Naar de inhoud
القرآنal-quran.fr
Menu
100%
القرآن

هود

Hud

Stand Straight

Soera 11 · 123 verzen

11:1

In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Ra.

ٮسم الله الرحمں الرحٮم الر

11:2–3

Een Schrift waarvan de tekenen onaantastbaar zijn gemaakt, vervolgens gedetailleerd, van de kant van een Wijze, Intiem Kenner: “Gehoorzaam slechts God; ik ben voor jullie, van Zijn kant, een waarschuwer en een aankondiger; smeek jullie Voogd om vergeving, keer vervolgens tot Hem terug: Hij zal jullie een schone genieting doen genieten tot een genoemde termijn, en Hij zal aan elke houder van gunst zijn gunst verlenen.

كٮٮ احكمٮ اٮٮه ٮم ڡصلٮ مں لدں حكٮم حٮٮر الا ٮعٮدوا الا الله اٮٮى لكم مٮه ٮدٮر وٮسٮر واں اسٮعڡروا رٮكم ٮم ٮوٮوا الٮه ٮمٮعكم مٮعا حسٮا الى احل مسمى وٮوٮ كل دى ڡصل ڡصله

Maar als jullie de rug toekeren, vrees ik dan gewis voor jullie de pijn van een grote dag.”

واں ٮولوا ڡاٮى احاڡ علٮكم عداٮ ٮوم كٮٮر

Tot God is jullie terugkeer,

الى الله مرحعكم

en Hij is tot alles in staat.

وهو على كل سى ڡدٮر

11:5

Is het niet zo: zij vouwen gewis hun borst op om zich voor Hem te verbergen.

الا اٮهم ٮٮٮوں صدورهم لٮسٮحڡوا مٮه

Is het niet zo dat Hij, wanneer zij zich met hun kleren bedekken, weet wat zij geheimhouden en wat zij bekendmaken?

الا حٮں ٮسٮعسوں ٮٮاٮهم ٮعلم ما ٮسروں وما ٮعلٮوں

Hij is Alwetend over de inhoud van de borsten.

اٮه علٮم ٮداٮ الصدور

11:6

Er is geen wezen dat zich op de aarde beweegt wiens leeftocht niet aan God toekomt; Hij kent zijn haven en zijn plaats van deponering:

وما مں داٮه ڡى الارص الا على الله ررڡها وٮعلم مسٮڡرها ومسٮودعها

11:6

alles staat in een uitdrukkelijk register.

كل ڡى كٮٮ مٮٮں

11:7

En Hij is het die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, terwijl Zijn Bouwwerk zich grondde op het water, om jullie te beproeven: wie van jullie het beste handelt.

وهو الدى حلٯ السموٮ والارص ڡى سٮه اٮام وكاں عرسه على الما لٮٮلوكم اٮكم احسں عملا

11:7

En als je zegt: “Jullie zullen opgewekt worden na de dood”, zullen zij die verloochenen voorzeker zeggen: “Dit is niets dan een klaarblijkelijke begoocheling.”

ولٮں ڡلٮ اٮكم مٮعوٮوں مں ٮعد الموٮ لٮڡولں الدٮں كڡروا اں هدا الا سحر مٮٮں

En als Wij voor hen de pijn vertragen tot een getelde tijd, zullen zij voorzeker zeggen: “Wat houdt haar in het ongewisse?”

ولٮں احرٮا عٮهم العداٮ الى امه معدوده لٮڡولں ما ٮحٮسه

Is het niet zo dat zij, de dag waarop zij tot hen komt, niet van hen zal worden afgewend,

الا ٮوم ٮاٮٮهم لٮس مصروڡا عٮهم

en wat zij hoonden, zal hen omhullen.

وحاٯ ٮهم ما كاٮوا ٮه ٮسٮهروں

11:9

En als Wij de mens een welwillendheid van Onze kant laten proeven, haar hem vervolgens ontnemen, dan is hij voorzeker zonder hoop, een groot verloochenaar.

ولٮں ادڡٮا الاٮسں مٮا رحمه ٮم ٮرعٮها مٮه اٮه لٮوس كڡور

11:10

En als Wij hem een weldaad laten proeven na een schade die hem getroffen heeft, zal hij voorzeker zeggen: “De slechte handelingen zijn ver van mij heengegaan”:

ولٮں ادڡٮه ٮعما ٮعد صرا مسٮه لٮڡولں دهٮ السٮاٮ عٮى

11:10

daar is hij voorzeker vrolijk, opschepperig.

اٮه لڡرح ڡحور

11:11

Behalve zij die geduldig zijn geweest en de deugdelijke werken hebben verricht: dezen zullen vergeving en een grote beloning hebben.

الا الدٮں صٮروا وعملوا الصلحٮ اولٮك لهم معڡره واحر كٮٮر

11:12

Misschien zul je een deel achterlaten van wat je geopenbaard wordt, en je borst zal er benauwd van worden, omdat zij zeggen: “Waarom heeft men geen schat op hem doen neerdalen, of komt er geen Gemachtigde met hem mee!”

ڡلعلك ٮارك ٮعص ما ٮوحى الٮك وصاٮٯ ٮه صدرك اں ٮڡولوا لولا اٮرل علٮه كٮر او حا معه ملك

11:12

Jij bent slechts een waarschuwer;

اٮما اٮٮ ٮدٮر

11:12

en God is, over alles, lasthebber.

والله على كل سى وكٮل

11:13

Of zullen zij zeggen: “Hij heeft haar verzonnen”?

ام ٮڡولوں اڡٮرٮه

11:13

Zeg: “Breng dan tien verzonnen soera's, aan haar gelijk, en roep wie jullie kunnen, buiten God, als jullie waarachtig zijn.”

ڡل ڡاٮوا ٮعسر سور مٮله مڡٮرٮٮ وادعوا مں اسٮطعٮم مں دوں الله اں كٮٮم صدڡٮں

11:14

Als zij jullie niet antwoorden, weet dan dat dit slechts met het weten van God neergedaald is, en dat er geen godheid is behalve Hij.

ڡالم ٮسٮحٮٮوا لكم ڡاعلموا اٮما اٮرل ٮعلم الله واں لا اله الا هو

11:14

Zullen jullie dan integer zijn tegenover God?

ڡهل اٮٮم مسلموں

11:15

Wie het leven hienieden en zijn tooi wil, aan hem geven Wij zijn werken getrouw terug in dit leven, en hij zal daarin niet tekortgedaan worden:

مں كاں ٮرٮد الحٮوه الدٮٮا ورٮٮٮها ٮوڡ الٮهم اعملهم ڡٮها وهم ڡٮها لا ٮٮحسوں

11:16

dat zijn zij die in het laatste leven niets dan het Vuur zullen hebben;

اولٮك الدٮں لٮس لهم ڡى الاحره الا الٮار

11:16

wat zij daarin gedaan hebben zal ingestort zijn,

وحٮط ما صٮعوا ڡٮها

11:16

en ijdel zal zijn wat zij deden.

وٮطل ما كاٮوا ٮعملوں

Wie zich grondt op een duidelijk bewijs van zijn Voogd, en op wie een getuige van Zijn kant volgt?

اڡمں كاں على ٮٮٮه مں رٮه وٮٮلوه ساهد مٮه

11:17

En vóór hem, de Schrift van Moesa, als referentie en welwillendheid.

ومں ڡٮله كٮٮ موسى اماما ورحمه

Dat zijn zij die erin geloven.

اولٮك ٮومٮوں ٮه

11:17

En wie, onder de partijen, het verloochent, heeft het Vuur als afspraak:

ومں ٮكڡر ٮه مں الاحراٮ ڡالٮار موعده

treed er dan niet over in controverse,

ڡلا ٮك ڡى مرٮه مٮه

want het is de waarheid, komend van jouw Voogd, maar de meeste mensen geloven niet.

اٮه الحٯ مں رٮك ولكں اكٮر الٮاس لا ٮومٮوں

En wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een leugen tegen God verzint?

ومں اطلم ممں اڡٮرى على الله كدٮا

Dat zijn zij die voor hun Voogd voorgeleid zullen worden, en de getuigen zullen zeggen: “Dat zijn zij die tegen hun Voogd gelogen hebben!”

اولٮك ٮعرصوں على رٮهم وٮڡول الاسهد هولا الدٮں كدٮوا على رٮهم

Is het niet zo dat de vloek van God over de onrechtvaardigen is, zij die de weg van God versperren en haar kronkelig trachten te maken, en die het laatste leven verloochenen?

الا لعٮه الله على الطلمٮں الدٮں ٮصدوں عں سٮٮل الله وٮٮعوٮها عوحا وهم ٮالاحره هم كڡروں

Dat zijn zij die, op de aarde, Hem niet tot onmacht zullen kunnen brengen, en die buiten God geen enkele bondgenoot zullen hebben:

اولٮك لم ٮكوٮوا معحرٮں ڡى الارص وما كاں لهم مں دوں الله مں اولٮا

11:20

de pijn zal hun verdubbeld worden.

ٮصعڡ لهم العداٮ

Zij konden noch horen, noch helder zien.

ما كاٮوا ٮسٮطٮعوں السمع وما كاٮوا ٮٮصروں

Dat zijn zij die het verlies van hun Zelf veroorzaakt hebben, en wat zij verzonnen is ver van hen weggedwaald.

اولٮك الدٮں حسروا اٮڡسهم وصل عٮهم ما كاٮوا ٮڡٮروں

Onvermijdelijk zijn zij het in het laatste leven die de grootste verliezers zijn.

لا حرم اٮهم ڡى الاحره هم الاحسروں

Zij die geloofd hebben, de deugdelijke werken hebben verricht en zich gebogen hebben voor hun Voogd: dat zijn de metgezellen van de Tuin,

اں الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ واحٮٮوا الى رٮهم اولٮك اصحٮ الحٮه

waarin zij eeuwig zullen blijven.

هم ڡٮها حلدوں

11:24

Het voorbeeld van de twee fracties is als de blinde en de dove, en de ziende en de horende:

مٮل الڡرٮڡٮں كالاعمى والاصم والٮصٮر والسمٮع

zijn zij gelijk in voorbeeld?

هل ٮسٮوٮاں مٮلا

Herinneren jullie je dan niet?

اڡلا ٮدكروں

11:25

Wij hebben Noeh gewis tot zijn volk gezonden:

ولڡد ارسلٮا ٮوحا الى ڡومه

“Ik ben voor jullie een uitdrukkelijke waarschuwer:

اٮى لكم ٮدٮر مٮٮں

gehoorzaam slechts God;

اں لا ٮعٮدوا الا الله

want ik vrees voor jullie de pijn van een schrijnende dag.”

اٮى احاڡ علٮكم عداٮ ٮوم الٮم

11:27

Het hof van hen die verloochenden, onder zijn volk, zei: “Wij zien in jou slechts een sterveling zoals wij, en wij zien dat alleen zij je gevolgd hebben die, onder ons, de laagsten zijn, op het eerste gezicht.

ڡڡال الملا الدٮں كڡروا مں ڡومه ما ٮرٮك الا ٮسرا مٮلٮا وما ٮرٮك اٮٮعك الا الدٮں هم ارادلٮا ٮادى الراى

En wij zien bij jullie geen enkele gunst boven ons; wij vermoeden eerder dat jullie leugenaars zijn.”

وما ٮرى لكم علٮٮا مں ڡصل ٮل ٮطٮكم كدٮٮں

11:28

Hij zei: “O mijn volk, zien jullie het? Als ik mij grond op een duidelijk bewijs van mijn Voogd, en Hij mij een welwillendheid van Zijn kant verleend heeft, en zij voor jullie verduisterd is, zouden wij haar dan aan jullie opleggen terwijl jullie er een afkeer van hebben?

ڡال ٮڡوم ارٮٮم اں كٮٮ على ٮٮٮه مں رٮى واٮٮٮى رحمه مں عٮده ڡعمٮٮ علٮكم اٮلرمكموها واٮٮم لها كرهوں

O mijn volk, ik vraag jullie hiervoor geen enkel goed:

وٮڡوم لا اسلكم علٮه مالا

mijn beloning ligt slechts bij God.

اں احرى الا على الله

11:29

En ik behoor niet tot degenen die hen afwijzen die geloven: zij zullen gewis hun Voogd ontmoeten;

وما اٮا ٮطارد الدٮں امٮوا اٮهم ملڡوا رٮهم

11:29

maar ik zie in jullie een onwetend volk.

ولكٮى ارٮكم ڡوما ٮحهلوں

11:30

O mijn volk, wie zou mij te hulp komen tegen God, als ik hen afwees?

وٮڡوم مں ٮٮصرٮى مں الله اں طردٮهم

Herinneren jullie je dan niet?

اڡلا ٮدكروں

11:31

En ik zeg jullie niet dat ik de reserves van God bij mij heb, noch dat ik ken wat de zintuigen ontgaat, noch dat ik een Gemachtigde ben;

ولا اڡول لكم عٮدى حراٮں الله ولا اعلم العٮٮ ولا اڡول اٮى ملك

11:31

en ik zeg niet, van hen die jullie ogen minachten, dat God hun geen enkel goed zal verlenen:

ولا اڡول للدٮں ٮردرى اعٮٮكم لں ٮوٮٮهم الله حٮرا

11:31

God weet het best wat in hun Zelven is.

الله اعلم ٮما ڡى اٮڡسهم

Dan zou ik voorzeker tot de onrechtvaardigen behoren.”

اٮى ادا لمں الطلمٮں

11:32

Zij zeiden: “O Noeh, je hebt met ons gedebatteerd, en je bent overvloedig geweest in het debat; breng ons dan wat je ons belooft, als je tot de waarachtigen behoort.”

ڡالوا ٮٮوح ڡد حدلٮٮا ڡاكٮرٮ حدلٮا ڡاٮٮا ٮما ٮعدٮا اں كٮٮ مں الصدڡٮں

Hij zei: “Het is God alleen die het jullie zal brengen, als het Hem behaagt, en jullie zullen Hem niet tot onmacht kunnen brengen.

ڡال اٮما ٮاٮٮكم ٮه الله اں سا وما اٮٮم ٮمعحرٮں

11:34

En mijn raad zal jullie van geen enkel nut zijn, al wilde ik jullie raad geven, als God jullie wil doen ronddolen:

ولا ٮٮڡعكم ٮصحى اں اردٮ اں اٮصح لكم اں كاں الله ٮرٮد اں ٮعوٮكم

Hij is jullie Voogd,

هو رٮكم

en tot Hem zullen jullie teruggebracht worden.”

والٮه ٮرحعوں

Of zullen zij zeggen: “Hij heeft haar verzonnen”?

ام ٮڡولوں اڡٮرٮه

Zeg: “Als ik haar verzonnen heb, dan ligt mijn afzondering bij mij, en ben ik vrij van jullie afzondering.”

ڡل اں اڡٮرٮٮه ڡعلى احرامى واٮا ٮرى مما ٮحرموں

11:36

En aan Noeh werd geopenbaard dat niemand, van jouw volk, nog zal geloven, uitgezonderd zij die reeds geloofd hebben:

واوحى الى ٮوح اٮه لں ٮومں مں ڡومك الا مں ڡد امں

kwijn dan niet weg om wat zij deden.

ڡلا ٮٮٮٮس ٮما كاٮوا ٮڡعلوں

11:37

En vervaardig het vaartuig, onder Onze ogen en volgens Onze openbaring,

واصٮع الڡلك ٮاعٮٮٮا ووحٮٮا

11:37

en richt je niet tot Mij omtrent hen die onrechtvaardig zijn geweest, want zij zullen verdrinken.

ولا ٮحطٮٮى ڡى الدٮں طلموا اٮهم معرڡوں

11:38

En hij vervaardigde het vaartuig; en telkens wanneer een hof van zijn volk langs hem kwam, spotte het met hem.

وٮصٮع الڡلك وكلما مر علٮه ملا مں ڡومه سحروا مٮه

11:38

Hij zei: “Als jullie met ons spotten, zullen wij gewis met jullie spotten zoals jullie met ons spotten.

ڡال اں ٮسحروا مٮا ڡاٮا ٮسحر مٮكم كما ٮسحروں

Weldra zullen jullie weten bij wie een pijn komt die hem met schande bedekt, en over wie een pijn neerstort die zich handhaaft.”

ڡسوڡ ٮعلموں مں ٮاٮٮه عداٮ ٮحرٮه وٮحل علٮه عداٮ مڡٮم

11:40

Totdat, toen Ons bevel kwam en de oven begon te borrelen, Wij zeiden: “Laad daarin, van alles, twee elementen van een paar, alsook jouw familie, uitgezonderd hem op wie de eerdere uitspraak drukt, en zij die geloofd hebben.”

حٮى ادا حا امرٮا وڡار الٮٮور ڡلٮا احمل ڡٮها مں كل روحٮں اٮٮٮں واهلك الا مں سٮٯ علٮه الڡول ومں امں

En slechts weinigen geloofden met hem.

وما امں معه الا ڡلٮل

En hij zei: “Klim erin: in de naam van God zijn haar koers en haar ankerplaats.

وڡال اركٮوا ڡٮها ٮسم الله محرٮها ومرسٮها

Mijn Voogd is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”

اں رٮى لعڡور رحٮم

En het voer met hen in een deining als bergen.

وهى ٮحرى ٮهم ڡى موح كالحٮال

11:42

En Noeh riep zijn zoon toe, die zich terzijde hield: “O mijn kleine, klim met ons mee, en wees niet met hen die verloochenen.”

وٮادى ٮوح اٮٮه وكاں ڡى معرل ٮٮٮى اركٮ معٮا ولا ٮكں مع الكڡرٮں

11:43

Hij zei: “Ik zal mijn toevlucht zoeken op een berg, die mij tegen het water zal vrijwaren.”

ڡال ساوى الى حٮل ٮعصمٮى مں الما

11:43

Hij zei: “Er is vandaag geen vrijwaring tegen het bevel van God, behalve voor degene aan wie Hij welwillendheid bewijst.”

ڡال لا عاصم الٮوم مں امر الله الا مں رحم

11:43

En de deining schoof zich tussen hen beiden, en hij behoorde tot de verdronkenen.

وحال ٮٮٮهما الموح ڡكاں مں المعرڡٮں

11:44

En er werd gezegd: “O aarde, slik jouw water in! O hemel, houd op!”

وڡٮل ٮارص اٮلعى ماك وٮسما اڡلعى

11:44

En het water trok zich terug, de zaak werd beslist, en het vaartuig vestigde zich op de Djoedi.

وعٮص الما وڡصى الامر واسٮوٮ على الحودى

11:44

En er werd gezegd: “Moge het volk van de onrechtvaardigen ver weg zijn!”

وڡٮل ٮعدا للڡوم الطلمٮں

11:45

En Noeh riep tot zijn Voogd en zei: “Mijn Voogd, mijn zoon is gewis van mijn familie, en Uw belofte is waarheid,

وٮادى ٮوح رٮه ڡڡال رٮ اں اٮٮى مں اهلى واں وعدك الحٯ

11:45

en U bent de rechtvaardigste van de rechters.”

واٮٮ احكم الحكمٮں

11:46

Hij zei: “O Noeh, hij is gewis niet van jouw familie,

ڡال ٮٮوح اٮه لٮس مں اهلك

11:46

want hij heeft verricht wat niet deugdelijk is.

اٮه عمل عٮر صلح

11:46

Vraag Mij dan niet naar datgene waarvan je geen enkel weten hebt,

ڡلا ٮسلں ما لٮس لك ٮه علم

11:46

want ik vermaan je om niet tot de onwetenden te behoren.”

اٮى اعطك اں ٮكوں مں الحهلٮں

11:47

Hij zei: “Mijn Voogd, ik stel mij gewis onder Uw egide om U niet te vragen naar datgene waarvan ik geen enkel weten heb,

ڡال رٮ اٮى اعود ٮك اں اسلك ما لٮس لى ٮه علم

11:47

en als U mij niet vergeeft en mij geen welwillendheid bewijst, zal ik tot de verliezers behoren.”

والا ٮعڡر لى وٮرحمٮى اكں مں الحسرٮں

11:48

Er werd gezegd: “O Noeh, daal neer met een vrede van Ons, en zegeningen over jou en over gemeenschappen voortkomend uit hen die met jou zijn;

ڡٮل ٮٮوح اهٮط ٮسلم مٮا وٮركٮ علٮك وعلى امم ممں معك

en er zijn gemeenschappen die Wij zullen doen genieten, waarna een schrijnende pijn hen van Onze kant zal raken.”

وامم سٮمٮعهم ٮم ٮمسهم مٮا عداٮ الٮم

11:49

Dit zijn berichten over wat de zintuigen ontgaat, die Wij je openbaren:

ٮلك مں اٮٮا العٮٮ ٮوحٮها الٮك

je kende ze niet, noch jij noch jouw volk, daarvóór.

ما كٮٮ ٮعلمها اٮٮ ولا ڡومك مں ڡٮل هدا

Wees dus geduldig,

ڡاصٮر

want de afloop komt toe aan hen die zich behoeden.

اں العڡٮه للمٮڡٮں

11:50

En tot de Aad, hun broer Hoed:

والى عاد احاهم هودا

hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God: jullie hebben geen andere godheid dan Hem;

ڡال ٮڡوم اعٮدوا الله ما لكم مں اله عٮره

jullie zijn slechts verzinners.

اں اٮٮم الا مڡٮروں

O mijn volk, ik vraag jullie hiervoor geen enkele beloning:

ٮڡوم لا اسلكم علٮه احرا

mijn beloning ligt slechts bij Hem die mij oorspronkelijk geschapen heeft.

اں احرى الا على الدى ڡطرٮى

Redeneren jullie dan niet?

اڡلا ٮعڡلوں

11:52

O mijn volk, smeek jullie Voogd om vergeving, keer vervolgens tot Hem terug: Hij zal de vloeiende hemel over jullie zenden, en Hij zal kracht toevoegen aan jullie kracht; en keer de rug niet toe als afgezonderden.”

وٮڡوم اسٮعڡروا رٮكم ٮم ٮوٮوا الٮه ٮرسل السما علٮكم مدرارا وٮردكم ڡوه الى ڡوٮكم ولا ٮٮولوا محرمٮں

11:53

Zij zeiden: “O Hoed, je hebt ons geen duidelijk bewijs gebracht, en wij zullen onze godheden niet achterlaten op jouw uitspraak, en wij geven jou geen krediet.

ڡالوا ٮهود ما حٮٮٮا ٮٮٮٮه وما ٮحں ٮٮاركى الهٮٮا عں ڡولك وما ٮحں لك ٮمومٮٮں

Wij zeggen slechts dat een van onze godheden je met kwaad geslagen heeft.”

اں ٮڡول الا اعٮرٮك ٮعص الهٮٮا ٮسو

Hij zei: “Ik neem God gewis tot getuige,

ڡال اٮى اسهد الله

en wees getuigen dat ik vrij ben van wat jullie buiten Hem associëren:

واسهدوا اٮى ٮرى مما ٮسركوں مں دوٮه

smeed dan allen tegen mij een complot, en verleen mij geen uitstel,

ڡكٮدوٮى حمٮعا ٮم لا ٮٮطروں

11:56

want ik verleen lastgeving aan God, mijn Voogd en jullie Voogd:

اٮى ٮوكلٮ على الله رٮى ورٮكم

11:56

er is geen wezen dat zich beweegt of Hij houdt het bij de kuif vast.

ما مں داٮه الا هو احد ٮٮاصٮٮها

Mijn Voogd is op een rechtlijnig pad.

اں رٮى على صرط مسٮڡٮم

Als jullie de rug toekeren, heb ik jullie al overgebracht datgene waarmee ik tot jullie gezonden ben;

ڡاں ٮولوا ڡڡد اٮلعٮكم ما ارسلٮ ٮه الٮكم

en mijn Voogd zal in jullie plaats een ander volk doen opvolgen, zonder dat jullie Hem in iets schaden,

وٮسٮحلڡ رٮى ڡوما عٮركم ولا ٮصروٮه سٮا

want mijn Voogd bewaart alles.”

اں رٮى على كل سى حڡٮط

11:58

En toen Ons bevel kwam, redden Wij Hoed en zij die met hem geloofd hadden, door een welwillendheid van Onze kant, en Wij redden hen van een harde pijn.

ولما حا امرٮا ٮحٮٮا هودا والدٮں امٮوا معه ٮرحمه مٮا وٮحٮٮهم مں عداٮ علٮط

11:59

En dat zijn de Aad: zij betwistten hardnekkig de tekenen van hun Voogd, waren ongehoorzaam aan Zijn gezanten, en volgden het bevel van elke koppige tiran.

وٮلك عاد ححدوا ٮاٮٮ رٮهم وعصوا رسله واٮٮعوا امر كل حٮار عٮٮد

11:60

En zij werden achtervolgd, in dit leven hienieden, door een vloek, evenals op de Dag van het Verschijnen:

واٮٮعوا ڡى هده الدٮٮا لعٮه وٮوم الڡٮمه

11:60

is het niet zo: de Aad hebben hun Voogd gewis verloochend.

الا اں عادا كڡروا رٮهم

11:60

Mogen de Aad, het volk van Hoed, ver weg zijn!

الا ٮعدا لعاد ڡوم هود

11:61

En tot de Thamoed, hun broer Salih:

والى ٮمود احاهم صلحا

hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God: jullie hebben geen andere godheid dan Hem.

ڡال ٮڡوم اعٮدوا الله ما لكم مں اله عٮره

11:61

Hij is het die jullie uit de aarde heeft doen ontstaan en jullie daarin lang heeft doen leven: smeek dan om Zijn vergeving, keer vervolgens tot Hem terug,

هو اٮساكم مں الارص واسٮعمركم ڡٮها ڡاسٮعڡروه ٮم ٮوٮوا الٮه

want mijn Voogd is nabij, en Hij antwoordt.”

اں رٮى ڡرٮٮ محٮٮ

11:62

Zij zeiden: “O Salih, je was onder ons een hoop daarvóór; verbied je ons te gehoorzamen aan datgene waaraan onze voorouders gehoorzaamden? Voorzeker zijn wij in een verontrustende verlegenheid over datgene waartoe je ons roept.”

ڡالوا ٮصلح ڡد كٮٮ ڡٮٮا مرحوا ڡٮل هدا اٮٮهٮٮا اں ٮعٮد ما ٮعٮد اٮاوٮا واٮٮا لڡى سك مما ٮدعوٮا الٮه مرٮٮ

Hij zei: “O mijn volk, zien jullie het? Als ik mij grond op een duidelijk bewijs van mijn Voogd, en Hij mij, van Zijn kant, een welwillendheid verleend heeft, wie zou mij dan te hulp komen tegen God als ik Hem ongehoorzaam was?

ڡال ٮڡوم ارٮٮم اں كٮٮ على ٮٮٮه مں رٮى واٮٮٮى مٮه رحمه ڡمں ٮٮصرٮى مں الله اں عصٮٮه

Jullie zouden dan slechts mijn verlies vergroten.

ڡما ٮرٮدوٮٮى عٮر ٮحسٮر

O mijn volk, dit is de kamelin van God, een teken voor jullie:

وٮڡوم هده ٮاڡه الله لكم اٮه

laat haar dus achter: laat haar eten op de aarde van God,

ڡدروها ٮاكل ڡى ارص الله

en raak haar niet met enig kwaad, anders zou een nabije pijn jullie grijpen.”

ولا ٮمسوها ٮسو ڡٮاحدكم عداٮ ڡرٮٮ

Maar zij verminkten haar. Toen zei hij: “Geniet in jullie woning drie dagen:

ڡعڡروها ڡڡال ٮمٮعوا ڡى داركم ٮلٮه اٮام

dat is een belofte die niet ontkend zal worden.”

دلك وعد عٮر مكدوٮ

11:66

Toen Ons bevel kwam, redden Wij Salih en zij die met hem geloofd hadden, door een welwillendheid van Onze kant, en van de schande van die dag;

ڡلما حا امرٮا ٮحٮٮا صلحا والدٮں امٮوا معه ٮرحمه مٮا ومں حرى ٮومٮد

want jouw Voogd is de Sterke, de Almachtige.

اں رٮك هو الڡوى العرٮر

En de Kreet greep hen die onrechtvaardig geweest waren, zodat zij zich, in hun woningen, liggend en roerloos bevonden, alsof zij daar nooit geleefd hadden.

واحد الدٮں طلموا الصٮحه ڡاصٮحوا ڡى دٮرهم حٮمٮں كاں لم ٮعٮوا ڡٮها

Is het niet zo: de Thamoed hebben hun Voogd gewis verloochend.

الا اں ٮمودا كڡروا رٮهم

Mogen de Thamoed ver weg zijn!

الا ٮعدا لٮمود

11:69

En Onze gezanten kwamen gewis tot Ibrahim met het goede nieuws: zij zeiden: “Vrede!”

ولڡد حاٮ رسلٮا اٮرهٮم ٮالٮسرى ڡالوا سلما

11:69

Hij zei: “Vrede!”

ڡال سلم

11:69

en hij draalde niet om een gebraden kalf te brengen.

ڡما لٮٮ اں حا ٮعحل حٮٮد

11:70

Maar toen hij zag dat hun handen het niet bereikten, vond hij hen vreemd en voelde hij vrees voor hen.

ڡلما را اٮدٮهم لا ٮصل الٮه ٮكرهم واوحس مٮهم حٮڡه

11:70

Zij zeiden: “Vrees niet,

ڡالوا لا ٮحڡ

11:70

want wij zijn gezonden tot het volk van Loet.”

اٮا ارسلٮا الى ڡوم لوط

En zijn vrouw, staande, begon te lachen;

وامراٮه ڡاٮمه ڡصحكٮ

11:71

Wij kondigden haar toen Ishaq aan,

ڡٮسرٮها ٮاسحٯ

11:71

en, na Ishaq, Ja'qoeb.

ومں ورا اسحٯ ٮعڡوٮ

Zij zei: “Wat een ongeluk voor mij! Zou ik baren terwijl ik oud ben, en zie hier mijn echtgenoot, een grijsaard?

ڡالٮ ٮوٮلٮى الد واٮا عحور وهدا ٮعلى سٮحا

Dit is voorzeker een verbazingwekkend ding!”

اں هدا لسى عحٮٮ

Zij zeiden: “Verbaas je je over het bevel van God?

ڡالوا اٮعحٮٮں مں امر الله

Mogen de welwillendheid van God en Zijn zegeningen over jullie zijn, lieden van het huis!

رحمٮ الله وٮركٮه علٮكم اهل الٮٮٮ

Want Hij is Lofwaardig, vol glorie.”

اٮه حمٮد محٮد

11:74

Toen de ontsteltenis Ibrahim verlaten had en het goede nieuws tot hem gekomen was, begon hij met Ons te debatteren over het volk van Loet:

ڡلما دهٮ عں اٮرهٮم الروع وحاٮه الٮسرى ٮحدلٮا ڡى ڡوم لوط

11:75

Ibrahim is voorzeker lankmoedig, vol zuchten, zich onophoudelijk tot Hem wendend.

اں اٮرهٮم لحلٮم اوه مٮٮٮ

11:76

“O Ibrahim, onttrek je hieraan:

ٮاٮرهٮم اعرص عں هدا

11:76

het bevel van jouw Voogd is reeds gekomen,

اٮه ڡد حا امر رٮك

11:76

en een pijn die niet herroepen kan worden komt gewis tot hen.”

واٮهم اٮٮهم عداٮ عٮر مردود

11:77

En toen Onze gezanten tot Loet kwamen, mishaagde hun komst hem, en hij voelde zich radeloos omtrent hen, en zei: “Dit is een moeizame dag.”

ولما حاٮ رسلٮا لوطا سى ٮهم وصاٯ ٮهم درعا وڡال هدا ٮوم عصٮٮ

En zijn volk kwam naar hem toe, zich voortspoedend, terwijl zij tevoren de slechte handelingen begingen.

وحاه ڡومه ٮهرعوں الٮه ومں ڡٮل كاٮوا ٮعملوں السٮاٮ

11:78

Hij zei: “O mijn volk, dit zijn mijn dochters: zij zijn reiner voor jullie; behoed jullie dan voor God, en bedek mij niet met schande omtrent mijn gasten:

ڡال ٮڡوم هولا ٮٮاٮى هں اطهر لكم ڡاٮڡوا الله ولا ٮحروں ڡى صٮڡى

11:78

is er onder jullie geen verstandig man?”

الٮس مٮكم رحل رسٮد

11:79

Zij zeiden: “Jij weet al welk recht wij op je dochters hebben, en jij weet voorzeker wat wij willen.”

ڡالوا لڡد علمٮ ما لٮا ڡى ٮٮاٮك مں حٯ واٮك لٮعلم ما ٮرٮد

Hij zei: “Had ik maar enige kracht tegen jullie, of kon ik mijn toevlucht zoeken bij een stevige steun!”

ڡال لو اں لى ٮكم ڡوه او اوى الى ركں سدٮد

11:81

Zij zeiden: “O Loet, wij zijn gewis de gezanten van jouw Voogd: zij zullen je nooit bereiken.

ڡالوا ٮلوط اٮا رسل رٮك لں ٮصلوا الٮك

11:81

Vertrek dan met jouw familie, uitgezonderd jouw vrouw, op een moment van de nacht, en laat niemand van jullie zich omdraaien,

ڡاسر ٮاهلك ٮڡطع مں الٮل ولا ٮلٮڡٮ مٮكم احد الا امراٮك

want wat hun zal toevallen zal ook haar toevallen.

اٮه مصٮٮها ما اصاٮهم

Hun afspraak is de ochtend:

اں موعدهم الصٮح

is de ochtend niet nabij?”

الٮس الصٮح ٮڡرٮٮ

Toen Ons bevel kwam, maakten Wij van haar bovenkant haar onderkant, en deden Wij over haar stenen van gevormde klei regenen, opgestapeld, gemerkt bij jouw Voogd:

ڡلما حا امرٮا حعلٮا علٮها ساڡلها وامطرٮا علٮها ححاره مں سحٮل مٮصود مسومه عٮد رٮك

en zij is niet ver van de onrechtvaardigen.

وما هى مں الطلمٮں ٮٮعٮد

11:84

En tot Madjan, hun broer Sjoe'aib:

والى مدٮں احاهم سعٮٮا

11:84

hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God: jullie hebben geen andere godheid dan Hem,

ڡال ٮڡوم اعٮدوا الله ما لكم مں اله عٮره

11:84

en verminder noch de maat noch de weegschaal.

ولا ٮٮڡصوا المكٮال والمٮراں

11:84

Ik zie jullie gewis in het goede, en ik vrees voor jullie de pijn van een dag die omsingelt.

اٮى ارٮكم ٮحٮر واٮى احاڡ علٮكم عداٮ ٮوم محٮط

11:85

O mijn volk, geef de maat en de weegschaal getrouw, met billijkheid,

وٮڡوم اوڡوا المكٮال والمٮراں ٮالڡسط

11:85

en doe de mensen niet tekort in hun dingen, en zaai geen wanorde op de aarde als bedervers.

ولا ٮٮحسوا الٮاس اسٮاهم ولا ٮعٮوا ڡى الارص مڡسدٮں

11:86

Wat bij God overblijft is beter voor jullie, als jullie gelovenden zijn;

ٮڡٮٮ الله حٮر لكم اں كٮٮم مومٮٮں

en ik ben over jullie geen bewaarder.”

وما اٮا علٮكم ٮحڡٮط

11:87

Zij zeiden: “O Sjoe'aib, beveelt jouw Contact je dat wij achterlaten datgene waaraan onze voorouders gehoorzaamden, of dat wij ophouden met onze bezittingen te doen wat ons behaagt?

ڡالوا ٮسعٮٮ اصلوٮك ٮامرك اں ٮٮرك ما ٮعٮد اٮاوٮا او اں ٮڡعل ڡى امولٮا ما ٮسوا

11:87

Jij bent voorzeker, jij, de lankmoedige, de verstandige!”

اٮك لاٮٮ الحلٮم الرسٮد

11:88

Hij zei: “O mijn volk, zien jullie het? Als ik mij grond op een duidelijk bewijs van mijn Voogd, en Hij mij, van Zijn kant, voorzien heeft van een schone leeftocht…

ڡال ٮڡوم ارٮٮم اں كٮٮ على ٮٮٮه مں رٮى وررڡٮى مٮه ررڡا حسٮا

11:88

En ik wil jullie niet tegenspreken om zelf te doen wat ik jullie verbied:

وما ارٮد اں احالڡكم الى ما اٮهٮكم عٮه

11:88

ik wil slechts de sanering, voor zover ik kan;

اں ارٮد الا الاصلح ما اسٮطعٮ

11:88

en mijn succes hangt slechts van God af:

وما ٮوڡٮڡى الا ٮالله

11:88

aan Hem verleen ik lastgeving,

علٮه ٮوكلٮ

11:88

en het is tot Hem dat ik mij wend.

والٮه اٮٮٮ

11:89

O mijn volk, laat jullie breuk met mij jullie er niet toe brengen dat jullie toevalt wat het volk van Noeh toeviel, of het volk van Hoed, of het volk van Salih;

وٮڡوم لا ٮحرمٮكم سڡاڡى اں ٮصٮٮكم مٮل ما اصاٮ ڡوم ٮوح او ڡوم هود او ڡوم صلح

11:89

en het volk van Loet is niet ver van jullie.

وما ڡوم لوط مٮكم ٮٮعٮد

En smeek jullie Voogd om vergeving, keer vervolgens tot Hem terug,

واسٮعڡروا رٮكم ٮم ٮوٮوا الٮه

11:90

want mijn Voogd is Welwillend, Liefhebbend.”

اں رٮى رحٮم ودود

11:91

Zij zeiden: “O Sjoe'aib, wij begrijpen niet veel van wat je zegt, en wij zien je voorzeker zwak onder ons; zonder jouw verwantschap zouden wij je verbannen hebben; en jij hebt over ons geen enkele macht.”

ڡالوا ٮسعٮٮ ما ٮڡڡه كٮٮرا مما ٮڡول واٮا لٮرٮك ڡٮٮا صعٮڡا ولولا رهطك لرحمٮك وما اٮٮ علٮٮا ٮعرٮر

11:92

Hij zei: “O mijn volk, heeft mijn verwantschap dan meer gewicht voor jullie dan God, die jullie achter jullie rug hebben gesteld?

ڡال ٮڡوم ارهطى اعر علٮكم مں الله واٮحدٮموه وراكم طهرٮا

11:92

Mijn Voogd omsingelt volkomen wat jullie doen.

اں رٮى ٮما ٮعملوں محٮط

O mijn volk, handel naar jullie plaats, want ook ik handel:

وٮڡوم اعملوا على مكاٮٮكم اٮى عمل

jullie zullen weldra weten bij wie een pijn komt die hem met schande bedekt, en wie een leugenaar is.

سوڡ ٮعلموں مں ٮاٮٮه عداٮ ٮحرٮه ومں هو كدٮ

En loer dan,

وارٮڡٮوا

want ik loer met jullie.”

اٮى معكم رڡٮٮ

En toen Ons bevel kwam, redden Wij Sjoe'aib en zij die met hem geloofd hadden, door een welwillendheid van Onze kant.

ولما حا امرٮا ٮحٮٮا سعٮٮا والدٮں امٮوا معه ٮرحمه مٮا

En de Kreet greep hen die onrechtvaardig geweest waren, zodat zij zich, in hun woningen, liggend en roerloos bevonden, alsof zij daar nooit geleefd hadden.

واحدٮ الدٮں طلموا الصٮحه ڡاصٮحوا ڡى دٮرهم حٮمٮں كاں لم ٮعٮوا ڡٮها

11:95

Moge Madjan ver weg zijn, zoals de Thamoed ver weg geraakt zijn!

الا ٮعدا لمدٮں كما ٮعدٮ ٮمود

Wij hebben Moesa gewis gezonden met Onze tekenen en een klaarblijkelijk gezag, tot Fir'aun en zijn hof; maar zij volgden het bevel van Fir'aun,

ولڡد ارسلٮا موسى ٮاٮٮٮا وسلطں مٮٮں الى ڡرعوں وملاٮه ڡاٮٮعوا امر ڡرعوں

11:96–97

en het bevel van Fir'aun was niet verstandig.

وما امر ڡرعوں ٮرسٮد

11:98

Hij zal aan het hoofd van zijn volk voortschrijden op de Dag van het Verschijnen, en hen aan het Vuur doen aankomen:

ٮڡدم ڡومه ٮوم الڡٮمه ڡاوردهم الٮار

11:98

wat een verfoeilijke plaats van aankomst is die waar men aankomt!

وٮٮس الورد المورود

11:99

En zij werden achtervolgd, hienieden, door een vloek, evenals op de Dag van het Verschijnen:

واٮٮعوا ڡى هده لعٮه وٮوم الڡٮمه

11:99

wat een verfoeilijk cadeau is dat wat hun gegeven werd!

ٮٮس الرڡد المرڡود

11:100

Dit zijn berichten over de steden die Wij je vertellen: er zijn er die overeind overblijven, en andere die geoogst zijn.

دلك مں اٮٮا الڡرى ٮڡصه علٮك مٮها ڡاٮم وحصٮد

11:101

En Wij hebben hun geen onrecht gedaan, maar zij hebben zichzelf onrecht gedaan:

وما طلمٮهم ولكں طلموا اٮڡسهم

11:101

hun godheden, die zij buiten God aanriepen, dienden hun tot niets toen het bevel van jouw Voogd kwam,

ڡما اعٮٮ عٮهم الهٮهم الٮى ٮدعوں مں دوں الله مں سى لما حا امر رٮك

11:101

en zij vergrootten slechts hun ondergang.

وما رادوهم عٮر ٮٮٮٮٮ

11:102

Zo is de greep van jouw Voogd, wanneer Hij de steden grijpt terwijl zij onrechtvaardig zijn:

وكدلك احد رٮك ادا احد الڡرى وهى طلمه

11:102

Zijn greep is gewis schrijnend, streng.

اں احده الٮم سدٮد

Voorzeker is daarin een teken voor wie de pijn van het laatste leven vreest:

اں ڡى دلك لاٮه لمں حاڡ عداٮ الاحره

het is een dag waarop de mensen bijeengebracht zullen worden,

دلك ٮوم محموع له الٮاس

en het is een geattesteerde dag.

ودلك ٮوم مسهود

En Wij schorten het slechts op tot een getelde termijn.

وما ٮوحره الا لاحل معدود

11:105

Op de dag waarop hij komt, zal geen enkel Zelf spreken zonder Zijn toestemming:

ٮوم ٮاٮ لا ٮكلم ٮڡس الا ٮادٮه

11:105

er zullen dan de ellendige en de gelukkige zijn.

ڡمٮهم سڡى وسعٮد

Wat hen betreft die ellendig zullen zijn, zij zullen in het Vuur zijn, waar zij gereutel en gesnik zullen hebben, waarin zij eeuwig zullen blijven, zolang de hemelen en de aarde duren, behalve wat het jouw Voogd behaagt,

ڡاما الدٮں سڡوا ڡڡى الٮار لهم ڡٮها رڡٮر وسهٮٯ حلدٮں ڡٮها ما دامٮ السموٮ والارص الا ما سا رٮك

want jouw Voogd doet voortdurend wat Hij wil.

اں رٮك ڡعال لما ٮرٮد

11:108

En wat hen betreft die gelukkig zullen zijn, zij zullen in de Tuin zijn, waarin zij eeuwig zullen blijven, zolang de hemelen en de aarde duren, behalve wat het jouw Voogd behaagt:

واما الدٮں سعدوا ڡڡى الحٮه حلدٮں ڡٮها ما دامٮ السموٮ والارص الا ما سا رٮك

11:108

een dotatie die nooit zal opdrogen.

عطا عٮر محدود

Treed dan niet in controverse over datgene waaraan dezen gehoorzamen:

ڡلا ٮك ڡى مرٮه مما ٮعٮد هولا

zij gehoorzamen slechts zoals hun voorouders tevoren gehoorzaamden.

ما ٮعٮدوں الا كما ٮعٮد اٮاوهم مں ڡٮل

En Wij zullen hun voorzeker hun portie getrouw teruggeven, zonder er iets van te verminderen.

واٮا لموڡوهم ٮصٮٮهم عٮر مٮڡوص

11:110

Wij hebben Moesa gewis de Schrift gegeven, en men heeft erover gedivergeerd;

ولڡد اٮٮٮا موسى الكٮٮ ڡاحٮلڡ ڡٮه

en zonder een voorafgaand woord van jouw Voogd zou er tussen hen beslist zijn;

ولولا كلمه سٮڡٮ مں رٮك لڡصى ٮٮٮهم

en zij zijn voorzeker, daarover, in een verontrustende verlegenheid.

واٮهم لڡى سك مٮه مرٮٮ

En aan allen zal jouw Voogd voorzeker hun werken getrouw teruggeven,

واں كلا لما لٮوڡٮٮهم رٮك اعملهم

want Hij is Intiem Kenner van wat zij doen.

اٮه ٮما ٮعملوں حٮٮر

11:112

Houd je dan rechtop, zoals je bevolen is, alsook zij die met jou teruggekeerd zijn, en ga de maat niet te buiten,

ڡاسٮڡم كما امرٮ ومں ٮاٮ معك ولا ٮطعوا

11:112

want Hij is Alziend over wat jullie doen.

اٮه ٮما ٮعملوں ٮصٮر

11:113

En steun niet op hen die onrechtvaardig zijn geweest, anders zou het Vuur jullie raken,

ولا ٮركٮوا الى الدٮں طلموا ڡٮمسكم الٮار

en jullie zouden, buiten God, geen enkele bondgenoot hebben,

وما لكم مں دوں الله مں اولٮا

en dan zouden jullie niet geholpen worden.

ٮم لا ٮٮصروں

11:114

En onderhoud het Contact aan de twee uiteinden van de dag, en op nabije momenten van de nacht,

واڡم الصلوه طرڡى الٮهار ورلڡا مں الٮل

11:114

want de goede daden verdrijven de slechte daden:

اں الحسٮٮ ٮدهٮں السٮاٮ

11:114

dat is een herinnering voor wie zich herinneren.

دلك دكرى للدكرٮں

11:115

En wees geduldig,

واصٮر

11:115

want God laat de beloning van hen die het goede doen niet vervliegen.

ڡاں الله لا ٮصٮع احر المحسٮٮں

11:116

Waren er onder de geslachten van voor jullie geen houders van een overschot die het bederf op de aarde verboden, behalve weinigen van hen die Wij gered hebben?

ڡلولا كاں مں الڡروں مں ڡٮلكم اولوا ٮڡٮه ٮٮهوں عں الڡساد ڡى الارص الا ڡلٮلا ممں اٮحٮٮا مٮهم

11:116

En wie onrechtvaardig waren, volgden wat hen in overvloed liet leven, en waren afgezonderden.

واٮٮع الدٮں طلموا ما اٮرڡوا ڡٮه وكاٮوا محرمٮں

11:117

En het ligt niet in de aard van jouw Voogd om de steden onrechtvaardig te vernietigen, terwijl de mensen daar saneren.

وما كاں رٮك لٮهلك الڡرى ٮطلم واهلها مصلحوں

11:118

En had het jouw Voogd behaagd, dan had Hij van de mensen één gemeenschap gemaakt;

ولو سا رٮك لحعل الٮاس امه وحده

11:119

maar zij blijven uiteenlopen, behalve wie jouw Voogd welwillendheid betoont,

ولا ٮرالوں محٮلڡٮں الا مں رحم رٮك

11:119

en daarom heeft Hij hen geschapen.

ولدلك حلڡهم

11:119

En het woord van jouw Voogd is voltooid: “Voorzeker zal Ik Djahannam vullen met de Verborgenen en de mensen, allen tezamen.”

وٮمٮ كلمه رٮك لاملاں حهٮم مں الحٮه والٮاس احمعٮں

11:120

En alles wat Wij je vertellen van de berichten over de gezanten, daarmee maken Wij jouw Bewustzijn standvastig;

وكلا ٮڡص علٮك مں اٮٮا الرسل ما ٮٮٮٮ ٮه ڡوادك

11:120

en daarin is de waarheid tot je gekomen, een vermaning en een herinnering voor de gelovenden.

وحاك ڡى هده الحٯ وموعطه ودكرى للمومٮٮں

En zeg tot hen die niet geloven: “Handel naar jullie plaats; wij, wij handelen; en wacht af: ook wij wachten gewis af.”

وڡل للدٮں لا ٮومٮوں اعملوا على مكاٮٮكم اٮا عملوں واٮٮطروا اٮا مٮٮطروں

11:123

En aan God behoort toe wat de zintuigen ontgaat in de hemelen en op de aarde,

ولله عٮٮ السموٮ والارص

en tot Hem keert het bevel in zijn geheel terug:

والٮه ٮرحع الامر كله

gehoorzaam Hem dus, en verleen Hem lastgeving:

ڡاعٮده وٮوكل علٮه

en jouw Voogd is niet onbekommerd over wat jullie doen.

وما رٮك ٮعڡل عما ٮعملوں

← Index van de soera's