصٮك حسٮه ٮسوهم
en als jou een tegenslag overkomt, zeggen zij: “Wij hadden reeds onze voorzorgen genomen” – en zij keren de rug toe, geheel verheugd.
واں ٮصٮك مصٮٮه ٮڡولوا ڡد احدٮا امرٮا مں ڡٮل وٮٮولوا وهم ڡرحوں
Zeg: “Ons zal niets overkomen, behalve wat God voor ons heeft voorgeschreven;
ڡل لں ٮصٮٮٮا الا ما كٮٮ الله لٮا
Hij is onze naaste Garant.
هو مولٮٮا
En aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.”
وعلى الله ڡلٮٮوكل المومٮوں
Zeg: “Verwachten jullie ten aanzien van ons slechts een van de twee schoonste?
ڡل هل ٮرٮصوں ٮٮا الا احدى الحسٮٮٮں
En wij, wij verwachten ten aanzien van jullie dat God over jullie een pijn doet komen, van Hem uit, of door onze handen.
وٮحں ٮٮرٮص ٮكم اں ٮصٮٮكم الله ٮعداٮ مں عٮده او ٮاٮدٮٮا
Blijf dus in afwachting,
ڡٮرٮصوا
wij zijn gewis, met jullie, in afwachting.”
اٮا معكم مٮرٮصوں
Zeg: “Besteed, gewillig of node, het zal van jullie niet aanvaard worden,
ڡل اٮڡڡوا طوعا او كرها لں ٮٮڡٮل مٮكم
want jullie zijn een volk van grensoverschrijders.”
اٮكم كٮٮم ڡوما ڡسڡٮں
En niets heeft hen verhinderd hun uitgaven aanvaard te zien, behalve dat zij God en Zijn gezant hebben verloochend, dat zij slechts met luiheid tot het Contact komen, en slechts node uitgeven.
وما مٮعهم اں ٮڡٮل مٮهم ٮڡڡٮهم الا اٮهم كڡروا ٮالله وٮرسوله ولا ٮاٮوں الصلوه الا وهم كسالى ولا ٮٮڡڡوں الا وهم كرهوں
Laat hun bezittingen noch hun kinderen jou dus verblinden.
ڡلا ٮعحٮك امولهم ولا اولدهم
God wil daarmee slechts hun pijn opleggen in het leven hienieden, en dat hun Zelf ontsnapt terwijl zij verloochenen.
اٮما ٮرٮد الله لٮعدٮهم ٮها ڡى الحٮوه الدٮٮا وٮرهٯ اٮڡسهم وهم كڡروں
En zij zweren bij God dat zij voorzeker van jullie zijn, terwijl zij niet van jullie zijn; maar het zijn lieden die bang zijn.
وٮحلڡوں ٮالله اٮهم لمٮكم وما هم مٮكم ولكٮهم ڡوم ٮڡرڡوں
Als zij een wijkplaats vonden, grotten of een onderaardse gang, zouden zij zich daarheen wenden, terwijl zij op hol slaan.
لو ٮحدوں ملحا او معرٮ او مدحلا لولوا الٮه وهم ٮحمحوں
En onder hen zijn er die jou bij zinspeling kleineren over de liefdadigheden: als hun ervan wordt toegekend, zijn zij tevreden; en als hun ervan niet wordt toegekend, zie, dan zijn zij vertoornd.
ومٮهم مں ٮلمرك ڡى الصدڡٮ ڡاں اعطوا مٮها رصوا واں لم ٮعطوا مٮها ادا هم ٮسحطوں
En als zij zich veeleer tevredengesteld hadden met wat God en Zijn gezant hun hadden gegeven, en hadden gezegd: “God volstaat voor ons; God zal ons verlenen van Zijn gunst, en Zijn gezant ook;
ولو اٮهم رصوا ما اٮٮهم الله ورسوله وڡالوا حسٮٮا الله سٮوٮٮٮا الله مں ڡصله ورسوله
tot God wenden wij ons met vurigheid.”
اٮا الى الله رعٮوں
De liefdadigheden zijn slechts bestemd voor de armen, de behoeftigen, zij die zich ermee bezighouden, zij wier kernen verenigd zijn, zij die onder de last van een schuld staan, de door een onvoorziene uitgave in schulden geraakten, op de weg van God, en de doorreiziger – het is een verplichting van God.
اٮما الصدڡٮ للڡڡرا والمسكٮں والعملٮں علٮها والمولڡه ڡلوٮهم وڡى الرڡاٮ والعرمٮں وڡى سٮٮل الله واٮں السٮٮل ڡرٮصه مں الله
En God is Alwetend, Wijs.
والله علٮم حكٮم
En onder hen zijn er die de Berichtgever lastigvallen en zeggen: “Hij is helemaal oor.”
ومٮهم الدٮں ٮودوں الٮٮى وٮڡولوں هو ادں
Zeg: “Een oor van goed voor jullie: hij gelooft in God, hij geeft krediet aan de gelovenden, en hij is een welwillendheid voor wie van jullie geloofd hebben.”
ڡل ادں حٮر لكم ٮومں ٮالله وٮومں للمومٮٮں ورحمه للدٮں امٮوا مٮكم
En zij die de gezant van God lastigvallen, zullen een schrijnende pijn hebben.
والدٮں ٮودوں رسول الله لهم عداٮ الٮم
Zij zweren jullie bij God, om jullie tevreden te stellen; maar God en Zijn gezant hebben meer recht erop dat zij Hem trachten tevreden te stellen, als zij gelovenden zijn.
ٮحلڡوں ٮالله لكم لٮرصوكم والله ورسوله احٯ اں ٮرصوه اں كاٮوا مومٮٮں
Weten zij niet dat wie zich vijandig verzet tegen God en Zijn gezant, het vuur van Djahannam zal hebben, waarin hij eeuwig zal blijven?
الم ٮعلموا اٮه مں ٮحادد الله ورسوله ڡاں له ٮار حهٮم حلدا ڡٮها
Dat is de ontzaglijke schande.
دلك الحرى العطٮم
De huichelaars zijn wantrouwig bij het idee dat er een soera over hen neerdaalt, die hen zou berichten over wat in hun kernen is.
ٮحدر المٮڡڡوں اں ٮٮرل علٮهم سوره ٮٮٮٮهم ٮما ڡى ڡلوٮهم
Zeg: “Hoon maar!
ڡل اسٮهروا
God zal gewis in het volle licht naar buiten brengen waarvoor jullie wantrouwig zijn.”
اں الله محرح ما ٮحدروں
En als je hen ondervraagt, zullen zij voorzeker zeggen: “Wij deden niets dan ons onderdompelen en spelen.”
ولٮں سالٮهم لٮڡولں اٮما كٮا ٮحوص وٮلعٮ
Zeg: “Is het met God, Zijn tekenen en Zijn gezant dat jullie hoonden?”
ڡل اٮالله واٮٮه ورسوله كٮٮم ٮسٮهروں
Verontschuldig jullie niet:
لا ٮعٮدروا
jullie hebben verloochend na jullie geloof.
ڡد كڡرٮم ٮعد اٮمٮكم
Als men het een groep onder jullie kwijtscheldt, zal een andere groep pijn worden opgelegd, omdat zij afgezonderden zijn geweest.
اں ٮعڡ عں طاٮڡه مٮكم ٮعدٮ طاٮڡه ٮاٮهم كاٮوا محرمٮں
De huichelaars, mannen en vrouwen, zijn van elkaar: zij bevelen het afgekeurde en verbieden het erkende, en zij sluiten hun handen; zij hebben God vergeten, en Hij heeft hen vergeten.
المٮڡڡوں والمٮڡڡٮ ٮعصهم مں ٮعص ٮامروں ٮالمٮكر وٮٮهوں عں المعروڡ وٮڡٮصوں اٮدٮهم ٮسوا الله ڡٮسٮهم
De huichelaars zijn gewis de grensoverschrijders.
اں المٮڡڡٮں هم الڡسڡوں
God heeft de huichelaars, mannen en vrouwen, en hen die verloochenen, het vuur van Djahannam beloofd, waarin zij eeuwig zullen blijven.
وعد الله المٮڡڡٮں والمٮڡڡٮ والكڡار ٮار حهٮم حلدٮں ڡٮها
Dat volstaat voor hen.
هى حسٮهم
En God heeft hen vervloekt,
ولعٮهم الله
en zij zullen een pijn hebben die zich handhaaft.
ولهم عداٮ مڡٮم
Zoals zij die jullie zijn voorgegaan: zij overtroffen jullie in kracht, zij hadden meer bezittingen en kinderen; zij hebben genoten van hun lot, en jullie hebben genoten van jullie lot zoals zij die jullie zijn voorgegaan van hun lot hebben genoten, en jullie hebben je ondergedompeld zoals zij zich hebben ondergedompeld.
كالدٮں مں ڡٮلكم كاٮوا اسد مٮكم ڡوه واكٮر امولا واولدا ڡاسٮمٮعوا ٮحلڡهم ڡاسٮمٮعٮم ٮحلڡكم كما اسٮمٮع الدٮں مں ڡٮلكم ٮحلڡهم وحصٮم كالدى حاصوا
Dat zijn zij wier werken zijn ingestort, hienieden en in het laatste leven;
اولٮك حٮطٮ اعملهم ڡى الدٮٮا والاحره
en dat zijn de verliezers.
واولٮك هم الحسروں
Heeft het hen niet bereikt, het bericht over hen die vóór hen waren: het volk van Noeh, de Aad, de Thamoed, het volk van Ibrahim, de metgezellen van Madjan, en de omvergeworpen steden?
الم ٮاٮهم ٮٮا الدٮں مں ڡٮلهم ڡوم ٮوح وعاد وٮمود وڡوم اٮرهٮم واصحٮ مدٮں والموٮڡكٮ
Hun gezanten waren tot hen gekomen met de duidelijke bewijzen.
اٮٮهم رسلهم ٮالٮٮٮٮ
En God zou hun geen onrecht doen;
ڡما كاں الله لٮطلمهم
maar aan zichzelf deden zij onrecht.
ولكں كاٮوا اٮڡسهم ٮطلموں
En de gelovenden en de gelovende vrouwen zijn bondgenoten van elkaar:
والمومٮوں والمومٮٮ ٮعصهم اولٮا ٮعص
zij bevelen het erkende en verbieden het afgekeurde, zij onderhouden het Contact, geven de zuivere vrijgevigheid, en voegen zich naar God en Zijn gezant.
ٮامروں ٮالمعروڡ وٮٮهوں عں المٮكر وٮڡٮموں الصلوه وٮوٮوں الركوه وٮطٮعوں الله ورسوله
Dat zijn zij aan wie God weldra welwillendheid zal doen.
اولٮك سٮرحمهم الله
God is gewis Almachtig, Wijs.
اں الله عرٮر حكٮم
God heeft de gelovenden en de gelovende vrouwen tuinen beloofd waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, en goede woningen in de Tuinen van de bestendigheid;
وعد الله المومٮٮں والمومٮٮ حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها ومسكں طٮٮه ڡى حٮٮ عدں
en een instemming van God is nog groter.
ورصوں مں الله اكٮر
Dat is de ontzaglijke triomf.
دلك هو الڡور العطٮم
O Berichtgever! Strijd tegen hen die verloochenen en de huichelaars, en wees standvastig jegens hen.
ٮاٮها الٮٮى حهد الكڡار والمٮڡڡٮں واعلط علٮهم
En hun toevlucht zal Djahannam zijn,
وماوٮهم حهٮم
en wat een afschuwelijke bestemming!
وٮٮس المصٮر
Zij zweren bij God dat zij niets hebben gezegd;
ٮحلڡوں ٮالله ما ڡالوا
en toch hebben zij wel het woord van de verloochening gezegd, en zij hebben verloochend nadat zij integer waren tegenover God, en zij hadden het voornemen tot wat hun niet is toegevallen.
ولڡد ڡالوا كلمه الكڡر وكڡروا ٮعد اسلمهم وهموا ٮما لم ٮٮالوا
Zij nemen slechts kwalijk dat God en Zijn gezant hen van Zijn gunst hebben verrijkt.
وما ٮڡموا الا اں اعٮٮهم الله ورسوله مں ڡصله
Als zij terugkeren, zal dat beter voor hen zijn;
ڡاں ٮٮوٮوا ٮك حٮرا لهم
maar als zij de rug toekeren, zal God hun een schrijnende pijn opleggen, hienieden en in het laatste leven,
واں ٮٮولوا ٮعدٮهم الله عداٮا الٮما ڡى الدٮٮا والاحره
en zij zullen op aarde noch beschermer noch hulp hebben.
وما لهم ڡى الارص مں ولى ولا ٮصٮر
En onder hen zijn er die een pact met God hebben gesloten: “Als Hij ons geeft van Zijn gunst, zullen wij voorzeker liefdadigheid bedrijven, en zullen wij voorzeker behoren tot hen die deugdelijk zijn.”
ومٮهم مں عهد الله لٮں اٮٮٮا مں ڡصله لٮصدڡں ولٮكوٮں مں الصلحٮں
Maar toen Hij hun van Zijn gunst had gegeven, toonden zij zich er gierig mee en keerden de rug toe, terwijl zij zich onttrokken.
ڡلما اٮٮهم مں ڡصله ٮحلوا ٮه وٮولوا وهم معرصوں
Hij liet daarop een huichelarij volgen in hun kernen, tot de dag waarop zij Hem zullen ontmoeten, omdat zij God tekort hebben gedaan in wat zij Hem hadden beloofd, en omdat zij gelogen hebben.
ڡاعڡٮهم ٮڡاڡا ڡى ڡلوٮهم الى ٮوم ٮلڡوٮه ٮما احلڡوا الله ما وعدوه وٮما كاٮوا ٮكدٮوں
Weten zij niet dat God hun geheim en hun heimelijk beraad kent, en dat God Degene is die ten volle weet wat de zintuigen ontgaat?
الم ٮعلموا اں الله ٮعلم سرهم وٮحوٮهم واں الله علم العٮوٮ
Zij die bij zinspeling kleineren de gelovenden die uit vrije wil liefdadigheid bedrijven, en die spotten met hen die niets dan hun inspanning te geven hebben – God spot met hen,
الدٮں ٮلمروں المطوعٮں مں المومٮٮں ڡى الصدڡٮ والدٮں لا ٮحدوں الا حهدهم ڡٮسحروں مٮهم سحر الله مٮهم
en zij zullen een schrijnende pijn hebben.
ولهم عداٮ الٮم
Of je voor hen vergiffenis afsmeekt of niet –
اسٮعڡر لهم او لا ٮسٮعڡر لهم
zelfs als je zeventig keer voor hen vergiffenis afsmeekte, God zal hun nooit vergeven.
اں ٮسٮعڡر لهم سٮعٮں مره ڡلں ٮعڡر الله لهم
Het is omdat zij God en Zijn gezant hebben verloochend.
دلك ٮاٮهم كڡروا ٮالله ورسوله
En God leidt het volk van de grensoverschrijders niet.
والله لا ٮهدى الڡوم الڡسڡٮں
Zij die achtergelaten werden, verheugden zich dat zij waren blijven zitten, afzijdig van de gezant van God, en het was hun een afkeer met hun bezittingen en hun Zelf te strijden op de weg van God, en zij zeiden: “Mobiliseer jullie niet in de hitte.”
ڡرح المحلڡوں ٮمڡعدهم حلڡ رسول الله وكرهوا اں ٮحهدوا ٮامولهم واٮڡسهم ڡى سٮٮل الله وڡالوا لا ٮٮڡروا ڡى الحر
Zeg: “Het vuur van Djahannam is nog intenser in hitte” – als zij het begrepen!
ڡل ٮار حهٮم اسد حرا لو كاٮوا ٮڡڡهوں
Laat hen dus weinig lachen, en veel huilen, als vergelding voor wat zij verwierven.
ڡلٮصحكوا ڡلٮلا ولٮٮكوا كٮٮرا حرا ٮما كاٮوا ٮكسٮوں
Als God je terugbrengt naar een groep van hen, en zij je toestemming vragen om uit te gaan, zeg dan: “Jullie zullen nooit met mij uitgaan, en jullie zullen met mij geen enkele vijand bevechten.
ڡاں رحعك الله الى طاٮڡه مٮهم ڡاسٮدٮوك للحروح ڡڡل لں ٮحرحوا معى اٮدا ولں ٮڡٮلوا معى عدوا
Jullie hebben je tevredengesteld met te blijven zitten, de eerste keer;
اٮكم رصٮٮم ٮالڡعود اول مره
blijf dus zitten met hen die achterblijven.”
ڡاڡعدوا مع الحلڡٮں
En wees nooit in contact met iemand van hen die sterft, en handhaaf je niet voor zijn begrafenis:
ولا ٮصل على احد مٮهم ماٮ اٮدا ولا ٮڡم على ڡٮره
zij hebben God en Zijn gezant verloochend, en zijn gestorven als grensoverschrijders.
اٮهم كڡروا ٮالله ورسوله وماٮوا وهم ڡسڡوں
En laat hun bezittingen en hun kinderen jou niet verblinden.
ولا ٮعحٮك امولهم واولدهم
God wil daarmee slechts hun pijn opleggen hienieden, en dat hun Zelf ontsnapt terwijl zij verloochenen.
اٮما ٮرٮد الله اں ٮعدٮهم ٮها ڡى الدٮٮا وٮرهٯ اٮڡسهم وهم كڡروں
En wanneer een soera is neergedaald: “Geloof in God, en strijd met Zijn gezant”, vragen zij onder hen die de middelen hebben je toestemming, en zeggen: “Laat ons zijn met hen die blijven zitten.”
وادا اٮرلٮ سوره اں امٮوا ٮالله وحهدوا مع رسوله اسٮدٮك اولوا الطول مٮهم وڡالوا درٮا ٮكں مع الڡعدٮں
Zij hebben zich tevredengesteld met te zijn met hen die achterblijven,
رصوا ٮاں ٮكوٮوا مع الحوالڡ
en een stempel is op hun kernen aangebracht, zodat zij niet begrijpen.
وطٮع على ڡلوٮهم ڡهم لا ٮڡڡهوں
Maar de gezant, en zij die met hem geloofd hebben, hebben met hun bezittingen en hun Zelf gestreden,
لكں الرسول والدٮں امٮوا معه حهدوا ٮامولهم واٮڡسهم
en dat zijn zij aan wie het goede toekomt,
واولٮك لهم الحٮرٮ
en dat zijn zij die slagen.
واولٮك هم المڡلحوں
God heeft hun tuinen bereid waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven.
اعد الله لهم حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها
Dat is de ontzaglijke triomf.
دلك الڡور العطٮم
En zij die zich verontschuldigden, onder de notabelen, zijn gekomen opdat hun toestemming zou worden verleend, terwijl zij die tegen God en Zijn gezant hebben gelogen zijn blijven zitten.
وحا المعدروں مں الاعراٮ لٮودں لهم وڡعد الدٮں كدٮوا الله ورسوله
Een schrijnende pijn zal hen overkomen die onder hen verloochend hebben.
سٮصٮٮ الدٮں كڡروا مٮهم عداٮ الٮم
Er is geen bezwaar voor de zwakken, noch voor de zieken, noch voor hen die niets vinden om uit te geven, mits zij oprecht zijn tegenover God en Zijn gezant.
لٮس على الصعڡا ولا على المرصى ولا على الدٮں لا ٮحدوں ما ٮٮڡڡوں حرح ادا ٮصحوا لله ورسوله
Geen weg tegen hen die het goede doen.
ما على المحسٮٮں مں سٮٮل
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
والله عڡور رحٮم
Noch tegen hen die, tot jou gekomen opdat je hen zou vervoeren, en tot wie je zei: “Ik vind niets om jullie te vervoeren”,
ولا على الدٮں ادا ما اٮوك لٮحملهم ڡلٮ لا احد ما احملكم علٮه
en die weer vertrokken, met ogen overvloeiend van tranen, bedroefd niets te vinden om uit te geven.
ٮولوا واعٮٮهم ٮڡٮص مں الدمع حرٮا الا ٮحدوا ما ٮٮڡڡوں
De weg staat slechts open tegen hen die je toestemming vragen terwijl zij rijk zijn.
اٮما السٮٮل على الدٮں ٮسٮدٮوٮك وهم اعٮٮا
Zij hebben zich tevredengesteld met te zijn met hen die achterblijven,
رصوا ٮاں ٮكوٮوا مع الحوالڡ
en God heeft een stempel op hun kernen aangebracht, zodat zij niet weten.
وطٮع الله على ڡلوٮهم ڡهم لا ٮعلموں
Zij zullen zich bij jullie verontschuldigen, wanneer jullie naar hen zijn teruggekeerd.
ٮعٮدروں الٮكم ادا رحعٮم الٮهم
Zeg: “Verontschuldig jullie niet, wij zullen jullie geen krediet geven.
ڡل لا ٮعٮدروا لں ٮومں لكم
God heeft ons reeds bericht over jullie tijdingen.
ڡد ٮٮاٮا الله مں احٮاركم
En God zal jullie werk zien, evenals Zijn gezant,
وسٮرى الله عملكم ورسوله
daarna zullen jullie teruggebracht worden naar Hem die weet wat de zintuigen ontgaat en het geattesteerde, en Hij zal jullie berichten over wat jullie deden.”
ٮم ٮردوں الى علم العٮٮ والسهده ڡٮٮٮٮكم ٮما كٮٮم ٮعملوں
Zij zullen jullie bij God zweren, zodra jullie rechtsomkeert naar hen hebben gemaakt, opdat jullie je aan hen onttrekken.
سٮحلڡوں ٮالله لكم ادا اٮڡلٮٮم الٮهم لٮعرصوا عٮهم
Onttrek jullie dus aan hen:
ڡاعرصوا عٮهم
zij zijn slijk,
اٮهم رحس
en hun toevlucht zal Djahannam zijn,
وماوٮهم حهٮم
als vergelding voor wat zij verwierven.
حرا ٮما كاٮوا ٮكسٮوں
Zij zweren jullie, opdat jullie tevreden zullen zijn met hen; maar als jullie tevreden waren met hen, zou God gewis niet tevreden zijn met het volk van de grensoverschrijders.
ٮحلڡوں لكم لٮرصوا عٮهم ڡاں ٮرصوا عٮهم ڡاں الله لا ٮرصى عں الڡوم الڡسڡٮں
De notabelen zijn nog intenser in de verloochening en de huichelarij, en zij verdienen het des te meer de grenzen niet te kennen van wat God op Zijn gezant heeft doen neerdalen.
الاعراٮ اسد كڡرا وٮڡاڡا واحدر الا ٮعلموا حدود ما اٮرل الله على رسوله
En God is Alwetend, Wijs.
والله علٮم حكٮم
En onder de notabelen zijn er die wat zij uitgeven houden voor een gedwongen last, en die voor jullie de omslagen van het lot verwachten.
ومں الاعراٮ مں ٮٮحد ما ٮٮڡٯ معرما وٮٮرٮص ٮكم الدواٮر
Over hen, de kringloop van het kwaad.
علٮهم داٮره السو
God is de Alhorende, de Alwetende.
والله سمٮع علٮم
En onder de notabelen zijn er die in God en in de Laatste Dag geloven, en die wat zij uitgeven houden voor een middel tot nadering bij God en de bezoeken van de gezant.
ومں الاعراٮ مں ٮومں ٮالله والٮوم الاحر وٮٮحد ما ٮٮڡٯ ڡرٮٮ عٮد الله وصلوٮ الرسول
Is het niet zo: het is voor hen gewis een nadering.
الا اٮها ڡرٮه لهم
God zal hen in Zijn welwillendheid doen binnengaan.
سٮدحلهم الله ڡى رحمٮه
God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
اں الله عڡور رحٮم
En de allereerste voorlopers, onder de emigranten en de Hulpgenoten, en zij die hen volgden terwijl zij het goede deden – God is tevreden over hen, en zij zijn tevreden over Hem;
والسٮڡوں الاولوں مں المهحرٮں والاٮصار والدٮں اٮٮعوهم ٮاحسں رصى الله عٮهم ورصوا عٮه
Hij heeft hun tuinen bereid waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, voor immer.
واعد لهم حٮٮ ٮحرى ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها اٮدا
Dat is de ontzaglijke triomf.
دلك الڡور العطٮم
En onder de notabelen die jullie omringen, zijn er huichelaars,
وممں حولكم مں الاعراٮ مٮڡڡوں
evenals, onder de lieden van de Hoofdstad, sommigen verhard in de huichelarij die jij niet kent:
ومں اهل المدٮٮه مردوا على الٮڡاٯ لا ٮعلمهم
Wij, Wij kennen hen.
ٮحں ٮعلمهم
Wij zullen hun tweemaal pijn opleggen, daarna zullen zij teruggebracht worden naar een ontzaglijke pijn.
سٮعدٮهم مرٮٮں ٮم ٮردوں الى عداٮ عطٮم
En anderen hebben hun vergrijpen erkend, na een deugdelijk werk met een ander, slecht werk te hebben vermengd; het kan zijn dat God met mildheid naar hen terugkeert.
واحروں اعٮرڡوا ٮدٮوٮهم حلطوا عملا صلحا واحر سٮٮا عسى الله اں ٮٮوٮ علٮهم
God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
اں الله عڡور رحٮم
Neem van hun bezittingen een liefdadigheid die hen reinigt en doet groeien, en wees in contact met hen:
حد مں امولهم صدڡه ٮطهرهم وٮركٮهم ٮها وصل علٮهم
jouw contacten zijn een kalmte voor hen.
اں صلوٮك سكں لهم
God is de Alhorende, de Alwetende.
والله سمٮع علٮم
Weten zij niet dat God, Hij, het berouw van Zijn gehoorzamen verwelkomt en de liefdadigheden aanneemt, en dat God, Hij, Degene is die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend?
الم ٮعلموا اں الله هو ٮڡٮل الٮوٮه عں عٮاده وٮاحد الصدڡٮ واں الله هو الٮواٮ الرحٮم
En zeg: “Handel; God zal jullie werk zien, evenals Zijn gezant en de gelovenden,
وڡل اعملوا ڡسٮرى الله عملكم ورسوله والمومٮوں
en jullie zullen teruggebracht worden naar Hem die weet wat de zintuigen ontgaat en het geattesteerde, en Hij zal jullie berichten over wat jullie deden.”
وسٮردوں الى علم العٮٮ والسهده ڡٮٮٮٮكم ٮما كٮٮم ٮعملوں
En anderen zijn in afwachting gesteld van het bevel van God: ofwel zal Hij hun pijn opleggen, ofwel zal Hij met mildheid naar hen terugkeren.
واحروں مرحوں لامر الله اما ٮعدٮهم واما ٮٮوٮ علٮهم
En God is Alwetend, Wijs.
والله علٮم حكٮم
En zij die een plaats van neerwerping hebben genomen om te schaden, uit verloochening, door scheuring onder de gelovenden, en als uitkijkpost voor hem die voorheen oorlog had gevoerd tegen God en Zijn gezant –
والدٮں اٮحدوا مسحدا صرارا وكڡرا وٮڡرٮڡا ٮٮں المومٮٮں وارصادا لمں حارٮ الله ورسوله مں ڡٮل
zij zullen voorzeker zweren: “Wij wilden slechts het beste”;
ولٮحلڡں اں اردٮا الا الحسٮى
en God getuigt dat zij voorzeker leugenaars zijn.
والله ٮسهد اٮهم لكدٮوں
Handhaaf je er nooit.
لا ٮڡم ڡٮه اٮدا
Een plaats van neerwerping gegrondvest op de behoedzaamheid, vanaf de eerste dag, heeft veel meer recht erop dat jij je erin handhaaft.
لمسحد اسس على الٮڡوى مں اول ٮوم احٯ اں ٮڡوم ڡٮه
Daarin bevinden zich mannen die ervan houden zich te reinigen.
ڡٮه رحال ٮحٮوں اں ٮٮطهروا
God houdt van hen die zich reinigen.
والله ٮحٮ المطهرٮں
Is hij wiens gebouw is gegrondvest op de behoedzaamheid voor God en op Zijn instemming dan beter, of hij wiens gebouw is gegrondvest op de rand van een ravijn dat op afbrokkelen staat, dat dan met hem afbrokkelt in het vuur van Djahannam?
اڡمں اسس ٮٮٮٮه على ٮڡوى مں الله ورصوں حٮر ام مں اسس ٮٮٮٮه على سڡا حرڡ هار ڡاٮهار ٮه ڡى ٮار حهٮم
En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
والله لا ٮهدى الڡوم الطلمٮں
Het gebouw dat zij hebben gebouwd blijft een twijfel in hun kernen, tenzij hun kernen in stukken breken.
لا ٮرال ٮٮٮٮهم الدى ٮٮوا رٮٮه ڡى ڡلوٮهم الا اں ٮڡطع ڡلوٮهم
En God is Alwetend, Wijs.
والله علٮم حكٮم
God heeft gewis van de gelovenden hun Zelf en hun bezittingen gekocht, in ruil voor de Tuin die hun toekomt.
اں الله اسٮرى مں المومٮٮں اٮڡسهم وامولهم ٮاں لهم الحٮه
Zij vechten op de weg van God, doden en worden gedood – het is een belofte die op Hem rust, in alle waarheid, in de Taurah, de Indjil en deze Lezing.
ٮڡٮلوں ڡى سٮٮل الله ڡٮڡٮلوں وٮڡٮلوں وعدا علٮه حڡا ڡى الٮورٮه والاٮحٮل والڡراں
En wie is getrouwer aan zijn pact dan God?
ومں اوڡى ٮعهده مں الله
Jubel dus over de verkoop die jullie met Hem hebben gesloten,
ڡاسٮٮسروا ٮٮٮعكم الدى ٮاٮعٮم ٮه
en dat is de ontzaglijke triomf.
ودلك هو الڡور العطٮم
Zij die terugkeren, die gehoorzamen, die loven, die rondtrekken, die knielen, die zich neerwerpen, die het erkende bevelen en het afgekeurde verbieden, en die de grenzen van God bewaren –
الٮٮٮوں العٮدوں الحمدوں السٮحوں الركعوں السحدوں الامروں ٮالمعروڡ والٮاهوں عں المٮكر والحڡطوں لحدود الله
en kondig het goede nieuws aan de gelovenden aan.
وٮسر المومٮٮں
Het kwam de Berichtgever niet toe, noch hen die geloofd hebben, vergiffenis af te smeken voor de associeerders, ook al waren het verwanten, zodra het hun duidelijk gebleken is dat zij de metgezellen van de Gloeioven zijn.
ما كاں للٮٮى والدٮں امٮوا اں ٮسٮعڡروا للمسركٮں ولو كاٮوا اولى ڡرٮى مں ٮعد ما ٮٮٮں لهم اٮهم اصحٮ الححٮم
En Ibrahim smeekte voor zijn vader slechts vergiffenis af vanwege een belofte die hij hem had gedaan;
وما كاں اسٮعڡار اٮرهٮم لاٮٮه الا عں موعده وعدها اٮاه
maar toen het hem duidelijk werd dat hij een vijand van God was, verklaarde hij zich vrij van hem.
ڡلما ٮٮٮں له اٮه عدو لله ٮٮرا مٮه
Ibrahim was voorzeker vol zuchten, lankmoedig.
اں اٮرهٮم لاوه حلٮم
Het past God niet een volk te doen dwalen nadat Hij het heeft geleid, zonder het eerst te hebben uitgelegd waarvoor het zich moet behoeden.
وما كاں الله لٮصل ڡوما ٮعد اد هدٮهم حٮى ٮٮٮں لهم ما ٮٮڡوں
God is gewis Alwetend over alles.
اں الله ٮكل سى علٮم
Aan God behoort gewis het koningschap van de hemelen en de aarde;
اں الله له ملك السموٮ والارص
Hij doet leven en doet sterven.
ٮحى وٮمٮٮ
En jullie hebben, buiten God, noch beschermer noch hulp.
وما لكم مں دوں الله مں ولى ولا ٮصٮر
God is gewis met mildheid teruggekeerd naar de Berichtgever, de emigranten en de Hulpgenoten, die hem hebben gevolgd in het uur van de moeilijkheid, nadat de kernen van een fractie van hen bijna waren afgeweken; daarna is Hij met mildheid naar hen teruggekeerd – Hij is, jegens hen, vol goedheid, Welwillend – en naar de drie die waren achtergelaten,
لڡد ٮاٮ الله على الٮٮى والمهحرٮں والاٮصار الدٮں اٮٮعوه ڡى ساعه العسره مں ٮعد ما كاد ٮرٮع ڡلوٮ ڡرٮٯ مٮهم ٮم ٮاٮ علٮهم اٮه ٮهم روڡ رحٮم وعلى الٮلٮه الدٮں حلڡوا
totdat de aarde hun nauw was geworden ondanks haar uitgestrektheid, hun Zelf zelf hun nauw was geworden, en zij hadden vermoed dat er geen wijkplaats tegen God is behalve naar Hem – toen keerde Hij met mildheid naar hen terug, opdat zij terugkeren.
حٮى ادا صاڡٮ علٮهم الارص ٮما رحٮٮ وصاڡٮ علٮهم اٮڡسهم وطٮوا اں لا ملحا مں الله الا الٮه ٮم ٮاٮ علٮهم لٮٮوٮوا
God, Hij, is Degene die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
اں الله هو الٮواٮ الرحٮم
O jullie die geloofd hebben! Behoed jullie voor God, en wees met de waarachtigen.
ٮاٮها الدٮں امٮوا اٮڡوا الله وكوٮوا مع الصدڡٮں
Het kwam de lieden van de Hoofdstad niet toe, noch de notabelen die hen omringen, achter te blijven, ver van de gezant van God, noch hun eigen Zelf boven het zijne te verkiezen.
ما كاں لاهل المدٮٮه ومں حولهم مں الاعراٮ اں ٮٮحلڡوا عں رسول الله ولا ٮرعٮوا ٮاٮڡسهم عں ٮڡسه
Dat komt doordat hun geen dorst, geen vermoeidheid, geen schaarste overkomt op de weg van God, en zij geen plaats betreden die hen die verloochenen ergert, en hun geen winst op een vijand toevalt, zonder dat hun daarvoor een deugdelijk werk wordt ingeschreven.
دلك ٮاٮهم لا ٮصٮٮهم طما ولا ٮصٮ ولا محمصه ڡى سٮٮل الله ولا ٮطوں موطٮا ٮعٮط الكڡار ولا ٮٮالوں مں عدو ٮٮلا الا كٮٮ لهم ٮه عمل صلح
God laat gewis de beloning van hen die het goede doen niet vervliegen.
اں الله لا ٮصٮع احر المحسٮٮں
En zij geven geen enkele uitgave uit, klein of groot, zij bezetten de doorgang van geen enkel dal, zonder dat het hun wordt ingeschreven,
ولا ٮٮڡڡوں ٮڡڡه صعٮره ولا كٮٮره ولا ٮڡطعوں وادٮا الا كٮٮ لهم
opdat God hen vergeldt naar het schoonste van wat zij deden.
لٮحرٮهم الله احسں ما كاٮوا ٮعملوں
Het kwam de gelovenden niet toe zich allen tezamen te mobiliseren.
وما كاں المومٮوں لٮٮڡروا كاڡه
Waarom heeft zich dan niet, uit elke fractie van hen, een groep gemobiliseerd, opdat zij zich verdiepen in wat zij van de Wet begrijpen, en opdat zij hun volk waarschuwen bij hun terugkeer naar hen, misschien zullen zij waakzaam zijn?
ڡلولا ٮڡر مں كل ڡرڡه مٮهم طاٮڡه لٮٮڡڡهوا ڡى الدٮں ولٮٮدروا ڡومهم ادا رحعوا الٮهم لعلهم ٮحدروں
O jullie die geloofd hebben! Bevecht hen van de verloochenaars die dicht bij jullie zijn, en laat hen in jullie standvastigheid vinden.
ٮاٮها الدٮں امٮوا ڡٮلوا الدٮں ٮلوٮكم مں الكڡار ولٮحدوا ڡٮكم علطه
En weet dat God met de behoedzamen is.
واعلموا اں الله مع المٮڡٮں
En wanneer een soera is neergedaald, is er onder hen een die zegt: “Wie van jullie heeft deze soera in geloof doen toenemen?”
وادا ما اٮرلٮ سوره ڡمٮهم مں ٮڡول اٮكم رادٮه هده اٮمٮا
Wat betreft zij die geloofd hebben, zij heeft hen in geloof doen toenemen, en zij jubelen erover.
ڡاما الدٮں امٮوا ڡرادٮهم اٮمٮا وهم ٮسٮٮسروں
Maar wat betreft zij in wier kernen een ziekte zit, zij heeft een slijk toegevoegd aan hun slijk, en zij zijn gestorven terwijl zij verloochenden.
واما الدٮں ڡى ڡلوٮهم مرص ڡرادٮهم رحسا الى رحسهم وماٮوا وهم كڡروں
Zien zij dan niet dat zij elk jaar op de proef worden gesteld, een of twee keer? Daarna keren zij niet terug, en zij herinneren zich niet.
اولا ٮروں اٮهم ٮڡٮٮوں ڡى كل عام مره او مرٮٮں ٮم لا ٮٮوٮوں ولا هم ٮدكروں
En wanneer een soera is neergedaald, kijken zij elkaar aan: “Ziet iemand jullie?” Daarna glippen zij weg.
وادا ما اٮرلٮ سوره ٮطر ٮعصهم الى ٮعص هل ٮرٮكم مں احد ٮم اٮصرڡوا
God heeft hun kernen afgewend, omdat zij een volk zijn dat niet begrijpt.
صرڡ الله ڡلوٮهم ٮاٮهم ڡوم لا ٮڡڡهوں
Gewis is een gezant tot jullie gekomen, voortgekomen uit jullie zelf; het valt hem zwaar dat jullie terneergedrukt zijn,
لڡد حاكم رسول مں اٮڡسكم عرٮر علٮه ما عٮٮم
begaan met jullie,
حرٮص علٮكم
vol goedheid, welwillend jegens de gelovenden.
ٮالمومٮٮں روڡ رحٮم
Als zij de rug toekeren, zeg dan: “God volstaat voor mij;
ڡاں ٮولوا ڡڡل حسٮى الله
geen godheid behalve Hij;
لا اله الا هو
aan Hem verleen ik lastgeving,
علٮه ٮوكلٮ
en Hij is de Voogd van het ontzaglijke Bouwwerk.”
وهو رٮ العرس العطٮم