البقرة
Al-Baqara
Guidance for Those Who Guard Themselves
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Mim.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم الم
Dit is de Schrift: geen twijfel mogelijk,
دلك الكٮٮ لا رٮٮ
daarin, leiding voor hen die zich behoeden, hen die geloven ook al ontgaat het hun zintuigen, het Contact onderhouden, en uitgeven van datgene waarvan Wij hen voorzien hebben,
ڡٮه هدى للمٮڡٮں الدٮں ٮومٮوں ٮالعٮٮ وٮڡٮموں الصلوه ومما ررڡٮهم ٮٮڡڡوں
en zij die geloven in wat op jou neergedaald is en in wat vóór jou neergedaald is, en die de zekerheid van het laatste leven bezitten – dat zijn zij die op een leiding van hun Voogd zijn,
والدٮں ٮومٮوں ٮما اٮرل الٮك وما اٮرل مں ڡٮلك وٮالاحره هم ٮوڡٮوں اولٮك على هدى مں رٮهم
en dat zijn zij die slagen.
واولٮك هم المڡلحوں
Zij die verloochenen, gewis is het voor hen gelijk of jij hen waarschuwt of jij hen niet waarschuwt: zij geloven niet.
اں الدٮں كڡروا سوا علٮهم اٮدرٮهم ام لم ٮٮدرهم لا ٮومٮوں
God heeft hun kernen en hun gehoor verzegeld,
حٮم الله على ڡلوٮهم وعلى سمعهم
en op hun gezichtsvermogen, wat het overdekt;
وعلى اٮصرهم عسوه
en zij zullen een ontzaglijke pijn hebben.
ولهم عداٮ عطٮم
En onder de mensen zijn er die zeggen: “Wij geloven in God en in de Laatste Dag”, terwijl zij geen gelovenden zijn.
ومں الٮاس مں ٮڡول امٮا ٮالله وٮالٮوم الاحر وما هم ٮمومٮٮں
Zij trachten God en hen die geloofd hebben te misleiden,
ٮحدعوں الله والدٮں امٮوا
maar zij misleiden slechts zichzelf, zonder het te voelen.
وما ٮحدعوں الا اٮڡسهم وما ٮسعروں
Er is in hun kernen een ziekte,
ڡى ڡلوٮهم مرص
en God heeft hen in ziekte doen toenemen;
ڡرادهم الله مرصا
en zij zullen een schrijnende pijn hebben, omdat zij gelogen hebben.
ولهم عداٮ الٮم ٮما كاٮوا ٮكدٮوں
En wanneer men tot hen zegt: “Zaai geen bederf op de aarde”, zeggen zij: “Wij saneren slechts.”
وادا ڡٮل لهم لا ٮڡسدوا ڡى الارص ڡالوا اٮما ٮحں مصلحوں
Is het niet zo: zij zijn gewis de bedervers; maar zij voelen het niet.
الا اٮهم هم المڡسدوں ولكں لا ٮسعروں
En wanneer men tot hen zegt: “Geloof zoals de mensen geloofd hebben”, zeggen zij: “Zouden wij geloven zoals de dwazen geloofd hebben?”
وادا ڡٮل لهم امٮوا كما امں الٮاس ڡالوا اٮومں كما امں السڡها
Is het niet zo: zij zijn gewis de dwazen; maar zij weten het niet.
الا اٮهم هم السڡها ولكں لا ٮعلموں
En wanneer zij hen ontmoeten die geloofd hebben, zeggen zij: “Wij hebben geloofd”;
وادا لڡوا الدٮں امٮوا ڡالوا امٮا
en wanneer zij met hun afleiders alleen zijn, zeggen zij: “Wij zijn gewis met jullie, wij honen slechts.”
وادا حلوا الى سٮطٮٮهم ڡالوا اٮا معكم اٮما ٮحں مسٮهروں
God hoont hen, en laat hen hun mateloosheid verlengen, waarin zij rondtasten.
الله ٮسٮهرى ٮهم وٮمدهم ڡى طعٮٮهم ٮعمهوں
Dat zijn zij die de dwaling gekocht hebben tegen de prijs van de leiding; hun handel is dus niet winstgevend geweest, en zij lieten zich niet leiden.
اولٮك الدٮں اسٮروا الصلله ٮالهدى ڡما رٮحٮ ٮحرٮهم وما كاٮوا مهٮدٮں
Hun voorbeeld is dat van iemand die een vuur ontsteekt; wanneer hij beschenen heeft wat hem omgeeft,
مٮلهم كمٮل الدى اسٮوڡد ٮارا ڡلما اصاٮ ما حوله
neemt God hun licht weg en laat hen in duisternissen waarin zij niets meer helder zien.
دهٮ الله ٮٮورهم وٮركهم ڡى طلمٮ لا ٮٮصروں
Doof, stom, blind, zij keren dus niet terug.
صم ٮكم عمى ڡهم لا ٮرحعوں
Of als een stortregen uit de hemel, waarin duisternissen, donder en bliksem zijn:
او كصٮٮ مں السما ڡٮه طلمٮ ورعد وٮرٯ
zij steken hun vingers in hun oren, vanwege de bliksemschicht, op hun hoede voor de dood.
ٮحعلوں اصٮعهم ڡى اداٮهم مں الصوعٯ حدر الموٮ
God omsingelt hen die verloochenen volkomen.
والله محٮط ٮالكڡرٮں
De bliksem is op het punt hun gezichtsvermogen te ontrukken.
ٮكاد الٮرٯ ٮحطڡ اٮصرهم
Telkens wanneer hij hen beschijnt, lopen zij;
كلما اصا لهم مسوا ڡٮه
en zodra het over hen donker wordt, blijven zij roerloos staan.
وادا اطلم علٮهم ڡاموا
En indien het God behaagd had, zou Hij zeker hun gehoor en hun gezichtsvermogen hebben weggenomen,
ولو سا الله لدهٮ ٮسمعهم واٮصرهم
want God is tot alles in staat.
اں الله على كل سى ڡدٮر
O mensen! Gehoorzaam jullie Voogd, die jullie geschapen heeft, jullie en hen die jullie zijn voorgegaan, misschien zullen jullie je behoeden,
ٮاٮها الٮاس اعٮدوا رٮكم الدى حلڡكم والدٮں مں ڡٮلكم لعلكم ٮٮڡوں
Hij die voor jullie van de aarde een legerstede gemaakt heeft, en van de hemel een bouwsel, en die uit de hemel een water heeft doen neerdalen, waardoor Hij vruchten naar buiten heeft gebracht als leeftocht voor jullie.
الدى حعل لكم الارص ڡرسا والسما ٮٮا واٮرل مں السما ما ڡاحرح ٮه مں الٮمرٮ ررڡا لكم
Wijs dus aan God geen rivalen toe, terwijl jullie weten.
ڡلا ٮحعلوا لله اٮدادا واٮٮم ٮعلموں
En indien jullie twijfelen aan wat Wij op Onze gehoorzame hebben doen neerdalen, breng dan een soera bij die er soortgelijk aan is,
واں كٮٮم ڡى رٮٮ مما ٮرلٮا على عٮدٮا ڡاٮوا ٮسوره مں مٮله
en roep jullie getuigen, buiten God, indien jullie waarachtig zijn.
وادعوا سهداكم مں دوں الله اں كٮٮم صدڡٮں
Indien jullie het niet doen – en jullie zullen het nooit doen – behoed jullie dan voor het Vuur, waarvan de brandstof de mensen en de stenen zijn,
ڡاں لم ٮڡعلوا ولں ٮڡعلوا ڡاٮڡوا الٮار الٮى وڡودها الٮاس والححاره
bereid voor hen die verloochenen.
اعدٮ للكڡرٮں
En kondig hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht aan dat zij tuinen zullen hebben waaronder de rivieren stromen.
وٮسر الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ اں لهم حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر
Telkens wanneer zij daar van een vrucht als leeftocht voorzien worden, zeggen zij: “Dit is waarvan wij voorheen voorzien zijn”;
كلما ررڡوا مٮها مں ٮمره ررڡا ڡالوا هدا الدى ررڡٮا مں ڡٮل
en men brengt het hun, gelijkend.
واٮوا ٮه مٮسٮها
En zij zullen daar gereinigde echtgenoten hebben,
ولهم ڡٮها اروح مطهره
en zij blijven daar eeuwig.
وهم ڡٮها حلدوں
God voelt gewis geen schaamte om een voorbeeld te vermenigvuldigen, al is het dat van een mug of van nog meer.
اں الله لا ٮسٮحى اں ٮصرٮ مٮلا ما ٮعوصه ڡما ڡوڡها
Wat hen betreft die geloofd hebben, zij weten dat het de waarheid van hun Voogd is;
ڡاما الدٮں امٮوا ڡٮعلموں اٮه الحٯ مں رٮهم
en wat hen betreft die verloochenen, zij zeggen: “Wat heeft God met dit voorbeeld gewild?”
واما الدٮں كڡروا ڡٮڡولوں مادا اراد الله ٮهدا مٮلا
Hij doet daarmee velen dwalen, en leidt daarmee velen;
ٮصل ٮه كٮٮرا وٮهدى ٮه كٮٮرا
en Hij doet daarmee slechts de grensoverschrijders dwalen, zij die het pact van God verbreken na de plechtige verbintenis die eraan bindt, doorsnijden wat God bevolen heeft te verbinden, en bederf zaaien op de aarde.
وما ٮصل ٮه الا الڡسڡٮں الدٮں ٮٮڡصوں عهد الله مں ٮعد مٮٮڡه وٮڡطعوں ما امر الله ٮه اں ٮوصل وٮڡسدوں ڡى الارص
Dat zijn de verliezers.
اولٮك هم الحسروں
Hoe kunnen jullie God verloochenen, terwijl jullie dood waren en Hij jullie heeft doen leven; vervolgens zal Hij jullie doen sterven,
كٮڡ ٮكڡروں ٮالله وكٮٮم اموٮا ڡاحٮكم ٮم ٮمٮٮكم
vervolgens zal Hij jullie weer leven geven, vervolgens zal het tot Hem zijn dat jullie teruggebracht worden?
ٮم ٮحٮٮكم ٮم الٮه ٮرحعوں
Hij is het die voor jullie alles geschapen heeft wat op de aarde is,
هو الدى حلٯ لكم ما ڡى الارص حمٮعا
vervolgens richtte Hij Zich naar de hemel, en Hij heeft ze tot zeven hemelen vormgegeven;
ٮم اسٮوى الى السما ڡسوٮهں سٮع سموٮ
en Hij is Alwetend over alles.
وهو ٮكل سى علٮم
En toen jouw Voogd tot de Gemachtigden zei: “Ik ga op de aarde een opvolger plaatsen.”
واد ڡال رٮك للملٮكه اٮى حاعل ڡى الارص حلٮڡه
Zij zeiden: “Gaat U daar iemand plaatsen die er bederf zal zaaien en bloed zal vergieten, terwijl wij U glorifiëren door U te loven en Uw heiligheid afkondigen?”
ڡالوا اٮحعل ڡٮها مں ٮڡسد ڡٮها وٮسڡك الدما وٮحں ٮسٮح ٮحمدك وٮڡدس لك
Hij zei: “Ik weet gewis wat jullie niet weten.”
ڡال اٮى اعلم ما لا ٮعلموں
En Hij leerde Adam alle eigenschappen, vervolgens legde Hij ze aan de Gemachtigden voor, en zei: “Bericht Mij over de eigenschappen van dezen, indien jullie waarachtig zijn.”
وعلم ادم الاسما كلها ٮم عرصهم على الملٮكه ڡڡال اٮٮوٮى ٮاسما هولا اں كٮٮم صدڡٮں
Zij zeiden: “Glorie zij U! Wij hebben geen weten behalve wat U ons geleerd hebt; gewis bent U het, de Alwetende, de Wijze.”
ڡالوا سٮحٮك لا علم لٮا الا ما علمٮٮا اٮك اٮٮ العلٮم الحكٮم
Hij zei: “O Adam! Bericht hen over hun eigenschappen.”
ڡال ٮادم اٮٮٮهم ٮاسماٮهم
En toen hij hen over hun eigenschappen bericht had, zei Hij: “Heb Ik jullie niet gezegd dat Ik ken wat de zintuigen ontgaat in de hemelen en op de aarde, en dat Ik weet wat jullie zichtbaar maken en wat jullie verzwegen?”
ڡلما اٮٮاهم ٮاسماٮهم ڡال الم اڡل لكم اٮى اعلم عٮٮ السموٮ والارص واعلم ما ٮٮدوں وما كٮٮم ٮكٮموں
En toen Wij tot de Gemachtigden zeiden: “Werp jullie neer voor Adam”, wierpen zij zich neer,
واد ڡلٮا للملٮكه اسحدوا لادم ڡسحدوا
behalve Iblis: hij weigerde, zwol op van hoogmoed, en behoorde tot hen die verloochenen.
الا اٮلٮس اٮى واسٮكٮر وكاں مں الكڡرٮں
En Wij zeiden: “O Adam! Woon, jij en jouw echtgenoot, in de Tuin, en eet ervan, in alle gemak, waar het jullie zal behagen,
وڡلٮا ٮادم اسكں اٮٮ وروحك الحٮه وكلا مٮها رعدا حٮٮ سٮٮما
maar nader niet tot deze boom, anders zouden jullie tot de onrechtvaardigen behoren.”
ولا ٮڡرٮا هده السحره ڡٮكوٮا مں الطلمٮں
Maar de Afleider deed hen daaruit wegglijden, en deed hen uitgaan uit de toestand waarin zij zich bevonden;
ڡارلهما السٮطں عٮها ڡاحرحهما مما كاٮا ڡٮه
en Wij zeiden: “Daal neer,
وڡلٮا اهٮطوا
vijanden van elkaar,
ٮعصكم لٮعص عدو
en jullie zullen op de aarde een haven en een genieting voor een tijd hebben.”
ولكم ڡى الارص مسٮڡر ومٮع الى حٮں
Vervolgens ontving Adam van zijn Voogd woorden, en Hij keerde met mildheid tot hem terug,
ڡٮلڡى ادم مں رٮه كلمٮ ڡٮاٮ علٮه
want Hij is Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
اٮه هو الٮواٮ الرحٮم
Wij zeiden: “Daal ervan neer, allen tezamen;
ڡلٮا اهٮطوا مٮها حمٮعا
vervolgens, indien een leiding van Mijn kant tot jullie komt, wie Mijn leiding volgt – geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
ڡاما ٮاٮٮٮكم مٮى هدى ڡمں ٮٮع هداى ڡلا حوڡ علٮهم ولا هم ٮحرٮوں
En zij die verloochenen en Onze tekenen ontkennen – dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.”
والدٮں كڡروا وكدٮوا ٮاٮٮٮا اولٮك اصحٮ الٮار هم ڡٮها حلدوں
O zonen van Israël! Herinner jullie Mijn weldaad, waarmee Ik jullie overladen heb, en wees trouw aan Mijn pact, Ik zal trouw zijn aan dat van jullie; en Mij moeten jullie eerbiedigen.
ٮٮٮى اسرٮل ادكروا ٮعمٮى الٮى اٮعمٮ علٮكم واوڡوا ٮعهدى اوڡ ٮعهدكم واٮى ڡارهٮوں
En geloof in wat Ik heb doen neerdalen, bevestigend wat bij jullie is, en wees niet de eersten om het te verloochenen;
وامٮوا ٮما اٮرلٮ مصدڡا لما معكم ولا ٮكوٮوا اول كاڡر ٮه
en koop niet, met Mijn tekenen, een schamele prijs; en voor Mij moeten jullie je behoeden.
ولا ٮسٮروا ٮاٮٮى ٮمٮا ڡلٮلا واٮى ڡاٮڡوں
En bekleed de waarheid niet met het valse, en verzwijg de waarheid niet, terwijl jullie weten.
ولا ٮلٮسوا الحٯ ٮالٮطل وٮكٮموا الحٯ واٮٮم ٮعلموں
En onderhoud het Contact, en geef de zuivere vrijgevigheid,
واڡٮموا الصلوه واٮوا الركوه
en kniel met hen die knielen.
واركعوا مع الركعٮں
Bevelen jullie de mensen de deugd, jullie zelf vergetend, terwijl jullie de Schrift voordragen?
اٮامروں الٮاس ٮالٮر وٮٮسوں اٮڡسكم واٮٮم ٮٮلوں الكٮٮ
Redeneren jullie dan niet?
اڡلا ٮعڡلوں
En zoek bijstand in het geduld en het Contact:
واسٮعٮٮوا ٮالصٮر والصلوه
dat is voorzeker zwaar, behalve voor de nederigen, zij die vermoeden dat zij hun Voogd zullen ontmoeten, en dat het tot Hem is dat zij terugkeren.
واٮها لكٮٮره الا على الحسعٮں الدٮں ٮطٮوں اٮهم ملڡوا رٮهم واٮهم الٮه رحعوں
O zonen van Israël! Herinner jullie Mijn weldaad, waarmee Ik jullie overladen heb, en dat Ik jullie boven alle wezens bevoordeeld heb.
ٮٮٮى اسرٮل ادكروا ٮعمٮى الٮى اٮعمٮ علٮكم واٮى ڡصلٮكم على العلمٮں
En behoed jullie voor een dag waarop geen Zelf in iets de plaats van een ander Zelf zal innemen, waarop geen bemiddeling van hem aanvaard zal worden, waarop geen compensatie van hem genomen zal worden, en waarop zij niet geholpen zullen worden.
واٮڡوا ٮوما لا ٮحرى ٮڡس عں ٮڡس سٮا ولا ٮڡٮل مٮها سڡعه ولا ٮوحد مٮها عدل ولا هم ٮٮصروں
En toen Wij jullie redden van de clan van Fir'aun, die jullie de kwade pijn toebracht, jullie zonen slachtend en de eerbaarheid van jullie vrouwen aantastend –
واد ٮحٮٮكم مں ال ڡرعوں ٮسوموٮكم سو العداٮ ٮدٮحوں اٮٮاكم وٮسٮحٮوں ٮساكم
en daar was, van jullie Voogd, wat ontzaglijk beproeft.
وڡى دلكم ٮلا مں رٮكم عطٮم
En toen Wij voor jullie de zee spleten, en jullie redden, en de clan van Fir'aun lieten verdrinken, terwijl jullie keken.
واد ڡرڡٮا ٮكم الٮحر ڡاٮحٮٮكم واعرڡٮا ال ڡرعوں واٮٮم ٮٮطروں
En toen Wij een afspraak met Moesa vaststelden voor veertig nachten; vervolgens hebben jullie het kalf genomen, na hem, en jullie waren onrechtvaardig.
واد وعدٮا موسى ارٮعٮں لٮله ٮم اٮحدٮم العحل مں ٮعده واٮٮم طلموں
Vervolgens hebben Wij het jullie kwijtgescholden, hierna, misschien zouden jullie dankbaar zijn.
ٮم عڡوٮا عٮكم مں ٮعد دلك لعلكم ٮسكروں
En toen Wij aan Moesa de Schrift gaven
واد اٮٮٮا موسى الكٮٮ
en het Onderscheid, misschien zouden jullie je laten leiden.
والڡرڡاں لعلكم ٮهٮدوں
En toen Moesa tot zijn volk zei: “O mijn volk! Jullie hebben gewis onrecht gedaan aan jullie zelf door het kalf te nemen; keer dus terug tot Hem die jullie het bestaan gegeven heeft, en dood elkaar,
واد ڡال موسى لڡومه ٮڡوم اٮكم طلمٮم اٮڡسكم ٮاٮحادكم العحل ڡٮوٮوا الى ٮارٮكم ڡاڡٮلوا اٮڡسكم
dat is beter voor jullie bij Hem die jullie het bestaan gegeven heeft.”
دلكم حٮر لكم عٮد ٮارٮكم
Toen keerde Hij met mildheid tot jullie terug,
ڡٮاٮ علٮكم
want Hij is Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
اٮه هو الٮواٮ الرحٮم
En toen jullie zeiden: “O Moesa! Wij zullen jou geen krediet verlenen zolang wij God niet openlijk zien”; toen greep de bliksemschicht jullie, terwijl jullie keken.
واد ڡلٮم ٮموسى لں ٮومں لك حٮى ٮرى الله حهره ڡاحدٮكم الصعڡه واٮٮم ٮٮطروں
Vervolgens hebben Wij jullie opgewekt na jullie dood, misschien zouden jullie dankbaar zijn.
ٮم ٮعٮٮكم مں ٮعد موٮكم لعلكم ٮسكروں
En Wij hebben de schaduw van de wolk over jullie uitgespreid, en de manna en de kwartels op jullie doen neerdalen:
وطللٮا علٮكم العمام واٮرلٮا علٮكم المں والسلوى
“Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie voorzien hebben” –
كلوا مں طٮٮٮ ما ررڡٮكم
zij hebben geen onrecht aan Ons gedaan, maar het was aan zichzelf dat zij onrecht deden.
وما طلموٮا ولكں كاٮوا اٮڡسهم ٮطلموں
En toen Wij zeiden: “Treed binnen in deze stad, eet ervan waar het jullie behaagt, in alle gemak, treed binnen door de poort, jullie neerwerpend, en zeg: Ontlast ons – Wij zullen jullie jullie fouten vergeven,
واد ڡلٮا ادحلوا هده الڡرٮه ڡكلوا مٮها حٮٮ سٮٮم رعدا وادحلوا الٮاٮ سحدا وڡولوا حطه ٮعڡر لكم حطٮكم
en Wij zullen meer geven aan hen die het goede doen.”
وسٮرٮد المحسٮٮں
Maar zij die onrechtvaardig waren stelden een andere uitspraak in de plaats van die welke tot hen gezegd was; Wij deden toen op hen die onrechtvaardig geweest waren een bezoedeling uit de hemel neerdalen, omdat zij de grenzen overschreden hadden.
ڡٮدل الدٮں طلموا ڡولا عٮر الدى ڡٮل لهم ڡاٮرلٮا على الدٮں طلموا رحرا مں السما ٮما كاٮوا ٮڡسڡوں
En toen Moesa iets vroeg om zijn volk te laven; zeiden Wij: “Sla de rots met jouw staf”;
واد اسٮسڡى موسى لڡومه ڡڡلٮا اصرٮ ٮعصاك الححر
en zie: twaalf bronnen ontsprongen eraan:
ڡاٮڡحرٮ مٮه اٮٮٮا عسره عٮٮا
elke groep mensen kende haar drinkplaats.
ڡد علم كل اٮاس مسرٮهم
Eet en drink van de leeftocht van God,
كلوا واسرٮوا مں ررٯ الله
en zaai geen wanorde op de aarde als bedervers.
ولا ٮعٮوا ڡى الارص مڡسدٮں
En toen jullie zeiden: “O Moesa! Wij zullen nooit geduld kunnen hebben met één enkel voedsel; roep dus voor ons jouw Voogd aan, dat Hij voor ons doe uitgaan van wat de aarde doet groeien, van haar groenten, van haar komkommers, van haar knoflook, van haar linzen, en van haar uien.”
واد ڡلٮم ٮموسى لں ٮصٮر على طعام وحد ڡادع لٮا رٮك ٮحرح لٮا مما ٮٮٮٮ الارص مں ٮڡلها وڡٮاٮها وڡومها وعدسها وٮصلها
Hij zei: “Zouden jullie willen nemen wat onmiddellijk is in ruil voor wat beter is?
ڡال اٮسٮٮدلوں الدى هو ادٮى ٮالدى هو حٮر
Daal dus neer naar Egypte, want jullie zullen daar vinden wat jullie gevraagd hebben.”
اهٮطوا مصرا ڡاں لكم ما سالٮم
En de vernedering en de behoeftigheid werden op hen aangeplakt, en zij liepen de woede van God op.
وصرٮٮ علٮهم الدله والمسكٮه وٮاو ٮعصٮ مں الله
Dat is omdat zij de tekenen van God verloochenden, en de berichtgevers zonder recht doodden.
دلك ٮاٮهم كاٮوا ٮكڡروں ٮاٮٮ الله وٮڡٮلوں الٮٮٮں ٮعٮر الحٯ
Dat is omdat zij ongehoorzaam zijn geweest en de grenzen overschreden hebben.
دلك ٮما عصوا وكاٮوا ٮعٮدوں
Gewis, zij die geloofd hebben, de Geheroriënteerden, de Helpers en de Aspiranten – wie in God en in de Laatste Dag geloofd heeft, en het deugdelijke werk heeft verricht, hun beloning komt hun toe bij hun Voogd, geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
اں الدٮں امٮوا والدٮں هادوا والٮصرى والصٮٮں مں امں ٮالله والٮوم الاحر وعمل صلحا ڡلهم احرهم عٮد رٮهم ولا حوڡ علٮهم ولا هم ٮحرٮوں
En toen Wij jullie plechtige verbintenis namen, en de Berg boven jullie ophieven:
واد احدٮا مٮٮڡكم ورڡعٮا ڡوڡكم الطور
“Neem met kracht aan wat Wij jullie gegeven hebben, en herinner jullie wat zich daarin bevindt, misschien zullen jullie je behoeden.”
حدوا ما اٮٮٮكم ٮڡوه وادكروا ما ڡٮه لعلكم ٮٮڡوں
Vervolgens hebben jullie hierna de rug toegekeerd;
ٮم ٮولٮٮم مں ٮعد دلك
en zonder de gunst van God over jullie en Zijn welwillendheid, zouden jullie tot de verliezers hebben behoord.
ڡلولا ڡصل الله علٮكم ورحمٮه لكٮٮم مں الحسرٮں
Jullie hebben gewis degenen onder jullie gekend die de grenzen overschreden hebben ten aanzien van de Rust; Wij zeiden toen tot hen: “Wees teruggedrongen apen.”
ولڡد علمٮم الدٮں اعٮدوا مٮكم ڡى السٮٮ ڡڡلٮا لهم كوٮوا ڡرده حسٮں
Wij hebben daar een ontradend voorbeeld van gemaakt voor wat eraan voorafging en wat erop volgde, en een aansporing voor hen die zich behoeden.
ڡحعلٮها ٮكلا لما ٮٮں ٮدٮها وما حلڡها وموعطه للمٮڡٮں
En toen Moesa tot zijn volk zei: “God beveelt jullie een koe te slachten.”
واد ڡال موسى لڡومه اں الله ٮامركم اں ٮدٮحوا ٮڡره
Zij zeiden: “Neem jij ons tot voorwerp van hoon?”
ڡالوا اٮٮحدٮا هروا
Hij zei: “Ik stel mij onder de egide van God om niet tot de onwetenden te behoren.”
ڡال اعود ٮالله اں اكوں مں الحهلٮں
Zij zeiden: “Roep voor ons jouw Voogd aan, dat Hij ons nader aanduidt wat zij is.”
ڡالوا ادع لٮا رٮك ٮٮٮں لٮا ما هى
Hij zei: “Hij zegt dat zij een koe is, niet oud en niet maagdelijk,
ڡال اٮه ٮڡول اٮها ٮڡره لا ڡارص ولا ٮكر
van middelbare leeftijd tussen de twee;
عواں ٮٮں دلك
doe dus wat jullie bevolen is.”
ڡاڡعلوا ما ٮومروں
Zij zeiden: “Roep voor ons jouw Voogd aan, dat Hij ons haar kleur nader aanduidt.”
ڡالوا ادع لٮا رٮك ٮٮٮں لٮا ما لوٮها
Hij zei: “Hij zegt dat zij een gele koe is, van een felle kleur,
ڡال اٮه ٮڡول اٮها ٮڡره صڡرا ڡاڡع لوٮها
die de blikken verrukt.”
ٮسر الٮطرٮں
Zij zeiden: “Roep voor ons jouw Voogd aan, dat Hij ons nader aanduidt wat zij is: de koeien lijken in onze ogen allemaal op elkaar, en wij zullen voorzeker, indien het God behaagt, behoren tot hen die zich laten leiden.”
ڡالوا ادع لٮا رٮك ٮٮٮں لٮا ما هى اں الٮڡر ٮسٮه علٮٮا واٮا اں سا الله لمهٮدوں
Hij zei: “Hij zegt dat zij een koe is die niet gedwee gemaakt is om de aarde op te lichten, noch om het geploegde land te irrigeren,
ڡال اٮه ٮڡول اٮها ٮڡره لا دلول ٮٮٮر الارص ولا ٮسڡى الحرٮ
ongedeerd, zonder enige vlek.”
مسلمه لا سٮه ڡٮها
Zij zeiden: “Nu breng jij de waarheid bij.”
ڡالوا الں حٮٮ ٮالحٯ
Zij slachtten haar toen, nadat zij het bijna niet hadden gedaan.
ڡدٮحوها وما كادوا ٮڡعلوں
En toen jullie een Zelf doodden, en jullie het over en weer op elkaar afschoven met betrekking tot hem –
واد ڡٮلٮم ٮڡسا ڡادرٮم ڡٮها
terwijl God op het punt stond naar buiten te brengen wat jullie verzwegen.
والله محرح ما كٮٮم ٮكٮموں
Wij zeiden toen: “Sla hem met een deel van haar”;
ڡڡلٮا اصرٮوه ٮٮعصها
zo geeft God de doden weer leven, en toont Hij jullie Zijn tekenen, misschien zullen jullie redeneren.
كدلك ٮحى الله الموٮى وٮرٮكم اٮٮه لعلكم ٮعڡلوں
Vervolgens zijn jullie kernen hierna verhard, zodat zij zijn als de steen, of nog harder.
ٮم ڡسٮ ڡلوٮكم مں ٮعد دلك ڡهى كالححاره او اسد ڡسوه
En er zijn voorzeker, onder de stenen, sommige waaruit de rivieren ontspringen;
واں مں الححاره لما ٮٮڡحر مٮه الاٮهر
en er zijn voorzeker, onder hen, sommige die splijten, en er komt water uit;
واں مٮها لما ٮسڡٯ ڡٮحرح مٮه الما
en er zijn voorzeker, onder hen, sommige die neerdalen, God duchtend.
واں مٮها لما ٮهٮط مں حسٮه الله
En God is niet onbekommerd over wat jullie doen.
وما الله ٮعڡل عما ٮعملوں
Begeren jullie dus dat zij jullie krediet verlenen, terwijl een fractie van hen het woord van God hoorde, en het vervolgens verwrong, nadat zij er haar rede op had toegepast, al wetend?
اڡٮطمعوں اں ٮومٮوا لكم وڡد كاں ڡرٮٯ مٮهم ٮسمعوں كلم الله ٮم ٮحرڡوٮه مں ٮعد ما عڡلوه وهم ٮعلموں
En wanneer zij hen ontmoeten die geloofd hebben, zeggen zij: “Wij hebben geloofd”;
وادا لڡوا الدٮں امٮوا ڡالوا امٮا
en wanneer zij onder elkaar alleen zijn, zeggen zij: “Zullen jullie hun mededelen wat God jullie geopend heeft, opdat zij daarover met jullie een geschil voeren bij jullie Voogd?”
وادا حلا ٮعصهم الى ٮعص ڡالوا اٮحدٮوٮهم ٮما ڡٮح الله علٮكم لٮحاحوكم ٮه عٮد رٮكم
Redeneren jullie dan niet?
اڡلا ٮعڡلوں
Weten zij dan niet dat God weet wat zij geheimhouden en wat zij bekendmaken?
اولا ٮعلموں اں الله ٮعلم ما ٮسروں وما ٮعلٮوں
En onder hen zijn er lieden zonder voorafgaande Schrift, die de Schrift slechts kennen door ijdele wensen,
ومٮهم امٮوں لا ٮعلموں الكٮٮ الا اماٮى
en die slechts vermoeden.
واں هم الا ٮطٮوں
Wee dus hen die de Schrift met hun handen schrijven, en dan zeggen: “Dit komt van God”, om daarmee een schamele prijs te kopen!
ڡوٮل للدٮں ٮكٮٮوں الكٮٮ ٮاٮدٮهم ٮم ٮڡولوں هدا مں عٮد الله لٮسٮروا ٮه ٮمٮا ڡلٮلا
Wee hen voor wat hun handen geschreven hebben,
ڡوٮل لهم مما كٮٮٮ اٮدٮهم
en wee hen voor wat zij verwerven!
ووٮل لهم مما ٮكسٮوں
En zij hebben gezegd: “Het Vuur zal ons slechts aanraken gedurende getelde dagen.”
وڡالوا لں ٮمسٮا الٮار الا اٮاما معدوده
Zeg: “Hebben jullie een pact bij God genomen – God schiet nooit tekort ten aanzien van Zijn pact –,
ڡل اٮحدٮم عٮد الله عهدا ڡلں ٮحلڡ الله عهده
of zeggen jullie over God wat jullie niet weten?”
ام ٮڡولوں على الله ما لا ٮعلموں
Maar jawel: wie een kwade daad verwerft, en zijn fout hem omsingelt – dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
ٮلى مں كسٮ سٮٮه واحطٮ ٮه حطٮٮه ڡاولٮك اصحٮ الٮار هم ڡٮها حلدوں
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht – dat zijn de metgezellen van de Tuin, zij blijven daar eeuwig.
والدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ اولٮك اصحٮ الحٮه هم ڡٮها حلدوں
En toen Wij de plechtige verbintenis van de zonen van Israël namen: “Jullie zullen slechts God gehoorzamen,
واد احدٮا مٮٮٯ ٮٮى اسرٮل لا ٮعٮدوں الا الله
en weldadigheid jegens de beide ouders, de verwanten, de weeskinderen en de behoeftigen;
وٮالولدٮں احساٮا ودى الڡرٮى والٮٮمى والمسكٮں
en zeg tot de mensen wat schoon is;
وڡولوا للٮاس حسٮا
en onderhoud het Contact, en geef de zuivere vrijgevigheid”;
واڡٮموا الصلوه واٮوا الركوه
vervolgens hebben jullie de rug toegekeerd, behalve weinigen van jullie, jullie onttrekkend.
ٮم ٮولٮٮم الا ڡلٮلا مٮكم واٮٮم معرصوں
En toen Wij jullie plechtige verbintenis namen: “Jullie zullen jullie bloed niet storten, en jullie niet uit jullie woningen verdrijven”; vervolgens hebben jullie het erkend, en jullie zijn er getuigen van.
واد احدٮا مٮٮڡكم لا ٮسڡكوں دماكم ولا ٮحرحوں اٮڡسكم مں دٮركم ٮم اڡررٮم واٮٮم ٮسهدوں
Vervolgens, daar zijn jullie dan toch, elkaar doodend, en een fractie van jullie eigen lieden uit hun woningen verdrijvend, elkaar tegen hen steunend in de overtreding en de vijandigheid;
ٮم اٮٮم هولا ٮڡٮلوں اٮڡسكم وٮحرحوں ڡرٮڡا مٮكم مں دٮرهم ٮطهروں علٮهم ٮالاٮم والعدوں
en indien zij als gevangenen bij jullie aankomen, wisselen jullie hen uit, terwijl hun verdrijving jullie ontzegd was.
واں ٮاٮوكم اسرى ٮڡدوهم وهو محرم علٮكم احراحهم
Geloven jullie dus in een deel van de Schrift, en verloochenen jullie een ander deel?
اڡٮومٮوں ٮٮعص الكٮٮ وٮكڡروں ٮٮعص
Wat is dus de vergelding van hem onder jullie die zo handelt, behalve de schande in het leven hienieden?
ڡما حرا مں ٮڡعل دلك مٮكم الا حرى ڡى الحٮوه الدٮٮا
En op de Dag van het Verschijnen zullen zij teruggebracht worden naar de strengste pijn.
وٮوم الڡٮمه ٮردوں الى اسد العداٮ
En God is niet onbekommerd over wat zij doen.
وما الله ٮعڡل عما ٮعملوں
Dat zijn zij die het leven hienieden gekocht hebben tegen de prijs van het laatste leven; de pijn zal hun dus niet verlicht worden, en zij zullen niet geholpen worden.
اولٮك الدٮں اسٮروا الحٮوه الدٮٮا ٮالاحره ڡلا ٮحڡڡ عٮهم العداٮ ولا هم ٮٮصروں
Wij hebben gewis aan Moesa de Schrift gegeven, en Wij hebben na hem de gezanten laten volgen.
ولڡد اٮٮٮا موسى الكٮٮ وڡڡٮٮا مں ٮعده ٮالرسل
En Wij hebben aan Isa, zoon van Marjam, de duidelijke bewijzen gegeven, en Wij hebben hem versterkt door de heilige Toestroom.
واٮٮٮا عٮسى اٮں مرٮم الٮٮٮٮ واٮدٮه ٮروح الڡدس
Telkens wanneer een gezant tot jullie gekomen is met datgene waartoe jullie eigen Zelven niet neigden, zijn jullie dan niet opgezwollen van hoogmoed?
اڡكلما حاكم رسول ٮما لا ٮهوى اٮڡسكم اسٮكٮرٮم
Jullie hebben er een fractie van ontkend, en jullie doden een andere.
ڡڡرٮڡا كدٮٮم وڡرٮڡا ٮڡٮلوں
En zij hebben gezegd: “Onze kernen zijn omhuld”;
وڡالوا ڡلوٮٮا علڡ
nee, God heeft hen vervloekt vanwege hun verloochening, en zij geloven slechts weinig.
ٮل لعٮهم الله ٮكڡرهم ڡڡلٮلا ما ٮومٮوں
En toen een geschrift van God tot hen kwam, bevestigend wat bij hen is – terwijl zij voorheen om de opening vroegen tegen hen die verloochenden –,
ولما حاهم كٮٮ مں عٮد الله مصدٯ لما معهم وكاٮوا مں ڡٮل ٮسٮڡٮحوں على الدٮں كڡروا
toen dan tot hen kwam wat zij herkenden, verloochenden zij het.
ڡلما حاهم ما عرڡوا كڡروا ٮه
De vervloeking van God is dus over hen die verloochenen.
ڡلعٮه الله على الكڡرٮں
Hoe afschuwelijk is datgene waarmee zij hun eigen Zelf gekocht hebben: verloochenen wat God heeft doen neerdalen, uit afpersing, omdat God van Zijn gunst doet neerdalen op wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen!
ٮٮسما اسٮروا ٮه اٮڡسهم اں ٮكڡروا ٮما اٮرل الله ٮعٮا اں ٮٮرل الله مں ڡصله على مں ٮسا مں عٮاده
Zij hebben dus woede op woede opgelopen.
ڡٮاو ٮعصٮ على عصٮ
En voor hen die verloochenen, een verlagende pijn.
وللكڡرٮں عداٮ مهٮں
En wanneer men tot hen zegt: “Geloof in wat God heeft doen neerdalen”, zeggen zij: “Wij geloven in wat op ons is neergedaald”; en zij verloochenen wat daarachter ligt,
وادا ڡٮل لهم امٮوا ٮما اٮرل الله ڡالوا ٮومں ٮما اٮرل علٮٮا وٮكڡروں ٮما وراه
en het is de waarheid, bevestigend wat bij hen is.
وهو الحٯ مصدڡا لما معهم
Zeg: “Waarom hebben jullie dan de berichtgevers van God voorheen gedood, indien jullie gelovenden waren?”
ڡل ڡلم ٮڡٮلوں اٮٮٮا الله مں ڡٮل اں كٮٮم مومٮٮں
Moesa is gewis tot jullie gekomen met de duidelijke bewijzen; vervolgens hebben jullie het kalf genomen, na hem, en jullie waren onrechtvaardig.
ولڡد حاكم موسى ٮالٮٮٮٮ ٮم اٮحدٮم العحل مں ٮعده واٮٮم طلموں
En toen Wij jullie plechtige verbintenis namen, en de Berg boven jullie ophieven:
واد احدٮا مٮٮڡكم ورڡعٮا ڡوڡكم الطور
“Neem met kracht aan wat Wij jullie gegeven hebben, en luister.”
حدوا ما اٮٮٮكم ٮڡوه واسمعوا
Zij zeiden: “Wij hebben gehoord en zijn ongehoorzaam geweest”;
ڡالوا سمعٮا وعصٮٮا
en men deed hun kernen het kalf drinken, vanwege hun verloochening.
واسرٮوا ڡى ڡلوٮهم العحل ٮكڡرهم
Zeg: “Hoe afschuwelijk is wat jullie geloof jullie beveelt, indien jullie gelovenden zijn!”
ڡل ٮٮسما ٮامركم ٮه اٮمٮكم اں كٮٮم مومٮٮں
Zeg: “Indien het laatste verblijf, bij God, uitsluitend aan jullie toebehoort, met uitsluiting van de mensen, wens dan de dood, indien jullie waarachtig zijn.”
ڡل اں كاٮٮ لكم الدار الاحره عٮد الله حالصه مں دوں الٮاس ڡٮمٮوا الموٮ اں كٮٮم صدڡٮں
Maar zij zullen die nooit wensen, vanwege wat hun handen vooruitgestuurd hebben.
ولں ٮٮمٮوه اٮدا ٮما ڡدمٮ اٮدٮهم
En God is Alwetend over de onrechtvaardigen.
والله علٮم ٮالطلمٮں
En je zult hen voorzeker vinden, van alle mensen, als degenen die het meest aan het leven hechten,
ولٮحدٮهم احرص الٮاس على حٮوه
zelfs meer dan zij die geassocieerd hebben; een van hen zou duizend jaar willen leven,
ومں الدٮں اسركوا ٮود احدهم لو ٮعمر الڡ سٮه
maar dat zou hem in niets van de pijn ontheffen, ook al leefde hij zo lang.
وما هو ٮمرحرحه مں العداٮ اں ٮعمر
God is Alziend over wat zij doen.
والله ٮصٮر ٮما ٮعملوں
Zeg: “Wie een vijand is van Djibril, laat hij weten dat hij het is die het op jouw kern heeft doen neerdalen, met de toestemming van God, bevestigend wat eraan voorafgaat, en als leiding en gelukkige aankondiging voor de gelovenden.”
ڡل مں كاں عدوا لحٮرٮل ڡاٮه ٮرله على ڡلٮك ٮادں الله مصدڡا لما ٮٮں ٮدٮه وهدى وٮسرى للمومٮٮں
Wie een vijand is van God, van Zijn Gemachtigden, van Zijn gezanten, van Djibril en van Mikal, laat hij weten dat God gewis de vijand is van hen die verloochenen.
مں كاں عدوا لله وملٮكٮه ورسله وحٮرٮل ومٮكٮل ڡاں الله عدو للكڡرٮں
Wij hebben gewis duidelijke tekenen naar jou toe doen neerdalen,
ولڡد اٮرلٮا الٮك اٮٮ ٮٮٮٮ
en alleen de grensoverschrijders verloochenen ze.
وما ٮكڡر ٮها الا الڡسڡوں
Is het zo dat, telkens wanneer zij een pact sluiten, een fractie van hen het verwerpt?
اوكلما عهدوا عهدا ٮٮده ڡرٮٯ مٮهم
De meesten van hen geloven veeleer niet.
ٮل اكٮرهم لا ٮومٮوں
En toen een gezant van God tot hen kwam, bevestigend wat bij hen is, heeft een fractie van hen aan wie de Schrift gegeven is de Schrift van God achter hun rug verworpen, alsof zij het niet wisten.
ولما حاهم رسول مں عٮد الله مصدٯ لما معهم ٮٮد ڡرٮٯ مں الدٮں اوٮوا الكٮٮ كٮٮ الله ورا طهورهم كاٮهم لا ٮعلموں
En zij hebben gevolgd wat de Afleiders voordroegen over het koningschap van Soelaiman.
واٮٮعوا ما ٮٮلوا السٮطٮں على ملك سلٮمں
Maar Soelaiman heeft nooit verloochend,
وما كڡر سلٮمں
maar het zijn de Afleiders die verloochend hebben, de mensen de begoocheling lerend, evenals wat op de twee koningen te Babel neergedaald is, Haroet en Maroet;
ولكں السٮطٮں كڡروا ٮعلموں الٮاس السحر وما اٮرل على الملكٮں ٮٮاٮل هروٮ ومروٮ
en die twee leerden niemand iets zonder eerst te zeggen: “Wij zijn slechts een beproeving, verloochen dus niet.”
وما ٮعلماں مں احد حٮى ٮڡولا اٮما ٮحں ڡٮٮه ڡلا ٮكڡر
Zij leerden er dan van aan wat zij gebruiken om de mens van zijn echtgenoot te scheiden;
ڡٮٮعلموں مٮهما ما ٮڡرڡوں ٮه ٮٮں المر وروحه
maar zij schaden daarmee niemand, behalve met de toestemming van God.
وما هم ٮصارٮں ٮه مں احد الا ٮادں الله
En zij leren aan wat hun schaadt en hun niet baat.
وٮٮعلموں ما ٮصرهم ولا ٮٮڡعهم
Zij wisten gewis dat wie het kocht, in het laatste leven geen enkel lot zou hebben.
ولڡد علموا لمں اسٮرٮه ما له ڡى الاحره مں حلٯ
En hoe afschuwelijk is datgene waartegen zij hun eigen Zelf verkocht hebben, indien zij het geweten hadden!
ولٮٮس ما سروا ٮه اٮڡسهم لو كاٮوا ٮعلموں
En indien zij geloofd hadden en zich behoed hadden, zou een tegenprestatie van God gewis beter zijn geweest, indien zij het geweten hadden.
ولو اٮهم امٮوا واٮڡوا لمٮوٮه مں عٮد الله حٮر لو كاٮوا ٮعلموں
O jullie die geloofd hebben! Zeg niet “Veracht ons”, maar zeg “Kijk naar ons”, en luister.
ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮڡولوا رعٮا وڡولوا اٮطرٮا واسمعوا
En voor hen die verloochenen, een schrijnende pijn.
وللكڡرٮں عداٮ الٮم
Zij die verloochenen, onder de lieden van de Schrift, en de associeerders zouden niet willen dat enig goed op jullie neerdaalt van jullie Voogd;
ما ٮود الدٮں كڡروا مں اهل الكٮٮ ولا المسركٮں اں ٮٮرل علٮكم مں حٮر مں رٮكم
maar God behoudt Zijn welwillendheid voor wie het Hem behaagt.
والله ٮحٮص ٮرحمٮه مں ٮسا
En God bezit de ontzaglijke gunst.
والله دو الڡصل العطٮم
Welk teken Wij ook overschrijven, of doen vergeten, Wij brengen er een beter bij, of een soortgelijk.
ما ٮٮسح مں اٮه او ٮٮسها ٮاٮ ٮحٮر مٮها او مٮلها
Weet jij niet dat God in staat is tot alles?
الم ٮعلم اں الله على كل سى ڡدٮر
Weet jij niet dat aan God het koningschap van de hemelen en de aarde toebehoort, en dat jullie, buiten God, noch verantwoordelijke noch hulp hebben?
الم ٮعلم اں الله له ملك السموٮ والارص وما لكم مں دوں الله مں ولى ولا ٮصٮر
Of zouden jullie jullie gezant willen ondervragen zoals Moesa voorheen ondervraagd werd?
ام ٮرٮدوں اں ٮسلوا رسولكم كما سٮل موسى مں ڡٮل
En wie de verloochening in de plaats stelt van het geloof, heeft gedwaald van de rechte weg.
ومں ٮٮٮدل الكڡر ٮالاٮمں ڡڡد صل سوا السٮٮل
Velen, onder de lieden van de Schrift, zouden jullie, na jullie geloof, willen terugbrengen tot een verloochening,
ود كٮٮر مں اهل الكٮٮ لو ٮردوٮكم مں ٮعد اٮمٮكم كڡارا
uit afgunst, van hun eigen kant, nadat de waarheid hun duidelijk geworden is.
حسدا مں عٮد اٮڡسهم مں ٮعد ما ٮٮٮں لهم الحٯ
Scheld het dus kwijt en sla de bladzijde om, totdat God Zijn bevel doet komen,
ڡاعڡوا واصڡحوا حٮى ٮاٮى الله ٮامره
want God is tot alles in staat.
اں الله على كل سى ڡدٮر
En onderhoud het Contact, en geef de zuivere vrijgevigheid.
واڡٮموا الصلوه واٮوا الركوه
En alle goed dat jullie voor jullie zelf vooruitsturen, zullen jullie bij God terugvinden,
وما ٮڡدموا لاٮڡسكم مں حٮر ٮحدوه عٮد الله
want God is Alziend over wat jullie doen.
اں الله ٮما ٮعملوں ٮصٮر
En zij hebben gezegd: “Niemand zal de Tuin binnengaan, behalve wie tot de Geheroriënteerden of de Helpers behoort.”
وڡالوا لں ٮدحل الحٮه الا مں كاں هودا او ٮصرى
Dat zijn hun ijdele wensen.
ٮلك اماٮٮهم
Zeg: “Breng jullie bewijsvoering bij, indien jullie waarachtig zijn.”
ڡل هاٮوا ٮرهٮكم اں كٮٮم صدڡٮں
Maar jawel: wie zijn richting tegenover God integer maakt, terwijl hij het goede doet, heeft zijn beloning bij zijn Voogd; geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
ٮلى مں اسلم وحهه لله وهو محسں ڡله احره عٮد رٮه ولا حوڡ علٮهم ولا هم ٮحرٮوں
En de Geheroriënteerden hebben gezegd: “De Helpers berusten op niets”; en de Helpers hebben gezegd: “De Geheroriënteerden berusten op niets”; terwijl zij de Schrift voordragen.
وڡالٮ الٮهود لٮسٮ الٮصرى على سى وڡالٮ الٮصرى لٮسٮ الٮهود على سى وهم ٮٮلوں الكٮٮ
Zo hebben gezegd zij die niet weten, een uitspraak houdend soortgelijk aan de hunne.
كدلك ڡال الدٮں لا ٮعلموں مٮل ڡولهم
God zal tussen hen oordelen, op de Dag van het Verschijnen, over datgene waarin zij uiteenliepen.
ڡالله ٮحكم ٮٮٮهم ٮوم الڡٮمه ڡٮما كاٮوا ڡٮه ٮحٮلڡوں
En wie is dan onrechtvaardiger dan hij die verhindert dat, in de plaatsen van neerwerping van God, Zijn naam in herinnering gebracht wordt, en zich inspant voor hun ontmanteling?
ومں اطلم ممں مٮع مسحد الله اں ٮدكر ڡٮها اسمه وسعى ڡى حراٮها
Dezen zouden daar slechts vreesachtig binnen moeten treden.
اولٮك ما كاں لهم اں ٮدحلوها الا حاٮڡٮں
Zij hebben, hienieden, een schande,
لهم ڡى الدٮٮا حرى
en zij zullen, in het laatste leven, een ontzaglijke pijn hebben.
ولهم ڡى الاحره عداٮ عطٮم
En aan God behoren de opgang en de ondergang toe:
ولله المسرٯ والمعرٮ
waarheen jullie je ook wenden, daar is de richting van God,
ڡاٮٮما ٮولوا ڡٮم وحه الله
want God is Veelomvattend, Alwetend.
اں الله وسع علٮم
En zij hebben gezegd: “God heeft Zich een kind toegeschreven.”
وڡالوا اٮحد الله ولدا
Glorie zij Hem!
سٮحٮه
Aan Hem behoort veeleer toe wat in de hemelen en op de aarde is;
ٮل له ما ڡى السموٮ والارص
allen zijn Hem toegewijd.
كل له ڡٮٮوں
Schepper zonder precedent van de hemelen en de aarde.
ٮدٮع السموٮ والارص
Wanneer Hij iets decreteert, zegt Hij er slechts tegen: “Wees”,
وادا ڡصى امرا ڡاٮما ٮڡول له كں
en het is.
ڡٮكوں
En zij die niet weten hebben gezegd: “Waarom spreekt God niet tot ons, of waarom komt een teken niet tot ons!”
وڡال الدٮں لا ٮعلموں لولا ٮكلمٮا الله او ٮاٮٮٮا اٮه
Zo hebben zij die vóór hen waren gezegd, een uitspraak houdend soortgelijk aan de hunne;
كدلك ڡال الدٮں مں ڡٮلهم مٮل ڡولهم
hun kernen lijken op elkaar.
ٮسٮهٮ ڡلوٮهم
Wij hebben de tekenen duidelijk gemaakt voor een volk dat de zekerheid heeft.
ڡد ٮٮٮا الاٮٮ لڡوم ٮوڡٮوں
Wij hebben jou gezonden, in alle waarheid, als aankondiger en waarschuwer,
اٮا ارسلٮك ٮالحٯ ٮسٮرا وٮدٮرا
en jij zult niet ondervraagd worden over de metgezellen van de Gloeioven.
ولا ٮسل عں اصحٮ الححٮم
En noch de Geheroriënteerden noch de Helpers zullen ooit tevreden over jou zijn, zolang jij hun leer niet volgt.
ولں ٮرصى عٮك الٮهود ولا الٮصرى حٮى ٮٮٮع ملٮهم
Zeg: “De leiding van God, dat is de leiding.”
ڡل اں هدى الله هو الهدى
En indien jij hun emoties zou volgen, na wat jou van het weten gekomen is, zou jij, tegen God, noch verantwoordelijke noch hulp hebben.
ولٮں اٮٮعٮ اهواهم ٮعد الدى حاك مں العلم ما لك مں الله مں ولى ولا ٮصٮر
Zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben, en die haar voordragen zoals zij voorgedragen moet worden, dat zijn zij die erin geloven.
الدٮں اٮٮٮهم الكٮٮ ٮٮلوٮه حٯ ٮلاوٮه اولٮك ٮومٮوں ٮه
En wie haar verloochent – dat zijn de verliezers.
ومں ٮكڡر ٮه ڡاولٮك هم الحسروں
O zonen van Israël! Herinner jullie Mijn weldaad, waarmee Ik jullie overladen heb, en dat Ik jullie boven alle wezens bevoordeeld heb.
ٮٮٮى اسرٮل ادكروا ٮعمٮى الٮى اٮعمٮ علٮكم واٮى ڡصلٮكم على العلمٮں
En behoed jullie voor een dag waarop geen Zelf in iets de plaats van een ander Zelf zal innemen, waarop geen compensatie van hem aanvaard zal worden, waarop geen bemiddeling hem zal baten, en waarop zij niet geholpen zullen worden.
واٮڡوا ٮوما لا ٮحرى ٮڡس عں ٮڡس سٮا ولا ٮڡٮل مٮها عدل ولا ٮٮڡعها سڡعه ولا هم ٮٮصروں
En toen de Voogd van Ibrahim hem beproefde met woorden, die hij voltooide.
واد اٮٮلى اٮرهم رٮه ٮكلمٮ ڡاٮمهں
Hij zei: “Ik zal gewis van jou een leidsman voor de mensen maken.”
ڡال اٮى حاعلك للٮاس اماما
Hij zei: “En onder mijn nageslacht?”
ڡال ومں درٮٮى
Hij zei: “Mijn pact valt niet toe aan de onrechtvaardigen.”
ڡال لا ٮٮال عهدى الطلمٮں
En toen Wij van het Huis, voor de mensen, een plaats van terugkeer en een veiligheid gemaakt hebben; en zij namen, van de standplaats van Ibrahim, een plaats van het Contact.
واد حعلٮا الٮٮٮ مٮاٮه للٮاس وامٮا واٮحدوا مں مڡام اٮرهم مصلى
En Wij hebben Ibrahim en Isma'il door een pact verbonden: “Reinig Mijn Huis voor hen die er verkeren, hen die er verblijven, en hen die in dienst knielen en zich in hulde neerwerpen.”
وعهدٮا الى اٮرهم واسمعٮل اں طهرا ٮٮٮى للطاٮڡٮں والعكڡٮں والركع السحود
En toen Ibrahim zei: “Mijn Voogd, maak hiervan een veilig oord, en voorzie de lieden ervan van vruchten, zij onder hen die in God en in de Laatste Dag geloven.”
واد ڡال اٮرهم رٮ احعل هدا ٮلدا امٮا واررٯ اهله مں الٮمرٮ مں امں مٮهم ٮالله والٮوم الاحر
Hij zei: “En wie verloochent, hem verleen Ik een korte genieting, vervolgens drijf Ik hem in het nauw naar de pijn van het Vuur.”
ڡال ومں كڡر ڡامٮعه ڡلٮلا ٮم اصطره الى عداٮ الٮار
En wat een afschuwelijke bestemming!
وٮٮس المصٮر
En toen Ibrahim de fundamenten van het Huis optrok, met Isma'il:
واد ٮرڡع اٮرهم الڡواعد مں الٮٮٮ واسمعٮل
“Onze Voogd, aanvaard dit van ons; gewis bent U het, de Alhorende, de Alwetende.
رٮٮا ٮڡٮل مٮا اٮك اٮٮ السمٮع العلٮم
Onze Voogd, maak ons beiden tot integeren tegenover U, en, uit onze nageslacht, een gemeenschap integer tegenover U.
رٮٮا واحعلٮا مسلمٮں لك ومں درٮٮٮا امه مسلمه لك
En toon ons onze weldadige praktijken.
وارٮا مٮاسكٮا
En keer met mildheid tot ons terug,
وٮٮ علٮٮا
want U bent het, Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
اٮك اٮٮ الٮواٮ الرحٮم
Onze Voogd, en wek onder hen een gezant op, uit hen voortgekomen, die hun Uw tekenen voordraagt, hun de Schrift en de wijsheid leert, en hen zuivert;
رٮٮا واٮعٮ ڡٮهم رسولا مٮهم ٮٮلوا علٮهم اٮٮك وٮعلمهم الكٮٮ والحكمه وٮركٮهم
want U bent het, de Almachtige, de Wijze.”
اٮك اٮٮ العرٮر الحكٮم
En wie maakt zich dan los van de leer van Ibrahim, behalve hij die zijn eigen Zelf dwaas maakt?
ومں ٮرعٮ عں مله اٮرهم الا مں سڡه ٮڡسه
Wij hebben hem gewis hienieden uitgekozen,
ولڡد اصطڡٮٮه ڡى الدٮٮا
en in het laatste leven zal hij voorzeker behoren tot hen die deugdelijk zijn.
واٮه ڡى الاحره لمں الصلحٮں
Toen zijn Voogd tot hem zei: “Wees integer tegenover Mij”;
اد ڡال له رٮه اسلم
zei hij: “Ik ben integer tegenover de Voogd van alle wezens.”
ڡال اسلمٮ لرٮ العلمٮں
En Ibrahim gaf zijn zonen daarvan de aanbeveling,
ووصى ٮها اٮرهم ٮٮٮه
evenals Ja'qoeb: “O mijn zonen! God heeft voor jullie deze Wet uitgekozen; sterf dus slechts integer tegenover Hem.”
وٮعڡوٮ ٮٮٮى اں الله اصطڡى لكم الدٮں ڡلا ٮموٮں الا واٮٮم مسلموں
Of waren jullie getuigen, toen de dood zich aandiende bij Ja'qoeb, toen hij tot zijn zonen zei: “Wie zullen jullie gehoorzamen na mij?”
ام كٮٮم سهدا اد حصر ٮعڡوٮ الموٮ اد ڡال لٮٮٮه ما ٮعٮدوں مں ٮعدى
Zij zeiden: “Wij zullen jouw godheid gehoorzamen, de godheid van jouw voorouders, Ibrahim, Isma'il en Ishaq, een enige godheid, en wij zijn integer tegenover Hem.”
ڡالوا ٮعٮد الهك واله اٮاٮك اٮرهم واسمعٮل واسحٯ الها وحدا وٮحں له مسلموں
Dat is een gemeenschap die reeds voorbijgegaan is:
ٮلك امه ڡد حلٮ
aan haar wat zij verworven heeft,
لها ما كسٮٮ
en aan jullie wat jullie verworven hebben;
ولكم ما كسٮٮم
en jullie zullen niet ondervraagd worden over wat zij deden.
ولا ٮسلوں عما كاٮوا ٮعملوں
En zij hebben gezegd: “Wees Geheroriënteerden of Helpers, dan zullen jullie je laten leiden.”
وڡالوا كوٮوا هودا او ٮصرى ٮهٮدوا
Zeg: “Nee, veeleer de leer van Ibrahim, geheel op God gericht”,
ڡل ٮل مله اٮرهم حٮٮڡا
en hij behoorde niet tot hen die associëren.
وما كاں مں المسركٮں
Zeg: “Wij geloven in God, in wat op ons neergedaald is, in wat op Ibrahim, Isma'il, Ishaq, Ja'qoeb en de geslachtslijnen neergedaald is, en in wat aan Moesa en aan Isa gegeven is, en in wat aan de berichtgevers gegeven is, van hun Voogd; wij maken geen enkel verschil tussen hen, en wij zijn integer tegenover Hem.”
ڡولوا امٮا ٮالله وما اٮرل الٮٮا وما اٮرل الى اٮرهم واسمعٮل واسحٯ وٮعڡوٮ والاسٮاط وما اوٮى موسى وعٮسى وما اوٮى الٮٮٮوں مں رٮهم لا ٮڡرٯ ٮٮں احد مٮهم وٮحں له مسلموں
Indien zij geloven in datgene waarin jullie geloofd hebben, dan laten zij zich leiden;
ڡاں امٮوا ٮمٮل ما امٮٮم ٮه ڡڡد اهٮدوا
en indien zij de rug toekeren, dan zijn zij slechts in een breuk;
واں ٮولوا ڡاٮما هم ڡى سڡاٯ
God zal jou binnenkort volstaan tegen hen:
ڡسٮكڡٮكهم الله
en Hij is de Alhorende, de Alwetende.
وهو السمٮع العلٮم
De verf van God –
صٮعه الله
en wie verft beter dan God? –
ومں احسں مں الله صٮعه
en aan Hem gehoorzamen wij.
وٮحں له عٮدوں
Zeg: “Voeren jullie met ons een geschil over God, terwijl Hij onze Voogd en jullie Voogd is? Aan ons onze werken, aan jullie jullie werken;
ڡل اٮحاحوٮٮا ڡى الله وهو رٮٮا ورٮكم ولٮا اعملٮا ولكم اعملكم
en wij wijden ons uitsluitend aan Hem toe.”
وٮحں له محلصوں
Of zeggen jullie: “Ibrahim, Isma'il, Ishaq, Ja'qoeb en de geslachtslijnen waren Geheroriënteerden of Helpers”?
ام ٮڡولوں اں اٮرهم واسمعٮل واسحٯ وٮعڡوٮ والاسٮاط كاٮوا هودا او ٮصرى
Zeg: “Zijn jullie het die het best weten, of God?”
ڡل اٮٮم اعلم ام الله
En wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een getuigenis verzwijgt dat hij bij zich heeft, afkomstig van God?
ومں اطلم ممں كٮم سهده عٮده مں الله
En God is niet onbekommerd over wat jullie doen.
وما الله ٮعڡل عما ٮعملوں
Dat is een gemeenschap die reeds voorbijgegaan is:
ٮلك امه ڡد حلٮ
aan haar wat zij verworven heeft,
لها ما كسٮٮ
en aan jullie wat jullie verworven hebben;
ولكم ما كسٮٮم
en jullie zullen niet ondervraagd worden over wat zij deden.
ولا ٮسلوں عما كاٮوا ٮعملوں
De dwazen, onder de mensen, zullen zeggen: “Wat heeft hen afgewend van hun trefpunt, datgene waarop zij stonden?”
سٮڡول السڡها مں الٮاس ما ولٮهم عں ڡٮلٮهم الٮى كاٮوا علٮها
Zeg: “Aan God behoren de opgang en de ondergang toe;
ڡل لله المسرٯ والمعرٮ
Hij leidt wie het Hem behaagt naar een rechtlijnig pad.”
ٮهدى مں ٮسا الى صرط مسٮڡٮم
En zo hebben Wij van jullie een voorbeeldige gemeenschap gemaakt,
وكدلك حعلٮكم امه وسطا
opdat jullie getuigen zijn tegen de mensen, en de gezant getuige is tegen jullie.
لٮكوٮوا سهدا على الٮاس وٮكوں الرسول علٮكم سهٮدا
En Wij hadden het trefpunt, datgene waarop jij stond, slechts geplaatst om te onderscheiden wie de gezant volgt van wie zich op zijn hielen omdraait.
وما حعلٮا الڡٮله الٮى كٮٮ علٮها الا لٮعلم مں ٮٮٮع الرسول ممں ٮٮڡلٮ على عڡٮٮه
Dit was voorzeker zwaar, behalve voor hen die God geleid heeft.
واں كاٮٮ لكٮٮره الا على الدٮں هدى الله
En het past God niet dat Hij jullie geloof laat vervliegen.
وما كاں الله لٮصٮع اٮمٮكم
God is voorzeker, jegens de mensen, vol goedheid, Welwillend.
اں الله ٮالٮاس لروڡ رحٮم
Wij zullen gewis jouw gezicht zich alle kanten op zien keren in de hemel; Wij zullen jou dus voorzeker tot koers een trefpunt geven dat jou tevredenstelt.
ڡد ٮرى ٮڡلٮ وحهك ڡى السما ڡلٮولٮٮك ڡٮله ٮرصٮها
Zet dus koers naar de onschendbare plaats van neerwerping,
ڡول وحهك سطر المسحد الحرام
en waar jullie ook zijn, zet koers daarheen.
وحٮٮ ما كٮٮم ڡولوا وحوهكم سطره
En zij aan wie de Schrift gegeven is weten voorzeker dat het de waarheid is van hun Voogd.
واں الدٮں اوٮوا الكٮٮ لٮعلموں اٮه الحٯ مں رٮهم
En God is niet onbekommerd over wat zij doen.
وما الله ٮعڡل عما ٮعملوں
En zelfs als jij elk teken zou brengen aan hen aan wie de Schrift gegeven is, zouden zij jouw trefpunt niet volgen.
ولٮں اٮٮٮ الدٮں اوٮوا الكٮٮ ٮكل اٮه ما ٮٮعوا ڡٮلٮك
En jij zult hun trefpunt niet volgen;
وما اٮٮ ٮٮاٮع ڡٮلٮهم
en de enen volgen ook niet het trefpunt van de anderen.
وما ٮعصهم ٮٮاٮع ڡٮله ٮعص
En indien jij hun emoties zou volgen, na wat jou van het weten gekomen is, zou jij dan voorzeker tot de onrechtvaardigen behoren.
ولٮں اٮٮعٮ اهواهم مں ٮعد ما حاك مں العلم اٮك ادا لمں الطلمٮں
Zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben herkennen het zoals zij hun eigen zonen herkennen,
الدٮں اٮٮٮهم الكٮٮ ٮعرڡوٮه كما ٮعرڡوں اٮٮاهم
en een fractie van hen verzwijgt voorzeker de waarheid, al wetend.
واں ڡرٮڡا مٮهم لٮكٮموں الحٯ وهم ٮعلموں
De waarheid komt van jouw Voogd;
الحٯ مں رٮك
behoor dus nooit tot hen die in controverse treden.
ڡلا ٮكوٮں مں الممٮرٮں
En ieder heeft een richting die hem tot koers is gegeven; ga elkaar dus voor in het voortreffelijkste.
ولكل وحهه هو مولٮها ڡاسٮٮڡوا الحٮرٮ
Waar jullie ook zijn, God zal jullie allen terugbrengen,
اٮں ما ٮكوٮوا ٮاٮ ٮكم الله حمٮعا
want God is tot alles in staat.
اں الله على كل سى ڡدٮر
En vanwaar je ook naar buiten treedt, zet koers naar de onschendbare plaats van neerwerping:
ومں حٮٮ حرحٮ ڡول وحهك سطر المسحد الحرام
voorzeker is dit de waarheid afkomstig van je Voogd.
واٮه للحٯ مں رٮك
En God is niet onbekommerd over wat jullie doen.
وما الله ٮعڡل عما ٮعملوں
En vanwaar je ook naar buiten treedt, zet koers naar de onschendbare plaats van neerwerping,
ومں حٮٮ حرحٮ ڡول وحهك سطر المسحد الحرام
en waar jullie ook zijn, zet koers daarheen, opdat de mensen geen enkel argument tegen jullie hebben – behalve zij onder hen die onrechtvaardig zijn; duch hen dus niet, maar duch Mij –
وحٮٮ ما كٮٮم ڡولوا وحوهكم سطره لٮلا ٮكوں للٮاس علٮكم ححه الا الدٮں طلموا مٮهم ڡلا ٮحسوهم واحسوٮى
en opdat Ik Mijn weldaad aan jullie voltooi, en misschien zullen jullie je laten leiden,
ولاٮم ٮعمٮى علٮكم ولعلكم ٮهٮدوں
zoals Wij onder jullie een gezant gezonden hebben, uit jullie voortgekomen, die jullie Onze tekenen voordraagt, jullie zuivert, jullie de Schrift en de wijsheid leert, en jullie leert wat jullie niet wisten. Herinner jullie Mij dus, Ik zal Mij jullie herinneren; wees Mij dankbaar, en verloochen Mij niet.
كما ارسلٮا ڡٮكم رسولا مٮكم ٮٮلوا علٮكم اٮٮٮا وٮركٮكم وٮعلمكم الكٮٮ والحكمه وٮعلمكم ما لم ٮكوٮوا ٮعلموں ڡادكروٮى ادكركم واسكروا لى ولا ٮكڡروں
O jullie die geloofd hebben! Zoek bijstand in het geduld en het Contact,
ٮاٮها الدٮں امٮوا اسٮعٮٮوا ٮالصٮر والصلوه
want God is met de geduldigen.
اں الله مع الصٮرٮں
En zeg niet van hen die gedood worden op de weg van God dat zij dood zijn.
ولا ٮڡولوا لمں ٮڡٮل ڡى سٮٮل الله اموٮ
Nee, zij zijn levend, maar jullie voelen het niet.
ٮل احٮا ولكں لا ٮسعروں
En Wij zullen jullie voorzeker op de proef stellen met een weinig vrees en honger, en met een vermindering van bezittingen, van het Zelf en van vruchten;
ولٮٮلوٮكم ٮسى مں الحوڡ والحوع وٮڡص مں الامول والاٮڡس والٮمرٮ
en breng het goede nieuws aan de geduldigen, zij die, wanneer een ongeluk hun overkomt, zeggen: “Wij zijn gewis van God, en tot Hem keren wij terug.”
وٮسر الصٮرٮں الدٮں ادا اصٮٮهم مصٮٮه ڡالوا اٮا لله واٮا الٮه رحعوں
Dat zijn zij op wie contacten van hun Voogd rusten, en een welwillendheid,
اولٮك علٮهم صلوٮ مں رٮهم ورحمه
en dat zijn zij die zich laten leiden.
واولٮك هم المهٮدوں
Safa en Marwa behoren gewis tot de waarneembare bakens van God.
اں الصڡا والمروه مں سعاٮر الله
Wie de hadj van het Huis verricht of de oemra verricht, geen verwijt tegen hem om ze rond te gaan.
ڡمں حح الٮٮٮ او اعٮمر ڡلا حٮاح علٮه اں ٮطوڡ ٮهما
En wie uit vrije wil het goede doet – God is gewis Dankbaar, Alwetend.
ومں ٮطوع حٮرا ڡاں الله ساكر علٮم
Gewis, zij die verzwijgen wat Wij aan duidelijke bewijzen en aan leiding hebben doen neerdalen, nadat Wij het voor de mensen duidelijk hebben gemaakt in de Schrift – dat zijn zij die God vervloekt, en die vervloekt worden door hen die vervloeken,
اں الدٮں ٮكٮموں ما اٮرلٮا مں الٮٮٮٮ والهدى مں ٮعد ما ٮٮٮه للٮاس ڡى الكٮٮ اولٮك ٮلعٮهم الله وٮلعٮهم اللعٮوں
behalve zij die terugkeren, zich saneren en verhelderen: dat zijn zij tot wie Ik met mildheid terugkeer; Ik ben Hij die onophoudelijk het berouw verwelkomt, Welwillend.
الا الدٮں ٮاٮوا واصلحوا وٮٮٮوا ڡاولٮك اٮوٮ علٮهم واٮا الٮواٮ الرحٮم
Gewis, zij die verloochenen en sterven terwijl zij verloochenen – dat zijn zij op wie de vervloeking van God, van de Gemachtigden en van de mensen rust, allen tezamen, waarin zij eeuwig zullen blijven;
اں الدٮں كڡروا وماٮوا وهم كڡار اولٮك علٮهم لعٮه الله والملٮكه والٮاس احمعٮں حلدٮں ڡٮها
de pijn zal hun niet verlicht worden, en hun zal geen uitstel verleend worden.
لا ٮحڡڡ عٮهم العداٮ ولا هم ٮٮطروں
En jullie godheid is een enige godheid;
والهكم اله وحد
geen godheid behalve Hij,
لا اله الا هو
de Alwelwillende, de Welwillende.
الرحمں الرحٮم
Voorzeker zijn er, in de schepping van de hemelen en de aarde, in de afwisseling van de nacht en de dag, in het vaartuig dat over zee vaart, geladen met wat de mensen nuttig is, in het water dat God uit de hemel doet neerdalen en waarmee Hij de aarde weer leven geeft na haar dood, waarop Hij elke soort wezen dat zich beweegt verspreidt, in de verscheidenheid van de winden, en in de wolk die tussen de hemel en de aarde onderworpen is – tekenen voor een volk dat redeneert.
اں ڡى حلٯ السموٮ والارص واحٮلڡ الٮل والٮهار والڡلك الٮى ٮحرى ڡى الٮحر ٮما ٮٮڡع الٮاس وما اٮرل الله مں السما مں ما ڡاحٮا ٮه الارص ٮعد موٮها وٮٮ ڡٮها مں كل داٮه وٮصرٮڡ الرٮح والسحاٮ المسحر ٮٮں السما والارص لاٮٮ لڡوم ٮعڡلوں
En onder de mensen zijn er die, buiten God, rivalen nemen, van wie zij houden zoals men van God houdt;
ومں الٮاس مں ٮٮحد مں دوں الله اٮدادا ٮحٮوٮهم كحٮ الله
maar zij die geloofd hebben zijn nog intenser in de liefde voor God.
والدٮں امٮوا اسد حٮا لله
En indien de onrechtvaardigen zagen, wanneer zij de pijn zullen zien, dat de kracht in haar geheel aan God toebehoort, en dat God streng is in de pijn –
ولو ٮرى الدٮں طلموا اد ٮروں العداٮ اں الڡوه لله حمٮعا واں الله سدٮد العداٮ
Wanneer zij die gevolgd werden zich van hen die hen gevolgd hebben vrij verklaren, en zij de pijn zullen zien, en de schakels tussen hen verbroken zullen worden.
اد ٮٮرا الدٮں اٮٮعوا مں الدٮں اٮٮعوا وراوا العداٮ وٮڡطعٮ ٮهم الاسٮاٮ
En zij die gevolgd hebben zullen zeggen: “Indien wij toch een revanche hadden, zouden wij ons van hen vrij verklaren zoals zij zich van ons vrij hebben verklaard.”
وڡال الدٮں اٮٮعوا لو اں لٮا كره ڡٮٮٮرا مٮهم كما ٮٮروا مٮا
Zo toont God hun hun werken, als ontredderingen voor hen,
كدلك ٮرٮهم الله اعملهم حسرٮ علٮهم
en zij zullen nooit uit het Vuur naar buiten treden.
وما هم ٮحرحٮں مں الٮار
O mensen! Eet van wat op de aarde is, van wat geoorloofd en goed is,
ٮاٮها الٮاس كلوا مما ڡى الارص حللا طٮٮا
en volg de passen van de Afleider niet,
ولا ٮٮٮعوا حطوٮ السٮطں
want hij is voor jullie een klaarblijkelijke vijand.
اٮه لكم عدو مٮٮں
Hij beveelt jullie slechts het kwaad en de schanddaad, en over God te zeggen wat jullie niet weten.
اٮما ٮامركم ٮالسو والڡحسا واں ٮڡولوا على الله ما لا ٮعلموں
En wanneer men hun zegt: “Volg wat God heeft doen neerdalen”, zeggen zij: “Nee, wij volgen datgene waarbij wij onze voorouders aangetroffen hebben.”
وادا ڡٮل لهم اٮٮعوا ما اٮرل الله ڡالوا ٮل ٮٮٮع ما الڡٮٮا علٮه اٮاٮا
Wat! Ook al redeneerden hun voorouders in niets en lieten zij zich niet leiden?
اولو كاں اٮاوهم لا ٮعڡلوں سٮا ولا ٮهٮدوں
En het voorbeeld van hen die verloochenen is dat van iemand die roept tot wat niets hoort dan oproep en geschreeuw.
ومٮل الدٮں كڡروا كمٮل الدى ٮٮعٯ ٮما لا ٮسمع الا دعا وٮدا
Doof, stom, blind: zij redeneren dus niet.
صم ٮكم عمى ڡهم لا ٮعڡلوں
O jullie die geloofd hebben! Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie hebben voorzien, en wees dankbaar jegens God, indien het Hem is die jullie gehoorzamen.
ٮاٮها الدٮں امٮوا كلوا مں طٮٮٮ ما ررڡٮكم واسكروا لله اں كٮٮم اٮاه ٮعٮدوں
Hij heeft jullie slechts het dode dier, het bloed, het varkensvlees, en wat aan een ander dan God is opgedragen ontzegd.
اٮما حرم علٮكم المٮٮه والدم ولحم الحٮرٮر وما اهل ٮه لعٮر الله
Maar wie daartoe gedwongen wordt, zonder opstandig te zijn en zonder de grenzen te overschrijden, op hem rust geen overtreding,
ڡمں اصطر عٮر ٮاع ولا عاد ڡلا اٮم علٮه
want God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
اں الله عڡور رحٮم
Gewis, zij die verzwijgen wat God aan de Schrift heeft doen neerdalen, en daarmee een schamele prijs kopen – dat zijn zij die in hun buik niets dan het Vuur doorslikken; God zal op de Dag van het Verschijnen het woord niet tot hen richten, en zal hen niet zuiveren,
اں الدٮں ٮكٮموں ما اٮرل الله مں الكٮٮ وٮسٮروں ٮه ٮمٮا ڡلٮلا اولٮك ما ٮاكلوں ڡى ٮطوٮهم الا الٮار ولا ٮكلمهم الله ٮوم الڡٮمه ولا ٮركٮهم
en zij zullen een schrijnende pijn hebben.
ولهم عداٮ الٮم
Dat zijn zij die de dwaling hebben gekocht tegen de prijs van de leiding, en de pijn tegen de prijs van de vergeving. Wat maakt hen toch zo volhardend tegenover het Vuur!
اولٮك الدٮں اسٮروا الصلله ٮالهدى والعداٮ ٮالمعڡره ڡما اصٮرهم على الٮار
Dat is omdat God de Schrift in alle waarheid heeft doen neerdalen,
دلك ٮاں الله ٮرل الكٮٮ ٮالحٯ
en zij die uiteenlopen over de Schrift zijn voorzeker in een verre breuk.
واں الدٮں احٮلڡوا ڡى الكٮٮ لڡى سڡاٯ ٮعٮد
De deugd bestaat er niet in jullie gezichten naar de opgang of de ondergang te wenden,
لٮس الٮر اں ٮولوا وحوهكم ڡٮل المسرٯ والمعرٮ
maar de deugd, dat is hij die in God gelooft, in de Laatste Dag, in de Gemachtigden, in de Schrift en in de berichtgevers, en die van zijn bezittingen geeft, ondanks zijn liefde ervoor, aan de verwanten, de weeskinderen, de behoeftigen, de doorreiziger, hen die vragen, en om hen te bevrijden die onder de last van een schuld staan, die het Contact onderhoudt en de zuivere vrijgevigheid geeft,
ولكں الٮر مں امں ٮالله والٮوم الاحر والملٮكه والكٮٮ والٮٮٮں واٮى المال على حٮه دوى الڡرٮى والٮٮمى والمسكٮں واٮں السٮٮل والساٮلٮں وڡى الرڡاٮ واڡام الصلوه واٮى الركوه
zij die trouw zijn aan hun pact wanneer zij een pact hebben gesloten,
والموڡوں ٮعهدهم ادا عهدوا
en de geduldigen in de tegenspoed, de schade, en op het moment van het geweld:
والصٮرٮں ڡى الٮاسا والصرا وحٮں الٮاس
dat zijn zij die waarachtig zijn geweest,
اولٮك الدٮں صدڡوا
en dat zijn zij die zich behoeden.
واولٮك هم المٮڡوں
O jullie die geloofd hebben! Het onderzoek is jullie voorgeschreven inzake de gedoden:
ٮاٮها الدٮں امٮوا كٮٮ علٮكم الڡصاص ڡى الڡٮلى
de onafhankelijke met de onafhankelijke, de gehoorzame met de gehoorzame, en de vrouw met de vrouw.
الحر ٮالحر والعٮد ٮالعٮد والاٮٮى ٮالاٮٮى
Maar voor hem aan wie zijn broer iets kwijtscheldt: een vervolging volgens het naar gebruik erkende, en een afwikkeling met goede gratie.
ڡمں عڡى له مں احٮه سى ڡاٮٮاع ٮالمعروڡ وادا الٮه ٮاحسں
Dat is een verlichting van jullie Voogd, en een welwillendheid.
دلك ٮحڡٮڡ مں رٮكم ورحمه
En wie daarna aanvalt zal een schrijnende pijn hebben.
ڡمں اعٮدى ٮعد دلك ڡله عداٮ الٮم
En jullie hebben, in het onderzoek, een leven, o houders van intelligentie, misschien zullen jullie je behoeden.
ولكم ڡى الڡصاص حٮوه ٮاولى الالٮٮ لعلكم ٮٮڡوں
Het is jullie voorgeschreven, wanneer de dood zich aan een van jullie aandient, indien hij een bezit nalaat,
كٮٮ علٮكم ادا حصر احدكم الموٮ اں ٮرك حٮرا
het testament ten gunste van de twee ouders en de verwanten, volgens het naar gebruik erkende:
الوصٮه للولدٮں والاڡرٮٮں ٮالمعروڡ
een plicht voor hen die zich behoeden.
حڡا على المٮڡٮں
En wie het wijzigt nadat hij het heeft gehoord, de overtreding daarvan rust slechts op hen die het wijzigen,
ڡمں ٮدله ٮعدما سمعه ڡاٮما اٮمه على الدٮں ٮٮدلوٮه
want God is de Alhorende, de Alwetende.
اں الله سمٮع علٮم
Maar wie van een erflater een partijdigheid of een overtreding vreest, en hen verzoent, op hem rust geen overtreding;
ڡمں حاڡ مں موص حٮڡا او اٮما ڡاصلح ٮٮٮهم ڡلا اٮم علٮه
want God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
اں الله عڡور رحٮم
O jullie die geloofd hebben! De onthouding is jullie voorgeschreven, zoals zij voorgeschreven is aan hen die vóór jullie waren, misschien zullen jullie je behoeden, gedurende getelde dagen.
ٮاٮها الدٮں امٮوا كٮٮ علٮكم الصٮام كما كٮٮ على الدٮں مں ڡٮلكم لعلكم ٮٮڡوں اٮاما معدودٮ
En wie van jullie ziek is, of op reis, dan een aantal andere dagen;
ڡمں كاں مٮكم مرٮصا او على سڡر ڡعده مں اٮام احر
en voor hen die er het vermogen toe hebben, een compensatie, het voedsel van een behoeftige.
وعلى الدٮں ٮطٮڡوٮه ڡدٮه طعام مسكٮں
En wie uit vrije wil het goede doet, dat is beter voor hem;
ڡمں ٮطوع حٮرا ڡهو حٮر له
en dat jullie je onthouden is beter voor jullie, indien jullie wisten.
واں ٮصوموا حٮر لكم اں كٮٮم ٮعلموں
De maand van verkoeling, die waarin deze Lezing is neergedaald, leiding voor de mensen, en duidelijke bewijzen van de leiding en van het Onderscheid.
سهر رمصاں الدى اٮرل ڡٮه الڡراں هدى للٮاس وٮٮٮٮ مں الهدى والڡرڡاں
Wie van jullie getuige is van deze maand, onthoude zich ervan;
ڡمں سهد مٮكم السهر ڡلٮصمه
en wie ziek is, of op reis, dan een aantal andere dagen.
ومں كاں مرٮصا او على سڡر ڡعده مں اٮام احر
God wil voor jullie het gemak, Hij wil voor jullie niet de moeilijkheid,
ٮرٮد الله ٮكم الٮسر ولا ٮرٮد ٮكم العسر
en dat jullie het aantal dagen vol maken, en dat jullie de grootheid van God afkondigen omdat Hij jullie heeft geleid, misschien zullen jullie dankbaar zijn.
ولٮكملوا العده ولٮكٮروا الله على ما هدٮكم ولعلكم ٮسكروں
En wanneer Mijn gehoorzamen je over Mij ondervragen, Ik ben nabij:
وادا سالك عٮادى عٮى ڡاٮى ڡرٮٮ
Ik antwoord op de oproep van hem die Mij roept, wanneer hij Mij roept.
احٮٮ دعوه الداع ادا دعاں
Laten zij dus op Mijn oproep antwoorden, en laten zij in Mij geloven, misschien zullen zij de rechtschapenheid bereiken.
ڡلٮسٮحٮٮوا لى ولٮومٮوا ٮى لعلهم ٮرسدوں
De intimiteit met jullie vrouwen is voor jullie geoorloofd gemaakt, in de nacht van de onthouding:
احل لكم لٮله الصٮام الرڡٮ الى ٮساٮكم
zij zijn een kleed voor jullie, en jullie zijn een kleed voor hen.
هں لٮاس لكم واٮٮم لٮاس لهں
God wist dat jullie jezelf verraadden; Hij is toen met mildheid tot jullie teruggekeerd, en Hij heeft het jullie kwijtgescholden.
علم الله اٮكم كٮٮم ٮحٮاٮوں اٮڡسكم ڡٮاٮ علٮكم وعڡا عٮكم
Verenig jullie nu dus met hen,
ڡالں ٮسروهں
en zoek wat God voor jullie heeft voorgeschreven.
واٮٮعوا ما كٮٮ الله لكم
En eet en drink totdat de witte draad voor jullie te onderscheiden is van de zwarte draad van de dageraad,
وكلوا واسرٮوا حٮى ٮٮٮٮں لكم الحٮط الاٮٮص مں الحٮط الاسود مں الڡحر
voltooi dan de onthouding tot de nacht.
ٮم اٮموا الصٮام الى الٮل
En verenig jullie niet met hen, terwijl jullie vertoeven in de plaatsen van neerwerping.
ولا ٮٮسروهں واٮٮم عكڡوں ڡى المسحد
Dat zijn de grenzen van God,
ٮلك حدود الله
nader ze dus niet.
ڡلا ٮڡرٮوها
Zo maakt God Zijn tekenen duidelijk voor de mensen, misschien zullen zij zich behoeden.
كدلك ٮٮٮں الله اٮٮه للٮاس لعلهم ٮٮڡوں
En verslind jullie bezittingen niet onder elkaar door het valse, en bied ze niet aan de rechters aan om door de overtreding een deel van de bezittingen van de mensen te verslinden, terwijl jullie weten.
ولا ٮاكلوا امولكم ٮٮٮكم ٮالٮطل وٮدلوا ٮها الى الحكام لٮاكلوا ڡرٮڡا مں امول الٮاس ٮالاٮم واٮٮم ٮعلموں
Zij ondervragen je over de openbare afkondigingen.
ٮسلوٮك عں الاهله
Zeg: “Zij zijn vastgestelde afspraken voor de mensen, en voor de hadj.
ڡل هى موڡٮٮ للٮاس والحح
En de deugd bestaat er niet in naar de huizen te komen via hun rug,
ولٮس الٮر ٮاں ٮاٮوا الٮٮوٮ مں طهورها
maar de deugd, dat is hij die zich behoedt.
ولكں الٮر مں اٮڡى
Kom dus naar de huizen via hun deuren,
واٮوا الٮٮوٮ مں اٮوٮها
en behoed jullie voor God, misschien zullen jullie slagen.”
واٮڡوا الله لعلكم ٮڡلحوں
En vecht, op de weg van God, tegen hen die tegen jullie vechten, maar val niet aan,
وڡٮلوا ڡى سٮٮل الله الدٮں ٮڡٮلوٮكم ولا ٮعٮدوا
want God houdt niet van de aanvallers.
اں الله لا ٮحٮ المعٮدٮں
En dood hen waar jullie hen ook betrappen, en verdrijf hen vanwaar zij jullie hebben verdreven:
واڡٮلوهم حٮٮ ٮڡڡٮموهم واحرحوهم مں حٮٮ احرحوكم
de beproeving is strenger dan de moord.
والڡٮٮه اسد مں الڡٮل
En vecht niet tegen hen nabij de onschendbare plaats van neerwerping, voordat zij daar tegen jullie vechten;
ولا ٮڡٮلوهم عٮد المسحد الحرام حٮى ٮڡٮلوكم ڡٮه
maar indien zij tegen jullie vechten, dood hen dan:
ڡاں ڡٮلوكم ڡاڡٮلوهم
zo is de vergelding van hen die verloochenen.
كدلك حرا الكڡرٮں
Maar indien zij ophouden, dan is God gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
ڡاں اٮٮهوا ڡاں الله عڡور رحٮم
En vecht tegen hen totdat er geen beproeving meer is, en de Wet voor God is;
وڡٮلوهم حٮى لا ٮكوں ڡٮٮه وٮكوں الدٮں لله
en indien zij ophouden, dan geen vijandigheid, behalve jegens de onrechtvaardigen.
ڡاں اٮٮهوا ڡلا عدوں الا على الطلمٮں
De onschendbare maand voor de onschendbare maand, en voor de onschendbare dingen, een onderzoek.
السهر الحرام ٮالسهر الحرام والحرمٮ ڡصاص
Wie jullie heeft aangevallen, val hem aan in de mate van zijn aanval tegen jullie,
ڡمں اعٮدى علٮكم ڡاعٮدوا علٮه ٮمٮل ما اعٮدى علٮكم
en behoed jullie voor God, en weet dat God met hen is die zich behoeden.
واٮڡوا الله واعلموا اں الله مع المٮڡٮں
En geef uit op de weg van God, maar werp wat jullie in de hand houden niet in de vernietiging; en doe het goede,
واٮڡڡوا ڡى سٮٮل الله ولا ٮلڡوا ٮاٮدٮكم الى الٮهلكه واحسٮوا
want God houdt van hen die het goede doen.
اں الله ٮحٮ المحسٮٮں
En voltooi de hadj en de oemra voor God.
واٮموا الحح والعمره لله
En indien jullie belemmerd worden, dan wat gemakkelijk te vinden is als gave.
ڡاں احصرٮم ڡما اسٮٮسر مں الهدى
En scheer jullie hoofden niet voordat de gave haar plaats van aflevering heeft bereikt;
ولا ٮحلڡوا روسكم حٮى ٮٮلع الهدى محله
en wie van jullie ziek is, of lijdt aan hinder aan het hoofd, dan een compensatie door een onthouding, een liefdadigheid, of een weldadige praktijk.
ڡمں كاں مٮكم مرٮصا او ٮه ادى مں راسه ڡڡدٮه مں صٮام او صدڡه او ٮسك
En zodra jullie in veiligheid zijn, wie van de oemra geniet tot de hadj, dan wat gemakkelijk te vinden is als gave.
ڡادا امٮٮم ڡمں ٮمٮع ٮالعمره الى الحح ڡما اسٮٮسر مں الهدى
En wie er de middelen niet toe vindt, dan een onthouding van drie dagen tijdens de hadj, en zeven zodra jullie teruggekeerd zijn: dat zijn tien volle dagen.
ڡمں لم ٮحد ڡصٮام ٮلٮه اٮام ڡى الحح وسٮعه ادا رحعٮم ٮلك عسره كامله
Dat, voor hem wiens familie niet aanwezig is bij de onschendbare plaats van neerwerping.
دلك لمں لم ٮكں اهله حاصرى المسحد الحرام
En behoed jullie voor God, en weet dat God streng is in de sanctie.
واٮڡوا الله واعلموا اں الله سدٮد العڡاٮ
De hadj wordt gehouden in bekende maanden.
الحح اسهر معلومٮ
Wie zich daarin voor de hadj verbindt, dan geen obsceniteit, geen grensoverschrijding, en geen debat tijdens de hadj.
ڡمں ڡرص ڡٮهں الحح ڡلا رڡٮ ولا ڡسوٯ ولا حدال ڡى الحح
En welk goed jullie ook doen, God kent het.
وما ٮڡعلوا مں حٮر ٮعلمه الله
En neem jullie voorraad mee;
وٮرودوا
want de voortreffelijkste van de voorraden is de behoedzaamheid.
ڡاں حٮر الراد الٮڡوى
En behoed jullie voor Mij, o houders van intelligentie.
واٮڡوں ٮاولى الالٮٮ
Geen verwijt tegen jullie om een gunst van jullie Voogd te zoeken.
لٮس علٮكم حٮاح اں ٮٮٮعوا ڡصلا مں رٮكم
En wanneer jullie vanaf Arafat uitstromen, herinner jullie God nabij het onschendbare waarneembare baken,
ڡادا اڡصٮم مں عرڡٮ ڡادكروا الله عٮد المسعر الحرام
en herinner jullie Hem, zoals Hij jullie heeft geleid, terwijl jullie voordien voorzeker tot de dwalenden behoorden.
وادكروه كما هدٮكم واں كٮٮم مں ڡٮله لمں الصالٮں
Stroom dan uit vanwaar de mensen uitstromen,
ٮم اڡٮصوا مں حٮٮ اڡاص الٮاس
en smeek om de vergeving van God,
واسٮعڡروا الله
want God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
اں الله عڡور رحٮم
En wanneer jullie je weldadige praktijken hebben afgerond, herinner jullie God zoals jullie je jullie voorouders herinneren, of met een nog intensere herinnering.
ڡادا ڡصٮٮم مٮسككم ڡادكروا الله كدكركم اٮاكم او اسد دكرا
En onder de mensen is er een die zegt: “Onze Voogd, geef ons hienieden” – en hij zal in het laatste leven geen enkel lot hebben.
ڡمں الٮاس مں ٮڡول رٮٮا اٮٮا ڡى الدٮٮا وما له ڡى الاحره مں حلٯ
En onder hen is er een die zegt: “Onze Voogd, geef ons een schoon deel hienieden, en een schoon deel in het laatste leven, en behoed ons voor de pijn van het Vuur.”
ومٮهم مں ٮڡول رٮٮا اٮٮا ڡى الدٮٮا حسٮه وڡى الاحره حسٮه وڡٮا عداٮ الٮار
Dat zijn zij die een aandeel hebben van wat zij hebben verworven.
اولٮك لهم ٮصٮٮ مما كسٮوا
God is snel in de rekening.
والله سرٮع الحساٮ
En herinner jullie God gedurende getelde dagen.
وادكروا الله ڡى اٮام معدودٮ
En wie zich haast in twee dagen, op hem rust geen overtreding;
ڡمں ٮعحل ڡى ٮومٮں ڡلا اٮم علٮه
en wie draalt, op hem rust geen overtreding, voor hem die zich behoedt.
ومں ٮاحر ڡلا اٮم علٮه لمں اٮڡى
En behoed jullie voor God, en weet dat het tot Hem is dat jullie verzameld zullen worden.
واٮڡوا الله واعلموا اٮكم الٮه ٮحسروں
En onder de mensen is er een wiens uitspraak, over het leven hienieden, je verblindt, en die God tot getuige neemt van wat in zijn kern is, terwijl hij de meest verbeten van de twistzoekers is.
ومں الٮاس مں ٮعحٮك ڡوله ڡى الحٮوه الدٮٮا وٮسهد الله على ما ڡى ڡلٮه وهو الد الحصام
En wanneer hij de rug toekeert, spant hij zich op de aarde in om er bederf te zaaien, en om de akker en het nageslacht te vernietigen.
وادا ٮولى سعى ڡى الارص لٮڡسد ڡٮها وٮهلك الحرٮ والٮسل
God houdt niet van het bederf.
والله لا ٮحٮ الڡساد
En wanneer men hem zegt: “Behoed je voor God”, grijpt de macht hem in de overtreding; Djahannam volstaat dus voor hem.
وادا ڡٮل له اٮٯ الله احدٮه العره ٮالاٮم ڡحسٮه حهٮم
En wat een afschuwelijke legerstede!
ولٮٮس المهاد
En onder de mensen is er een die zijn eigen Zelf verkoopt, de instemming van God zoekend.
ومں الٮاس مں ٮسرى ٮڡسه اٮٮعا مرصاٮ الله
God is vol goedheid jegens Zijn gehoorzamen.
والله روڡ ٮالعٮاد
O jullie die geloofd hebben! Treed binnen in de vrede, in totaliteit,
ٮاٮها الدٮں امٮوا ادحلوا ڡى السلم كاڡه
en volg de passen van de Afleider niet,
ولا ٮٮٮعوا حطوٮ السٮطں
want hij is voor jullie een klaarblijkelijke vijand.
اٮه لكم عدو مٮٮں
En indien jullie wankelen nadat de duidelijke bewijzen tot jullie zijn gekomen, weet dan dat God Almachtig is, Wijs.
ڡاں رللٮم مں ٮعد ما حاٮكم الٮٮٮٮ ڡاعلموا اں الله عرٮر حكٮم
Wachten zij op niets anders dan dat God tot hen komt in baldakijnen van wolken,
هل ٮٮطروں الا اں ٮاٮٮهم الله ڡى طلل مں العمام
met de Gemachtigden, en dat de zaak beslist wordt?
والملٮكه وڡصى الامر
En tot God keren alle zaken terug.
والى الله ٮرحع الامور
Vraag de zonen van Israël hoeveel duidelijke tekenen Wij hun hebben gegeven.
سل ٮٮى اسرٮل كم اٮٮٮهم مں اٮه ٮٮٮه
En wie de weldaad van God wijzigt nadat zij tot hem is gekomen – God is gewis streng in de sanctie.
ومں ٮٮدل ٮعمه الله مں ٮعد ما حاٮه ڡاں الله سدٮد العڡاٮ
Het leven hienieden is verfraaid voor hen die verloochenen, en zij spotten met hen die geloofd hebben;
رٮں للدٮں كڡروا الحٮوه الدٮٮا وٮسحروں مں الدٮں امٮوا
maar zij die zich behoeden zullen boven hen staan, op de Dag van het Verschijnen.
والدٮں اٮڡوا ڡوڡهم ٮوم الڡٮمه
En God voorziet wie het Hem behaagt, zonder te tellen.
والله ٮررٯ مں ٮسا ٮعٮر حساٮ
De mensen vormden één enkele gemeenschap; God wekte toen de berichtgevers op, aankondigers en waarschuwers, en deed met hen de Schrift neerdalen, in alle waarheid, opdat zij oordeelt tussen de mensen over datgene waarin zij uiteenliepen.
كاں الٮاس امه وحده ڡٮعٮ الله الٮٮٮں مٮسرٮں ومٮدرٮں واٮرل معهم الكٮٮ ٮالحٯ لٮحكم ٮٮں الٮاس ڡٮما احٮلڡوا ڡٮه
En alleen zij aan wie zij gegeven werd liepen daarin uiteen,
وما احٮلڡ ڡٮه الا الدٮں اوٮوه
nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen, uit afpersing onder elkaar.
مں ٮعد ما حاٮهم الٮٮٮٮ ٮعٮا ٮٮٮهم
God heeft toen hen die geloofd hebben geleid naar de waarheid waarover zij uiteenliepen, met Zijn toestemming.
ڡهدى الله الدٮں امٮوا لما احٮلڡوا ڡٮه مں الحٯ ٮادٮه
En God leidt wie het Hem behaagt naar een rechtlijnig pad.
والله ٮهدى مں ٮسا الى صرط مسٮڡٮم
Of dachten jullie de Tuin binnen te gaan, terwijl het equivalent van wat zij hebben gekend die voor jullie voorbijgegaan zijn nog niet tot jullie is gekomen? De tegenspoed en de schade hebben hen getroffen, en zij werden zo geschokt dat de gezant en zij die met hem geloofd hadden zeiden: “Wanneer dan het ontzet van God?”
ام حسٮٮم اں ٮدحلوا الحٮه ولما ٮاٮكم مٮل الدٮں حلوا مں ڡٮلكم مسٮهم الٮاسا والصرا ورلرلوا حٮى ٮڡول الرسول والدٮں امٮوا معه مٮى ٮصر الله
Is het niet zo: het ontzet van God is gewis nabij!
الا اں ٮصر الله ڡرٮٮ
Zij ondervragen je: wat moeten zij uitgeven?
ٮسلوٮك مادا ٮٮڡڡوں
Zeg: “Wat jullie aan goeds uitgeven komt toe aan de twee ouders, de verwanten, de weeskinderen, de behoeftigen, en de doorreiziger.
ڡل ما اٮڡڡٮم مں حٮر ڡللولدٮں والاڡرٮٮں والٮٮمى والمسكٮں واٮں السٮٮل
En welk goed jullie ook doen, God is er gewis Alwetend over.”
وما ٮڡعلوا مں حٮر ڡاں الله ٮه علٮم
Het gevecht is jullie voorgeschreven, terwijl jullie er een afkeer van hebben.
كٮٮ علٮكم الڡٮال وهو كره لكم
En het kan zijn dat jullie een afkeer hebben van iets, terwijl het een goed voor jullie is;
وعسى اں ٮكرهوا سٮا وهو حٮر لكم
en het kan zijn dat jullie van iets houden, terwijl het een kwaad voor jullie is.
وعسى اں ٮحٮوا سٮا وهو سر لكم
God weet,
والله ٮعلم
en jullie weten niet.
واٮٮم لا ٮعلموں
Zij ondervragen je over de onschendbare maand, over het gevecht dat daarin zou plaatsvinden.
ٮسلوٮك عں السهر الحرام ڡٮال ڡٮه
Zeg: “Daarin vechten is ernstig;
ڡل ڡٮال ڡٮه كٮٮر
maar de weg van God versperren, Hem verloochenen, de toegang tot de onschendbare plaats van neerwerping versperren, en haar lieden eruit verdrijven, is nog ernstiger bij God;
وصد عں سٮٮل الله وكڡر ٮه والمسحد الحرام واحراح اهله مٮه اكٮر عٮد الله
en de beproeving is ernstiger dan de moord.
والڡٮٮه اكٮر مں الڡٮل
En zij zullen niet ophouden tegen jullie te vechten totdat zij jullie van jullie Wet hebben doen afzien, indien zij kunnen.
ولا ٮرالوں ٮڡٮلوٮكم حٮى ٮردوكم عں دٮٮكم اں اسٮطعوا
En wie van jullie van zijn Wet afziet, en sterft terwijl hij verloochent – dat zijn zij wier werken zijn ingestort, hienieden en in het laatste leven,
ومں ٮرٮدد مٮكم عں دٮٮه ڡٮمٮ وهو كاڡر ڡاولٮك حٮطٮ اعملهم ڡى الدٮٮا والاحره
en dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.”
واولٮك اصحٮ الٮار هم ڡٮها حلدوں
Gewis, zij die geloofd hebben, zij die geëmigreerd zijn en gestreden hebben op de weg van God – dat zijn zij die hopen op de welwillendheid van God.
اں الدٮں امٮوا والدٮں هاحروا وحهدوا ڡى سٮٮل الله اولٮك ٮرحوں رحمٮ الله
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
والله عڡور رحٮم
Zij ondervragen je over de wijn en de kansspelen.
ٮسلوٮك عں الحمر والمٮسر
Zeg: “Er is in beide een grote overtreding, en voordelen voor de mensen;
ڡل ڡٮهما اٮم كٮٮر ومٮڡع للٮاس
maar hun overtreding is groter dan hun voordeel.”
واٮمهما اكٮر مں ٮڡعهما
En zij ondervragen je: wat moeten zij uitgeven? Zeg: “Het overtollige.”
وٮسلوٮك مادا ٮٮڡڡوں ڡل العڡو
Zo maakt God jullie de tekenen duidelijk, misschien zullen jullie nadenken over het hienieden en over het laatste leven.
كدلك ٮٮٮں الله لكم الاٮٮ لعلكم ٮٮڡكروں ڡى الدٮٮا والاحره
En zij ondervragen je over de weeskinderen. Zeg: “Hun situatie saneren is een goed;
وٮسلوٮك عں الٮٮمى ڡل اصلاح لهم حٮر
en indien jullie jullie zaken met de hunne vermengen, dan zijn zij jullie broers.
واں ٮحالطوهم ڡاحوٮكم
God onderscheidt de bederver van hem die saneert.
والله ٮعلم المڡسد مں المصلح
En had het God behaagd, dan zou Hij jullie hebben overweldigd,
ولو سا الله لاعٮٮكم
want God is Almachtig, Wijs.”
اں الله عرٮر حكٮم
En trouw niet met de vrouwen die associëren, totdat zij geloven;
ولا ٮٮكحوا المسركٮ حٮى ٮومں
en een gelovende gehoorzame vrouw is gewis beter dan een vrouw die associeert, ook al verblindt deze jullie.
ولامه مومٮه حٮر مں مسركه ولو اعحٮٮكم
En geef niet ten huwelijk aan hen die associëren, totdat zij geloven;
ولا ٮٮكحوا المسركٮں حٮى ٮومٮوا
en een gelovende gehoorzame man is gewis beter dan een man die associeert, ook al verblindt deze jullie.
ولعٮد مومں حٮر مں مسرك ولو اعحٮكم
Dat zijn zij die roepen naar het Vuur,
اولٮك ٮدعوں الى الٮار
terwijl God roept naar de Tuin en de vergeving, met Zijn toestemming,
والله ٮدعوا الى الحٮه والمعڡره ٮادٮه
en Hij maakt Zijn tekenen duidelijk voor de mensen, misschien zullen zij zich herinneren.
وٮٮٮں اٮٮه للٮاس لعلهم ٮٮدكروں
En zij ondervragen je over de menstruatie. Zeg: “Het is een hinder;
وٮسلوٮك عں المحٮص ڡل هو ادى
houd jullie dus afzijdig van de vrouwen tijdens de menstruatie,
ڡاعٮرلوا الٮسا ڡى المحٮص
en nader hen niet totdat zij niet meer gehinderd zijn.
ولا ٮڡرٮوهں حٮى ٮطهرں
En zodra zij het niet meer zijn, verenig jullie met hen daar waar God het jullie heeft bevolen,
ڡادا ٮطهرں ڡاٮوهں مں حٮٮ امركم الله
want God houdt van hen die terugkeren, en Hij houdt van hen die zich rein houden.”
اں الله ٮحٮ الٮوٮٮں وٮحٮ المٮطهرٮں
Jullie vrouwen zijn voor jullie een akker; verenig jullie dus met jullie akker zoals het jullie behaagt,
ٮساوكم حرٮ لكم ڡاٮوا حرٮكم اٮى سٮٮم
en stuur voor jullie zelf vooruit;
وڡدموا لاٮڡسكم
en behoed jullie voor God,
واٮڡوا الله
en weet dat jullie Hem zullen ontmoeten.
واعلموا اٮكم ملڡوه
En kondig het goede nieuws aan de gelovenden aan.
وٮسر المومٮٮں
En maak God, in jullie eden, niet tot een voorwendsel dat jullie naar believen gebruiken,
ولا ٮحعلوا الله عرصه لاٮمٮكم
om te getuigen dat jullie deugdzaam zijn, dat jullie je behoeden, en dat jullie de mensen verzoenen.
اں ٮٮروا وٮٮڡوا وٮصلحوا ٮٮں الٮاس
God is de Alhorende, de Alwetende.
والله سمٮع علٮم
God zal jullie niet grijpen om de nietigheid in jullie eden,
لا ٮواحدكم الله ٮاللعو ڡى اٮمٮكم
maar Hij zal jullie grijpen om wat jullie kernen hebben verworven.
ولكں ٮواحدكم ٮما كسٮٮ ڡلوٮكم
God is Zeer Vergevensgezind, Lankmoedig.
والله عڡور حلٮم
Voor hen die een eed afleggen zich van hun vrouwen afzijdig te houden, vier maanden van afwachting;
للدٮں ٮولوں مں ٮساٮهم ٮرٮص ارٮعه اسهر
en indien zij thuiskeren, dan is God gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
ڡاں ڡاو ڡاں الله عڡور رحٮم
En indien zij vastbesloten zijn tot de verstoting, dan is God gewis de Alhorende, de Alwetende.
واں عرموا الطلٯ ڡاں الله سمٮع علٮم
En de verstoten vrouwen blijven in afwachting gedurende drie cycli;
والمطلڡٮ ٮٮرٮصں ٮاٮڡسهں ٮلٮه ڡرو
en het is hun niet geoorloofd te verzwijgen wat God in hun baarmoeders heeft geschapen, indien zij in God en in de Laatste Dag geloven.
ولا ٮحل لهں اں ٮكٮمں ما حلٯ الله ڡى ارحامهں اں كں ٮومں ٮالله والٮوم الاحر
En hun gemalen hebben meer recht om hen daarin terug te brengen, indien zij een verzoening willen.
وٮعولٮهں احٯ ٮردهں ڡى دلك اں ارادوا اصلحا
En zij hebben rechten die equivalent zijn aan hun verplichtingen, volgens het naar gebruik erkende;
ولهں مٮل الدى علٮهں ٮالمعروڡ
en de mannen hebben, over hen, een graad.
وللرحال علٮهں درحه
God is Almachtig, Wijs.
والله عرٮر حكٮم
De verstoting, dat is tweemaal.
الطلٯ مرٮاں
Dan, hetzij een terugneming volgens het naar gebruik erkende, hetzij een bevrijding met goede gratie.
ڡامساك ٮمعروڡ او ٮسرٮح ٮاحسں
En het is jullie niet geoorloofd iets terug te nemen van wat jullie hun hebben gegeven, behalve indien beiden vrezen de grenzen van God niet te onderhouden.
ولا ٮحل لكم اں ٮاحدوا مما اٮٮٮموهں سٮا الا اں ٮحاڡا الا ٮڡٮما حدود الله
En indien jullie vrezen dat zij de grenzen van God niet onderhouden, geen verwijt tegen hen beiden voor datgene waarmee zij zich vrijkoopt.
ڡاں حڡٮم الا ٮڡٮما حدود الله ڡلا حٮاح علٮهما ڡٮما اڡٮدٮ ٮه
Dat zijn de grenzen van God,
ٮلك حدود الله
overschrijd ze dus niet.
ڡلا ٮعٮدوها
En wie de grenzen van God overschrijdt – dat zijn de onrechtvaardigen.
ومں ٮٮعد حدود الله ڡاولٮك هم الطلموں
Indien hij haar verstoot, dan is zij hem hierna niet meer geoorloofd, totdat zij met een andere echtgenoot dan hij trouwt.
ڡاں طلڡها ڡلا ٮحل له مں ٮعد حٮى ٮٮكح روحا عٮره
En indien deze haar verstoot, geen verwijt tegen hen beiden om weer aan te knopen, indien zij vermoeden dat zij de grenzen van God zullen onderhouden.
ڡاں طلڡها ڡلا حٮاح علٮهما اں ٮٮراحعا اں طٮا اں ٮڡٮما حدود الله
En dat zijn de grenzen van God, die Hij duidelijk maakt voor een volk dat weet.
وٮلك حدود الله ٮٮٮٮها لڡوم ٮعلموں
En wanneer jullie de vrouwen verstoten, en zij hun termijn bereiken, houd ze dan volgens het naar gebruik erkende, of bevrijd ze volgens het naar gebruik erkende;
وادا طلڡٮم الٮسا ڡٮلعں احلهں ڡامسكوهں ٮمعروڡ او سرحوهں ٮمعروڡ
en houd ze niet om te schaden, om aan te vallen.
ولا ٮمسكوهں صرارا لٮعٮدوا
En wie dit doet, heeft onrecht gedaan aan zichzelf.
ومں ٮڡعل دلك ڡڡد طلم ٮڡسه
En neem de tekenen van God niet tot voorwerp van hoon.
ولا ٮٮحدوا اٮٮ الله هروا
En herinner jullie de weldaad van God over jullie, en ook wat Hij over jullie aan de Schrift en de wijsheid heeft doen neerdalen, waarmee Hij jullie vermaant.
وادكروا ٮعمٮ الله علٮكم وما اٮرل علٮكم مں الكٮٮ والحكمه ٮعطكم ٮه
En behoed jullie voor God,
واٮڡوا الله
en weet dat God Alwetend is over alles.
واعلموا اں الله ٮكل سى علٮم
En wanneer jullie de vrouwen verstoten, en zij hun termijn bereiken, belet hen niet met hun echtgenoten te trouwen, zodra er tussen hen een wederzijdse instemming is volgens het naar gebruik erkende.
وادا طلڡٮم الٮسا ڡٮلعں احلهں ڡلا ٮعصلوهں اں ٮٮكحں اروحهں ادا ٮرصوا ٮٮٮهم ٮالمعروڡ
Dat is waartoe vermaand wordt wie van jullie in God en in de Laatste Dag gelooft.
دلك ٮوعط ٮه مں كاں مٮكم ٮومں ٮالله والٮوم الاحر
Dit is zuiverder voor jullie, en reiner.
دلكم اركى لكم واطهر
God weet, en jullie weten niet.
والله ٮعلم واٮٮم لا ٮعلموں
En de moeders nemen de volledige zorg voor hun kinderen op zich, twee volle jaarkringen,
والولدٮ ٮرصعں اولدهں حولٮں كاملٮں
voor wie deze volledige zorg wil voltooien.
لمں اراد اں ٮٮم الرصاعه
En op hem aan wie het kind is geboren rust de plicht te voorzien in hun leeftocht en hun kleding, volgens het naar gebruik erkende.
وعلى المولود له ررڡهں وكسوٮهں ٮالمعروڡ
Geen Zelf wordt belast boven zijn vermogen.
لا ٮكلڡ ٮڡس الا وسعها
Dat geen moeder schade ondergaat vanwege haar kind, noch hij aan wie het kind is geboren, vanwege zijn kind.
لا ٮصار ولده ٮولدها ولا مولود له ٮولده
En op de erfgenaam rust hetzelfde.
وعلى الوارٮ مٮل دلك
En indien zij een spening willen, uit wederzijdse instemming onder hen en na overleg, geen verwijt tegen hen beiden.
ڡاں ارادا ڡصالا عں ٮراص مٮهما وٮساور ڡلا حٮاح علٮهما
En indien jullie jullie kinderen in volledige zorg willen laten nemen, geen verwijt tegen jullie, zodra jullie overdragen wat jullie te geven hebben, volgens het naar gebruik erkende.
واں اردٮم اں ٮسٮرصعوا اولدكم ڡلا حٮاح علٮكم ادا سلمٮم ما اٮٮٮم ٮالمعروڡ
En behoed jullie voor God,
واٮڡوا الله
en weet dat God Alziend is over wat jullie doen.
واعلموا اں الله ٮما ٮعملوں ٮصٮر
En zij onder jullie die getrouw in bewaring gehouden worden terwijl zij echtgenoten achterlaten, deze blijven in afwachting gedurende vier maanden en tien;
والدٮں ٮٮوڡوں مٮكم وٮدروں اروحا ٮٮرٮصں ٮاٮڡسهں ارٮعه اسهر وعسرا
en zodra zij hun termijn bereiken, geen verwijt tegen jullie voor wat zij uit zichzelf doen volgens het naar gebruik erkende.
ڡادا ٮلعں احلهں ڡلا حٮاح علٮكم ڡٮما ڡعلں ڡى اٮڡسهں ٮالمعروڡ
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
والله ٮما ٮعملوں حٮٮر
En geen verwijt tegen jullie, in wat jullie laten doorschemeren als huwelijksaanzoek aan de vrouwen, of in jullie zelf herbergen.
ولا حٮاح علٮكم ڡٮما عرصٮم ٮه مں حطٮه الٮسا او اكٮٮٮم ڡى اٮڡسكم
God weet dat jullie aan hen zullen denken; maar beloof hun niets in het geheim,
علم الله اٮكم سٮدكروٮهں ولكں لا ٮواعدوهں سرا
behalve een erkende uitspraak te zeggen.
الا اں ٮڡولوا ڡولا معروڡا
En sluit het huwelijkscontract niet voordat het document zijn termijn bereikt.
ولا ٮعرموا عڡده الٮكاح حٮى ٮٮلع الكٮٮ احله
En weet dat God weet wat in jullie Zelven is; wees dus waakzaam jegens Hem.
واعلموا اں الله ٮعلم ما ڡى اٮڡسكم ڡاحدروه
En weet dat God Zeer Vergevensgezind is, Lankmoedig.
واعلموا اں الله عڡور حلٮم
Geen verwijt tegen jullie, indien jullie de vrouwen verstoten zolang jullie hen niet hebben aangeraakt, of voor hen geen verplichting hebben bedongen.
لا حٮاح علٮكم اں طلڡٮم الٮسا ما لم ٮمسوهں او ٮڡرصوا لهں ڡرٮصه
En geef hun een genieting – de welgestelde naar zijn maat, en de bescheiden naar zijn maat – een genieting volgens het naar gebruik erkende:
ومٮعوهں على الموسع ڡدره وعلى المڡٮر ڡدره مٮعا ٮالمعروڡ
een plicht voor hen die het goede doen.
حڡا على المحسٮٮں
En indien jullie hen verstoten voordat jullie hen hebben aangeraakt, terwijl jullie hun een verplichting hebben bedongen, de helft van wat jullie hebben bedongen, behalve indien zij het kwijtschelden, of indien hij in wiens handen het huwelijkscontract zich bevindt het kwijtscheldt.
واں طلڡٮموهں مں ڡٮل اں ٮمسوهں وڡد ڡرصٮم لهں ڡرٮصه ڡٮصڡ ما ڡرصٮم الا اں ٮعڡوں او ٮعڡوا الدى ٮٮده عڡده الٮكاح
En de kwijtschelding, dat is dichter bij de behoedzaamheid.
واں ٮعڡوا اڡرٮ للٮڡوى
En vergeet de gunst onder elkaar niet,
ولا ٮٮسوا الڡصل ٮٮٮكم
want God is Alziend over wat jullie doen.
اں الله ٮما ٮعملوں ٮصٮر
Bewaar de Contacten, en ook het meest volmaakte Contact, en houd jullie staande voor God, toegewijd.
حڡطوا على الصلوٮ والصلوه الوسطى وڡوموا لله ڡٮٮٮں
En indien jullie vrezen, dan te voet of bereden;
ڡاں حڡٮم ڡرحالا او ركٮاٮا
en zodra jullie in veiligheid zijn, herinner jullie God zoals Hij jullie heeft geleerd wat jullie niet wisten.
ڡادا امٮٮم ڡادكروا الله كما علمكم ما لم ٮكوٮوا ٮعلموں
En zij onder jullie die getrouw in bewaring gehouden worden terwijl zij echtgenoten achterlaten – een aanbeveling ten gunste van hun echtgenoten: een genieting tot de jaarkring, zonder verdrijving;
والدٮں ٮٮوڡوں مٮكم وٮدروں اروحا وصٮه لاروحهم مٮعا الى الحول عٮر احراح
maar indien zij naar buiten treden, geen verwijt tegen jullie voor wat zij uit zichzelf doen, in het naar gebruik erkende.
ڡاں حرحں ڡلا حٮاح علٮكم ڡى ما ڡعلں ڡى اٮڡسهں مں معروڡ
God is Almachtig, Wijs.
والله عرٮر حكٮم
En voor de verstoten vrouwen, een genieting volgens het naar gebruik erkende:
وللمطلڡٮ مٮع ٮالمعروڡ
een plicht voor hen die zich behoeden.
حڡا على المٮڡٮں
Zo maakt God jullie Zijn tekenen duidelijk, misschien zullen jullie redeneren.
كدلك ٮٮٮں الله لكم اٮٮه لعلكم ٮعڡلوں
Heb je hen niet gezien die uit hun woningen naar buiten zijn getreden, bij duizenden, waakzaam tegenover de dood? God zei hun toen: “Sterf”; daarna gaf Hij hun weer leven.
الم ٮر الى الدٮں حرحوا مں دٮرهم وهم الوڡ حدر الموٮ ڡڡال لهم الله موٮوا ٮم احٮهم
God bezit voorzeker een gunst jegens de mensen,
اں الله لدو ڡصل على الٮاس
maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮسكروں
En vecht op de weg van God, en weet dat God de Alhorende, de Alwetende is.
وڡٮلوا ڡى سٮٮل الله واعلموا اں الله سمٮع علٮم
Wie zal God dan een schone lening geven, die Hij hem vele malen zal verdubbelen?
مں دا الدى ٮڡرص الله ڡرصا حسٮا ڡٮصعڡه له اصعاڡا كٮٮره
God vernauwt en breidt uit,
والله ٮڡٮص وٮٮصط
en tot Hem zullen jullie teruggebracht worden.
والٮه ٮرحعوں
Heb je het hof niet gezien, onder de zonen van Israël, na Moesa, toen zij tegen een berichtgever die de hunne was zeiden: “Wek voor ons een koning op, opdat wij vechten op de weg van God”?
الم ٮر الى الملا مں ٮٮى اسرٮل مں ٮعد موسى اد ڡالوا لٮٮى لهم اٮعٮ لٮا ملكا ٮڡٮل ڡى سٮٮل الله
Hij zei: “Zou het kunnen dat, indien het gevecht jullie voorgeschreven werd, jullie niet vechten?”
ڡال هل عسٮٮم اں كٮٮ علٮكم الڡٮال الا ٮڡٮلوا
Zij zeiden: “En wat zouden wij hebben om niet te vechten op de weg van God, terwijl wij uit onze woningen en van onze zonen zijn verdreven?”
ڡالوا وما لٮا الا ٮڡٮل ڡى سٮٮل الله وڡد احرحٮا مں دٮرٮا واٮٮاٮٮا
Maar toen het gevecht hun voorgeschreven werd, keerden zij de rug toe, behalve weinigen van hen.
ڡلما كٮٮ علٮهم الڡٮال ٮولوا الا ڡلٮلا مٮهم
En God is Alwetend over de onrechtvaardigen.
والله علٮم ٮالطلمٮں
En hun berichtgever zei hun: “God heeft jullie gewis Taloet tot koning opgewekt.”
وڡال لهم ٮٮٮهم اں الله ڡد ٮعٮ لكم طالوٮ ملكا
Zij zeiden: “Hoe zou hij het koningschap over ons hebben, terwijl wij daar meer recht op hebben dan hij, en hem geen welstand aan bezittingen is gegeven?”
ڡالوا اٮى ٮكوں له الملك علٮٮا وٮحں احٯ ٮالملك مٮه ولم ٮوٮ سعه مں المال
Hij zei: “God heeft hem gewis boven jullie gekozen, en hem doen toenemen in omvang van weten en van gestel.”
ڡال اں الله اصطڡٮه علٮكم وراده ٮسطه ڡى العلم والحسم
God geeft Zijn koningschap aan wie het Hem behaagt.
والله ٮوٮى ملكه مں ٮسا
God is Veelomvattend, Alwetend.
والله وسع علٮم
En hun berichtgever zei hun: “Het teken van zijn koningschap zal zijn dat de kist tot jullie komt, waarin een kalmering van jullie Voogd is, en een overblijfsel van wat de clan van Moesa en de clan van Haroen hebben nagelaten, gedragen door de Gemachtigden.”
وڡال لهم ٮٮٮهم اں اٮه ملكه اں ٮاٮٮكم الٮاٮوٮ ڡٮه سكٮٮه مں رٮكم وٮڡٮه مما ٮرك ال موسى وال هروں ٮحمله الملٮكه
Voorzeker is daarin een teken voor jullie, indien jullie gelovenden zijn.
اں ڡى دلك لاٮه لكم اں كٮٮم مومٮٮں
Toen Taloet met de legers vertrok, zei hij: “God zal jullie op de proef stellen met een rivier: wie ervan drinkt is niet van de mijnen, en wie er zich niet mee voedt is gewis van de mijnen – behalve hij die er een teug van in zijn hand schept.”
ڡلما ڡصل طالوٮ ٮالحٮود ڡال اں الله مٮٮلٮكم ٮٮهر ڡمں سرٮ مٮه ڡلٮس مٮى ومں لم ٮطعمه ڡاٮه مٮى الا مں اعٮرڡ عرڡه ٮٮده
Zij dronken ervan, behalve weinigen van hen.
ڡسرٮوا مٮه الا ڡلٮلا مٮهم
Daarna, toen hij en zij die met hem geloofd hadden de rivier waren overgestoken, zeiden zij: “Wij hebben vandaag geen enkele kracht tegen Djaloet en zijn legers.”
ڡلما حاوره هو والدٮں امٮوا معه ڡالوا لا طاڡه لٮا الٮوم ٮحالوٮ وحٮوده
Zij die vermoedden dat zij God zouden ontmoeten zeiden: “Hoeveel weinig talrijke bataljons hebben grote bataljons overwonnen, met de toestemming van God!”
ڡال الدٮں ٮطٮوں اٮهم ملڡوا الله كم مں ڡٮه ڡلٮله علٮٮ ڡٮه كٮٮره ٮادں الله
God is met de geduldigen.
والله مع الصٮرٮں
En toen zij zich opstelden tegenover Djaloet en zijn legers, zeiden zij: “Onze Voogd, overstroom ons met geduld, maak onze passen standvastig, en help ons tegen het volk dat verloochent”; zij joegen hen toen op de vlucht, met de toestemming van God,
ولما ٮرروا لحالوٮ وحٮوده ڡالوا رٮٮا اڡرع علٮٮا صٮرا وٮٮٮ اڡدامٮا واٮصرٮا على الڡوم الكڡرٮں ڡهرموهم ٮادں الله
en Dawoed doodde Djaloet; God gaf hem het koningschap en de wijsheid, en leerde hem wat het Hem behaagde.
وڡٮل داود حالوٮ واٮٮه الله الملك والحكمه وعلمه مما ٮسا
En indien God de mensen niet de een door de ander terugdreef, zou de aarde gewis overgeleverd zijn aan het bederf;
ولولا دڡع الله الٮاس ٮعصهم ٮٮعص لڡسدٮ الارص
maar God bezit een gunst jegens alle wezens.
ولكں الله دو ڡصل على العلمٮں
Dat zijn de tekenen van God, die Wij jou voordragen in alle waarheid,
ٮلك اٮٮ الله ٮٮلوها علٮك ٮالحٯ
en jij behoort voorzeker tot de gezondenen.
واٮك لمں المرسلٮں
Dat zijn de gezanten:
ٮلك الرسل
Wij hebben de enen boven de anderen begunstigd.
ڡصلٮا ٮعصهم على ٮعص
Onder hen zijn er tot wie God gesproken heeft,
مٮهم مں كلم الله
en Hij heeft anderen in graden verheven.
ورڡع ٮعصهم درحٮ
En Wij hebben aan Isa, zoon van Marjam, de duidelijke bewijzen gegeven, en Wij hebben hem versterkt door de heilige Toestroom.
واٮٮٮا عٮسى اٮں مرٮم الٮٮٮٮ واٮدٮه ٮروح الڡدس
En had het God behaagd, dan zouden zij die na hen kwamen elkaar niet hebben gedood, nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen;
ولو سا الله ما اڡٮٮل الدٮں مں ٮعدهم مں ٮعد ما حاٮهم الٮٮٮٮ
maar zij liepen uiteen:
ولكں احٮلڡوا
onder hen zijn er die geloofden, en er zijn er die verloochenden.
ڡمٮهم مں امں ومٮهم مں كڡر
En had het God behaagd, dan zouden zij elkaar niet hebben gedood;
ولو سا الله ما اڡٮٮلوا
maar God doet wat Hij wil.
ولكں الله ٮڡعل ما ٮرٮد
O jullie die geloofd hebben! Geef uit van datgene waarvan Wij jullie hebben voorzien, voordat er een dag komt waarop er geen koop, geen vriendschap en geen bemiddeling zal zijn.
ٮاٮها الدٮں امٮوا اٮڡڡوا مما ررڡٮكم مں ڡٮل اں ٮاٮى ٮوم لا ٮٮع ڡٮه ولا حله ولا سڡعه
En zij die verloochenen – dat zijn de onrechtvaardigen.
والكڡروں هم الطلموں
God, geen godheid behalve Hij,
الله لا اله الا هو
de Levende, Hij die door Zichzelf bestaat.
الحى الڡٮوم
Noch sluimering noch slaap grijpen Hem.
لا ٮاحده سٮه ولا ٮوم
Aan Hem behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
له ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص
Wie treedt dan als bemiddelaar op bij Hem, behalve met Zijn toestemming?
مں دا الدى ٮسڡع عٮده الا ٮادٮه
Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is,
ٮعلم ما ٮٮں اٮدٮهم وما حلڡهم
en zij omvatten niets van Zijn weten, behalve voor zover het Hem behaagt.
ولا ٮحٮطوں ٮسى مں علمه الا ٮما سا
En Zijn Zetel breidt zich uit over de hemelen en de aarde,
وسع كرسٮه السموٮ والارص
en hun bewaring valt Hem in niets zwaar.
ولا ٮوده حڡطهما
Hij is de Allerhoogste, de Ontzaglijke.
وهو العلى العطٮم
Geen dwang in de Wet:
لا اكراه ڡى الدٮں
de rechtschapenheid heeft zich onderscheiden van het dolen.
ڡد ٮٮٮں الرسد مں العى
Wie de Mateloze verloochent en in God gelooft heeft zich stevig gehecht aan het veiligste hengsel, dat nooit breekt.
ڡمں ٮكڡر ٮالطعوٮ وٮومں ٮالله ڡڡد اسٮمسك ٮالعروه الوٮڡى لا اٮڡصام لها
God is de Alhorende, de Alwetende.
والله سمٮع علٮم
God is de verantwoordelijke van hen die geloofd hebben, Hij doet hen uit de duisternissen naar het licht naar buiten treden.
الله ولى الدٮں امٮوا ٮحرحهم مں الطلمٮ الى الٮور
En zij die verloochenen, hun bondgenoten zijn de Mateloze, die hen uit het licht naar de duisternissen doet naar buiten treden.
والدٮں كڡروا اولٮاوهم الطعوٮ ٮحرحوٮهم مں الٮور الى الطلمٮ
Dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
اولٮك اصحٮ الٮار هم ڡٮها حلدوں
Heb je hem niet gezien die met Ibrahim een geschil had over zijn Voogd, omdat God hem het koningschap had gegeven? Toen Ibrahim zei: “Mijn Voogd is Hij die doet leven en doet sterven”,
الم ٮر الى الدى حاح اٮرهم ڡى رٮه اں اٮٮه الله الملك اد ڡال اٮرهم رٮى الدى ٮحى وٮمٮٮ
zei hij: “Ik, ik doe leven en ik doe sterven.”
ڡال اٮا احى وامٮٮ
Ibrahim zei: “God laat gewis de zon uit de opgang komen; laat haar dus uit de ondergang komen”; hij die verloochende bleef toen met onsamenhangende woorden achter.
ڡال اٮرهم ڡاں الله ٮاٮى ٮالسمس مں المسرٯ ڡاٮ ٮها مں المعرٮ ڡٮهٮ الدى كڡر
En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
والله لا ٮهدى الڡوم الطلمٮں
Of zoals hij die langskwam bij een stad die leeg was ondanks haar gebouwen.
او كالدى مر على ڡرٮه وهى حاوٮه على عروسها
Hij zei: “Hoe zal God haar weer leven geven, na haar dood?” God deed hem toen sterven, honderd jaren lang, daarna wekte Hij hem op.
ڡال اٮى ٮحى هده الله ٮعد موٮها ڡاماٮه الله ماٮه عام ٮم ٮعٮه
Hij zei: “Hoeveel tijd heb je doorgebracht?”
ڡال كم لٮٮٮ
Hij zei: “Ik heb een dag doorgebracht, of een deel van een dag.”
ڡال لٮٮٮ ٮوما او ٮعص ٮوم
Hij zei: “Nee, je hebt honderd jaren doorgebracht.
ڡال ٮل لٮٮٮ ماٮه عام
Kijk dus naar je voedsel en je drank: zij hebben niet gewacht;
ڡاٮطر الى طعامك وسراٮك لم ٮٮسٮه
en kijk naar je ezel –
واٮطر الى حمارك
en opdat Wij van jou een teken voor de mensen maken.
ولٮحعلك اٮه للٮاس
En kijk naar de beenderen, hoe Wij ze ontvouwen, en ze daarna met vlees bekleden.”
واٮطر الى العطام كٮڡ ٮٮسرها ٮم ٮكسوها لحما
Toen het hem duidelijk was geworden, zei hij: “Ik weet dat God in staat is tot alles.”
ڡلما ٮٮٮں له ڡال اعلم اں الله على كل سى ڡدٮر
En toen Ibrahim zei: “Mijn Voogd, toon mij hoe U de doden weer leven geeft.”
واد ڡال اٮرهم رٮ ارٮى كٮڡ ٮحى الموٮى
Hij zei: “Geloof je dan niet?”
ڡال اولم ٮومں
Hij zei: “Jawel, maar het is opdat mijn kern gerustheid vindt.”
ڡال ٮلى ولكں لٮطمٮں ڡلٮى
Hij zei: “Neem dan vier vogels, tem ze bij je, plaats vervolgens, op elke berg, een deel van hen, roep hen vervolgens: zij zullen tot je komen, zich voortspoedend.
ڡال ڡحد ارٮعه مں الطٮر ڡصرهں الٮك ٮم احعل على كل حٮل مٮهں حرا ٮم ادعهں ٮاٮٮٮك سعٮا
En weet dat God Almachtig, Wijs is.”
واعلم اں الله عرٮر حكٮم
Het voorbeeld van hen die hun bezittingen uitgeven op de weg van God is dat van een korrel die zeven aren doet ontspruiten,
مٮل الدٮں ٮٮڡڡوں امولهم ڡى سٮٮل الله كمٮل حٮه اٮٮٮٮ سٮع سٮاٮل
waarbij elke aar honderd korrels telt.
ڡى كل سٮٮله ماٮه حٮه
God verdubbelt voor wie het Hem behaagt.
والله ٮصعڡ لمں ٮسا
God is Veelomvattend, Alwetend.
والله وسع علٮم
Zij die hun bezittingen uitgeven op de weg van God, en vervolgens niet laten gelden wat zij hebben uitgegeven, noch schaden, hebben hun beloning bij hun Voogd; geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
الدٮں ٮٮڡڡوں امولهم ڡى سٮٮل الله ٮم لا ٮٮٮعوں ما اٮڡڡوا مٮا ولا ادى لهم احرهم عٮد رٮهم ولا حوڡ علٮهم ولا هم ٮحرٮوں
Een erkende uitspraak en een vergeving zijn beter dan liefdadigheid gevolgd door hinder.
ڡول معروڡ ومعڡره حٮر مں صدڡه ٮٮٮعها ادى
God is Rijk, Lankmoedig.
والله عٮى حلٮم
O jullie die geloofd hebben! Maak jullie liefdadigheden niet vergeefs door ze te laten gelden en te schaden, zoals hij die zijn bezit uitgeeft uit vertoon voor de mensen, en niet gelooft in God noch in de Laatste Dag.
ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮٮطلوا صدڡٮكم ٮالمں والادى كالدى ٮٮڡٯ ماله رٮا الٮاس ولا ٮومں ٮالله والٮوم الاحر
Zijn voorbeeld is dat van een gladde rots bedekt met aarde: een stortregen overkomt hem, en laat hem kaal achter.
ڡمٮله كمٮل صڡواں علٮه ٮراٮ ڡاصاٮه واٮل ڡٮركه صلدا
Zij bezitten niets van wat zij hebben verworven.
لا ٮڡدروں على سى مما كسٮوا
En God leidt het volk dat verloochent niet.
والله لا ٮهدى الڡوم الكڡرٮں
En het voorbeeld van hen die hun bezittingen uitgeven, de instemming van God zoekend en de versteviging van hun eigen Zelven, is dat van een tuin op een hoogte: een stortregen overkomt hem, en hij geeft zijn spijzen dubbel; en als geen enkele stortregen hem overkomt, dan een motregen.
ومٮل الدٮں ٮٮڡڡوں امولهم اٮٮعا مرصاٮ الله وٮٮٮٮٮا مں اٮڡسهم كمٮل حٮه ٮرٮوه اصاٮها واٮل ڡاٮٮ اكلها صعڡٮں ڡاں لم ٮصٮها واٮل ڡطل
En God is Alziend over wat jullie doen.
والله ٮما ٮعملوں ٮصٮر
Zou een van jullie een tuin van palmbomen en wijnstokken willen hebben, waaronder de rivieren stromen, waar hij allerlei vruchten zou hebben, en dan dat de grote ouderdom hem overkomt, terwijl hij een zwak nageslacht heeft, en dat een wervelwind van vuur de tuin overkomt, en dat hij verbrandt?
اٮود احدكم اں ٮكوں له حٮه مں ٮحٮل واعٮاٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر له ڡٮها مں كل الٮمرٮ واصاٮه الكٮر وله درٮه صعڡا ڡاصاٮها اعصار ڡٮه ٮار ڡاحٮرڡٮ
Zo maakt God voor jullie de tekenen duidelijk, misschien zullen jullie nadenken.
كدلك ٮٮٮں الله لكم الاٮٮ لعلكم ٮٮڡكروں
O jullie die geloofd hebben! Geef uit van de goede dingen die jullie hebben verworven, en van wat Wij voor jullie uit de aarde naar buiten hebben gebracht,
ٮاٮها الدٮں امٮوا اٮڡڡوا مں طٮٮٮ ما كسٮٮم ومما احرحٮا لكم مں الارص
en richt jullie niet op wat daarvan snood is om het uit te geven, terwijl jullie het zelf alleen zouden nemen door er de ogen voor te sluiten.
ولا ٮٮمموا الحٮٮٮ مٮه ٮٮڡڡوں ولسٮم ٮاحدٮه الا اں ٮعمصوا ڡٮه
En weet dat God Rijk, Lofwaardig is.
واعلموا اں الله عٮى حمٮد
De Afleider belooft jullie de armoede, en beveelt jullie de schanddaad,
السٮطں ٮعدكم الڡڡر وٮامركم ٮالڡحسا
terwijl God jullie belooft, van Zijn zijde, een vergeving en een gunst.
والله ٮعدكم معڡره مٮه وڡصلا
God is Veelomvattend, Alwetend.
والله وسع علٮم
Hij geeft de wijsheid aan wie het Hem behaagt,
ٮوٮى الحكمه مں ٮسا
en wie de wijsheid ontvangt, heeft een overvloedig goed ontvangen.
ومں ٮوٮ الحكمه ڡڡد اوٮى حٮرا كٮٮرا
En alleen de houders van intelligentie herinneren het zich.
وما ٮدكر الا اولوا الالٮٮ
En welke uitgave jullie ook uitgeven, of welke gelofte jullie ook doen, God kent het gewis.
وما اٮڡڡٮم مں ٮڡڡه او ٮدرٮم مں ٮدر ڡاں الله ٮعلمه
En de onrechtvaardigen hebben geen enkele hulp.
وما للطلمٮں مں اٮصار
Als jullie de liefdadigheden zichtbaar maken, is dat uitstekend;
اں ٮٮدوا الصدڡٮ ڡٮعما هى
en als jullie ze verbergen en ze aan de armen geven, is dat beter voor jullie, en Wij zullen een deel van jullie slechte daden bedekken.
واں ٮحڡوها وٮوٮوها الڡڡرا ڡهو حٮر لكم وٮكڡر عٮكم مں سٮاٮكم
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
والله ٮما ٮعملوں حٮٮر
Het rust niet op jou hen te leiden,
لٮس علٮك هدٮهم
maar God leidt wie het Hem behaagt.
ولكں الله ٮهدى مں ٮسا
En welk goed jullie ook uitgeven, het is voor jullie zelf.
وما ٮٮڡڡوا مں حٮر ڡلاٮڡسكم
En jullie geven slechts uit door de richting van God te zoeken.
وما ٮٮڡڡوں الا اٮٮعا وحه الله
En welk goed jullie ook uitgeven, het zal jullie getrouw worden teruggegeven, en jullie zullen geen onrecht ondergaan.
وما ٮٮڡڡوا مں حٮر ٮوڡ الٮكم واٮٮم لا ٮطلموں
Dat komt toe aan de armen die belemmerd zijn op de weg van God, die de aarde niet kunnen doorkruisen: de onwetende houdt hen voor rijk, vanwege hun terughoudendheid;
للڡڡرا الدٮں احصروا ڡى سٮٮل الله لا ٮسٮطٮعوں صرٮا ڡى الارص ٮحسٮهم الحاهل اعٮٮا مں الٮعڡڡ
jij herkent hen aan hun kenmerken: zij vragen de mensen niet met aandrang.
ٮعرڡهم ٮسٮمهم لا ٮسلوں الٮاس الحاڡا
En welk goed jullie ook uitgeven, God is er gewis Alwetend over.
وما ٮٮڡڡوا مں حٮر ڡاں الله ٮه علٮم
Zij die hun bezittingen uitgeven bij nacht en bij dag, in het geheim en openlijk, hebben hun beloning bij hun Voogd; geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
الدٮں ٮٮڡڡوں امولهم ٮالٮل والٮهار سرا وعلاٮٮه ڡلهم احرهم عٮد رٮهم ولا حوڡ علٮهم ولا هم ٮحرٮوں
Zij die woeker verslinden, staan slechts op zoals iemand opstaat die de Afleider door zijn aanraking doet waggelen.
الدٮں ٮاكلوں الرٮوا لا ٮڡوموں الا كما ٮڡوم الدى ٮٮحٮطه السٮطں مں المس
Dat komt doordat zij hebben gezegd: “De verkoop is nooit anders dan gelijkend aan de woeker”;
دلك ٮاٮهم ڡالوا اٮما الٮٮع مٮل الرٮوا
doch God heeft de verkoop geoorloofd gemaakt, en de woeker ontzegd.
واحل الله الٮٮع وحرم الرٮوا
Wie, nadat een vermaning van zijn Voogd hem bereikt heeft, ophoudt – hem komt toe wat voorbij is,
ڡمں حاه موعطه مں رٮه ڡاٮٮهى ڡله ما سلڡ
en zijn zaak berust bij God;
وامره الى الله
maar wie recidiveert – dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
ومں عاد ڡاولٮك اصحٮ الٮار هم ڡٮها حلدوں
God maakt de woeker tot niets, en doet de liefdadigheden aangroeien.
ٮمحٯ الله الرٮوا وٮرٮى الصدڡٮ
God houdt van geen enkele grote verloochenaar, overtreder.
والله لا ٮحٮ كل كڡار اٮٮم
Gewis hebben zij die geloofd hebben, de deugdelijke werken hebben verricht, het Contact hebben onderhouden, en de zuivere vrijgevigheid hebben gegeven, hun beloning bij hun Voogd; geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
اں الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ واڡاموا الصلوه واٮوا الركوه لهم احرهم عٮد رٮهم ولا حوڡ علٮهم ولا هم ٮحرٮوں
O jullie die geloofd hebben! Behoed jullie voor God, en laat achter wat er van de woeker overblijft, als jullie gelovenden zijn.
ٮاٮها الدٮں امٮوا اٮڡوا الله ودروا ما ٮڡى مں الرٮوا اں كٮٮم مومٮٮں
Als jullie het niet doen, houd jullie dan voor gewaarschuwd voor een oorlog van de zijde van God en van Zijn gezant;
ڡاں لم ٮڡعلوا ڡادٮوا ٮحرٮ مں الله ورسوله
en als jullie terugkeren, is de hoofdsom van jullie bezittingen voor jullie, zonder dat jullie onrechtvaardig zijn en zonder dat jullie onrecht ondergaan.
واں ٮٮٮم ڡلكم روس امولكم لا ٮطلموں ولا ٮطلموں
En als iemand in moeilijkheden verkeert, dan uitstel tot het gemak;
واں كاں دو عسره ڡٮطره الى مٮسره
en dat jullie er liefdadigheid van maken is beter voor jullie, als jullie het wisten.
واں ٮصدڡوا حٮر لكم اں كٮٮم ٮعلموں
En behoed jullie voor een dag waarop jullie tot God teruggebracht zullen worden,
واٮڡوا ٮوما ٮرحعوں ڡٮه الى الله
waarop elk Zelf getrouw zal ontvangen wat het heeft verworven, zonder onrecht te ondergaan.
ٮم ٮوڡى كل ٮڡس ما كسٮٮ وهم لا ٮطلموں
O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie onder elkaar een schuld aangaan voor een genoemde termijn, stel die dan op schrift.
ٮاٮها الدٮں امٮوا ادا ٮداٮٮٮم ٮدٮں الى احل مسمى ڡاكٮٮوه
En laat een schrijver het onder jullie met rechtvaardigheid opschrijven,
ولٮكٮٮ ٮٮٮكم كاٮٮ ٮالعدل
en laat geen enkele schrijver weigeren te schrijven,
ولا ٮاٮ كاٮٮ اں ٮكٮٮ
naar wat God hem onderwezen heeft; laat hij dan schrijven,
كما علمه الله ڡلٮكٮٮ
en laat degene op wie het verschuldigde drukt dicteren, en laat hij zich behoeden voor God, zijn Voogd, en er niets van afknijpen.
ولٮملل الدى علٮه الحٯ ولٮٮٯ الله رٮه ولا ٮٮحس مٮه سٮا
En als degene op wie het verschuldigde drukt dwaas is, of zwak, of zelf niet kan dicteren, laat zijn wettelijk verantwoordelijke dan met rechtvaardigheid dicteren.
ڡاں كاں الدى علٮه الحٯ سڡٮها او صعٮڡا او لا ٮسٮطٮع اں ٮمل هو ڡلٮملل ولٮه ٮالعدل
En laat twee getuigen uit jullie mannen erover getuigen;
واسٮسهدوا سهٮدٮں مں رحالكم
en als het geen twee mannen zijn, dan een man en twee vrouwen, onder hen wier getuigenis jullie goedkeuren, opdat, als een van de twee dwaalt, de ander haar eraan herinnere.
ڡاں لم ٮكوٮا رحلٮں ڡرحل وامراٮاں ممں ٮرصوں مں السهدا اں ٮصل احدٮهما ڡٮدكر احدٮهما الاحرى
En laat de getuigen niet weigeren, wanneer zij geroepen worden.
ولا ٮاٮ السهدا ادا ما دعوا
En word niet moe het op te schrijven, klein of groot, tot zijn termijn.
ولا ٮسموا اں ٮكٮٮوه صعٮرا او كٮٮرا الى احله
Dat is billijker bij God, rechtschapener voor het getuigenis, en dichter bij niet twijfelen – behalve als het gaat om een onmiddellijke handel die jullie onder elkaar beheren: dan geen verwijt tegen jullie omdat jullie het niet opschrijven.
دلكم اڡسط عٮد الله واڡوم للسهده وادٮى الا ٮرٮاٮوا الا اں ٮكوں ٮحره حاصره ٮدٮروٮها ٮٮٮكم ڡلٮس علٮكم حٮاح الا ٮكٮٮوها
En neem getuigen wanneer jullie onder elkaar een verkoop doen.
واسهدوا ادا ٮٮاٮعٮم
En laat noch aan de schrijver noch aan de getuige schade worden toegebracht.
ولا ٮصار كاٮٮ ولا سهٮد
En als jullie het doen, is het gewis een grensoverschrijding van jullie zijde.
واں ٮڡعلوا ڡاٮه ڡسوٯ ٮكم
En behoed jullie voor God,
واٮڡوا الله
en God onderwijst jullie.
وٮعلمكم الله
En God is Alwetend over alles.
والله ٮكل سى علٮم
En als jullie op reis zijn en geen schrijver vinden, dan een gegrepen pand.
واں كٮٮم على سڡر ولم ٮحدوا كاٮٮا ڡرهں مڡٮوصه
En als de een van jullie vertrouwen stelt in de ander, laat degene in wie het vertrouwen gesteld is zijn depot restitueren,
ڡاں امں ٮعصكم ٮعصا ڡلٮود الدى اوٮمں امٮٮه
en laat hij zich behoeden voor God, zijn Voogd.
ولٮٮٯ الله رٮه
En verzwijg het getuigenis niet.
ولا ٮكٮموا السهده
En wie het verzwijgt, heeft gewis een overtredende kern.
ومں ٮكٮمها ڡاٮه اٮم ڡلٮه
God is Alwetend over wat jullie doen.
والله ٮما ٮعملوں علٮم
Aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
لله ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص
En of jullie zichtbaar maken wat in jullie is, of het verbergen, God zal er de rekening van met jullie opmaken; Hij vergeeft dan wie het Hem behaagt, en Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt.
واں ٮٮدوا ما ڡى اٮڡسكم او ٮحڡوه ٮحاسٮكم ٮه الله ڡٮعڡر لمں ٮسا وٮعدٮ مں ٮسا
En God is tot alles in staat.
والله على كل سى ڡدٮر
De gezant heeft geloofd in wat hem is neergedaald van de zijde van zijn Voogd, en de gelovenden.
امں الرسول ٮما اٮرل الٮه مں رٮه والمومٮوں
Allen hebben geloofd in God, in Zijn Gemachtigden, in Zijn schriften, en in Zijn gezanten,
كل امں ٮالله وملٮكٮه وكٮٮه ورسله
zonder enig verschil te maken tussen Zijn gezanten, wie zij ook zijn;
لا ٮڡرٯ ٮٮں احد مں رسله
en zij hebben gezegd: “Wij hebben gehoord en wij hebben ons gevoegd.
وڡالوا سمعٮا واطعٮا
Uw vergeving, onze Voogd; tot U is de bestemming.”
عڡراٮك رٮٮا والٮك المصٮر
God legt geen enkel Zelf iets anders op dan zijn vermogen.
لا ٮكلڡ الله ٮڡسا الا وسعها
Te zijnen gunste wat het heeft verworven,
لها ما كسٮٮ
en te zijnen laste wat het heeft begaan.
وعلٮها ما اكٮسٮٮ
“Onze Voogd, grijp ons niet als wij vergeten of als wij een fout begaan.
رٮٮا لا ٮواحدٮا اں ٮسٮٮا او احطاٮا
Onze Voogd, en laat ons geen juk dragen zoals U er aan hen die vóór ons waren hebt laten dragen.
رٮٮا ولا ٮحمل علٮٮا اصرا كما حملٮه على الدٮں مں ڡٮلٮا
Onze Voogd, en laat ons niet dragen wat wij niet de kracht hebben te dragen.
رٮٮا ولا ٮحملٮا ما لا طاڡه لٮا ٮه
En scheld het ons kwijt,
واعڡ عٮا
en vergeef ons,
واعڡر لٮا
en bewijs ons welwillendheid.
وارحمٮا
U bent onze Bondgenoot; help ons dan tegen het volk dat verloochent.”
اٮٮ مولٮٮا ڡاٮصرٮا على الڡوم الكڡرٮں