الاسراء
Al-Isra
To What Is Most Upright
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Glorie zij Hem die Zijn gehoorzame bij nacht heeft doen reizen, van de onschendbare plaats van neerwerping naar de verste plaats van neerwerping, waarvan Wij de omgeving gezegend hebben, om hem enkele van Onze tekenen te tonen;
ٮسم الله الرحمں الرحٮم سٮحں الدى اسرى ٮعٮده لٮلا مں المسحد الحرام الى المسحد الاڡصا الدى ٮركٮا حوله لٮرٮه مں اٮٮٮا
want Hij is het, de Alhorende, de Alziende.
اٮه هو السمٮع الٮصٮر
En Wij hebben Moesa de Schrift gegeven, en daarvan een leiding gemaakt voor de zonen van Israël: “Neem niemand, buiten Mij, tot lasthebber” – nageslacht van hen die Wij met Noeh hebben gedragen;
واٮٮٮا موسى الكٮٮ وحعلٮه هدى لٮٮى اسرٮل الا ٮٮحدوا مں دوٮى وكٮلا درٮه مں حملٮا مع ٮوح
want hij was een gehoorzame, dankbaar.
اٮه كاں عٮدا سكورا
En Wij hebben voor de zonen van Israël in de Schrift bepaald: “Jullie zullen voorzeker tweemaal bederf zaaien op de aarde, en jullie zullen jullie voorzeker verheffen met een grote hoogte.”
وڡصٮٮا الى ٮٮى اسرٮل ڡى الكٮٮ لٮڡسدں ڡى الارص مرٮٮں ولٮعلں علوا كٮٮرا
Toen de belofte van de eerste van die twee keer kwam, wekten Wij tegen jullie gehoorzamen van Ons op, begiftigd met een strenge hardheid, die de woningen van begin tot eind doorkruisten –
ڡادا حا وعد اولٮهما ٮعٮٮا علٮكم عٮادا لٮا اولى ٮاس سدٮد ڡحاسوا حلل الدٮار
en het was een belofte, een voldongen zaak.
وكاں وعدا مڡعولا
Daarna gaven Wij jullie de wraak op hen terug, en Wij versterkten jullie met bezittingen en zonen, en Wij maakten jullie tot de talrijkste in aantal.
ٮم رددٮا لكم الكره علٮهم وامددٮكم ٮامول وٮٮٮں وحعلٮكم اكٮر ٮڡٮرا
Indien jullie goed handelen, handelen jullie goed voor jezelf,
اں احسٮٮم احسٮٮم لاٮڡسكم
en indien jullie slecht handelen, is het tegen jezelf.
واں اساٮم ڡلها
Daarna, toen de belofte van de tweede keer kwam, was het opdat zij ongenoegen op jullie gezichten drukten, opdat zij de plaats van neerwerping binnengingen zoals zij haar de eerste keer waren binnengegaan, en opdat zij geheel verwoestten wat zij in handen hadden gekregen.
ڡادا حا وعد الاحره لٮسوا وحوهكم ولٮدحلوا المسحد كما دحلوه اول مره ولٮٮٮروا ما علوا ٮٮٮٮرا
Het kan zijn dat jullie Voogd jullie welwillendheid betoont;
عسى رٮكم اں ٮرحمكم
maar indien jullie terugvallen, zullen Wij terugvallen.
واں عدٮم عدٮا
En Wij hebben Djahannam, voor hen die verloochenen, tot een omheining gemaakt.
وحعلٮا حهٮم للكڡرٮں حصٮرا
Deze Lezing leidt gewis naar wat het rechtst is, en kondigt aan de gelovenden die de deugdelijke werken verrichten aan dat zij een grote beloning zullen hebben, en dat voor hen die niet geloven in het laatste leven – Wij hebben voor hen een schrijnende pijn bereid.
اں هدا الڡراں ٮهدى للٮى هى اڡوم وٮٮسر المومٮٮں الدٮں ٮعملوں الصلحٮ اں لهم احرا كٮٮرا واں الدٮں لا ٮومٮوں ٮالاحره اعٮدٮا لهم عداٮا الٮما
En de mens roept het kwaad aan zoals hij het goede aanroept,
وٮدع الاٮسں ٮالسر دعاه ٮالحٮر
want de mens is haastig.
وكاں الاٮسں عحولا
En Wij hebben van de nacht en de dag twee tekenen gemaakt; Wij hebben het teken van de nacht uitgewist en het teken van de dag geschikt gemaakt om helder te zien, opdat jullie een gunst van jullie Voogd zoeken en het aantal van de jaren en de berekening kennen.
وحعلٮا الٮل والٮهار اٮٮٮں ڡمحوٮا اٮه الٮل وحعلٮا اٮه الٮهار مٮصره لٮٮٮعوا ڡصلا مں رٮكم ولٮعلموا عدد السٮٮں والحساٮ
En alles hebben Wij in detail gedetailleerd.
وكل سى ڡصلٮه ٮڡصٮلا
En aan elk mens hebben Wij zijn eigen voorteken aan zijn nek gehecht; en Wij zullen voor hem, op de Dag van het Verschijnen, een register naar buiten brengen dat hij ontvouwd zal ontmoeten:
وكل اٮسں الرمٮه طٮره ڡى عٮڡه وٮحرح له ٮوم الڡٮمه كٮٮا ٮلڡٮه مٮسورا
“Lees je register: heden volstaat het dat jij zelf je eigen rekenmeester bent.”
اڡرا كٮٮك كڡى ٮٮڡسك الٮوم علٮك حسٮٮا
Wie zich laat leiden, laat zich slechts leiden voor zichzelf,
مں اهٮدى ڡاٮما ٮهٮدى لٮڡسه
en wie dwaalt, dwaalt slechts tegen zichzelf.
ومں صل ڡاٮما ٮصل علٮها
En geen drager van een last zal de last van een ander dragen.
ولا ٮرر وارره ورر احرى
En Wij leggen nooit pijn op voordat Wij een gezant hebben opgewekt.
وما كٮا معدٮٮں حٮى ٮٮعٮ رسولا
En wanneer Wij een stad willen vernietigen, richten Wij Onze bevelen aan haar welgestelden, maar zij overschrijden de grenzen daarin; dan blijkt de uitspraak waar tegen haar, en Wij vernietigen haar met een totale vernietiging.
وادا اردٮا اں ٮهلك ڡرٮه امرٮا مٮرڡٮها ڡڡسڡوا ڡٮها ڡحٯ علٮها الڡول ڡدمرٮها ٮدمٮرا
Hoeveel generaties hebben Wij na Noeh vernietigd!
وكم اهلكٮا مں الڡروں مں ٮعد ٮوح
En jouw Voogd volstaat als Intiem Kenner en Alziende van de vergrijpen van Zijn gehoorzamen.
وكڡى ٮرٮك ٮدٮوٮ عٮاده حٮٮرا ٮصٮرا
Wie het onmiddellijke leven wil, Wij verhaasten voor hem daarin wat het Ons behaagt, voor wie Wij willen; daarna wijzen Wij hem Djahannam toe, waar hij zal branden, verworpen, verdrongen.
مں كاں ٮرٮد العاحله عحلٮا له ڡٮها ما ٮسا لمں ٮرٮد ٮم حعلٮا له حهٮم ٮصلٮها مدموما مدحورا
En wie het laatste leven wil en zich daarvoor inspant met de inspanning die nodig is, terwijl hij gelovend is – dezen zijn het wier inspanning erkend zal worden.
ومں اراد الاحره وسعى لها سعٮها وهو مومں ڡاولٮك كاں سعٮهم مسكورا
Allen rusten Wij uit –
كلا ٮمد
dezen zowel als genen – van de dotatie van jouw Voogd,
هولا وهولا مں عطا رٮك
en de dotatie van jouw Voogd is nooit beperkt.
وما كاں عطا رٮك محطورا
Kijk hoe Wij de ene boven de andere hebben bevoordeeld;
اٮطر كٮڡ ڡصلٮا ٮعصهم على ٮعص
en het laatste leven is gewis groter in rangen, en groter in gunst.
وللاحره اكٮر درحٮ واكٮر ٮڡصٮلا
Plaats met God geen andere godheid, anders zou je verworpen en in de steek gelaten achterblijven.
لا ٮحعل مع الله الها احر ڡٮڡعد مدموما محدولا
En jouw Voogd heeft bepaald dat jullie slechts Hem gehoorzamen,
وڡصى رٮك الا ٮعٮدوا الا اٮاه
en de weldadigheid jegens de beide ouders.
وٮالولدٮں احسٮا
Indien een van hen, of beiden, bij jou de hoge leeftijd bereiken, zeg niet “foei!” tegen hen en snauw hen niet af,
اما ٮٮلعں عٮدك الكٮر احدهما او كلاهما ڡلا ٮڡل لهما اڡ ولا ٮٮهرهما
maar richt een edele uitspraak tot hen.
وڡل لهما ڡولا كرٮما
En laat voor hen de vleugel van de volgzaamheid zakken, uit welwillendheid,
واحڡص لهما حٮاح الدل مں الرحمه
en zeg: “Mijn Voogd, betoon hun welwillendheid zoals zij mij als klein kind hebben grootgebracht.”
وڡل رٮ ارحمهما كما رٮٮاٮى صعٮرا
Jullie Voogd weet het best wat in jullie Zelf is.
رٮكم اعلم ٮما ڡى ٮڡوسكم
Indien jullie deugdelijk zijn, is Hij gewis, jegens hen die voortdurend tot Hem terugkeren, Zeer Vergevensgezind.
اں ٮكوٮوا صلحٮں ڡاٮه كاں للاوٮٮں عڡورا
En geef aan de verwant zijn deel, evenals aan de behoeftige en aan de doorreiziger,
واٮ دا الڡرٮى حڡه والمسكٮں واٮں السٮٮل
en verkwist niet op maatloze wijze,
ولا ٮٮدر ٮٮدٮرا
want zij die verkwisten zijn de broers van de Afleiders,
اں المٮدرٮں كاٮوا احوں السٮطٮں
en de Afleider is, jegens zijn Voogd, een groot verloochenaar.
وكاں السٮطں لرٮه كڡورا
En indien je je aan hen moet onttrekken, op zoek naar een welwillendheid van jouw Voogd waarop je hoopt, richt dan een gemakkelijke uitspraak tot hen.
واما ٮعرصں عٮهم اٮٮعا رحمه مں رٮك ٮرحوها ڡڡل لهم ڡولا مٮسورا
En maak je hand niet aan je nek geketend, en strek haar ook niet geheel uit, anders zou je achterblijven, gelaakt, leeggezogen door de troosteloosheid;
ولا ٮحعل ٮدك معلوله الى عٮڡك ولا ٮٮسطها كل الٮسط ڡٮڡعد ملوما محسورا
want jouw Voogd spreidt de leeftocht uit aan wie het Hem behaagt, en meet hem toe;
اں رٮك ٮٮسط الررٯ لمں ٮسا وٮڡدر
want Hij is, jegens Zijn gehoorzamen, Intiem Kenner en Alziende.
اٮه كاں ٮعٮاده حٮٮرا ٮصٮرا
En dood jullie kinderen niet uit vrees voor gebrek:
ولا ٮڡٮلوا اولدكم حسٮه املٯ
Wij zijn het die hen voorzien, en jullie,
ٮحں ٮررڡهم واٮاكم
want hen te doden is een grote fout.
اں ڡٮلهم كاں حطا كٮٮرا
En kom de ontucht niet nabij, want het is een laagheid, en wat een slechte weg!
ولا ٮڡرٮوا الرٮى اٮه كاں ڡحسه وسا سٮٮلا
En dood het Zelf niet dat God onschendbaar heeft gemaakt, tenzij met recht.
ولا ٮڡٮلوا الٮڡس الٮى حرم الله الا ٮالحٯ
En wie op onrechtvaardige wijze gedood wordt, Wij hebben aan zijn wettelijk verantwoordelijke een gezag toegewezen; maar laat hij niet buitensporig zijn in het doden,
ومں ڡٮل مطلوما ڡڡد حعلٮا لولٮه سلطٮا ڡلا ٮسرڡ ڡى الڡٮل
want hij zal geholpen worden.
اٮه كاں مٮصورا
En kom het goed van de wees niet nabij, tenzij op de schoonste wijze, totdat hij zijn volle rijpheid bereikt,
ولا ٮڡرٮوا مال الٮٮٮم الا ٮالٮى هى احسں حٮى ٮٮلع اسده
en wees getrouw aan het pact,
واوڡوا ٮالعهد
want naar het pact zal gevraagd worden.
اں العهد كاں مسولا
En geef getrouw de maat wanneer jullie meten, en weeg met de rechte weegschaal:
واوڡوا الكٮل ادا كلٮم ورٮوا ٮالڡسطاس المسٮڡٮم
dat is beter, en van schonere uitleg.
دلك حٮر واحسں ٮاوٮلا
En volg niet na waarvan je geen enkel weten hebt,
ولا ٮڡڡ ما لٮس لك ٮه علم
want het gehoor, het gezichtsvermogen en het Bewustzijn – van elk van hen zal gevraagd worden.
اں السمع والٮصر والڡواد كل اولٮك كاں عٮه مسولا
En loop niet pronkend over de aarde,
ولا ٮمس ڡى الارص مرحا
want je zult de aarde nooit doorboren, noch de bergen in hoogte bereiken.
اٮك لں ٮحرٯ الارص ولں ٮٮلع الحٮال طولا
Dit alles, het kwaad ervan is, bij jouw Voogd, verfoeilijk.
كل دلك كاں سٮٮه عٮد رٮك مكروها
Dit is wat jouw Voogd jou heeft geopenbaard van de wijsheid.
دلك مما اوحى الٮك رٮك مں الحكمه
En plaats met God geen andere godheid, anders zou je in Djahannam geworpen worden, gelaakt, verdrongen.
ولا ٮحعل مع الله الها احر ڡٮلڡى ڡى حهٮم ملوما مدحورا
Zou jullie Voogd jullie dan de zonen hebben voorbehouden, en uit de Gemachtigden dochters hebben genomen?
اڡاصڡٮكم رٮكم ٮالٮٮٮں واٮحد مں الملٮكه اٮٮا
Jullie doen daar voorzeker een ontzaglijke uitspraak.
اٮكم لٮڡولوں ڡولا عطٮما
Wij hebben gewis de voorbeelden gediversifieerd in deze Lezing, opdat zij zich herinneren; maar het doet hun afkeer slechts toenemen.
ولڡد صرڡٮا ڡى هدا الڡراں لٮدكروا وما ٮرٮدهم الا ٮڡورا
Zeg: “Indien er met Hem godheden waren, zoals zij zeggen, dan zouden zij een weg gezocht hebben naar de Houder van het Bouwwerk.”
ڡل لو كاں معه الهه كما ٮڡولوں ادا لاٮٮعوا الى دى العرس سٮٮلا
Glorie zij Hem, en Hij staat ver boven wat zij zeggen, in grote hoogheid.
سٮحٮه وٮعلى عما ٮڡولوں علوا كٮٮرا
De zeven hemelen glorifiëren Hem, evenals de aarde en wie daarop zijn;
ٮسٮح له السموٮ السٮع والارص ومں ڡٮهں
er is niets dat Hem niet glorifieert terwijl het Hem looft,
واں مں سى الا ٮسٮح ٮحمده
maar jullie begrijpen hun glorifiëren niet,
ولكں لا ٮڡڡهوں ٮسٮٮحهم
want Hij is Lankmoedig, Zeer Vergevensgezind.
اٮه كاں حلٮما عڡورا
En wanneer je de Lezing leest, plaatsen Wij tussen jou en hen die niet geloven in het laatste leven een verborgen sluier,
وادا ڡراٮ الڡراں حعلٮا ٮٮٮك وٮٮں الدٮں لا ٮومٮوں ٮالاحره ححاٮا مسٮورا
en Wij plaatsen op hun kernen omhulsels, opdat zij haar niet begrijpen, en in hun oren een doofheid.
وحعلٮا على ڡلوٮهم اكٮه اں ٮڡڡهوه وڡى اداٮهم وڡرا
En wanneer je in de Lezing jouw Voogd vermeldt, Hem alleen, keren zij met afkeer de rug toe.
وادا دكرٮ رٮك ڡى الڡراں وحده ولوا على ادٮرهم ٮڡورا
Wij weten het best wat zij beluisteren, wanneer zij naar jou luisteren, en wanneer zij in beraad zijn, wanneer de onrechtvaardigen zeggen: “Jullie volgen slechts een man die door de begoocheling is begoocheld.”
ٮحں اعلم ٮما ٮسٮمعوں ٮه اد ٮسٮمعوں الٮك واد هم ٮحوى اد ٮڡول الطلموں اں ٮٮٮعوں الا رحلا مسحورا
Kijk hoe zij de voorbeelden over jou hebben vermenigvuldigd, en zo zijn afgedwaald:
اٮطر كٮڡ صرٮوا لك الامٮال ڡصلوا
zij kunnen dus geen weg vinden.
ڡلا ٮسٮطٮعوں سٮٮلا
En zij hebben gezegd: “Wanneer wij beenderen en brokjes zijn, zullen wij dan werkelijk opgewekt worden in een nieuwe schepping?”
وڡالوا ادا كٮا عطما ورڡٮا اٮا لمٮعوٮوں حلڡا حدٮدا
Zeg: “Wees steen, of ijzer, of enige schepping die in jullie borsten groot lijkt.”
ڡل كوٮوا ححاره او حدٮدا او حلڡا مما ٮكٮر ڡى صدوركم
Zij zullen dan zeggen: “Wie zal ons terugbrengen?”
ڡسٮڡولوں مں ٮعٮدٮا
Zeg: “Hij die jullie oorspronkelijk heeft geschapen, de eerste keer.”
ڡل الدى ڡطركم اول مره
Dan zullen zij het hoofd naar jou schudden en zeggen: “Wanneer zal dat zijn?”
ڡسٮٮعصوں الٮك روسهم وٮڡولوں مٮى هو
Zeg: “Het kan zijn dat het nabij is.
ڡل عسى اں ٮكوں ڡرٮٮا
Op de dag waarop Hij jullie zal roepen, zullen jullie antwoorden terwijl jullie Hem loven, en jullie zullen vermoeden slechts weinig tijd te hebben doorgebracht.”
ٮوم ٮدعوكم ڡٮسٮحٮٮوں ٮحمده وٮطٮوں اں لٮٮٮم الا ڡلٮلا
En zeg aan Mijn gehoorzamen om te zeggen wat het schoonste is:
وڡل لعٮادى ٮڡولوا الٮى هى احسں
de Afleider zaait tweedracht onder hen;
اں السٮطں ٮٮرع ٮٮٮهم
want de Afleider is, voor de mens, een klaarblijkelijke vijand.
اں السٮطں كاں للاٮسں عدوا مٮٮٮا
Jullie Voogd kent jullie het best; indien het Hem behaagt, betoont Hij jullie welwillendheid, en indien het Hem behaagt, legt Hij jullie pijn op.
رٮكم اعلم ٮكم اں ٮسا ٮرحمكم او اں ٮسا ٮعدٮكم
Wij hebben jou niet gezonden om hun lasthebber te zijn.
وما ارسلٮك علٮهم وكٮلا
Jouw Voogd weet het best wie in de hemelen en op de aarde zijn.
ورٮك اعلم ٮمں ڡى السموٮ والارص
Wij hebben gewis sommige berichtgevers boven andere bevoordeeld, en Wij hebben Dawoed een Formularium gegeven.
ولڡد ڡصلٮا ٮعص الٮٮٮں على ٮعص واٮٮٮا داود رٮورا
Zeg: “Roep aan wie jullie beweren, buiten Hem: zij bezitten geen enkele macht om jullie van de schade te verlichten, noch om haar te verplaatsen.”
ڡل ادعوا الدٮں رعمٮم مں دوٮه ڡلا ٮملكوں كسڡ الصر عٮكم ولا ٮحوٮلا
Juist zij die zij aanroepen zoeken, bij hun Voogd, het middel tot nadering – wie van hen het naast zal zijn – en hopen op Zijn welwillendheid en vrezen Zijn pijn,
اولٮك الدٮں ٮدعوں ٮٮٮعوں الى رٮهم الوسٮله اٮهم اڡرٮ وٮرحوں رحمٮه وٮحاڡوں عداٮه
want de pijn van jouw Voogd is van die waartegen men op zijn hoede moet zijn.
اں عداٮ رٮك كاں محدورا
En er is geen stad die Wij niet vernietigen vóór de Dag van het Verschijnen, of waaraan Wij niet een strenge pijn opleggen:
واں مں ڡرٮه الا ٮحں مهلكوها ڡٮل ٮوم الڡٮمه او معدٮوها عداٮا سدٮدا
dit staat opgetekend in het register.
كاں دلك ڡى الكٮٮ مسطورا
Niets heeft Ons belet de tekenen te zenden, dan dat de eersten ze hebben ontkend.
وما مٮعٮا اں ٮرسل ٮالاٮٮ الا اں كدٮ ٮها الاولوں
En Wij hebben aan de Thamoed de kameelmerrie gegeven, als bewijs, maar zij waren onrechtvaardig jegens haar.
واٮٮٮا ٮمود الٮاڡه مٮصره ڡطلموا ٮها
Doch Wij zenden de tekenen slechts om te doen schrikken.
وما ٮرسل ٮالاٮٮ الا ٮحوٮڡا
En toen Wij jou zeiden dat jouw Voogd de mensen omsingelt –
واد ڡلٮا لك اں رٮك احاط ٮالٮاس
Wij hebben van het visioen dat Wij jou hebben getoond slechts een beproeving voor de mensen gemaakt, evenals van de vervloekte boom in deze Lezing.
وما حعلٮا الرٮا الٮى ارٮٮك الا ڡٮٮه للٮاس والسحره الملعوٮه ڡى الڡراں
En Wij doen hen schrikken, maar het doet hun grote mateloosheid slechts toenemen.
وٮحوڡهم ڡما ٮرٮدهم الا طعٮٮا كٮٮرا
En toen Wij tot de Gemachtigden zeiden: “Werp jullie neer voor Adam”, wierpen zij zich neer,
واد ڡلٮا للملٮكه اسحدوا لادم ڡسحدوا
behalve Iblis: hij zei: “Zou ik mij neerwerpen voor wie U uit klei hebt geschapen?”
الا اٮلٮس ڡال اسحد لمں حلڡٮ طٮٮا
Hij zei: “Ziet U deze hier, die U boven mij hebt geëerd? Indien U mij uitstel geeft tot de Dag van het Verschijnen, zal ik mij voorzeker meester maken van zijn nageslacht, op enkelen van hen na.”
ڡال ارٮٮك هدا الدى كرمٮ على لٮں احرٮں الى ٮوم الڡٮمه لاحٮٮكں درٮٮه الا ڡلٮلا
Hij zei: “Ga! Wie van hen jou volgt – Djahannam zal gewis jullie vergelding zijn, een overvloedige vergelding.
ڡال ادهٮ ڡمں ٮٮعك مٮهم ڡاں حهٮم حراوكم حرا موڡورا
En verdrijf, met je stem, wie je kunt van hen; roep tegen hen je ruiterij en je voetvolk op; associeer je met hen in de bezittingen en de kinderen; en doe hun beloften –
واسٮڡرر مں اسٮطعٮ مٮهم ٮصوٮك واحلٮ علٮهم ٮحٮلك ورحلك وساركهم ڡى الامول والاولد وعدهم
doch de Afleider belooft hun slechts bedrog.
وما ٮعدهم السٮطں الا عرورا
Over Mijn gehoorzamen heb je gewis geen enkel gezag;
اں عٮادى لٮس لك علٮهم سلطں
en jouw Voogd volstaat als lasthebber.”
وكڡى ٮرٮك وكٮلا
Jullie Voogd is Hij die voor jullie het vaartuig over de zee doet varen, opdat jullie van Zijn gunst zoeken,
رٮكم الدى ٮرحى لكم الڡلك ڡى الٮحر لٮٮٮعوا مں ڡصله
want Hij is jegens jullie Welwillend.
اٮه كاں ٮكم رحٮما
En wanneer de schade jullie op zee treft, dwalen zij weg die jullie aanroepen, behalve Hij.
وادا مسكم الصر ڡى الٮحر صل مں ٮدعوں الا اٮاه
Daarna, wanneer Hij jullie redt naar het vasteland, onttrekken jullie je:
ڡلما ٮحٮكم الى الٮر اعرصٮم
de mens is een groot verloochenaar.
وكاں الاٮسں كڡورا
Zijn jullie er dan zeker van dat Wij jullie niet zullen laten verzwelgen door een stuk van het vasteland, of dat Wij geen rukwind van keien over jullie zullen zenden, zodat jullie dan geen lasthebber vinden? Of zijn jullie er zeker van dat Wij jullie er niet nog een keer naartoe zullen terugbrengen, om over jullie een brekende wind te zenden die jullie doet verdrinken, vanwege jullie verloochening, zodat jullie dan niemand vinden om Ons ter verantwoording te roepen?
اڡامٮٮم اں ٮحسڡ ٮكم حاٮٮ الٮر او ٮرسل علٮكم حاصٮا ٮم لا ٮحدوا لكم وكٮلا ام امٮٮم اں ٮعٮدكم ڡٮه ٮاره احرى ڡٮرسل علٮكم ڡاصڡا مں الرٮح ڡٮعرڡكم ٮما كڡرٮم ٮم لا ٮحدوا لكم علٮٮا ٮه ٮٮٮعا
Wij hebben gewis de zonen van Adam geëerd, Wij hebben hen gedragen op het vasteland en op de zee, Wij hebben hen voorzien van de goede dingen, en Wij hebben hen duidelijk bevoordeeld boven velen van hen die Wij geschapen hebben.
ولڡد كرمٮا ٮٮى ادم وحملٮهم ڡى الٮر والٮحر وررڡٮهم مں الطٮٮٮ وڡصلٮهم على كٮٮر ممں حلڡٮا ٮڡصٮلا
De dag waarop Wij elke groep mensen zullen roepen met hun referentie,
ٮوم ٮدعوا كل اٮاس ٮاممهم
wie zijn register in zijn rechterhand wordt gegeven – dezen zullen hun register lezen, en zullen geen onrecht ondergaan, al is het een vezeltje.
ڡمں اوٮى كٮٮه ٮٮمٮٮه ڡاولٮك ٮڡروں كٮٮهم ولا ٮطلموں ڡٮٮلا
En wie blind is in dit leven, zal blind zijn in het laatste leven, en nog meer afgedwaald wat de weg betreft.
ومں كاں ڡى هده اعمى ڡهو ڡى الاحره اعمى واصل سٮٮلا
En zij hebben jou voorzeker bijna, door de beproeving, afgebracht van wat Wij jou hebben geopenbaard, opdat je tegen Ons iets anders zou verzinnen;
واں كادوا لٮڡٮٮوٮك عں الدى اوحٮٮا الٮك لٮڡٮرى علٮٮا عٮره
dan zouden zij jou tot intieme vriend hebben genomen.
وادا لاٮحدوك حلٮلا
En indien Wij jou niet standvastig hadden gemaakt, zou je gewis bijna op hen hebben geleund, een klein beetje.
ولولا اں ٮٮٮٮك لڡد كدٮ ٮركں الٮهم سٮا ڡلٮلا
Dan zouden Wij jou het dubbele van het leven en het dubbele van de dood hebben doen proeven; daarna zou je tegen Ons geen enkele hulp hebben gevonden.
ادا لادڡٮك صعڡ الحٮوه وصعڡ المماٮ ٮم لا ٮحد لك علٮٮا ٮصٮرا
En zij hebben jou voorzeker bijna van deze aarde verdreven, om je ervan uit te zetten –
واں كادوا لٮسٮڡروٮك مں الارص لٮحرحوك مٮها
en dan zouden zij daar, na jou, slechts zeer weinig tijd hebben doorgebracht.
وادا لا ٮلٮٮوں حلڡك الا ڡلٮلا
Dit is de norm met betrekking tot hen die Wij vóór jou hebben gezonden onder Onze gezanten,
سٮه مں ڡد ارسلٮا ڡٮلك مں رسلٮا
en in Onze norm zul je geen enkele verplaatsing vinden.
ولا ٮحد لسٮٮٮا ٮحوٮلا
Onderhoud het Contact vanaf het neigen van de zon tot het donker van de nacht, evenals de Lezing van de dageraad,
اڡم الصلوه لدلوك السمس الى عسٯ الٮل وڡراں الڡحر
want de Lezing van de dageraad is geattesteerd.
اں ڡراں الڡحر كاں مسهودا
En gedurende een deel van de nacht, waak daarmee, als toegift voor jou: het kan zijn dat jouw Voogd jou opwekt tot een positie van lof.
ومں الٮل ڡٮهحد ٮه ٮاڡله لك عسى اں ٮٮعٮك رٮك مڡاما محمودا
En zeg: “Mijn Voogd, laat mij binnengaan door een waarachtige ingang, en laat mij uitgaan door een waarachtige uitgang, en wijs mij, van U, een hulpvaardig gezag toe.”
وڡل رٮ ادحلٮى مدحل صدٯ واحرحٮى محرح صدٯ واحعل لى مں لدٮك سلطٮا ٮصٮرا
En zeg: “De waarheid is gekomen, en het valse is vervlogen:
وڡل حا الحٯ ورهٯ الٮطل
het valse is gewis bestemd om te vervliegen.”
اں الٮطل كاں رهوڡا
En Wij doen uit deze Lezing neerdalen wat genezing en welwillendheid is voor de gelovenden,
وٮٮرل مں الڡراں ما هو سڡا ورحمه للمومٮٮں
maar het doet de onrechtvaardigen slechts in verlies toenemen.
ولا ٮرٮد الطلمٮں الا حسارا
En wanneer Wij de mens met weldaden overladen, onttrekt hij zich en houdt zich afzijdig;
وادا اٮعمٮا على الاٮسں اعرص وٮا ٮحاٮٮه
en wanneer het kwaad hem treft, is hij zonder hoop.
وادا مسه السر كاں ٮوسا
Zeg: “Ieder handelt naar zijn eigen wijze; jullie Voogd weet het best wie het best geleid is wat de weg betreft.”
ڡل كل ٮعمل على ساكلٮه ڡرٮكم اعلم ٮمں هو اهدى سٮٮلا
En zij ondervragen jou over de Toestroom.
وٮسلوٮك عں الروح
Zeg: “De Toestroom hoort bij het bevel van mijn Voogd; en jullie hebben slechts bitter weinig weten ontvangen.”
ڡل الروح مں امر رٮى وما اوٮٮٮم مں العلم الا ڡلٮلا
En indien het Ons behaagde, zouden Wij voorzeker wegnemen wat Wij jou hebben geopenbaard; dan zou je tegen Ons geen enkele lasthebber daarvoor vinden – behalve een welwillendheid van jouw Voogd;
ولٮں سٮٮا لٮدهٮں ٮالدى اوحٮٮا الٮك ٮم لا ٮحد لك ٮه علٮٮا وكٮلا الا رحمه مں رٮك
want Zijn gunst jegens jou is groot.
اں ڡصله كاں علٮك كٮٮرا
Zeg: “Indien de mensen en de Verborgenen zich zouden verenigen om het equivalent van deze Lezing te brengen, zouden zij het equivalent ervan niet brengen, al waren zij elkaars steun.”
ڡل لٮں احٮمعٮ الاٮس والحں على اں ٮاٮوا ٮمٮل هدا الڡراں لا ٮاٮوں ٮمٮله ولو كاں ٮعصهم لٮعص طهٮرا
Wij hebben gewis voor de mensen, in deze Lezing, allerlei voorbeelden gediversifieerd; maar de meeste mensen hebben alles geweigerd, behalve de verloochening.
ولڡد صرڡٮا للٮاس ڡى هدا الڡراں مں كل مٮل ڡاٮى اكٮر الٮاس الا كڡورا
En zij hebben gezegd: “Wij zullen jou geen krediet geven voordat je voor ons uit de aarde een bron laat opwellen, of dat je een tuin van palmen en wijnstokken hebt waarin je rivieren overvloedig laat opwellen, of dat je de hemel in stukken op ons laat neerstorten zoals je beweert, of dat je God en de Gemachtigden voor ons brengt, of dat je een huis van verguldsel hebt, of dat je naar de hemel opstijgt – en wij zullen zelfs je opstijging geen krediet geven voordat je op ons een register doet neerdalen dat wij kunnen lezen.”
وڡالوا لں ٮومں لك حٮى ٮڡحر لٮا مں الارص ٮٮٮوعا او ٮكوں لك حٮه مں ٮحٮل وعٮٮ ڡٮڡحر الاٮهر حللها ٮڡحٮرا او ٮسڡط السما كما رعمٮ علٮٮا كسڡا او ٮاٮى ٮالله والملٮكه ڡٮٮلا او ٮكوں لك ٮٮٮ مں رحرڡ او ٮرڡى ڡى السما ولں ٮومں لرڡٮك حٮى ٮٮرل علٮٮا كٮٮا ٮڡروه
Zeg: “Glorie zij mijn Voogd! Ben ik slechts een sterveling, een gezant?”
ڡل سٮحاں رٮى هل كٮٮ الا ٮسرا رسولا
En niets heeft de mensen belet te geloven, toen de leiding hun kwam, dan dat zij zeiden: “Zou God een sterveling als gezant hebben opgewekt?”
وما مٮع الٮاس اں ٮومٮوا اد حاهم الهدى الا اں ڡالوا اٮعٮ الله ٮسرا رسولا
Zeg: “Indien er op aarde Gemachtigden waren die in alle gerustheid rondliepen, zouden Wij voor hen uit de hemel een Gemachtigde als gezant hebben doen neerdalen.”
ڡل لو كاں ڡى الارص ملٮكه ٮمسوں مطمٮٮٮں لٮرلٮا علٮهم مں السما ملكا رسولا
Zeg: “God volstaat als getuige tussen mij en jullie,
ڡل كڡى ٮالله سهٮدا ٮٮٮى وٮٮٮكم
want Hij is, jegens Zijn gehoorzamen, Intiem Kenner en Alziende.”
اٮه كاں ٮعٮاده حٮٮرا ٮصٮرا
En wie God leidt, die laat zich leiden,
ومں ٮهد الله ڡهو المهٮد
en wie Hij doet dwalen, voor hen zul je nooit bondgenoten vinden buiten Hem.
ومں ٮصلل ڡلں ٮحد لهم اولٮا مں دوٮه
En Wij zullen hen verzamelen, op de Dag van het Verschijnen, op hun gezichten, blind, stom en doof:
وٮحسرهم ٮوم الڡٮمه على وحوههم عمٮا وٮكما وصما
hun toevlucht zal Djahannam zijn:
ماوٮهم حهٮم
telkens wanneer zij afneemt, vergroten Wij voor hen de Brand.
كلما حٮٮ ردٮهم سعٮرا
Dit is hun vergelding, omdat zij Onze tekenen hebben verloochend en hebben gezegd: “Wanneer wij beenderen en brokjes zijn, zullen wij dan werkelijk opgewekt worden in een nieuwe schepping?”
دلك حراوهم ٮاٮهم كڡروا ٮاٮٮٮا وڡالوا ادا كٮا عطما ورڡٮا اٮا لمٮعوٮوں حلڡا حدٮدا
Hebben zij niet gezien dat God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, in staat is hun gelijke te scheppen, en dat Hij hun een termijn heeft toegewezen waaraan geen twijfel bestaat?
اولم ٮروا اں الله الدى حلٯ السموٮ والارص ڡادر على اں ٮحلٯ مٮلهم وحعل لهم احلا لا رٮٮ ڡٮه
Maar de onrechtvaardigen hebben alles geweigerd, behalve de verloochening.
ڡاٮى الطلموں الا كڡورا
Zeg: “Indien jullie de voorraden van de welwillendheid van mijn Voogd bezaten, dan zouden jullie ze achterhouden, uit vrees voor de uitgave.”
ڡل لو اٮٮم ٮملكوں حراٮں رحمه رٮى ادا لامسكٮم حسٮه الاٮڡاٯ
De mens is gierig.
وكاں الاٮسں ڡٮورا
Wij hebben Moesa gewis negen duidelijke tekenen gegeven:
ولڡد اٮٮٮا موسى ٮسع اٮٮ ٮٮٮٮ
ondervraag dus de zonen van Israël: toen hij tot hen kwam, zei Fir'aun tot hem: “Ik vermoed voorzeker dat je door een begoocheling begoocheld bent, o Moesa.”
ڡسل ٮٮى اسرٮل اد حاهم ڡڡال له ڡرعوں اٮى لاطٮك ٮموسى مسحورا
Hij zei: “Je weet gewis dat niemand anders dan de Voogd van de hemelen en de aarde deze verhelderende bewijzen heeft doen neerdalen,
ڡال لڡد علمٮ ما اٮرل هولا الا رٮ السموٮ والارص ٮصاٮر
en ik vermoed voorzeker dat jij ten onder gaat, o Fir'aun.”
واٮى لاطٮك ٮڡرعوں مٮٮورا
Hij wilde hen dan van deze aarde verdrijven; maar Wij deden hem verdrinken, hem en allen die met hem waren.
ڡاراد اں ٮسٮڡرهم مں الارص ڡاعرڡٮه ومں معه حمٮعا
En Wij zeiden na hem tot de zonen van Israël: “Bewoon deze aarde,
وڡلٮا مں ٮعده لٮٮى اسرٮل اسكٮوا الارص
daarna, wanneer de belofte van de tweede keer komt, zullen Wij jullie allen samen terugbrengen, dooreengevlochten.”
ڡادا حا وعد الاحره حٮٮا ٮكم لڡٮڡا
En met de waarheid hebben Wij het doen neerdalen,
وٮالحٯ اٮرلٮه
en met de waarheid is het neergedaald;
وٮالحٯ ٮرل
en Wij hebben jou slechts gezonden als aankondiger en waarschuwer.
وما ارسلٮك الا مٮسرا وٮدٮرا
En een Lezing die Wij hebben opgedeeld, opdat je haar aan de mensen met gradatie leest,
وڡراٮا ڡرڡٮه لٮڡراه على الٮاس على مكٮ
en Wij hebben haar doen neerdalen in opeenvolgende zendingen.
وٮرلٮه ٮٮرٮلا
Zeg: “Geloof erin, of geloof er niet in:
ڡل امٮوا ٮه او لا ٮومٮوا
zij aan wie het weten vóór haar is gegeven, wanneer zij hun wordt voorgedragen, vallen zich neerwerpend op de kin, zeggend: ‘Glorie zij onze Voogd! De belofte van onze Voogd is voorzeker een voldongen zaak.’
اں الدٮں اوٮوا العلم مں ڡٮله ادا ٮٮلى علٮهم ٮحروں للادڡاں سحدا وٮڡولوں سٮحں رٮٮا اں كاں وعد رٮٮا لمڡعولا
En zij vallen op de kin, wenend, en het doet hun nederigheid toenemen.”
وٮحروں للادڡاں ٮٮكوں وٮرٮدهم حسوعا
Zeg: “Roep God aan, of roep de Alwelwillende aan:
ڡل ادعوا الله او ادعوا الرحمں
wie jullie ook aanroepen, aan Hem behoren de schoonste eigenschappen.”
اٮا ما ٮدعوا ڡله الاسما الحسٮى
En spreek je Contact niet hardop uit, en fluister het ook niet: zoek, tussen die twee, een weg.
ولا ٮحهر ٮصلاٮك ولا ٮحاڡٮ ٮها واٮٮع ٮٮں دلك سٮٮلا
En zeg: “Lof zij God, die Zich geen kind heeft toegeschreven, die geen geassocieerde heeft in het koningschap, en die geen beschermer heeft tegen de vernedering”,
وڡل الحمد لله الدى لم ٮٮحد ولدا ولم ٮكں له سرٮك ڡى الملك ولم ٮكں له ولى مں الدل
en kondig Zijn grootheid af, ten volle.
وكٮره ٮكٮٮرا