مريم
Maryam
A Remembrance of Benevolence
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Kaf. Ha. Ya. ʿAyn. Ṣad.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم كهٮعص
Herinnering aan de welwillendheid van jouw Voogd jegens Zijn gehoorzame Zakarija, toen hij zijn Voogd riep met een verborgen roep,
دكر رحمٮ رٮك عٮده ركرٮا اد ٮادى رٮه ٮدا حڡٮا
hij zei: “Mijn Voogd, het bot is gewis verzwakt in mij, het hoofd is van witheid ontvlamd, en nooit ben ik, U aanroepend, mijn Voogd, ellendig geweest.
ڡال رٮ اٮى وهں العطم مٮى واسٮعل الراس سٮٮا ولم اكں ٮدعاٮك رٮ سڡٮا
En ik heb gewis de mijnen na mij gevreesd, en mijn vrouw is onvruchtbaar. Schenk mij dan, van Uw kant, een beschermer die mij beërft en de clan van Ja'qoeb beërft,
واٮى حڡٮ المولى مں وراى وكاٮٮ امراٮى عاڡرا ڡهٮ لى مں لدٮك ولٮا ٮرٮٮى وٮرٮ مں ال ٮعڡوٮ
en maak, mijn Voogd, dat hij aanvaard is.”
واحعله رٮ رصٮا
“O Zakarija, Wij kondigen jou gewis een jongen aan: zijn eigenschap is Jahja, voor wie Wij, vóór hem, niemand hebben gemaakt die deze eigenschap deelt.”
ٮركرٮا اٮا ٮٮسرك ٮعلم اسمه ٮحٮى لم ٮحعل له مں ڡٮل سمٮا
Hij zei: “Mijn Voogd, hoe zou ik een jongen hebben, terwijl mijn vrouw onvruchtbaar is en ik, in de grote ouderdom, de uiterste aftakeling bereikt heb?”
ڡال رٮ اٮى ٮكوں لى علم وكاٮٮ امراٮى عاڡرا وڡد ٮلعٮ مں الكٮر عٮٮا
Hij zei: “Zo zal het zijn. Jouw Voogd heeft gezegd: Dat is Mij gemakkelijk, en Ik heb jou al eerder geschapen, toen je niets was.”
ڡال كدلك ڡال رٮك هو على هٮں وڡد حلڡٮك مں ڡٮل ولم ٮك سٮا
Hij zei: “Mijn Voogd, wijs mij een teken aan.”
ڡال رٮ احعل لى اٮه
Hij zei: “Jouw teken is dat je gedurende drie volle nachten niet tot de mensen zult spreken.”
ڡال اٮٮك الا ٮكلم الٮاس ٮلٮ لٮال سوٮا
Toen kwam hij naar zijn volk naar buiten, uit het oratorium, en gebaarde hun: “Glorifieer in de dageraad en in de avond.”
ڡحرح على ڡومه مں المحراٮ ڡاوحى الٮهم اں سٮحوا ٮكره وعسٮا
“O Jahja, neem de Schrift met kracht.”
ٮٮحٮى حد الكٮٮ ٮڡوه
En Wij gaven hem het oordeel, toen hij nog een zeer jong kind was,
واٮٮٮه الحكم صٮٮا
alsook een tederheid die van Ons kwam, en een zuiverheid;
وحٮاٮا مں لدٮا وركوه
en hij behoedde zich.
وكاں ٮڡٮا
En deugdzaam jegens zijn ouders, was hij niet tiranniek en niet ongehoorzaam.
وٮرا ٮولدٮه ولم ٮكں حٮارا عصٮا
En vrede over hem op de dag waarop hij geboren werd, op de dag waarop hij zal sterven, en op de dag waarop hij levend zal worden opgewekt.
وسلم علٮه ٮوم ولد وٮوم ٮموٮ وٮوم ٮٮعٮ حٮا
En vermeld, in de Schrift, Marjam, toen zij zich terugtrok van de haren op een plaats in het oosten en, ver van hen, een sluier nam.
وادكر ڡى الكٮٮ مرٮم اد اٮٮٮدٮ مں اهلها مكاٮا سرڡٮا ڡاٮحدٮ مں دوٮهم ححاٮا
Toen zonden Wij haar Onze Toestroom, die zich aan haar presenteerde in de gedaante van een voltooide sterveling.
ڡارسلٮا الٮها روحٮا ڡٮمٮل لها ٮسرا سوٮا
Zij zei: “Ik stel mij gewis onder de egide van de Alwelwillende tegen jou! Als je je behoedt…”
ڡالٮ اٮى اعود ٮالرحمں مٮك اں كٮٮ ٮڡٮا
Hij zei: “Ik ben slechts de gezant van jouw Voogd, opdat Hij jou een zuivere jongen schenke.”
ڡال اٮما اٮا رسول رٮك لاهٮ لك علما ركٮا
Zij zei: “Hoe zou ik een jongen hebben, terwijl geen enkele sterveling mij heeft aangeraakt en ik niet schaamteloos ben geweest?”
ڡالٮ اٮى ٮكوں لى علم ولم ٮمسسٮى ٮسر ولم اك ٮعٮا
Hij zei: “Zo zal het zijn. Jouw Voogd heeft gezegd: Dat is Mij gemakkelijk.
ڡال كدلك ڡال رٮك هو على هٮں
En Wij zullen hem tot een teken voor de mensen maken en tot een welwillendheid die van Ons komt.
ولٮحعله اٮه للٮاس ورحمه مٮا
Dat is een zaak die reeds gedecreteerd is.”
وكاں امرا مڡصٮا
Zij droeg hem, en trok zich daarna met hem terug op een afgelegen plaats.
ڡحملٮه ڡاٮٮٮدٮ ٮه مكاٮا ڡصٮا
De weeën van de bevalling dreven haar naar de stam van de palm. Zij zei: “Ach, was ik maar daarvóór gestorven, en was ik een vergeten ding geweest, voorgoed vergeten!”
ڡاحاها المحاص الى حدع الٮحله ڡالٮ ٮلٮٮٮى مٮ ڡٮل هدا وكٮٮ ٮسٮا مٮسٮا
Toen riep hij haar toe van onder haar: “Wees niet bedroefd! Jouw Voogd heeft onder je een beek geplaatst.
ڡٮادٮها مں ٮحٮها الا ٮحرٮى ڡد حعل رٮك ٮحٮك سرٮا
En schud de stam van de palm naar je toe: hij zal verse dadels op je laten vallen, op het juiste punt rijp.
وهرى الٮك ٮحدع الٮحله ٮسڡط علٮك رطٮا حٮٮا
Eet dus, drink, en dat jouw blik bedare.
ڡكلى واسرٮى وڡرى عٮٮا
Als je dus iemand onder de stervelingen ziet, zeg: ‘Ik heb aan de Alwelwillende een gelofte afgelegd van een onthouding; ik zal dus vandaag tot geen enkele sterveling spreken.’”
ڡاما ٮرٮں مں الٮسر احدا ڡڡولى اٮى ٮدرٮ للرحمں صوما ڡلں اكلم الٮوم اٮسٮا
Toen kwam zij met hem naar haar volk, hem dragend.
ڡاٮٮ ٮه ڡومها ٮحمله
Zij zeiden: “O Marjam, je bent gewis gekomen tot een monsterlijk ding!
ڡالوا ٮمرٮم لڡد حٮٮ سٮا ڡرٮا
O zus van Haroen, jouw vader was geen man van kwaad, en jouw moeder geen schaamteloze vrouw.”
ٮاحٮ هروں ما كاں اٮوك امرا سو وما كاٮٮ امك ٮعٮا
Toen wees zij naar hem met een gebaar.
ڡاسارٮ الٮه
Zij zeiden: “Hoe zouden wij spreken tot een nog zeer jong kind in de wieg?”
ڡالوا كٮڡ ٮكلم مں كاں ڡى المهد صٮٮا
Het kind zei: “Ik ben gewis de gehoorzame van God. Hij heeft mij de Schrift gegeven en mij tot berichtgever gemaakt; Hij heeft mij gezegend gemaakt waar ik ook ben, en heeft mij het Contact en de zuivere vrijgevigheid aanbevolen zolang ik leef, evenals de deugd jegens mijn moeder.
ڡال اٮى عٮد الله اٮٮٮى الكٮٮ وحعلٮى ٮٮٮا وحعلٮى مٮاركا اٮں ما كٮٮ واوصٮى ٮالصلوه والركوه ما دمٮ حٮا وٮرا ٮولدٮى
En Hij heeft mij niet tiranniek en niet ellendig gemaakt.
ولم ٮحعلٮى حٮارا سڡٮا
En vrede over mij op de dag waarop ik geboren ben, op de dag waarop ik zal sterven, en op de dag waarop ik levend zal worden opgewekt.”
والسلم على ٮوم ولدٮ وٮوم اموٮ وٮوم اٮعٮ حٮا
Dat is Isa, zoon van Marjam –
دلك عٮسى اٮں مرٮم
een uitspraak van waarheid, waarover zij in controverse treden.
ڡول الحٯ الدى ڡٮه ٮمٮروں
Het past God niet Zich een kind toe te schrijven.
ما كاں لله اں ٮٮحد مں ولد
Glorie zij Hem!
سٮحٮه
Wanneer Hij iets decreteert, zegt Hij er slechts tegen: “Wees”,
ادا ڡصى امرا ڡاٮما ٮڡول له كں
en het is.
ڡٮكوں
En God is gewis mijn Voogd en jullie Voogd; gehoorzaam Hem dus.
واں الله رٮى ورٮكم ڡاعٮدوه
Dit is een rechtlijnig pad.
هدا صرط مسٮڡٮم
Maar de partijen weken onderling af.
ڡاحٮلڡ الاحراٮ مں ٮٮٮهم
Wee dus aan hen die verloochenen, wanneer zij getuige zullen zijn van een ontzaglijke dag!
ڡوٮل للدٮں كڡروا مں مسهد ٮوم عطٮم
Hoe goed zullen zij horen en helder zien, op de dag waarop zij bij Ons komen!
اسمع ٮهم واٮصر ٮوم ٮاٮوٮٮا
Maar de onrechtvaardigen zijn vandaag in een klaarblijkelijke dwaling.
لكں الطلموں الٮوم ڡى صلل مٮٮں
En waarschuw hen voor de Dag van de Troosteloosheid, wanneer de zaak beslist zal zijn, terwijl zij in onbekommerdheid zijn en niet geloven,
واٮدرهم ٮوم الحسره اد ڡصى الامر وهم ڡى عڡله وهم لا ٮومٮوں
want Wij zijn het die de aarde zullen beërven, en hen die zich daarop bevinden,
اٮا ٮحں ٮرٮ الارص ومں علٮها
en naar Ons zullen zij teruggebracht worden.
والٮٮا ٮرحعوں
En vermeld, in de Schrift, Ibrahim: hij was een waarachtig man, een berichtgever, toen hij tot zijn vader zei: “O mijn vader, waarom gehoorzaam je aan wat niet hoort en niet helder ziet, en je in niets van dienst is?
وادكر ڡى الكٮٮ اٮرهٮم اٮه كاں صدٮڡا ٮٮٮا اد ڡال لاٮٮه ٮاٮٮ لم ٮعٮد ما لا ٮسمع ولا ٮٮصر ولا ٮعٮى عٮك سٮا
O mijn vader, mij is gewis van het weten gekomen wat jou niet bereikt heeft; volg mij dus, ik zal je leiden op een zeer effen pad.
ٮاٮٮ اٮى ڡد حاٮى مں العلم ما لم ٮاٮك ڡاٮٮعٮى اهدك صرطا سوٮا
O mijn vader, gehoorzaam de Afleider niet,
ٮاٮٮ لا ٮعٮد السٮطں
want de Afleider is ongehoorzaam jegens de Alwelwillende.
اں السٮطں كاں للرحمں عصٮا
O mijn vader, ik vrees dat een pijn van de Alwelwillende je raakt, en dat je een bondgenoot van de Afleider wordt.”
ٮاٮٮ اٮى احاڡ اں ٮمسك عداٮ مں الرحمں ڡٮكوں للسٮطں ولٮا
Zijn vader zei: “Wend jij je af van mijn godheden, o Ibrahim?
ڡال اراعٮ اٮٮ عں الهٮى
Als je niet ophoudt, zal ik je voorzeker verbannen! Verwijder je van mij voor lange tijd.”
ٮاٮرهٮم لٮں لم ٮٮٮه لارحمٮك واهحرٮى ملٮا
Ibrahim zei: “Vrede over jou. Ik zal voor jou om vergeving smeken bij mijn Voogd: Hij is altijd voorkomend jegens mij geweest. Ik scheid mij van jullie af en van wat jullie buiten God aanroepen, en ik roep mijn Voogd aan; het is mogelijk dat ik, mijn Voogd aanroepend, niet ellendig zal zijn.”
ڡال سلم علٮك ساسٮعڡر لك رٮى اٮه كاں ٮى حڡٮا واعٮرلكم وما ٮدعوں مں دوں الله وادعوا رٮى عسى الا اكوں ٮدعا رٮى سڡٮا
Toen hij zich van hen en van datgene waaraan zij buiten God gehoorzaamden afgescheiden had, schonken Wij hem Ishaq en Ja'qoeb,
ڡلما اعٮرلهم وما ٮعٮدوں مں دوں الله وهٮٮا له اسحٯ وٮعڡوٮ
en van ieder maakten Wij een berichtgever.
وكلا حعلٮا ٮٮٮا
En Wij schonken hun van Onze welwillendheid, en verzekerden hun een waarachtige, eminente tong.
ووهٮٮا لهم مں رحمٮٮا وحعلٮا لهم لساں صدٯ علٮا
En vermeld, in de Schrift, Moesa: hij wijdde zich uitsluitend toe aan God, en hij was een gezant, een berichtgever.
وادكر ڡى الكٮٮ موسى اٮه كاں محلصا وكاں رسولا ٮٮٮا
En Wij riepen hem toe vanaf de rechterflank van de Berg, en Wij brachten hem nader in een apart gesprek.
وٮدٮٮه مں حاٮٮ الطور الاٮمں وڡرٮٮه ٮحٮا
En Wij schonken hem, door Onze welwillendheid, zijn broer Haroen, berichtgever.
ووهٮٮا له مں رحمٮٮا احاه هروں ٮٮٮا
En vermeld, in de Schrift, Isma'il: hij was waarachtig in zijn belofte, en hij was een gezant, een berichtgever. Hij beval de zijnen het Contact en de zuivere vrijgevigheid,
وادكر ڡى الكٮٮ اسمعٮل اٮه كاں صادٯ الوعد وكاں رسولا ٮٮٮا وكاں ٮامر اهله ٮالصلوه والركوه
en hij was, bij zijn Voogd, aanvaard.
وكاں عٮد رٮه مرصٮا
En vermeld, in de Schrift, Idris: hij was een waarachtig man, een berichtgever.
وادكر ڡى الكٮٮ ادرٮس اٮه كاں صدٮڡا ٮٮٮا
En Wij verhieven hem tot een eminente rang.
ورڡعٮه مكاٮا علٮا
Dezen zijn het die God met weldaden overladen heeft onder de berichtgevers: uit het nageslacht van Adam, van hen die Wij met Noeh gedragen hebben, uit het nageslacht van Ibrahim en Israël, en onder hen die Wij geleid en uitgekozen hebben.
اولٮك الدٮں اٮعم الله علٮهم مں الٮٮٮں مں درٮه ادم وممں حملٮا مع ٮوح ومں درٮه اٮرهٮم واسرٮل وممں هدٮٮا واحٮٮٮٮا
Wanneer de tekenen van de Alwelwillende hun werden voorgedragen, vielen zij neer, zich neerwerpend, in tranen.
ادا ٮٮلى علٮهم اٮٮ الرحمں حروا سحدا وٮكٮا
Daarna volgde een generatie hen op die het Contact liet vervliegen en de verlangens volgde: zij zullen dus de zwerftocht ontmoeten – behalve wie berouw heeft, gelooft en een deugdelijk werk verricht; dezen zullen in de Tuin binnengebracht worden en geen enkel onrecht ondergaan: de Tuinen van de bestendigheid die de Alwelwillende aan Zijn gehoorzamen beloofd heeft, hoewel zij hun zintuigen ontgaan;
ڡحلڡ مں ٮعدهم حلڡ اصاعوا الصلوه واٮٮعوا السهوٮ ڡسوڡ ٮلڡوں عٮا الا مں ٮاٮ وامں وعمل صلحا ڡاولٮك ٮدحلوں الحٮه ولا ٮطلموں سٮا حٮٮ عدں الٮى وعد الرحمں عٮاده ٮالعٮٮ
want Zijn belofte is bestemd om vervuld te worden.
اٮه كاں وعده ماٮٮا
Zij zullen daar geen enkele beuzelarij horen,
لا ٮسمعوں ڡٮها لعوا
niets dan: “Vrede!”
الا سلما
En zij zullen daar hun leeftocht hebben, in de dageraad en in de avond.
ولهم ررڡهم ڡٮها ٮكره وعسٮا
Dat is de Tuin die Wij als erfdeel zullen geven aan wie van Onze gehoorzamen zich behoedde.
ٮلك الحٮه الٮى ٮورٮ مں عٮادٮا مں كاں ٮڡٮا
“Wij dalen niet neer dan op het bevel van jouw Voogd.
وما ٮٮٮرل الا ٮامر رٮك
Aan Hem behoort toe wat vóór ons is, wat achter ons is, en wat daartussen is.
له ما ٮٮں اٮدٮٮا وما حلڡٮا وما ٮٮں دلك
En jouw Voogd is geenszins vergeetachtig.”
وما كاں رٮك ٮسٮا
De Voogd van de hemelen en de aarde en van wat daartussen is: gehoorzaam Hem dus, en wees standvastig in het Hem gehoorzamen.
رٮ السموٮ والارص وما ٮٮٮهما ڡاعٮده واصطٮر لعٮدٮه
Ken je voor Hem iemand die Zijn eigenschap deelt?
هل ٮعلم له سمٮا
En de mens zegt: “Als ik eenmaal dood ben, zal ik dan werkelijk levend naar buiten gekomen zijn?”
وٮڡول الاٮسں ادا ما مٮ لسوڡ احرح حٮا
Herinnert de mens zich niet dat Wij hem eerder geschapen hebben, terwijl hij niets was?
اولا ٮدكر الاٮسں اٮا حلڡٮه مں ڡٮل ولم ٮك سٮا
Bij jouw Voogd, Wij zullen hen voorzeker verzamelen, samen met de Afleiders; daarna zullen Wij hen voorzeker rond Djahannam brengen, op de knieën.
ڡورٮك لٮحسرٮهم والسٮطٮں ٮم لٮحصرٮهم حول حهٮم حٮٮا
Daarna zullen Wij voorzeker uit elke factie hen wegrukken die het onbeschaamdst waren jegens de Alwelwillende.
ٮم لٮٮرعں مں كل سٮعه اٮهم اسد على الرحمں عٮٮا
Daarna zijn Wij het die het best weten wie het meest verdient daarin te branden.
ٮم لٮحں اعلم ٮالدٮں هم اولى ٮها صلٮا
En er is niemand onder jullie die er niet aankomt: dat is, voor jouw Voogd, een onherroepelijk arrest.
واں مٮكم الا واردها كاں على رٮك حٮما مڡصٮا
Daarna zullen Wij hen redden die zich behoed hebben, en Wij zullen de onrechtvaardigen daarin achterlaten, op de knieën.
ٮم ٮٮحى الدٮں اٮڡوا وٮدر الطلمٮں ڡٮها حٮٮا
En wanneer Onze duidelijke tekenen hun worden voorgedragen, zeggen zij die verloochenen tot hen die geloven: “Welke van de twee fracties heeft de beste positie en de schoonste kring?”
وادا ٮٮلى علٮهم اٮٮٮا ٮٮٮٮ ڡال الدٮں كڡروا للدٮں امٮوا اى الڡرٮڡٮں حٮر مڡاما واحسں ٮدٮا
Hoeveel generaties hebben Wij vóór hen vernietigd, die schoner waren in bezittingen en in voorkomen!
وكم اهلكٮا ڡٮلهم مں ڡرں هم احسں اٮٮا ورٮا
Zeg: “Wie in de dwaling is, laat de Alwelwillende hem langdurig de tijd verlengen,
ڡل مں كاں ڡى الصلله ڡلٮمدد له الرحمں مدا
totdat zij, ziende wat hun beloofd is – hetzij de pijn, hetzij het Uur –, weten wie de slechtste plaats heeft en wie het zwakst is aan leger.”
حٮى ادا راوا ما ٮوعدوں اما العداٮ واما الساعه ڡسٮعلموں مں هو سر مكاٮا واصعڡ حٮدا
En God doet hen die zich hebben laten leiden toenemen in leiding.
وٮرٮد الله الدٮں اهٮدوا هدى
En de blijvende en deugdelijke werken zijn, bij jouw Voogd, beter in tegenprestatie en beter in wat zij opleveren.
والٮڡٮٮ الصلحٮ حٮر عٮد رٮك ٮواٮا وحٮر مردا
Heb je gezien wie Onze tekenen verloochend heeft en gezegd heeft: “Mij zullen voorzeker bezittingen en kinderen gegeven worden”? Is hij doorgedrongen in wat de zintuigen ontgaat, of heeft hij een pact aangegaan bij de Alwelwillende? Geenszins!
اڡرٮٮ الدى كڡر ٮاٮٮٮا وڡال لاوٮٮں مالا وولدا اطلع العٮٮ ام اٮحد عٮد الرحمں عهدا كلا
Wij zullen optekenen wat hij zegt en Wij zullen voor hem de pijn verlengen, langdurig.
سٮكٮٮ ما ٮڡول وٮمد له مں العداٮ مدا
En Wij zullen beërven wat hij zegt, en hij zal tot Ons komen, alleen.
وٮرٮه ما ٮڡول وٮاٮٮٮا ڡردا
En zij hebben, buiten God, godheden genomen, opdat die hun een macht zijn. Geenszins!
واٮحدوا مں دوں الله الهه لٮكوٮوا لهم عرا كلا
Zij zullen hun gehoorzaamheid verloochenen en zich tegen hen opstellen.
سٮكڡروں ٮعٮادٮهم وٮكوٮوں علٮهم صدا
Heb je niet gezien dat Wij de Afleiders hebben losgelaten op hen die verloochenen, en dat zij hen onophoudelijk aanwakkeren?
الم ٮر اٮا ارسلٮا السٮطٮں على الكڡرٮں ٮورهم ارا
Haast je dus niet tegen hen:
ڡلا ٮعحل علٮهم
Wij doen niets dan voor hen tellen, één voor één.
اٮما ٮعد لهم عدا
De dag waarop Wij hen die zich behoed hebben tot de Alwelwillende zullen verzamelen, als delegatie, en waarop Wij de afgezonderden naar Djahannam zullen voeren, opdat zij daar aankomen.
ٮوم ٮحسر المٮڡٮں الى الرحمں وڡدا وٮسوٯ المحرمٮں الى حهٮم وردا
Zij zullen geen enkele voorspraak bezitten, behalve wie een pact bij de Alwelwillende aangegaan zal hebben.
لا ٮملكوں السڡعه الا مں اٮحد عٮد الرحمں عهدا
En zij hebben gezegd: “De Alwelwillende heeft Zich een kind toegeschreven.”
وڡالوا اٮحد الرحمں ولدا
Jullie zijn gewis gekomen tot een enormiteit! Het scheelt weinig of de hemelen splijten ervan, de aarde scheurt en de bergen storten in puin – omdat zij de Alwelwillende een kind hebben toegeschreven.
لڡد حٮٮم سٮا ادا ٮكاد السموٮ ٮٮڡطرں مٮه وٮٮسٯ الارص وٮحر الحٮال هدا اں دعوا للرحمں ولدا
Het betaamt de Alwelwillende niet Zich een kind toe te schrijven.
وما ٮٮٮعى للرحمں اں ٮٮحد ولدا
Er is niemand, in de hemelen en op de aarde, die niet gehoorzamend tot de Alwelwillende komt.
اں كل مں ڡى السموٮ والارص الا اٮى الرحمں عٮدا
Hij heeft hen gewis opgeteld en geteld, één voor één.
لڡد احصٮهم وعدهم عدا
En ieder van hen zal tot Hem komen, op de Dag van het Verschijnen, alleen.
وكلهم اٮٮه ٮوم الڡٮمه ڡردا
Aan hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, zal de Alwelwillende gewis genegenheid verlenen.
اں الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ سٮحعل لهم الرحمں ودا
Wij hebben het slechts gemakkelijk gemaakt in jouw taal, opdat je er aan hen die zich behoeden het goede nieuws van aankondigt en je er een verbeten volk mee waarschuwt.
ڡاٮما ٮسرٮه ٮلساٮك لٮٮسر ٮه المٮڡٮں وٮٮدر ٮه ڡوما لدا
Hoeveel generaties hebben Wij vóór hen vernietigd! Neem je er één waar, of hoor je er het minste gemurmel van?
وكم اهلكٮا ڡٮلهم مں ڡرں هل ٮحس مٮهم مں احد او ٮسمع لهم ركرا