الصافات
As-Saffat
Peace upon the Envoys
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Bij degenen die zich in rijen scharen, bij degenen die met kracht grommen, bij degenen die de Herinnering voordragen: jullie godheid is voorzeker enig,
ٮسم الله الرحمں الرحٮم والصڡٮ صڡا ڡالرحرٮ رحرا ڡالٮلٮٮ دكرا اں الهكم لوحد
de Voogd van de hemelen en de aarde en van wat tussen hen is, en de Voogd van de opgangen.
رٮ السموٮ والارص وما ٮٮٮهما ورٮ المسرٯ
Wij hebben de dichtstbijzijnde hemel getooid met de tooi van de gesternten,
اٮا رٮٮا السما الدٮٮا ٮرٮٮه الكواكٮ
en hebben hem bewaard voor elke opstandige Afleider,
وحڡطا مں كل سٮطں مارد
die niet kunnen luisteren naar het sublieme hof, en van alle kanten bekogeld worden,
لا ٮسمعوں الى الملا الاعلى وٮڡدڡوں مں كل حاٮٮ
hevig verdreven;
دحورا
en zij hebben een voortdurende pijn – behalve wie een flard wegrooft: een vlammend, doorborend projectiel achtervolgt hem dan.
ولهم عداٮ واصٮ الا مں حطڡ الحطڡه ڡاٮٮعه سهاٮ ٮاڡٮ
Raadpleeg hen dus: zijn zij zwaarder te scheppen, of zij die Wij geschapen hebben?
ڡاسٮڡٮهم اهم اسد حلڡا ام مں حلڡٮا
Wij hebben hen gewis geschapen uit een klevende klei.
اٮا حلڡٮهم مں طٮں لارٮ
Maar jij verbaast je, en zij spotten;
ٮل عحٮٮ وٮسحروں
en wanneer men hen herinnert, herinneren zij zich niet;
وادا دكروا لا ٮدكروں
en wanneer zij een teken zien, verdubbelen zij hun spotternij,
وادا راوا اٮه ٮسٮسحروں
en zeggen: “Dit is slechts een klaarblijkelijke begoocheling. Wanneer wij dood zijn, aarde en beenderen, zullen wij dan werkelijk opgewekt worden? En onze eerste voorouders ook?”
وڡالوا اں هدا الا سحر مٮٮں ادا مٮٮا وكٮا ٮراٮا وعطما اٮا لمٮعوٮوں اواٮاوٮا الاولوں
Zeg: “Ja, en jullie zullen neergeslagen zijn.”
ڡل ٮعم واٮٮم دحروں
Het zal slechts één gegrom zijn, en daar kijken zij,
ڡاٮما هى رحره وحده ڡادا هم ٮٮطروں
en zij zullen zeggen: “Wee ons, dit is de Vervaldag!”
وڡالوا ٮوٮلٮا هدا ٮوم الدٮں
“Dit is de Dag van de Scheiding, die jullie ontkenden.”
هدا ٮوم الڡصل الدى كٮٮم ٮه ٮكدٮوں
“Verzamel hen die onrechtvaardig zijn geweest, hun echtgenoten, en datgene waaraan zij gehoorzaamden buiten God, leid hen dan naar het pad van de Gloeioven,
احسروا الدٮں طلموا واروحهم وما كاٮوا ٮعٮدوں مں دوں الله ڡاهدوهم الى صرط الححٮم
en houd hen aan: zij zullen gewis ondervraagd worden.”
وڡڡوهم اٮهم مسولوں
“Wat is er met jullie dat jullie elkaar niet helpen?”
ما لكم لا ٮٮاصروں
Nee, die dag zijn zij onderdanig, berustend.
ٮل هم الٮوم مسٮسلموں
En zij staan tegenover elkaar, elkaar ondervragend.
واڡٮل ٮعصهم على ٮعص ٮٮسالوں
Zij zeggen: “Jullie waren het die ons van rechts naderden.”
ڡالوا اٮكم كٮٮم ٮاٮوٮٮا عں الٮمٮں
Zij zeggen: “Veeleer waren jullie het die geen gelovenden waren;
ڡالوا ٮل لم ٮكوٮوا مومٮٮں
wij hadden over jullie geen enkel gezag – jullie waren veeleer een volk dat alle maat te buiten ging.
وما كاں لٮا علٮكم مں سلطں ٮل كٮٮم ڡوما طعٮں
De uitspraak van onze Voogd heeft zich dus tegen ons bewaarheid: wij zullen voorzeker proeven. Wij hebben jullie doen dwalen – wijzelf waren dwalenden.”
ڡحٯ علٮٮا ڡول رٮٮا اٮا لداٮڡوں ڡاعوٮٮكم اٮا كٮا عوٮں
Die dag zijn zij gewis geassocieerden in de pijn.
ڡاٮهم ٮومٮد ڡى العداٮ مسٮركوں
Zo behandelen Wij de afgezonderden.
اٮا كدلك ٮڡعل ٮالمحرمٮں
Zij zwollen op van hoogmoed wanneer hun werd gezegd: “Er is geen godheid behalve God”, en zeiden: “Zullen wij werkelijk onze godheden verlaten voor een verwarde, verleidelijke redenaar?”
اٮهم كاٮوا ادا ڡٮل لهم لا اله الا الله ٮسٮكٮروں وٮڡولوں اٮٮا لٮاركوا الهٮٮا لساعر محٮوں
Nee, hij is gekomen met de waarheid, en hij heeft de gezondenen waarachtig verklaard.
ٮل حا ٮالحٯ وصدٯ المرسلٮں
Jullie zullen voorzeker de schrijnende pijn proeven,
اٮكم لداٮڡوا العداٮ الالٮم
en jullie zullen slechts vergolden worden naar wat jullie deden – behalve de gelouterde gehoorzamen van God:
وما ٮحروں الا ما كٮٮم ٮعملوں الا عٮاد الله المحلصٮں
dezen hebben een bekende leeftocht, smaken,
اولٮك لهم ررٯ معلوم ڡوكه
en zij worden geëerd in de tuinen van de weldaad, op divans, tegenover elkaar.
وهم مكرموں ڡى حٮٮ الٮعٮم على سرر مٮڡٮلٮں
Men zal onder hen een beker bronwater laten circuleren, wit, heerlijk voor wie ervan drinken, zonder hoofdpijn en zonder dat zij erdoor bedwelmd worden,
ٮطاڡ علٮهم ٮكاس مں معٮں ٮٮصا لده للسرٮٮں لا ڡٮها عول ولا هم عٮها ٮٮرڡوں
en zij zullen, aan hun zijde, gezellinnen hebben met terughoudende oogleden, tot bijstand, als goed beschutte eieren.
وعٮدهم ڡصرٮ الطرڡ عٮں كاٮهں ٮٮص مكٮوں
En zij staan tegenover elkaar, elkaar ondervragend.
ڡاڡٮل ٮعصهم على ٮعص ٮٮسالوں
Een van hen zegt: “Ik had een begeleider die zei: ‘Behoor jij werkelijk tot hen die dit waarachtig verklaren? Wanneer wij dood zijn, aarde en beenderen, zullen wij dan werkelijk schuldenaars zijn?’”
ڡال ڡاٮل مٮهم اٮى كاں لى ڡرٮں ٮڡول اٮك لمں المصدڡٮں ادا مٮٮا وكٮا ٮراٮا وعطما اٮا لمدٮٮوں
Hij zei: “Willen jullie kijken?” Hij keek toen, en zag hem midden in de Gloeioven.
ڡال هل اٮٮم مطلعوں ڡاطلع ڡراه ڡى سوا الححٮم
Hij zei: “Bij God, jij hebt mij voorzeker bijna ten val gebracht; en zonder de weldaad van mijn Voogd had ik tot de gebrachten behoord.
ڡال ٮالله اں كدٮ لٮردٮں ولولا ٮعمه رٮى لكٮٮ مں المحصرٮں
Zullen wij dan niet sterven, behalve onze eerste dood, en zal ons geen pijn opgelegd worden?”
اڡما ٮحں ٮمٮٮٮں الا موٮٮٮا الاولى وما ٮحں ٮمعدٮٮں
Dit is voorzeker de ontzaglijke triomf!
اں هدا لهو الڡور العطٮم
Voor iets dat hieraan gelijk is moeten zij werken die werken.
لمٮل هدا ڡلٮعمل العملوں
Is dat een beter onthaal, of de boom Zaqqoem?
ادلك حٮر ٮرلا ام سحره الرڡوم
Wij hebben hem gewis tot een beproeving gemaakt voor de onrechtvaardigen:
اٮا حعلٮها ڡٮٮه للطلمٮں
het is een boom die aan de wortel van de Gloeioven opkomt, waarvan de bloemscheden op koppen van Afleiders lijken.
اٮها سحره ٮحرح ڡى اصل الححٮم طلعها كاٮه روس السٮطٮں
Zij zullen daarvan voorzeker eten en hun buik ermee vullen; daarna zullen zij daar voorzeker bovenop een mengsel van kokend water hebben.
ڡاٮهم لاكلوں مٮها ڡمالوں مٮها الٮطوں ٮم اں لهم علٮها لسوٮا مں حمٮم
Daarna zal hun terugkeer voorzeker naar de Gloeioven zijn.
ٮم اں مرحعهم لالى الححٮم
Zij hebben hun voorouders gewis dwalend aangetroffen, en zij hebben zich op hun sporen gestort.
اٮهم الڡوا اٮاهم صالٮں ڡهم على اٮرهم ٮهرعوں
En vóór hen waren gewis de meesten van de eersten gedwaald,
ولڡد صل ڡٮلهم اكٮر الاولٮں
en Wij hadden hun gewis waarschuwers gezonden.
ولڡد ارسلٮا ڡٮهم مٮدرٮں
Kijk dus wat het einde was van hen die gewaarschuwd werden – behalve de gelouterde gehoorzamen van God.
ڡاٮطر كٮڡ كاں عڡٮه المٮدرٮں الا عٮاد الله المحلصٮں
En Noeh heeft Ons gewis geroepen,
ولڡد ٮادٮٮا ٮوح
en wat een uitstekende Beantwoorder zijn Wij!
ڡلٮعم المحٮٮوں
En Wij hebben hem gered, hem en de zijnen, van de ontzaglijke nood,
وٮحٮٮه واهله مں الكرٮ العطٮم
en Wij hebben van zijn nageslacht die gemaakt die blijft bestaan.
وحعلٮا درٮٮه هم الٮاڡٮں
En Wij hebben op hem nagelaten, onder de latere generaties:
وٮركٮا علٮه ڡى الاحرٮں
“Vrede over Noeh, onder alle wezens!”
سلم على ٮوح ڡى العلمٮں
Zo vergelden Wij hen die het goede doen.
اٮا كدلك ٮحرى المحسٮٮں
Hij behoorde tot Onze gelovende gehoorzamen.
اٮه مں عٮادٮا المومٮٮں
Daarna hebben Wij de anderen doen verdrinken.
ٮم اعرڡٮا الاحرٮں
En Ibrahim behoorde voorzeker tot zijn kamp, toen hij tot zijn Voogd kwam met een intacte kern, en tot zijn vader en zijn volk zei: “Wat gehoorzamen jullie?
واں مں سٮعٮه لاٮرهٮم اد حا رٮه ٮڡلٮ سلٮم اد ڡال لاٮٮه وڡومه مادا ٮعٮدوں
Is het een vermomming die jullie willen, godheden buiten God?
اٮڡكا الهه دوں الله ٮرٮدوں
Wat is dan jullie vermoeden over de Voogd van alle wezens?”
ڡما طٮكم ٮرٮ العلمٮں
Hij wierp een blik naar de sterren, en zei: “Ik ben onwel”; toen keerden zij hem de rug toe en vertrokken.
ڡٮطر ٮطره ڡى الٮحوم ڡڡال اٮى سڡٮم ڡٮولوا عٮه مدٮرٮں
Hij gleed toen naar hun godheden toe en zei: “Eten jullie niet? Wat is er met jullie dat jullie niets uitspreken?”
ڡراع الى الهٮهم ڡڡال الا ٮاكلوں ما لكم لا ٮٮطڡوں
Hij keerde zich toen tegen hen, slaand met de rechterhand; toen kwamen zij hem tegemoet, met haastige pas.
ڡراع علٮهم صرٮا ٮالٮمٮں ڡاڡٮلوا الٮه ٮرڡوں
Hij zei: “Gehoorzamen jullie aan wat jullie beeldhouwen, terwijl God jullie heeft geschapen, jullie en wat jullie vervaardigen?”
ڡال اٮعٮدوں ما ٮٮحٮوں والله حلڡكم وما ٮعملوں
Zij zeiden: “Bouw voor hem een bouwsel, en werp hem in de Gloeioven!” Zij wilden hem zo met list schaden, maar Wij hebben hen de laagsten gemaakt.
ڡالوا اٮٮوا له ٮٮٮٮا ڡالڡوه ڡى الححٮم ڡارادوا ٮه كٮدا ڡحعلٮهم الاسڡلٮں
En hij zei: “Ik ga naar mijn Voogd, Hij zal mij leiden.
وڡال اٮى داهٮ الى رٮى سٮهدٮں
Mijn Voogd, schenk mij iemand van de deugdelijken.”
رٮ هٮ لى مں الصلحٮں
Wij hebben hem toen een lankmoedige jongen aangekondigd.
ڡٮسرٮه ٮعلم حلٮم
En toen hij de leeftijd had bereikt om zich met hem in te spannen, zei hij: “O mijn kleintje, ik zie mijzelf in een droom jou slachten; kijk dus wat jij ervan denkt.”
ڡلما ٮلع معه السعى ڡال ٮٮٮى اٮى ارى ڡى المٮام اٮى ادٮحك ڡاٮطر مادا ٮرى
Hij zei: “O mijn vader, doe wat jou bevolen is;
ڡال ٮاٮٮ اڡعل ما ٮومر
jij zult mij, als het God behaagt, vinden onder de geduldigen.”
سٮحدٮى اں سا الله مں الصٮرٮں
En toen beiden tegenover God integer waren geworden, en hij hem op de slaap had neergelegd, riepen Wij hem toe: “O Ibrahim, jij hebt het visioen bevestigd.”
ڡلما اسلما وٮله للحٮٮں وٮدٮٮه اں ٮاٮرهٮم ڡد صدڡٮ الرٮا
Zo vergelden Wij hen die het goede doen.
اٮا كدلك ٮحرى المحسٮٮں
Dat was voorzeker wat beproeft, klaarblijkelijk.
اں هدا لهو الٮلوا المٮٮں
En Wij hebben hem vrijgekocht met een ontzaglijk offer.
وڡدٮٮه ٮدٮح عطٮم
En Wij hebben op hem nagelaten, onder de latere generaties:
وٮركٮا علٮه ڡى الاحرٮں
“Vrede over Ibrahim!”
سلم على اٮرهٮم
Zo vergelden Wij hen die het goede doen.
كدلك ٮحرى المحسٮٮں
Hij behoorde tot Onze gelovende gehoorzamen.
اٮه مں عٮادٮا المومٮٮں
En Wij hebben hem Ishaq aangekondigd, een berichtgever onder de deugdelijken, en Wij hebben hem gezegend, hem en Ishaq.
وٮسرٮه ٮاسحٯ ٮٮٮا مں الصلحٮں وٮركٮا علٮه وعلى اسحٯ
En onder hun nageslacht is er wie het goede doet, en wie klaarblijkelijk onrecht doet aan zichzelf.
ومں درٮٮهما محسں وطالم لٮڡسه مٮٮں
En Wij hebben Moesa en Haroen gewis begunstigd, en hen gered, hen en hun volk, van de ontzaglijke nood;
ولڡد مٮٮا على موسى وهروں وٮحٮٮهما وڡومهما مں الكرٮ العطٮم
en Wij hebben hen geholpen, en zij waren de overwinnaars.
وٮصرٮهم ڡكاٮوا هم العلٮٮں
En Wij hebben hun de uitdrukkelijke Schrift gegeven,
واٮٮٮهما الكٮٮ المسٮٮٮں
en Wij hebben hen geleid op het rechtlijnige pad.
وهدٮٮهما الصرط المسٮڡٮم
En Wij hebben op hen beiden nagelaten, onder de latere generaties:
وٮركٮا علٮهما ڡى الاحرٮں
“Vrede over Moesa en Haroen!”
سلم على موسى وهروں
Zo vergelden Wij hen die het goede doen.
اٮا كدلك ٮحرى المحسٮٮں
Zij beiden behoorden tot Onze gelovende gehoorzamen.
اٮهما مں عٮادٮا المومٮٮں
En Iljas behoorde voorzeker tot de gezondenen, toen hij tot zijn volk zei: “Behoeden jullie je dan niet? Roepen jullie Ba'l aan, de schoonste van de scheppers achterlatend?
واں الٮاس لمں المرسلٮں اد ڡال لڡومه الا ٮٮڡوں اٮدعوں ٮعلا وٮدروں احسں الحلڡٮں
God is jullie Voogd en de Voogd van jullie eerste voorouders.”
الله رٮكم ورٮ اٮاٮكم الاولٮں
Zij ontkenden hem dus; zij zullen voorzeker tot de gebrachten behoren – behalve de gelouterde gehoorzamen van God.
ڡكدٮوه ڡاٮهم لمحصروں الا عٮاد الله المحلصٮں
En Wij hebben op hem nagelaten, onder de latere generaties:
وٮركٮا علٮه ڡى الاحرٮں
“Vrede over Iljasin!”
سلم على ال ٮاسٮں
Zo vergelden Wij hen die het goede doen.
اٮا كدلك ٮحرى المحسٮٮں
Hij behoorde tot Onze gelovende gehoorzamen.
اٮه مں عٮادٮا المومٮٮں
En Loet behoorde voorzeker tot de gezondenen, toen Wij hem redden, hem en de zijnen, allen, behalve een oude vrouw onder hen die talmden; daarna hebben Wij de anderen verwoest.
واں لوطا لمں المرسلٮں اد ٮحٮٮه واهله احمعٮں الا عحورا ڡى العٮرٮں ٮم دمرٮا الاحرٮں
En jullie komen voorzeker langs hen, 's ochtends, en 's nachts –
واٮكم لٮمروں علٮهم مصٮحٮں وٮالٮل
redeneren jullie dan niet?
اڡلا ٮعڡلوں
En Joenoes behoorde voorzeker tot de gezondenen, toen hij vluchtte naar het beladen vaartuig; hij nam deel aan de loting, en was een van hen die afgewezen werden; de vis verzwolg hem terwijl hij laakbaar was.
واں ٮوٮس لمں المرسلٮں اد اٮٯ الى الڡلك المسحوں ڡساهم ڡكاں مں المدحصٮں ڡالٮڡمه الحوٮ وهو ملٮم
Als hij niet een van hen was geweest die glorifiëren, zou hij gewis al die tijd in zijn buik hebben doorgebracht, tot de dag waarop zij opgewekt zullen worden.
ڡلولا اٮه كاں مں المسٮحٮں للٮٮ ڡى ٮطٮه الى ٮوم ٮٮعٮوں
Wij hebben hem op een kaal terrein uitgeworpen, terwijl hij onwel was,
ڡٮٮدٮه ٮالعرا وهو سڡٮم
en Wij hebben over hem een katoenachtige plant doen groeien.
واٮٮٮٮا علٮه سحره مں ٮڡطٮں
En Wij hebben hem gezonden naar honderdduizend, of nog meer,
وارسلٮه الى ماٮه الڡ او ٮرٮدوں
en zij geloofden; Wij hebben hen toen laten genieten voor een tijd.
ڡامٮوا ڡمٮعٮهم الى حٮں
Raadpleeg hen dus: zou jouw Voogd dochters hebben, en zij zonen?
ڡاسٮڡٮهم الرٮك الٮٮاٮ ولهم الٮٮوں
Of hebben Wij de Gemachtigden van het vrouwelijk geslacht geschapen, en zouden zij daarvan getuigen zijn geweest?
ام حلڡٮا الملٮكه اٮٮا وهم سهدوں
Is het niet zo: door hun eigen vermomming zeggen zij voorzeker: “God heeft verwekt”; en zij zijn voorzeker leugenaars.
الا اٮهم مں اڡكهم لٮڡولوں ولد الله واٮهم لكدٮوں
Zou Hij de dochters verkozen hebben boven de zonen?
اصطڡى الٮٮاٮ على الٮٮٮں
Wat is er met jullie?
ما لكم
Hoe oordelen jullie?
كٮڡ ٮحكموں
Herinneren jullie je dan niet?
اڡلا ٮدكروں
Of hebben jullie een klaarblijkelijk gezag? Breng dan jullie geschrift, als jullie waarachtig zijn.
ام لكم سلطں مٮٮں ڡاٮوا ٮكٮٮكم اں كٮٮم صدڡٮں
En zij hebben tussen Hem en de Verborgenen een afstamming geplaatst;
وحعلوا ٮٮٮه وٮٮں الحٮه ٮسٮا
en de Verborgenen weten wel dat zij voorzeker tot de gebrachten zullen behoren –
ولڡد علمٮ الحٮه اٮهم لمحصروں
glorie zij God, boven wat zij beschrijven!
سٮحں الله عما ٮصڡوں
Behalve de gelouterde gehoorzamen van God.
الا عٮاد الله المحلصٮں
Noch jullie, noch datgene waaraan jullie gehoorzamen, kunnen iemand tegen Hem op de proef stellen, behalve wie bestemd is te branden in de Gloeioven.
ڡاٮكم وما ٮعٮدوں ما اٮٮم علٮه ٮڡٮٮٮں الا مں هو صال الححٮم
“Er is niemand van ons die geen bekende plaats heeft,
وما مٮا الا له مڡام معلوم
en wij zijn voorzeker zij die in rijen staan, en wij zijn voorzeker zij die glorifiëren.”
واٮا لٮحں الصاڡوں واٮا لٮحں المسٮحوں
En zij zeiden voorzeker: “Als wij een herinnering van de eersten hadden gehad, zouden wij gelouterde gehoorzamen van God zijn geweest.”
واں كاٮوا لٮڡولوں لو اں عٮدٮا دكرا مں الاولٮں لكٮا عٮاد الله المحلصٮں
Maar zij hebben die verloochend;
ڡكڡروا ٮه
zij zullen weldra weten.
ڡسوڡ ٮعلموں
En Ons woord ten gunste van Onze gezonden gehoorzamen is gewis voorafgegaan: zij zijn het die geholpen worden, en Ons leger is het dat voorzeker overwint.
ولڡد سٮڡٮ كلمٮٮا لعٮادٮا المرسلٮں اٮهم لهم المٮصوروں واں حٮدٮا لهم العلٮوں
Keer hun dus de rug toe voor een tijd,
ڡٮول عٮهم حٮى حٮں
en observeer hen: zij zullen weldra helder zien.
واٮصرهم ڡسوڡ ٮٮصروں
Is het dus Onze pijn die zij trachten te verhaasten?
اڡٮعداٮٮا ٮسٮعحلوں
Wanneer zij in hun omwalling neerdaalt, wat een noodlottige ochtend voor hen die gewaarschuwd werden!
ڡادا ٮرل ٮساحٮهم ڡسا صٮاح المٮدرٮں
En keer hun de rug toe voor een tijd,
وٮول عٮهم حٮى حٮں
en observeer: zij zullen weldra helder zien.
واٮصر ڡسوڡ ٮٮصروں
Glorie zij jouw Voogd, de Voogd van de macht, boven wat zij beschrijven!
سٮحں رٮك رٮ العره عما ٮصڡوں
En vrede over de gezondenen!
وسلم على المرسلٮں
En lof zij God, Voogd van alle wezens!
والحمد لله رٮ العلمٮں