طه
Ta-Ha
That You May Not Toil
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Ṭa. Ha.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم طه
Wij hebben de Lezing niet op jou doen neerdalen opdat je ellendig zou zijn,
ما اٮرلٮا علٮك الڡراں لٮسڡى
maar als een herinnering voor wie ducht,
الا ٮدكره لمں ٮحسى
een neerdaling van Hem die de aarde en de verheven hemelen geschapen heeft,
ٮٮرٮلا ممں حلٯ الارص والسموٮ العلى
de Alwelwillende, die Zich op het Bouwwerk gevestigd heeft.
الرحمں على العرس اسٮوى
Aan Hem wat in de hemelen is, wat op de aarde is, wat daartussen is, en wat onder de humus is.
له ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص وما ٮٮٮهما وما ٮحٮ الٮرى
En als je jouw uitspraak luid zegt, dan kent Hij gewis het geheim, en wat nog verborgener is.
واں ٮحهر ٮالڡول ڡاٮه ٮعلم السر واحڡى
God, geen godheid behalve Hij.
الله لا اله الا هو
Aan Hem behoren de schoonste eigenschappen.
له الاسما الحسٮى
En heeft de rede over Moesa jou bereikt?
وهل اٮٮك حدٮٮ موسى
Toen hij een vuur zag, zei hij tot de zijnen: “Blijf, want ik heb een vuur bespeurd; misschien breng ik jullie er een brandend stuk hout van, of vind ik bij het vuur een leiding.”
اد را ٮارا ڡڡال لاهله امكٮوا اٮى اٮسٮ ٮارا لعلى اٮٮكم مٮها ٮڡٮس او احد على الٮار هدى
Toen hij daar aankwam, werd hij toegeroepen: “Moesa! Ik ben gewis jouw Voogd. Trek je sandalen uit, want je bent in de geheiligde vallei van Toewa.”
ڡلما اٮٮها ٮودى ٮموسى اٮى اٮا رٮك ڡاحلع ٮعلٮك اٮك ٮالواد المڡدس طوى
En Ik, Ik heb voor jou gekozen: luister dus naar wat geopenbaard wordt. Gewis ben Ik het, God – geen godheid behalve Ik. Gehoorzaam Mij dus, en onderhoud het Contact voor Mijn herinnering;
واٮا احٮرٮك ڡاسٮمع لما ٮوحى اٮٮى اٮا الله لا اله الا اٮا ڡاعٮدٮى واڡم الصلوه لدكرى
want het Uur komt – Ik houd het bijna verborgen – opdat ieder Zelf vergolden wordt naar datgene waarop het zich heeft toegelegd.
اں الساعه اٮٮه اكاد احڡٮها لٮحرى كل ٮڡس ٮما ٮسعى
Laat wie er niet in gelooft en zijn emotie volgt jou de weg daartoe niet belemmeren, anders zou het jouw val zijn.
ڡلا ٮصدٮك عٮها مں لا ٮومں ٮها واٮٮع هوٮه ڡٮردى
En wat is dat in jouw rechterhand, Moesa?
وما ٮلك ٮٮمٮٮك ٮموسى
Hij zei: “Dit is mijn staf; ik steun erop, ik sla er het gebladerte mee af voor mijn schapen, en ik vind er andere toepassingen voor.”
ڡال هى عصاى اٮوكوا علٮها واهس ٮها على عٮمى ولى ڡٮها مارٮ احرى
Hij zei: “Werp hem neer, Moesa.”
ڡال الڡها ٮموسى
Hij wierp hem neer, en zie, hij werd een ringslang die voortstormde.
ڡالڡٮها ڡادا هى حٮه ٮسعى
Hij zei: “Neem hem, vrees niet: Wij zullen hem terugbrengen in zijn eerste staat.”
ڡال حدها ولا ٮحڡ سٮعٮدها سٮرٮها الاولى
En druk jouw hand tegen jouw vleugel: zij zal wit naar buiten komen, zonder kwaad – een ander teken, om je enkele van Onze grootste tekenen te tonen.
واصمم ٮدك الى حٮاحك ٮحرح ٮٮصا مں عٮر سو اٮه احرى لٮرٮك مں اٮٮٮا الكٮرى
Ga naar Fir'aun: hij is alle maat te buiten gegaan.
ادهٮ الى ڡرعوں اٮه طعى
Hij zei: “Mijn Voogd, open mijn borst voor mij, vergemakkelijk mijn taak voor mij, ontknoop een knoop van mijn tong opdat zij mijn uitspraak begrijpen, en wijs mij een assistent toe uit de mijnen, Haroen, mijn broer.
ڡال رٮ اسرح لى صدرى وٮسر لى امرى واحلل عڡده مں لساٮى ٮڡڡهوا ڡولى واحعل لى ورٮرا مں اهلى هروں احى
Versterk door hem mijn vastberadenheid, en associeer hem met mijn taak, opdat wij U overvloedig glorifiëren en U overvloedig in herinnering brengen; U bent Alziend over ons.”
اسدد ٮه اررى واسركه ڡى امرى كى ٮسٮحك كٮٮرا وٮدكرك كٮٮرا اٮك كٮٮ ٮٮا ٮصٮرا
Hij zei: “Jouw verzoek is je verleend, Moesa.
ڡال ڡد اوٮٮٮ سولك ٮموسى
Wij hebben je gewis een andere keer begunstigd, toen Wij aan jouw moeder ingaven wat ingegeven werd: ‘Slinger hem in de kist, slinger hem daarna in de vloed;
ولڡد مٮٮا علٮك مره احرى اد اوحٮٮا الى امك ما ٮوحى اں اڡدڡٮه ڡى الٮاٮوٮ ڡاڡدڡٮه ڡى الٮم
dat de vloed hem op de oever werpe; een vijand van Mij en van hem zal hem nemen.’
ڡلٮلڡه الٮم ٮالساحل ٮاحده عدو لى وعدو له
En Ik heb op jou een liefde geworpen die van Mij kwam, opdat je gemodelleerd zou worden onder Mijn blik – toen jouw zus liep en zei: ‘Willen jullie dat ik jullie aanwijs wie zorg voor hem zal dragen?’
والڡٮٮ علٮك محٮه مٮى ولٮصٮع على عٮٮى اد ٮمسى احٮك ڡٮڡول هل ادلكم على مں ٮكڡله
Wij hebben je naar jouw moeder doen terugkeren opdat haar blik bedare en zij niet bedroefd zij.
ڡرحعٮك الى امك كى ٮڡر عٮٮها ولا ٮحرں
En je hebt een Zelf gedood, en Wij hebben je gered uit de angst; Wij hebben je met een harde beproeving op de proef gesteld.
وڡٮلٮ ٮڡسا ڡٮحٮٮك مں العم وڡٮٮك ڡٮوٮا
Je hebt jaren doorgebracht onder de lieden van Madjan, daarna ben je gekomen naar een vastgestelde maat, Moesa.
ڡلٮٮٮ سٮٮں ڡى اهل مدٮں ٮم حٮٮ على ڡدر ٮموسى
En Ik heb je voor Mijzelf gemodelleerd.
واصطٮعٮك لٮڡسى
Ga, jij en jouw broer, met Mijn tekenen, en vertraag niet in Mijn herinnering.
ادهٮ اٮٮ واحوك ٮاٮٮى ولا ٮٮٮا ڡى دكرى
Ga beiden naar Fir'aun: hij is alle maat te buiten gegaan. Zeg hem een zachte uitspraak; misschien zal hij zich herinneren, of duchten.”
ادهٮا الى ڡرعوں اٮه طعى ڡڡولا له ڡولا لٮٮا لعله ٮٮدكر او ٮحسى
Zij zeiden: “Onze Voogd, wij vrezen dat hij ons overrompelt of dat hij alle maat te buiten gaat.”
ڡالا رٮٮا اٮٮا ٮحاڡ اں ٮڡرط علٮٮا او اں ٮطعى
Hij zei: “Vrees niet: Ik ben gewis met jullie beiden, Ik hoor en Ik zie.
ڡال لا ٮحاڡا اٮٮى معكما اسمع وارى
Ga dus naar hem, en zeg: ‘Wij zijn gewis twee gezanten van jouw Voogd; laat de zonen van Israël met ons vertrekken en leg hun geen pijn op; wij brengen je een teken van jouw Voogd.
ڡاٮٮاه ڡڡولا اٮا رسولا رٮك ڡارسل معٮا ٮٮى اسرٮل ولا ٮعدٮهم ڡد حٮٮك ٮاٮه مں رٮك
En vrede over wie de leiding volgt.
والسلم على مں اٮٮع الهدى
Ons is gewis geopenbaard dat de pijn is over wie ontkent en de rug toekeert.’”
اٮا ڡد اوحى الٮٮا اں العداٮ على مں كدٮ وٮولى
Hij zei: “En wie is jullie Voogd, Moesa?”
ڡال ڡمں رٮكما ٮموسى
Hij zei: “Onze Voogd is Hij die aan elk ding zijn eigen schepping toegekend heeft, en het daarna geleid heeft.”
ڡال رٮٮا الدى اعطى كل سى حلڡه ٮم هدى
Hij zei: “Hoe staat het dan met de eerste generaties?”
ڡال ڡما ٮال الڡروں الاولى
Hij zei: “Hun weten is bij mijn Voogd, in een register.
ڡال علمها عٮد رٮى ڡى كٮٮ
Mijn Voogd dwaalt niet en vergeet niet.”
لا ٮصل رٮى ولا ٮٮسى
Hij die voor jullie van de aarde een ingerichte uitgestrektheid gemaakt heeft, daarin voor jullie wegen gebaand heeft, en uit de hemel een water heeft doen neerdalen,
الدى حعل لكم الارص مهدا وسلك لكم ڡٮها سٮلا واٮرل مں السما ما
waardoor Wij paren van planten van allerlei soort naar buiten hebben gebracht.
ڡاحرحٮا ٮه اروحا مں ٮٮاٮ سٮى
Eet, en laat jullie vee weiden.
كلوا وارعوا اٮعمكم
Voorzeker zijn daarin tekenen voor hen die met scherpzinnigheid begaafd zijn.
اں ڡى دلك لاٮٮ لاولى الٮهى
Uit haar hebben Wij jullie geschapen, in haar zullen Wij jullie terugbrengen, en uit haar zullen Wij jullie een andere keer naar buiten brengen.
مٮها حلڡٮكم وڡٮها ٮعٮدكم ومٮها ٮحرحكم ٮاره احرى
Wij hebben hem gewis al Onze tekenen getoond, maar hij heeft ontkend en geweigerd.
ولڡد ارٮٮه اٮٮٮا كلها ڡكدٮ واٮى
Hij zei: “Ben je gekomen om ons met jouw begoocheling uit onze aarde naar buiten te brengen, Moesa? Wij zullen jou voorzeker een soortgelijke begoocheling brengen.
ڡال احٮٮٮا لٮحرحٮا مں ارصٮا ٮسحرك ٮموسى ڡلٮاٮٮٮك ٮسحر مٮله
Stel dus tussen ons en jou een afspraak vast die noch wij noch jij zullen missen, op een billijke plaats.”
ڡاحعل ٮٮٮٮا وٮٮٮك موعدا لا ٮحلڡه ٮحں ولا اٮٮ مكاٮا سوى
Hij zei: “Jullie afspraak zal de dag van de tooi zijn, en dat de mensen verzameld worden midden in de voormiddag.”
ڡال موعدكم ٮوم الرٮٮه واں ٮحسر الٮاس صحى
Fir'aun keerde de rug toe, bracht zijn list bijeen, en kwam daarna terug.
ڡٮولى ڡرعوں ڡحمع كٮده ٮم اٮى
Moesa zei tot hen: “Wee jullie! Verzin geen leugen tegen God, anders zal Hij jullie met een pijn uitroeien.
ڡال لهم موسى وٮلكم لا ٮڡٮروا على الله كدٮا ڡٮسحٮكم ٮعداٮ
En wie verzint, heeft reeds gefaald.”
وڡد حاٮ مں اڡٮرى
Zij betwistten onderling hun zaak en hielden hun beraad geheim.
ڡٮٮرعوا امرهم ٮٮٮهم واسروا الٮحوى
Zij zeiden: “Deze twee zijn voorzeker twee begoochelaars die jullie met hun begoocheling uit jullie aarde naar buiten willen brengen en jullie voorbeeldige gedragslijn willen meenemen.
ڡالوا اں هدں لسحرں ٮرٮداں اں ٮحرحاكم مں ارصكم ٮسحرهما وٮدهٮا ٮطرٮڡٮكم المٮلى
Breng dus jullie list bijeen, en kom daarna in rijen.
ڡاحمعوا كٮدكم ٮم اٮٮوا صڡا
En vandaag slaagt wie de overhand neemt.”
وڡد اڡلح الٮوم مں اسٮعلى
Zij zeiden: “Moesa, of je werpt, of wij zijn de eersten die werpen.”
ڡالوا ٮموسى اما اں ٮلڡى واما اں ٮكوں اول مں الڡى
Hij zei: “Werp liever.”
ڡال ٮل الڡوا
En zie, hun touwen en hun stokken leken hem, door hun begoocheling, voort te stormen.
ڡادا حٮالهم وعصٮهم ٮحٮل الٮه مں سحرهم اٮها ٮسعى
Moesa voelde in zichzelf een vrees.
ڡاوحس ڡى ٮڡسه حٮڡه موسى
Wij zeiden: “Vrees niet, want jij bent het die erboven staat.
ڡلٮا لا ٮحڡ اٮك اٮٮ الاعلى
En werp wat in jouw rechterhand is: het zal opslokken wat zij gefabriceerd hebben.
والٯ ما ڡى ٮمٮٮك ٮلڡڡ ما صٮعوا
Wat zij gefabriceerd hebben is slechts een list van een begoochelaar,
اٮما صٮعوا كٮد سحر
en de begoochelaar slaagt niet, waar hij ook komt.”
ولا ٮڡلح الساحر حٮٮ اٮى
De begoochelaars werden geworpen, zich neerwerpend.
ڡالڡى السحره سحدا
Zij zeiden: “Wij geloven in de Voogd van Haroen en Moesa.”
ڡالوا امٮا ٮرٮ هروں وموسى
Hij zei: “Jullie hebben hem krediet gegeven voordat ik het jullie toestond! Hij is voorzeker de grootste onder jullie, degene die jullie de begoocheling heeft onderwezen.
ڡال امٮٮم له ڡٮل اں ادں لكم اٮه لكٮٮركم الدى علمكم السحر
Ik zal jullie voorzeker handen en voeten in afwisseling laten afsnijden, en ik zal jullie laten kruisigen op stammen van palmbomen; jullie zullen dan voorzeker weten wie van ons het strengst is in de pijn en het duurzaamst.”
ڡلاڡطعں اٮدٮكم وارحلكم مں حلڡ ولاصلٮٮكم ڡى حدوع الٮحل ولٮعلمں اٮٮا اسد عداٮا واٮڡى
Zij zeiden: “Wij zullen jou nooit verkiezen boven de duidelijke bewijzen die tot ons gekomen zijn, noch boven Hem die ons oorspronkelijk geschapen heeft.
ڡالوا لں ٮوٮرك على ما حاٮا مں الٮٮٮٮ والدى ڡطرٮا
Beslis dan wat je te beslissen hebt:
ڡاڡص ما اٮٮ ڡاص
je beslist slechts in dit leven hienieden.
اٮما ٮڡصى هده الحٮوه الدٮٮا
Wij geloven gewis in onze Voogd, opdat Hij ons onze fouten vergeeft en datgene waartoe jij ons hebt gedwongen op het gebied van begoocheling.
اٮا امٮا ٮرٮٮا لٮعڡر لٮا حطٮٮا وما اكرهٮٮا علٮه مں السحر
God is beter en duurzamer.”
والله حٮر واٮڡى
Gewis, wie afgezonderd tot zijn Voogd komt, voor hem is Djahannam, waar hij noch sterft noch leeft.
اٮه مں ٮاٮ رٮه محرما ڡاں له حهٮم لا ٮموٮ ڡٮها ولا ٮحٮى
En wie tot Hem komt als gelovende, nadat hij de deugdelijke werken heeft verricht, voor dezen zijn de hoge graden:
ومں ٮاٮه مومٮا ڡد عمل الصلحٮ ڡاولٮك لهم الدرحٮ العلى
Tuinen van de bestendigheid waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig blijven.
حٮٮ عدں ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها
En dat is de vergelding van wie zich zuivert.
ودلك حرا مں ٮركى
Wij hebben gewis aan Moesa geopenbaard: “Vertrek bij nacht met Mijn gehoorzamen, en baan hun in de zee een droge route; vrees niet ingehaald te worden, en wees niet beducht.”
ولڡد اوحٮٮا الى موسى اں اسر ٮعٮادى ڡاصرٮ لهم طرٮڡا ڡى الٮحر ٮٮسا لا ٮحڡ دركا ولا ٮحسى
Fir'aun achtervolgde hen met zijn legers, en van de vloed overdekte hen wat hen overdekte.
ڡاٮٮعهم ڡرعوں ٮحٮوده ڡعسٮهم مں الٮم ما عسٮهم
En Fir'aun deed zijn volk dwalen, hij leidde het niet.
واصل ڡرعوں ڡومه وما هدى
Zonen van Israël, Wij hebben jullie gered van jullie vijand, Wij hebben jullie een afspraak gegeven aan de rechterflank van de Berg, en Wij hebben de manna en de kwartels op jullie doen neerdalen.
ٮٮٮى اسرٮل ڡد اٮحٮٮكم مں عدوكم ووعدٮكم حاٮٮ الطور الاٮمں وٮرلٮا علٮكم المں والسلوى
Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie voorzien hebben, en ga daarin de maat niet te buiten, anders zou Mijn toorn over jullie neerkomen;
كلوا مں طٮٮٮ ما ررڡٮكم ولا ٮطعوا ڡٮه ڡٮحل علٮكم عصٮى
en hij op wie Mijn toorn neerkomt, is ten onder gegaan.
ومں ٮحلل علٮه عصٮى ڡڡد هوى
En Ik ben voorzeker Groot Vergever jegens wie berouw heeft, gelooft, een deugdelijk werk verricht, en zich dan laat leiden.
واٮى لعڡار لمں ٮاٮ وامں وعمل صلحا ٮم اهٮدى
Wat heeft jou er dan toe gebracht je te haasten, weg van jouw volk, Moesa?
وما اعحلك عں ڡومك ٮموسى
Hij zei: “Zij zijn hier op mijn sporen; ik heb mij naar U gehaast, mijn Voogd, opdat U tevreden zou zijn.”
ڡال هم اولا على اٮرى وعحلٮ الٮك رٮ لٮرصى
Hij zei: “Wij hebben jouw volk gewis na jou op de proef gesteld, en as-Samiri heeft hen doen dwalen.”
ڡال ڡاٮا ڡد ڡٮٮا ڡومك مں ٮعدك واصلهم السامرى
Moesa keerde dus terug naar zijn volk, vertoornd, verbitterd.
ڡرحع موسى الى ڡومه عصٮں اسڡا
Hij zei: “O mijn volk, had jullie Voogd jullie niet een schone belofte gedaan?
ڡال ٮڡوم الم ٮعدكم رٮكم وعدا حسٮا
Is het pact jullie te lang voorgekomen, of hebben jullie gewild dat een toorn van jullie Voogd over jullie neerkomt, doordat jullie zo mijn afspraak hebben gemist?”
اڡطال علٮكم العهد ام اردٮم اں ٮحل علٮكم عصٮ مں رٮكم ڡاحلڡٮم موعدى
Zij zeiden: “Wij hebben jouw afspraak niet uit eigen wil gemist; maar men heeft ons lasten laten dragen, gemaakt van de sieraden van het volk, wij hebben ze weggeslingerd, en zo heeft as-Samiri ook geworpen.”
ڡالوا ما احلڡٮا موعدك ٮملكٮا ولكٮا حملٮا اورارا مں رٮٮه الڡوم ڡڡدڡٮها ڡكدلك الڡى السامرى
Hij bracht er voor hen een kalf uit naar buiten, een lichaam dat loeide, en zij zeiden: “Dit is jullie godheid en de godheid van Moesa” – maar hij was het vergeten.
ڡاحرح لهم عحلا حسدا له حوار ڡڡالوا هدا الهكم واله موسى ڡٮسى
Zien zij dan niet dat het hun geen uitspraak teruggeeft, en voor hen noch schade noch voordeel bezit?
اڡلا ٮروں الا ٮرحع الٮهم ڡولا ولا ٮملك لهم صرا ولا ٮڡعا
Haroen had hun eerder toch gezegd: “O mijn volk, jullie worden er slechts door op de proef gesteld;
ولڡد ڡال لهم هروں مں ڡٮل ٮڡوم اٮما ڡٮٮٮم ٮه
jullie Voogd is gewis de Alwelwillende: volg mij dus en voeg jullie naar mijn bevel.”
واں رٮكم الرحمں ڡاٮٮعوٮى واطٮعوا امرى
Zij zeiden: “Wij zullen niet ophouden bij hem opgesteld te staan totdat Moesa naar ons terugkeert.”
ڡالوا لں ٮٮرح علٮه عكڡٮں حٮى ٮرحع الٮٮا موسى
Hij zei: “O Haroen, wat heeft jou belet, toen je hen zag dwalen, mij te volgen? Ben je ongehoorzaam geweest aan mijn bevel?”
ڡال ٮهروں ما مٮعك اد راٮٮهم صلوا الا ٮٮٮعں اڡعصٮٮ امرى
Hij zei: “Zoon van mijn moeder, grijp mij noch bij de baard noch bij het hoofd, want ik was beducht dat jij zou zeggen: ‘Jij hebt de zonen van Israël verdeeld en mijn uitspraak niet in acht genomen.’”
ڡال ٮٮٮوم لا ٮاحد ٮلحٮٮى ولا ٮراسى اٮى حسٮٮ اں ٮڡول ڡرڡٮ ٮٮں ٮٮى اسرٮل ولم ٮرڡٮ ڡولى
Hij zei: “Wat is dan jouw geval, Samiri?”
ڡال ڡما حطٮك ٮسمرى
Hij zei: “Ik heb helder gezien wat zij niet gezien hebben; ik heb een handvol van het spoor van de gezant gegrepen, en heb het toen teruggeworpen – zo heeft mijn Zelf het mij gesuggereerd.”
ڡال ٮصرٮ ٮما لم ٮٮصروا ٮه ڡڡٮصٮ ڡٮصه مں اٮر الرسول ڡٮٮدٮها وكدلك سولٮ لى ٮڡسى
Hij zei: “Ga weg, want het komt jou toe, in het leven, te zeggen: ‘Raak mij niet aan’,
ڡال ڡادهٮ ڡاں لك ڡى الحٮوه اں ٮڡول لا مساس
en er is gewis voor jou een afspraak die je niet zult kunnen missen.
واں لك موعدا لں ٮحلڡه
En kijk naar jouw godheid waarbij je opgesteld bent gebleven: wij zullen haar voorzeker verbranden, en haar dan voorzeker in de vloed verstrooien, volledig verstrooid.”
واٮطر الى الهك الدى طلٮ علٮه عاكڡا لٮحرڡٮه ٮم لٮٮسڡٮه ڡى الٮم ٮسڡا
Jullie enige godheid is God, geen godheid behalve Hij,
اٮما الهكم الله الدى لا اله الا هو
wiens weten alles omvat.
وسع كل سى علما
Zo vertellen Wij jou enkele berichten over wat voorafging,
كدلك ٮڡص علٮك مں اٮٮا ما ڡد سٮٯ
en Wij hebben jou, van Onze zijde, een herinnering gegeven.
وڡد اٮٮٮك مں لدٮا دكرا
Wie zich eraan onttrekt, zal gewis op de Dag van het Verschijnen een last dragen, daarin eeuwig blijvend,
مں اعرص عٮه ڡاٮه ٮحمل ٮوم الڡٮمه وررا حلدٮں ڡٮه
en wat een slechte vracht zal dat voor hen zijn op de Dag van het Verschijnen!
وسا لهم ٮوم الڡٮمه حملا
Op de dag waarop men in de Hoorn zal blazen, zullen Wij de afgezonderden verzamelen, die dag lijkbleek, onder elkaar fluisterend: “Jullie hebben slechts tien doorgebracht.”
ٮوم ٮٮڡح ڡى الصور وٮحسر المحرمٮں ٮومٮد ررڡا ٮٮحڡٮوں ٮٮٮهم اں لٮٮٮم الا عسرا
Wij weten het best wat zij zullen zeggen, wanneer de meest voorbeeldige onder hen in zijn gedragslijn zal zeggen: “Jullie hebben slechts één dag doorgebracht.”
ٮحں اعلم ٮما ٮڡولوں اد ٮڡول امٮلهم طرٮڡه اں لٮٮٮم الا ٮوما
En zij ondervragen jou over de bergen; zeg: “Mijn Voogd zal ze volledig verstrooien, en ze achterlaten in een kale vlakte, waar je noch bochtigheid noch bult zult zien.”
وٮسلوٮك عں الحٮال ڡڡل ٮٮسڡها رٮى ٮسڡا ڡٮدرها ڡاعا صڡصڡا لا ٮرى ڡٮها عوحا ولا امٮا
Die dag zullen zij de oproeper volgen, die geen enkele bochtigheid heeft,
ٮومٮد ٮٮٮعوں الداعى لا عوح له
en de stemmen zullen nederig worden voor de Alwelwillende; je zult slechts een geruis horen.
وحسعٮ الاصواٮ للرحمں ڡلا ٮسمع الا همسا
Die dag zal de voorspraak slechts baten wie de Alwelwillende haar zal hebben toegestaan en wiens uitspraak Hij zal aanvaarden.
ٮومٮد لا ٮٮڡع السڡعه الا مں ادں له الرحمں ورصى له ڡولا
Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is, terwijl zij Hem niet omringen met hun weten.
ٮعلم ما ٮٮں اٮدٮهم وما حلڡهم ولا ٮحٮطوں ٮه علما
En de gezichten zullen zich buigen voor de Levende, Hij die door Zichzelf bestaat,
وعٮٮ الوحوه للحى الڡٮوم
en wie een onrecht draagt, zal gefaald hebben.
وڡد حاٮ مں حمل طلما
En wie deugdelijke werken verricht, terwijl hij gelovend is, zal noch onrecht noch beroving vrezen.
ومں ٮعمل مں الصلحٮ وهو مومں ڡلا ٮحاڡ طلما ولا هصما
Zo hebben Wij haar doen neerdalen, een onberispelijke Lezing, en Wij hebben daarin de dreiging gediversifieerd, misschien zullen zij zich behoeden, of zal zij voor hen een herinnering doen opkomen.
وكدلك اٮرلٮه ڡراٮا عرٮٮا وصرڡٮا ڡٮه مں الوعٮد لعلهم ٮٮڡوں او ٮحدٮ لهم دكرا
Moge God verheven zijn, de Soeverein, de Waarheid!
ڡٮعلى الله الملك الحٯ
En haast je niet met de Lezing voordat haar openbaring tot haar voltooiing aan jou is gebracht,
ولا ٮعحل ٮالڡراں مں ڡٮل اں ٮڡصى الٮك وحٮه
en zeg: “Mijn Voogd, vermeerder mijn weten.”
وڡل رٮ ردٮى علما
Wij hadden Adam gewis eerder door een pact gebonden, maar hij vergat het, en Wij vonden bij hem geen vastberadenheid.
ولڡد عهدٮا الى ادم مں ڡٮل ڡٮسى ولم ٮحد له عرما
En toen Wij tot de Gemachtigden zeiden: “Werp jullie neer voor Adam”, wierpen zij zich neer,
واد ڡلٮا للملٮكه اسحدوا لادم ڡسحدوا
behalve Iblis, die weigerde.
الا اٮلٮس اٮى
Wij zeiden: “O Adam! Deze is gewis een vijand voor jou en voor jouw echtgenoot; laat hem jullie geenszins uit de Tuin naar buiten brengen, anders zou je ellendig zijn.
ڡڡلٮا ٮادم اں هدا عدو لك ولروحك ڡلا ٮحرحٮكما مں الحٮه ڡٮسڡى
Je hebt daar de zekerheid geen honger te hebben noch ontkleed te zijn,
اں لك الا ٮحوع ڡٮها ولا ٮعرى
noch dorst te hebben, noch aan de zon blootgesteld te zijn.”
واٮك لا ٮطموا ڡٮها ولا ٮصحى
Toen fluisterde de Afleider hem in,
ڡوسوس الٮه السٮطں
hij zei: “O Adam! Wil je dat ik je de boom van de eeuwigheid aanwijs en een koningschap dat niet slijt?”
ڡال ٮادم هل ادلك على سحره الحلد وملك لا ٮٮلى
Beiden aten ervan; toen kwam hun naaktheid voor hen aan het licht, en zij begonnen beiden bladeren van de Tuin op zich te naaien.
ڡاكلا مٮها ڡٮدٮ لهما سوٮهما وطڡڡا ٮحصڡاں علٮهما مں ورٯ الحٮه
En Adam was ongehoorzaam aan zijn Voogd, en doolde.
وعصى ادم رٮه ڡعوى
Daarna koos zijn Voogd hem uit, keerde met mildheid naar hem terug, en leidde hem.
ٮم احٮٮه رٮه ڡٮاٮ علٮه وهدى
Hij zei: “Daal er beiden samen uit neer,
ڡال اهٮطا مٮها حمٮعا
vijanden van elkaar.
ٮعصكم لٮعص عدو
Als er dan leiding van Mij naar jullie komt, zal wie Mijn leiding volgt niet dwalen en niet ellendig zijn;
ڡاما ٮاٮٮٮكم مٮى هدى ڡمں اٮٮع هداى ڡلا ٮصل ولا ٮسڡى
en wie zich aan Mijn herinnering onttrekt, zal gewis een nauw bestaan hebben, en Wij zullen hem blind verzamelen op de Dag van het Verschijnen.”
ومں اعرص عں دكرى ڡاں له معٮسه صٮكا وٮحسره ٮوم الڡٮمه اعمى
Hij zal zeggen: “Mijn Voogd, waarom hebt U mij blind verzameld, terwijl ik helder zag?”
ڡال رٮ لم حسرٮٮى اعمى وڡد كٮٮ ٮصٮرا
Hij zal zeggen: “Zo: Onze tekenen zijn tot jou gekomen, en jij hebt ze vergeten;
ڡال كدلك اٮٮك اٮٮٮا ڡٮسٮٮها
zo ben jij vandaag vergeten.”
وكدلك الٮوم ٮٮسى
Zo vergelden Wij wie buitensporig is geweest en niet in de tekenen van zijn Voogd heeft geloofd;
وكدلك ٮحرى مں اسرڡ ولم ٮومں ٮاٮٮ رٮه
en de pijn van het laatste leven is strenger en duurzamer.
ولعداٮ الاحره اسد واٮڡى
Worden zij dan niet geleid door het aantal generaties dat Wij vóór hen hebben vernietigd, in wier woningen zij lopen?
اڡلم ٮهد لهم كم اهلكٮا ڡٮلهم مں الڡروں ٮمسوں ڡى مسكٮهم
Voorzeker zijn daarin tekenen voor hen die met scherpzinnigheid begaafd zijn.
اں ڡى دلك لاٮٮ لاولى الٮهى
En zonder een vroeger woord van jouw Voogd en een genoemde termijn zou het onvermijdelijk zijn.
ولولا كلمه سٮڡٮ مں رٮك لكاں لراما واحل مسمى
Wees dus geduldig tegenover wat zij zeggen,
ڡاصٮر على ما ٮڡولوں
en glorifieer, met lof, jouw Voogd, vóór de opkomst van de zon en vóór haar ondergang;
وسٮح ٮحمد رٮك ڡٮل طلوع السمس وڡٮل عروٮها
en glorifieer Hem op enkele uren van de nacht, evenals aan de uiteinden van de dag, misschien zul je tevreden zijn.
ومں اٮاى الٮل ڡسٮح واطراڡ الٮهار لعلك ٮرصى
En strek je ogen niet uit naar wat Wij paren onder hen hebben laten genieten – de glans van het leven hienieden – om hen daarmee op de proef te stellen;
ولا ٮمدں عٮٮٮك الى ما مٮعٮا ٮه اروحا مٮهم رهره الحٮوه الدٮٮا لٮڡٮٮهم ڡٮه
de leeftocht van jouw Voogd is beter en duurzamer.
وررٯ رٮك حٮر واٮڡى
En beveel de jouwen het Contact, en wees daarin standvastig:
وامر اهلك ٮالصلوه واصطٮر علٮها
Wij vragen jou niet om leeftocht,
لا ٮسلك ررڡا
Wij zijn het die jou voorzien;
ٮحں ٮررڡك
en de afloop is voor de behoedzaamheid.
والعڡٮه للٮڡوى
En zij zeiden: “Waarom brengt hij ons geen teken van zijn Voogd!”
وڡالوا لولا ٮاٮٮٮا ٮاٮه مں رٮه
Is hun het duidelijke bewijs niet gekomen van wat in de eerste kronieken staat?
اولم ٮاٮهم ٮٮٮه ما ڡى الصحڡ الاولى
En als Wij hen daarvóór door een pijn hadden vernietigd, zouden zij gezegd hebben: “Onze Voogd, waarom hebt U geen gezant naar ons gezonden, opdat wij Uw tekenen zouden volgen voordat wij vernederd en met schande bedekt werden?”
ولو اٮا اهلكٮهم ٮعداٮ مں ڡٮله لڡالوا رٮٮا لولا ارسلٮ الٮٮا رسولا ڡٮٮٮع اٮٮك مں ڡٮل اں ٮدل وٮحرى
Zeg: “Ieder is in afwachting; blijf dus in afwachting:
ڡل كل مٮرٮص ڡٮرٮصوا
jullie zullen weldra weten wie de metgezellen van het zeer effen pad zijn, en wie zich heeft laten leiden.”
ڡسٮعلموں مں اصحٮ الصرط السوى ومں اهٮدى