فاطر
Fatir
The Poor Before God
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Lof zij God, Oorsprong van de hemelen en de aarde, die van de Gemachtigden gezanten heeft gemaakt, georganiseerd in afdelingen – per twee, per drie, per vier.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم الحمد لله ڡاطر السموٮ والارص حاعل الملٮكه رسلا اولى احٮحه مٮٮى وٮلٮ ورٮع
Hij voegt aan de schepping toe wat het Hem behaagt,
ٮرٮد ڡى الحلٯ ما ٮسا
want God is tot alles in staat.
اں الله على كل سى ڡدٮر
Wat God de mensen opent als welwillendheid, niemand kan het bij zich vasthouden,
ما ٮڡٮح الله للٮاس مں رحمه ڡلا ممسك لها
en wat Hij vasthoudt, niemand kan het loslaten na Hem.
وما ٮمسك ڡلا مرسل له مں ٮعده
En Hij is de Almachtige, de Wijze.
وهو العرٮر الحكٮم
O mensen, herinner jullie de weldaad van God over jullie.
ٮاٮها الٮاس ادكروا ٮعمٮ الله علٮكم
Is er een schepper anders dan God die jullie voorziet vanuit de hemel en de aarde?
هل مں حلٯ عٮر الله ٮررڡكم مں السما والارص
Geen godheid behalve Hij.
لا اله الا هو
Hoe worden jullie dan van het spoor gebracht?
ڡاٮى ٮوڡكوں
En indien zij jou ontkennen, zijn gezanten vóór jou reeds ontkend.
واں ٮكدٮوك ڡڡد كدٮٮ رسل مں ڡٮلك
En tot God keren alle zaken terug.
والى الله ٮرحع الامور
O mensen, de belofte van God is gewis waarheid.
ٮاٮها الٮاس اں وعد الله حٯ
Laat het leven hienieden jullie dan niet bedriegen,
ڡلا ٮعرٮكم الحٮوه الدٮٮا
en laat de grote bedrieger jullie niet bedriegen omtrent God.
ولا ٮعرٮكم ٮالله العرور
De Afleider is gewis een vijand voor jullie: neem hem dus tot vijand.
اں السٮطں لكم عدو ڡاٮحدوه عدوا
Hij roept zijn partij slechts opdat zij onder de metgezellen van de Brand zijn.
اٮما ٮدعوا حرٮه لٮكوٮوا مں اصحٮ السعٮر
Zij die verloochenen zullen een strenge pijn hebben,
الدٮں كڡروا لهم عداٮ سدٮد
en zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht zullen vergeving en een grote beloning hebben.
والدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ لهم معڡره واحر كٮٮر
Hij voor wie het kwaad van zijn werk is verfraaid, zodat hij het schoon ziet?
اڡمں رٮں له سو عمله ڡراه حسٮا
Want God doet dwalen wie het Hem behaagt, en leidt wie het Hem behaagt.
ڡاں الله ٮصل مں ٮسا وٮهدى مں ٮسا
Laat jouw Zelf zich dus niet verteren van ontreddering om hen,
ڡلا ٮدهٮ ٮڡسك علٮهم حسرٮ
want God is Alwetend over wat zij doen.
اں الله علٮم ٮما ٮصٮعوں
God is het die de winden heeft gezonden, die wolken opheffen; Wij hebben ze naar een dode landstreek gedreven, en door hen hebben Wij de aarde opnieuw leven gegeven na haar dood.
والله الدى ارسل الرٮح ڡٮٮٮر سحاٮا ڡسڡٮه الى ٮلد مٮٮ ڡاحٮٮٮا ٮه الارص ٮعد موٮها
Zo zal de Ontvouwing zijn.
كدلك الٮسور
Wie de macht wil, aan God behoort de macht geheel toe.
مں كاں ٮرٮد العره ڡلله العره حمٮعا
Naar Hem stijgt het goede woord op,
الٮه ٮصعد الكلم الطٮٮ
en het deugdelijke werk, Hij verheft het.
والعمل الصلح ٮرڡعه
En zij die slechte daden complotteren zullen een strenge pijn hebben,
والدٮں ٮمكروں السٮاٮ لهم عداٮ سدٮد
en het complot van dezen is gedoemd teloor te gaan.
ومكر اولٮك هو ٮٮور
God heeft jullie geschapen uit aarde, vervolgens uit een druppel, vervolgens heeft Hij jullie tot paren gemaakt.
والله حلڡكم مں ٮراٮ ٮم مں ٮطڡه ٮم حعلكم اروحا
Geen vrouwtje draagt noch werpt, behalve met Zijn weten.
وما ٮحمل مں اٮٮى ولا ٮصع الا ٮعلمه
Geen wezen ziet zijn leven verlengd, noch zijn leven verkort, zonder dat het in een register staat;
وما ٮعمر مں معمر ولا ٮٮڡص مں عمره الا ڡى كٮٮ
want dit is gemakkelijk voor God.
اں دلك على الله ٮسٮر
De twee zeeën zijn niet gelijk:
وما ٮسٮوى الٮحراں
deze is zoet, dorstlessend, aangenaam om te drinken, en gene is zout, bitter.
هدا عدٮ ڡراٮ ساٮع سراٮه وهدا ملح احاح
En van elke eten jullie vers vlees, en winnen jullie een sieraad dat jullie dragen,
ومں كل ٮاكلوں لحما طرٮا وٮسٮحرحوں حلٮه ٮلٮسوٮها
en je ziet de schepen daarin de golven klieven, opdat jullie zoeken naar Zijn gunst, en misschien zullen jullie dankbaar zijn.
وٮرى الڡلك ڡٮه مواحر لٮٮٮعوا مں ڡصله ولعلكم ٮسكروں
Hij laat de nacht in de dag binnendringen, en laat de dag in de nacht binnendringen,
ٮولح الٮل ڡى الٮهار وٮولح الٮهار ڡى الٮل
en Hij heeft de zon en de maan onderworpen,
وسحر السمس والڡمر
elk lopend naar een genoemde termijn.
كل ٮحرى لاحل مسمى
Dat is God, jullie Voogd; aan Hem behoort het koningschap toe.
دلكم الله رٮكم له الملك
En zij die jullie buiten Hem aanroepen bezitten zelfs niet het vliesje van een dadelpit.
والدٮں ٮدعوں مں دوٮه ما ٮملكوں مں ڡطمٮر
Als jullie hen aanroepen, horen zij jullie aanroeping niet; en ook al zouden zij haar horen, zij zouden jullie niet antwoorden.
اں ٮدعوهم لا ٮسمعوا دعاكم ولو سمعوا ما اسٮحاٮوا لكم
En op de Dag van het Verschijnen zullen zij jullie associatie verloochenen.
وٮوم الڡٮمه ٮكڡروں ٮسرككم
En niemand bericht jou zoals de Intieme Kenner.
ولا ٮٮٮٮك مٮل حٮٮر
O mensen, jullie zijn het die de armen zijn voor God,
ٮاٮها الٮاس اٮٮم الڡڡرا الى الله
terwijl God de Rijke is, de Lofwaardige.
والله هو العٮى الحمٮد
Indien het Hem behaagde, zou Hij jullie wegvoeren en een nieuwe schepping doen komen.
اں ٮسا ٮدهٮكم وٮاٮ ٮحلٯ حدٮد
En dat is allerminst buiten bereik voor God.
وما دلك على الله ٮعرٮر
En geen drager van een last zal de last van een ander dragen;
ولا ٮرر وارره ورر احرى
en als wie overbelast is om hulp roept voor zijn vracht, zal er niets van gedragen worden, al is het door een verwant.
واں ٮدع مٮڡله الى حملها لا ٮحمل مٮه سى ولو كاں دا ڡرٮى
Jij waarschuwt slechts hen die hun Voogd duchten hoewel Hij hun zintuigen ontgaat, en die het Contact onderhouden,
اٮما ٮٮدر الدٮں ٮحسوں رٮهم ٮالعٮٮ واڡاموا الصلوه
en wie zich zuivert, zuivert zich slechts voor zichzelf.
ومں ٮركى ڡاٮما ٮٮركى لٮڡسه
En tot God is de bestemming.
والى الله المصٮر
De blinde en de ziende zijn niet gelijk, noch de duisternissen en het licht, noch de schaduw en de brandende hitte.
وما ٮسٮوى الاعمى والٮصٮر ولا الطلمٮ ولا الٮور ولا الطل ولا الحرور
De levenden en de doden zijn evenmin gelijk.
وما ٮسٮوى الاحٮا ولا الاموٮ
God doet gewis horen wie het Hem behaagt,
اں الله ٮسمع مں ٮسا
en jij kunt hen die in de graven zijn niet doen horen.
وما اٮٮ ٮمسمع مں ڡى الڡٮور
Jij bent slechts een waarschuwer.
اں اٮٮ الا ٮدٮر
Wij hebben jou gezonden, in alle waarheid, als aankondiger en waarschuwer.
اٮا ارسلٮك ٮالحٯ ٮسٮرا وٮدٮرا
En er is geen gemeenschap waar geen waarschuwer is voorbijgegaan.
واں مں امه الا حلا ڡٮها ٮدٮر
En indien zij jou ontkennen, hebben zij die vóór hen waren reeds ontkend: hun gezanten waren tot hen gekomen met de duidelijke bewijzen, de Formularia en de lichtgevende Schrift; vervolgens heb Ik hen gegrepen die verloochenden.
واں ٮكدٮوك ڡڡد كدٮ الدٮں مں ڡٮلهم حاٮهم رسلهم ٮالٮٮٮٮ وٮالرٮر وٮالكٮٮ المٮٮر ٮم احدٮ الدٮں كڡروا
En hoe was Mijn afkeuring!
ڡكٮڡ كاں ٮكٮر
Heb je niet gezien dat God uit de hemel een water doet neerdalen, waardoor Wij vruchten van uiteenlopende kleuren naar buiten brengen?
الم ٮر اں الله اٮرل مں السما ما ڡاحرحٮا ٮه ٮمرٮ محٮلڡا الوٮها
En in de bergen zijn er witte en rode voren, van uiteenlopende kleuren, en andere van een intens zwart.
ومں الحٮال حدد ٮٮص وحمر محٮلڡ الوٮها وعراٮٮٮ سود
En onder de mensen, de wezens die zich bewegen en het vee is er eveneens een verscheidenheid aan kleuren.
ومں الٮاس والدواٮ والاٮعم محٮلڡ الوٮه كدلك
Alleen zij die weten duchten God, onder Zijn gehoorzamen,
اٮما ٮحسى الله مں عٮاده العلموا
want God is Almachtig, Zeer Vergevensgezind.
اں الله عرٮر عڡور
Zij die de Schrift van God voordragen, het Contact onderhouden, en uitgeven, in het geheim en openlijk, van datgene waarvan Wij hen hebben voorzien, hopen op een handel die nooit teloor zal gaan, opdat Hij hun hun beloningen getrouw teruggeeft en hun meer geeft van Zijn gunst,
اں الدٮں ٮٮلوں كٮٮ الله واڡاموا الصلوه واٮڡڡوا مما ررڡٮهم سرا وعلاٮٮه ٮرحوں ٮحره لں ٮٮور لٮوڡٮهم احورهم وٮرٮدهم مں ڡصله
want Hij is Zeer Vergevensgezind, Zeer Dankbaar.
اٮه عڡور سكور
En wat Wij jou van de Schrift hebben geopenbaard is de waarheid, bevestigend wat eraan voorafgaat.
والدى اوحٮٮا الٮك مں الكٮٮ هو الحٯ مصدڡا لما ٮٮں ٮدٮه
God is voorzeker, jegens Zijn gehoorzamen, Intiem Kenner en Alziend.
اں الله ٮعٮاده لحٮٮر ٮصٮر
Vervolgens hebben Wij hen die Wij onder Onze gehoorzamen hebben uitgekozen de Schrift doen erven:
ٮم اورٮٮا الكٮٮ الدٮں اصطڡٮٮا مں عٮادٮا
er is er onder hen een die onrecht doet aan zichzelf,
ڡمٮهم طالم لٮڡسه
er is er een die een gematigde weg volgt,
ومٮهم مڡٮصد
en er is er een die de anderen voorgaat in het voortreffelijkste, met de toestemming van God.
ومٮهم ساٮٯ ٮالحٮرٮ ٮادں الله
Dat is de grote gunst.
دلك هو الڡصل الكٮٮر
De Tuinen van de bestendigheid, waarin zij zullen binnentreden, getooid met armbanden van goud en parels,
حٮٮ عدں ٮدحلوٮها ٮحلوں ڡٮها مں اساور مں دهٮ ولولوا
en hun kleding zal er van zijde zijn.
ولٮاسهم ڡٮها حرٮر
En zij zullen zeggen: “Lof zij God die het verdriet ver van ons heeft doen vertrekken; onze Voogd is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Zeer Dankbaar,
وڡالوا الحمد لله الدى ادهٮ عٮا الحرں اں رٮٮا لعڡور سكور
die ons, door Zijn gunst, heeft gehuisvest in het verblijf waar men zich voorgoed ophoudt, waar geen vermoeidheid ons raakt, noch enige uitputting.”
الدى احلٮا دار المڡامه مں ڡصله لا ٮمسٮا ڡٮها ٮصٮ ولا ٮمسٮا ڡٮها لعوٮ
En zij die verloochenen zullen het vuur van Djahannam hebben; er zal voor hen niet bepaald worden dat zij sterven, en niets van haar pijn zal hun gemilderd worden.
والدٮں كڡروا لهم ٮار حهٮم لا ٮڡصى علٮهم ڡٮموٮوا ولا ٮحڡڡ عٮهم مں عداٮها
Zo vergelden Wij elke grote verloochenaar.
كدلك ٮحرى كل كڡور
En daar zullen zij schreeuwen: “Onze Voogd, doe ons uitgaan, wij zullen deugdelijke werken verrichten, andere dan die wij deden!”
وهم ٮصطرحوں ڡٮها رٮٮا احرحٮا ٮعمل صلحا عٮر الدى كٮا ٮعمل
Hebben Wij jullie geen leven gegund dat lang genoeg was opdat wie zich wilde herinneren zich kon herinneren? En de waarschuwer was tot jullie gekomen.
اولم ٮعمركم ما ٮٮدكر ڡٮه مں ٮدكر وحاكم الٮدٮر
Proef dus,
ڡدوڡوا
want de onrechtvaardigen hebben geen hulp.
ڡما للطلمٮں مں ٮصٮر
God kent gewis wat de zintuigen ontgaat in de hemelen en op de aarde;
اں الله علم عٮٮ السموٮ والارص
want Hij is Alwetend over de inhoud van de borsten.
اٮه علٮم ٮداٮ الصدور
Hij is het die van jullie opvolgers op de aarde heeft gemaakt:
هو الدى حعلكم حلٮڡ ڡى الارص
wie verloochent, zijn verloochening valt op hem terug,
ڡمں كڡر ڡعلٮه كڡره
en de verloochening van de verloochenaars doet hen slechts toenemen in afkeer bij hun Voogd,
ولا ٮرٮد الكڡرٮں كڡرهم عٮد رٮهم الا مڡٮا
en de verloochening van de verloochenaars doet hen slechts toenemen in verlies.
ولا ٮرٮد الكڡرٮں كڡرهم الا حسارا
Zeg: “Zien jullie geassocieerden die jullie buiten God aanroepen? Toon mij wat zij van de aarde hebben geschapen, of hebben zij een aandeel in de hemelen?
ڡل ارٮٮم سركاكم الدٮں ٮدعوں مں دوں الله اروٮى مادا حلڡوا مں الارص ام لهم سرك ڡى السموٮ
Of hebben Wij hun een geschrift gegeven, en steunen zij op duidelijke bewijzen die daaruit voortkomen?”
ام اٮٮٮهم كٮٮا ڡهم على ٮٮٮٮ مٮه
In werkelijkheid beloven de onrechtvaardigen elkaar slechts bedrog.
ٮل اں ٮعد الطلموں ٮعصهم ٮعصا الا عرورا
God houdt gewis de hemelen en de aarde vast, opdat zij niet verdwijnen;
اں الله ٮمسك السموٮ والارص اں ٮرولا
en indien zij zouden verdwijnen, zou niemand anders dan Hij ze kunnen vasthouden,
ولٮں رالٮا اں امسكهما مں احد مں ٮعده
want Hij is Lankmoedig, Zeer Vergevensgezind.
اٮه كاں حلٮما عڡورا
En zij hebben bij God gezworen, met de volle kracht van hun eden, dat als een waarschuwer tot hen kwam, zij voorzeker beter geleid zouden zijn dan welke van de gemeenschappen ook.
واڡسموا ٮالله حهد اٮمٮهم لٮں حاهم ٮدٮر لٮكوٮں اهدى مں احدى الامم
Maar toen een waarschuwer tot hen kwam, deed dat slechts hun weerzin toenemen,
ڡلما حاهم ٮدٮر ما رادهم الا ٮڡورا
door van hoogmoed op te zwellen op de aarde, en door een slecht complot.
اسٮكٮارا ڡى الارص ومكر السٮى
Maar het slechte complot omhult slechts zijn eigen bedrijvers.
ولا ٮحٮٯ المكر السٮى الا ٮاهله
Wachten zij dan slechts op de norm van de eersten?
ڡهل ٮٮطروں الا سٮٮ الاولٮں
Maar nooit zul jij een verandering in de norm van God vinden,
ڡلں ٮحد لسٮٮ الله ٮٮدٮلا
en nooit zul jij een verplaatsing in de norm van God vinden.
ولں ٮحد لسٮٮ الله ٮحوٮلا
Hebben zij dan niet de aarde doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren, die nochtans in kracht superieur aan hen waren?
اولم ٮسٮروا ڡى الارص ڡٮٮطروا كٮڡ كاں عڡٮه الدٮں مں ڡٮلهم وكاٮوا اسد مٮهم ڡوه
En niets, in de hemelen noch op de aarde, kan God tot onmacht brengen,
وما كاں الله لٮعحره مں سى ڡى السموٮ ولا ڡى الارص
want Hij is Alwetend, In Staat.
اٮه كاں علٮما ڡدٮرا
En indien God de mensen zou grijpen voor wat zij hebben verworven, zou Hij op het oppervlak van de aarde geen enkel wezen dat zich beweegt overlaten;
ولو ٮواحد الله الٮاس ٮما كسٮوا ما ٮرك على طهرها مں داٮه
maar Hij schort hen op tot een genoemde termijn.
ولكں ٮوحرهم الى احل مسمى
En wanneer hun termijn komt, gewis is God Alziend over Zijn gehoorzamen.
ڡادا حا احلهم ڡاں الله كاں ٮعٮاده ٮصٮرا