يوسف
Yusuf
The Finest of Accounts
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Ra.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم الر
Dit zijn de tekenen van de uitdrukkelijke Schrift.
ٮلك اٮٮ الكٮٮ المٮٮں
Wij hebben haar doen neerdalen als een onberispelijke Lezing, misschien zullen jullie redeneren.
اٮا اٮرلٮه ڡرٮا عرٮٮا لعلكم ٮعڡلوں
Wij vertellen je het schoonste verhaal, door je deze Lezing te openbaren, terwijl je daarover voorzeker tot de onbekommerden behoorde.
ٮحں ٮڡص علٮك احسں الڡصص ٮما اوحٮٮا الٮك هدا الڡراں واں كٮٮ مں ڡٮله لمں العڡلٮں
Toen Joesoef tot zijn vader zei: “O mijn vader, ik heb elf sterren gezien, en de zon en de maan,
اد ڡال ٮوسڡ لاٮٮه ٮاٮٮ اٮى راٮٮ احد عسر كوكٮا والسمس والڡمر
ik heb ze zich voor mij zien neerwerpen.”
راٮٮهم لى سحدٮں
Hij zei: “O mijn kleine, vertel je visioen niet aan je broers, anders zouden zij tegen jou een list smeden:
ڡال ٮٮٮى لا ٮڡصص رٮاك على احوٮك ڡٮكٮدوا لك كٮدا
de Afleider is voor de mens een klaarblijkelijke vijand.
اں السٮطں للاٮسں عدو مٮٮں
En zo zal jouw Voogd je uitkiezen en je de voorspelling van de gebeurtenissen leren,
وكدلك ٮحٮٮٮك رٮك وٮعلمك مں ٮاوٮل الاحادٮٮ
en Hij zal Zijn weldaad aan jou voltooien en aan de clan van Ja'qoeb, zoals Hij die eerder voltooid heeft aan jouw twee voorouders, Ibrahim en Ishaq.
وٮٮم ٮعمٮه علٮك وعلى ال ٮعڡوٮ كما اٮمها على اٮوٮك مں ڡٮل اٮرهٮم واسحٯ
Jouw Voogd is gewis Alwetend, Wijs.”
اں رٮك علٮم حكٮم
Er waren gewis in Joesoef en zijn broers tekenen voor wie ondervragen.
لڡد كاں ڡى ٮوسڡ واحوٮه اٮٮ للساٮلٮں
Toen zij zeiden: “Joesoef en zijn broer zijn onze vader dierbaarder dan wij, terwijl wij een hechte bond zijn:
اد ڡالوا لٮوسڡ واحوه احٮ الى اٮٮٮا مٮا وٮحں عصٮه
onze vader verkeert voorzeker in een klaarblijkelijke dwaling.
اں اٮاٮا لڡى صلل مٮٮں
Dood Joesoef, of deporteer hem naar een of ander land, opdat het gelaat van jullie vader zich louter voor jullie vrijmaakt, en jullie daarna deugdelijke mensen zijn.”
اڡٮلوا ٮوسڡ او اطرحوه ارصا ٮحل لكم وحه اٮٮكم وٮكوٮوا مں ٮعده ڡوما صلحٮں
Een van hen zei: “Dood Joesoef niet, maar werp hem op de bodem van de put: een of andere karavaan zal hem opnemen, als jullie moeten handelen.”
ڡال ڡاٮل مٮهم لا ٮڡٮلوا ٮوسڡ والڡوه ڡى عٮٮٮ الحٮ ٮلٮڡطه ٮعص السٮاره اں كٮٮم ڡعلٮں
Zij zeiden: “O onze vader, wat is er met je dat je ons niet vertrouwt met betrekking tot Joesoef, terwijl wij voorzeker oprechte raadgevers voor hem zijn?
ڡالوا ٮاٮاٮا ما لك لا ٮامٮا على ٮوسڡ واٮا له لٮصحوں
Stuur hem morgen met ons mee, opdat hij zich vermaakt en speelt; wij zullen er voorzeker de bewaarders van zijn.”
ارسله معٮا عدا ٮرٮع وٮلعٮ واٮا له لحڡطوں
Hij zei: “Het bedroeft mij voorzeker dat jullie hem meenemen, en ik vrees dat de wolf hem verslindt terwijl jullie er onbekommerd over zouden zijn.”
ڡال اٮى لٮحرٮٮى اں ٮدهٮوا ٮه واحاڡ اں ٮاكله الدٮٮ واٮٮم عٮه عڡلوں
Zij zeiden: “Als de wolf hem verslond, terwijl wij een hechte bond zijn, dan zouden wij voorzeker verliezers zijn.”
ڡالوا لٮں اكله الدٮٮ وٮحں عصٮه اٮا ادا لحسروں
Toen zij hem meenamen en overeenkwamen hem op de bodem van de put te zetten – en Wij openbaarden hem: “Je zult hen voorzeker berichten over deze zaak, terwijl zij het niet zullen merken” –
ڡلما دهٮوا ٮه واحمعوا اں ٮحعلوه ڡى عٮٮٮ الحٮ واوحٮٮا الٮه لٮٮٮٮٮهم ٮامرهم هدا وهم لا ٮسعروں
kwamen zij 's avonds bij hun vader, wenend, en zeiden: “O onze vader, wij zijn gewis gegaan om te wedlopen en hebben Joesoef bij onze bagage achtergelaten, en de wolf heeft hem verslonden.
وحاو اٮاهم عسا ٮٮكوں ڡالوا ٮاٮاٮا اٮا دهٮٮا ٮسٮٮٯ وٮركٮا ٮوسڡ عٮد مٮعٮا ڡاكله الدٮٮ
Maar je zult ons geen krediet geven, ook al spreken wij de waarheid.”
وما اٮٮ ٮمومں لٮا ولو كٮا صدڡٮں
En zij brachten zijn kleed, bevlekt met leugenachtig bloed.
وحاو على ڡمٮصه ٮدم كدٮ
Hij zei: “Jullie Zelf heeft jullie veeleer een zaak ingefluisterd.
ڡال ٮل سولٮ لكم اٮڡسكم امرا
Waardig geduld!
ڡصٮر حمٮل
En bij God moet men hulp zoeken tegen wat jullie beschrijven.”
والله المسٮعاں على ما ٮصڡوں
En een karavaan kwam aan; zij stuurden hun putschepper, die zijn emmer liet zakken. Hij zei: “Goed nieuws! Daar is een jongen!”
وحاٮ سٮاره ڡارسلوا واردهم ڡادلى دلوه ڡال ٮٮسرى هدا علم
En zij hielden hem verborgen als koopwaar –
واسروه ٮصعه
maar God was Alwetend over wat zij deden.
والله علٮم ٮما ٮعملوں
En zij verkochten hem voor een afgeknepen prijs, enkele getelde munten: zij hechtten er nauwelijks belang aan.
وسروه ٮٮمں ٮحس درهم معدوده وكاٮوا ڡٮه مں الرهدٮں
En wie hem kocht, in Egypte, zei tot zijn vrouw: “Maak zijn verblijf eervol; het kan zijn dat hij ons van nut is, of dat wij hem als kind aannemen.”
وڡال الدى اسٮرٮه مں مصر لامراٮه اكرمى مٮوٮه عسى اں ٮٮڡعٮا او ٮٮحده ولدا
En zo hebben Wij Joesoef op dit land ingeplant, en om hem de voorspelling van de gebeurtenissen te leren –
وكدلك مكٮا لٮوسڡ ڡى الارص ولٮعلمه مں ٮاوٮل الاحادٮٮ
God is overwinnaar in Zijn beleid,
والله عالٮ على امره
maar de meeste mensen weten het niet.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮعلموں
En toen hij zijn volle rijpheid bereikt had, gaven Wij hem oordeel en weten:
ولما ٮلع اسده اٮٮٮه حكما وعلما
zo vergelden Wij hen die het goede doen.
وكدلك ٮحرى المحسٮٮں
En zij in wier huis hij verbleef, trachtte hem van zichzelf te verkrijgen; zij sloot de deuren en zei: “Kom hier.”
ورودٮه الٮى هو ڡى ٮٮٮها عں ٮڡسه وعلڡٮ الاٮوٮ وڡالٮ هٮٮ لك
Hij zei: “Ik stel mij onder de egide van God!
ڡال معاد الله
Hij is mijn meester: hij heeft mijn verblijf schoon gemaakt:
اٮه رٮى احسں مٮواى
de onrechtvaardigen slagen gewis niet.”
اٮه لا ٮڡلح الطلموں
En gewis, zij had een voornemen jegens hem,
ولڡد همٮ ٮه
en hij zou er een jegens haar gehad hebben, als hij het bewijs van zijn Voogd niet had gezien:
وهم ٮها لولا اں را ٮرهں رٮه
zo was het, opdat Wij het kwaad en de schandelijkheid van hem afwendden:
كدلك لٮصرڡ عٮه السو والڡحسا
hij behoorde gewis tot Onze gelouterde gehoorzamen.
اٮه مں عٮادٮا المحلصٮں
En beiden trachtten elkaar voor te zijn naar de deur, en zij scheurde zijn kleed van achteren, en zij troffen haar chef aan de deur.
واسٮٮڡا الٮاٮ وڡدٮ ڡمٮصه مں دٮر والڡٮا سٮدها لدا الٮاٮ
Zij zei: “Wat is de vergelding voor wie jouw familie kwaad wil doen, behalve de gevangenis of een schrijnende pijn?”
ڡالٮ ما حرا مں اراد ٮاهلك سوا الا اں ٮسحں او عداٮ الٮم
Hij zei: “Zij is het die getracht heeft mij van mijzelf te verkrijgen.”
ڡال هى رودٮٮى عں ٮڡسى
En een getuige uit haar familie legde getuigenis af: “Als zijn kleed van voren is gescheurd, spreekt zij de waarheid, en behoort hij tot de leugenaars; maar als zijn kleed van achteren is gescheurd, heeft zij gelogen,
وسهد ساهد مں اهلها اں كاں ڡمٮصه ڡد مں ڡٮل ڡصدڡٮ وهو مں الكدٮٮں واں كاں ڡمٮصه ڡد مں دٮر ڡكدٮٮ
en behoort hij tot de waarachtigen.”
وهو مں الصدڡٮں
Toen hij zag dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zei hij: “Dit is van jullie list: jullie list is gewis ontzaglijk.
ڡلما را ڡمٮصه ڡد مں دٮر ڡال اٮه مں كٮدكں اں كٮدكں عطٮم
Joesoef, onttrek je hieraan;
ٮوسڡ اعرص عں هدا
en jij, smeek om vergeving voor je vergrijp: je behoort tot de vrouwen die in de fout zijn gegaan.”
واسٮعڡرى لدٮٮك اٮك كٮٮ مں الحاطٮں
En vrouwen in de Hoofdstad zeiden: “De vrouw van de Machtige tracht haar jongeman van hemzelf te verkrijgen: hij heeft haar voorzeker met liefde gevangengenomen;
وڡال ٮسوه ڡى المدٮٮه امراٮ العرٮر ٮرود ڡٮٮها عں ٮڡسه ڡد سعڡها حٮا
wij zien haar voorzeker in een klaarblijkelijke dwaling.”
اٮا لٮرٮها ڡى صلل مٮٮں
Toen zij hun complot hoorde, nodigde zij hen uit en bereidde voor hen iets om op te leunen; aan ieder van hen gaf zij een mes, en zei: “Kom naar buiten, voor hen.”
ڡلما سمعٮ ٮمكرهں ارسلٮ الٮهں واعٮدٮ لهں مٮكا واٮٮ كل وحده مٮهں سكٮٮا وڡالٮ احرح علٮهں
Toen zij hem zagen, vonden zij hem zo groot dat zij zich in de handen sneden, zeggende: “Verre zij het van God! Dit is geen sterveling:
ڡلما راٮٮه اكٮرٮه وڡطعں اٮدٮهں وڡلں حس لله ما هدا ٮسرا
dit is slechts een edele Gemachtigde.”
اں هدا الا ملك كرٮم
Zij zei: “Dit is hij om wie jullie mij laakten.
ڡالٮ ڡدلكں الدى لمٮٮٮى ڡٮه
Ik heb gewis getracht hem van zichzelf te verkrijgen, maar hij hield zich stevig vast aan zijn vrijwaring;
ولڡد رودٮه عں ٮڡسه ڡاسٮعصم
en als hij niet doet wat ik hem beveel, zal hij voorzeker gevangengezet worden, en voorzeker behoren tot de vernederden.”
ولٮں لم ٮڡعل ما امره لٮسحٮں ولٮكوٮا مں الصعرٮں
Hij zei: “Mijn Voogd, de gevangenis is mij dierbaarder dan waartoe zij mij roepen; en als U hun list niet van mij afwendt, zal ik naar hen toe neigen en tot de onwetenden behoren.”
ڡال رٮ السحں احٮ الى مما ٮدعوٮٮى الٮه والا ٮصرڡ عٮى كٮدهں اصٮ الٮهں واكں مں الحهلٮں
Zijn Voogd antwoordde hem en wendde hun list van hem af:
ڡاسٮحاٮ له رٮه ڡصرڡ عٮه كٮدهں
Gewis is Hij het, de Alhorende, de Alwetende.
اٮه هو السمٮع العلٮم
Daarna werd hun duidelijk, nadat zij de tekenen gezien hadden, dat zij hem voorzeker voor een tijd gevangen zouden zetten.
ٮم ٮدا لهم مں ٮعد ما راوا الاٮٮ لٮسحٮٮه حٮى حٮں
En twee jonge mannen traden met hem de gevangenis binnen.
ودحل معه السحں ڡٮٮاں
Een van hen zei: “Ik zag mijzelf wijn persen.”
ڡال احدهما اٮى ارٮٮى اعصر حمرا
En de ander zei: “Ik zag mijzelf brood op mijn hoofd dragen, waarvan de vogels aten.
وڡال الاحر اٮى ارٮٮى احمل ڡوٯ راسى حٮرا ٮاكل الطٮر مٮه
Bericht ons over de voorspelling ervan: wij zien jou onder hen die het goede doen.”
ٮٮٮٮا ٮٮاوٮله اٮا ٮرٮك مں المحسٮٮں
Hij zei: “Geen enkel voedsel waarvan jullie voorzien worden, zal jullie gebracht worden zonder dat ik jullie bericht over de voorspelling ervan voordat het jullie bereikt:
ڡال لا ٮاٮٮكما طعام ٮررڡاٮه الا ٮٮاٮكما ٮٮاوٮله ڡٮل اں ٮاٮٮكما
dat behoort tot wat mijn Voogd mij geleerd heeft.
دلكما مما علمٮى رٮى
Ik heb gewis de leer verlaten van een volk dat niet in God gelooft, en dat het laatste leven verloochent,
اٮى ٮركٮ مله ڡوم لا ٮومٮوں ٮالله وهم ٮالاحره هم كڡروں
en ik heb de leer van mijn voorouders gevolgd, Ibrahim, Ishaq en Ja'qoeb:
واٮٮعٮ مله اٮاى اٮرهٮم واسحٯ وٮعڡوٮ
het past ons niet iets met God te associëren.
ما كاں لٮا اں ٮسرك ٮالله مں سى
Dat komt voort uit de gunst van God over ons en over de mensen,
دلك مں ڡصل الله علٮٮا وعلى الٮاس
maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮسكروں
O mijn twee metgezellen van de gevangenis, zijn verdeelde meesters beter, of God, de Enige, de Overheerser?
ٮصحٮى السحں ارٮاٮ مٮڡرڡوں حٮر ام الله الوحد الڡهار
Wat jullie buiten Hem gehoorzamen, zijn slechts eigenschappen die jullie genoemd hebben, jullie en jullie voorouders, zonder dat God er enig gezag voor heeft doen neerdalen:
ما ٮعٮدوں مں دوٮه الا اسما سمٮٮموها اٮٮم واٮاوكم ما اٮرل الله ٮها مں سلطں
het oordeel behoort alleen aan God toe:
اں الحكم الا لله
Hij heeft bevolen dat jullie niemand dan Hem gehoorzamen:
امر الا ٮعٮدوا الا اٮاه
dat is de rechte Wet,
دلك الدٮں الڡٮم
maar de meeste mensen weten het niet.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮعلموں
O mijn twee metgezellen van de gevangenis, een van jullie tweeën zal zijn meester wijn te drinken geven;
ٮصحٮى السحں اما احدكما ڡٮسڡى رٮه حمرا
wat de ander betreft, hij zal gekruisigd worden, en de vogels zullen van zijn hoofd eten.
واما الاحر ڡٮصلٮ ڡٮاكل الطٮر مں راسه
De zaak waarover jullie mij raadpleegden, is beslist.”
ڡصى الامر الدى ڡٮه ٮسٮڡٮٮاں
En hij zei tot hem van de twee van wie hij vermoedde dat hij gered zou worden: “Breng mij in herinnering bij jouw meester.”
وڡال للدى طں اٮه ٮاح مٮهما ادكرٮى عٮد رٮك
Maar de Afleider deed hem vergeten dit bij zijn meester te vermelden, en hij bracht enkele jaren door in de gevangenis.
ڡاٮسٮه السٮطں دكر رٮه ڡلٮٮ ڡى السحں ٮصع سٮٮں
En de koning zei: “Ik zie zeven vette koeien die zeven magere verslinden, en zeven groene aren en andere verdorde:
وڡال الملك اٮى ارى سٮع ٮڡرٮ سماں ٮاكلهں سٮع عحاڡ وسٮع سٮٮلٮ حصر واحر ٮاٮسٮ
O hof, geef mij jullie advies over mijn visioen, als jullie visioenen kunnen ontcijferen.”
ٮاٮها الملا اڡٮوٮى ڡى رٮى اں كٮٮم للرٮا ٮعٮروں
Zij zeiden: “Een bundel verwarde dromen,
ڡالوا اصعٮ احلم
en wij zijn niet bedreven in de voorspelling van dromen.”
وما ٮحں ٮٮاوٮل الاحلم ٮعلمٮں
En wie van de twee gered was, zei, zich na een lange tijd herinnerend: “Ik zal jullie berichten over de voorspelling ervan: stuur mij dus.”
وڡال الدى ٮحا مٮهما وادكر ٮعد امه اٮا اٮٮٮكم ٮٮاوٮله ڡارسلوں
“Joesoef, waarachtige man, geef ons jouw advies over de zeven vette koeien die zeven magere verslinden, en de zeven groene aren en andere verdorde, misschien keer ik terug naar de mensen, misschien zullen zij het weten.”
ٮوسڡ اٮها الصدٮٯ اڡٮٮا ڡى سٮع ٮڡرٮ سماں ٮاكلهں سٮع عحاڡ وسٮع سٮٮلٮ حصر واحر ٮاٮسٮ لعلى ارحع الى الٮاس لعلهم ٮعلموں
Hij zei: “Jullie zullen zeven jaar lang ijverig verbouwen;
ڡال ٮررعوں سٮع سٮٮں داٮا
en wat jullie geoogst hebben, sla het op in zijn aar, behalve het weinige dat jullie eten.
ڡما حصدٮم ڡدروه ڡى سٮٮله الا ڡلٮلا مما ٮاكلوں
Daarna zullen, na dat alles, zeven strenge jaren komen, die opeten wat jullie voor hen vooruitgestuurd hebben, behalve het weinige dat jullie beschutten.
ٮم ٮاٮى مں ٮعد دلك سٮع سداد ٮاكلں ما ڡدمٮم لهں الا ڡلٮلا مما ٮحصٮوں
Daarna zal, na dat alles, een jaar komen waarin de mensen de reddende regen ontvangen, en waarin zij zullen persen.”
ٮم ٮاٮى مں ٮعد دلك عام ڡٮه ٮعاٮ الٮاس وڡٮه ٮعصروں
En de koning zei: “Breng hem bij mij.”
وڡال الملك اٮٮوٮى ٮه
Toen de gezant bij hem kwam, zei hij: “Keer terug naar jouw meester, en vraag hem wat er is met de vrouwen die zich in de handen sneden:
ڡلما حاه الرسول ڡال ارحع الى رٮك ڡسله ما ٮال الٮسوه الٮى ڡطعں اٮدٮهں
mijn Voogd is gewis Alwetend over hun list.”
اں رٮى ٮكٮدهں علٮم
Hij zei: “Wat was jullie zaak, toen jullie Joesoef van zichzelf probeerden te verkrijgen?”
ڡال ما حطٮكں اد رودٮں ٮوسڡ عں ٮڡسه
Zij zeiden: “Verre zij het van God! Wij kennen van hem geen enkel kwaad.”
ڡلں حس لله ما علمٮا علٮه مں سو
De vrouw van de Machtige zei: “Nu breekt de waarheid door: ik ben het die getracht heeft hem van zichzelf te verkrijgen, en hij behoort voorzeker tot de waarachtigen.
ڡالٮ امراٮ العرٮر الں حصحص الحٯ اٮا رودٮه عں ٮڡسه واٮه لمں الصدڡٮں
Dit, opdat hij weet dat ik hem niet verraden heb in zijn afwezigheid, en dat God de list van de verraders niet leidt.
دلك لٮعلم اٮى لم احٮه ٮالعٮٮ واں الله لا ٮهدى كٮد الحاٮٮٮں
En ik spreek mijn Zelf niet vrij:
وما اٮرى ٮڡسى
het Zelf spoort voorzeker aan tot het kwaad, behalve wie mijn Voogd welwillendheid betoont.
اں الٮڡس لاماره ٮالسو الا ما رحم رٮى
Mijn Voogd is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”
اں رٮى عڡور رحٮم
En de koning zei: “Breng hem bij mij: ik zal hem uitsluitend de mijne maken.”
وڡال الملك اٮٮوٮى ٮه اسٮحلصه لٮڡسى
Toen hij met hem gesproken had, zei hij: “Jij bent heden, bij ons, in een positie van gezag en vertrouwen.”
ڡلما كلمه ڡال اٮك الٮوم لدٮٮا مكٮں امٮں
Hij zei: “Stel mij aan het hoofd van de voorraden van dit land: ik ben een wetende bewaarder.”
ڡال احعلٮى على حراٮں الارص اٮى حڡٮط علٮم
En zo hebben Wij Joesoef op dit land ingeplant, waar hij zich installeerde waar het hem behaagde:
وكدلك مكٮا لٮوسڡ ڡى الارص ٮٮٮوا مٮها حٮٮ ٮسا
Wij verlenen Onze welwillendheid aan wie het Ons behaagt, en Wij laten de beloning van hen die het goede doen niet vervliegen.
ٮصٮٮ ٮرحمٮٮا مں ٮسا ولا ٮصٮع احر المحسٮٮں
En de beloning van het laatste leven is voorzeker beter voor hen die geloven en zich behoeden.
ولاحر الاحره حٮر للدٮں امٮوا وكاٮوا ٮٮڡوں
En de broers van Joesoef kwamen en traden bij hem binnen; hij herkende hen, maar zij herkenden hem niet.
وحا احوه ٮوسڡ ڡدحلوا علٮه ڡعرڡهم وهم له مٮكروں
Toen hij hen met hun proviand had uitgerust, zei hij: “Breng mij een broer die jullie aan de kant van jullie vader hebben.
ولما حهرهم ٮحهارهم ڡال اٮٮوٮى ٮاح لكم مں اٮٮكم
Zien jullie niet dat ik getrouw de maat geef en dat ik de voortreffelijkste van de gastheren ben?
الا ٮروں اٮى اوڡى الكٮل واٮا حٮر المٮرلٮں
En als jullie hem niet bij mij brengen, zullen jullie bij mij geen maat meer hebben, en zullen jullie mij niet meer naderen.”
ڡاں لم ٮاٮوٮى ٮه ڡلا كٮل لكم عٮدى ولا ٮڡرٮوں
Zij zeiden: “Wij zullen proberen hem van zijn vader te verkrijgen, wij zullen het voorzeker doen.”
ڡالوا سٮرود عٮه اٮاه واٮا لڡعلوں
En hij zei tot zijn jonge mannen: “Leg hun koopwaar in hun zadeltassen, misschien herkennen zij haar wanneer zij rechtsomkeert naar de hunnen hebben gemaakt, misschien keren zij terug.”
وڡال لڡٮٮٮه احعلوا ٮصعٮهم ڡى رحالهم لعلهم ٮعرڡوٮها ادا اٮڡلٮوا الى اهلهم لعلهم ٮرحعوں
Toen zij naar hun vader teruggekeerd waren, zeiden zij: “O onze vader, men heeft ons de maat onthouden; stuur dus onze broer met ons mee, dan zullen wij maat verkrijgen, en wij zullen er voorzeker de bewaarders van zijn.”
ڡلما رحعوا الى اٮٮهم ڡالوا ٮاٮاٮا مٮع مٮا الكٮل ڡارسل معٮا احاٮا ٮكٮل واٮا له لحڡطوں
Hij zei: “Zou ik jullie voor hem vertrouwen anders dan ik jullie eerder voor zijn broer vertrouwd heb?
ڡال هل امٮكم علٮه الا كما امٮٮكم على احٮه مں ڡٮل
God is de voortreffelijkste bewaarder,
ڡالله حٮر حڡطا
en Hij is de welwillendste der welwillenden.”
وهو ارحم الرحمٮں
Toen zij hun bagage openden, vonden zij hun koopwaar, die hun was teruggegeven. Zij zeiden: “O onze vader, wat zouden wij nog meer zoeken?
ولما ڡٮحوا مٮعهم وحدوا ٮصعٮهم ردٮ الٮهم ڡالوا ٮاٮاٮا ما ٮٮعى
Dit is onze koopwaar, die ons is teruggegeven; wij zullen onze familie bevoorraden, wij zullen onze broer bewaren, en wij zullen er de maat van een kameel bij verkrijgen:
هده ٮصعٮٮا ردٮ الٮٮا وٮمٮر اهلٮا وٮحڡط احاٮا وٮرداد كٮل ٮعٮر
dat is een gemakkelijke maat.”
دلك كٮل ٮسٮر
Hij zei: “Ik zal hem niet met jullie meesturen, voordat jullie mij een plechtige verbintenis voor God brengen, dat jullie hem voorzeker bij mij terugbrengen, tenzij jullie omsingeld worden.”
ڡال لں ارسله معكم حٮى ٮوٮوں موٮڡا مں الله لٮاٮٮٮى ٮه الا اں ٮحاط ٮكم
Toen zij hem hun plechtige verbintenis hadden gebracht, zei hij: “God is lasthebber van wat wij zeggen.”
ڡلما اٮوه موٮڡهم ڡال الله على ما ٮڡول وكٮل
En hij zei: “O mijn zonen, treed niet binnen door één enkele poort, maar treed binnen door afzonderlijke poorten;
وڡال ٮٮٮى لا ٮدحلوا مں ٮاٮ وحد وادحلوا مں اٮوٮ مٮڡرڡه
ik zal jullie in niets baten tegen God:
وما اعٮى عٮكم مں الله مں سى
het oordeel behoort alleen aan God toe;
اں الحكم الا لله
aan Hem verleen ik lastgeving,
علٮه ٮوكلٮ
en laten zij die lastgeving verlenen, die aan Hem verlenen.”
وعلٮه ڡلٮٮوكل المٮوكلوں
Toen zij binnentraden zoals hun vader hun bevolen had, baatte het hun in niets tegen God, behalve een behoefte in het Zelf van Ja'qoeb, die hij vervulde;
ولما دحلوا مں حٮٮ امرهم اٮوهم ما كاں ٮعٮى عٮهم مں الله مں سى الا حاحه ڡى ٮڡس ٮعڡوٮ ڡصٮها
hij bezat voorzeker een weten dat Wij hem geleerd hadden,
واٮه لدو علم لما علمٮه
maar de meeste mensen weten het niet.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮعلموں
Toen zij bij Joesoef binnentraden, onthaalde hij zijn broer bij zich,
ولما دحلوا على ٮوسڡ اوى الٮه احاه
en zei: “Ik ben gewis, ik, jouw broer: treur dus niet om wat zij deden.”
ڡال اٮى اٮا احوك ڡلا ٮٮٮٮس ٮما كاٮوا ٮعملوں
Toen hij hen van hun proviand had uitgerust, legde hij de beker in de zadeltas van zijn broer; toen riep een heraut uit: “O karavaan, jullie zijn voorzeker dieven!”
ڡلما حهرهم ٮحهارهم حعل السڡاٮه ڡى رحل احٮه ٮم ادں مودں اٮٮها العٮر اٮكم لسرڡوں
Zij zeiden, hun het gezicht toekerend: “Wat ontbreekt jullie?”
ڡالوا واڡٮلوا علٮهم مادا ٮڡڡدوں
Zij zeiden: “Ons ontbreekt de korenmaat van de koning;
ڡالوا ٮڡڡد صواع الملك
wie hem terugbrengt, krijgt de last van een kameel, en ik sta ervoor garant.”
ولمں حا ٮه حمل ٮعٮر واٮا ٮه رعٮم
Zij zeiden: “Bij God, jullie weten wel dat wij niet gekomen zijn om bederf te zaaien op dit land, en dat wij geen dieven zijn.”
ڡالوا ٮالله لڡد علمٮم ما حٮٮا لٮڡسد ڡى الارص وما كٮا سرڡٮں
Zij zeiden: “Wat zal dan zijn vergelding zijn, als jullie leugenaars zijn?”
ڡالوا ڡما حروه اں كٮٮم كدٮٮں
Zij zeiden: “Zijn vergelding: degene in wiens zadeltas hij gevonden wordt, die zal er zelf de vergelding van zijn.
ڡالوا حروه مں وحد ڡى رحله ڡهو حروه
Zo vergelden wij de onrechtvaardigen.”
كدلك ٮحرى الطلمٮں
Hij begon met hun zakken vóór de zak van zijn broer, en haalde hem toen uit de zak van zijn broer:
ڡٮدا ٮاوعٮٮهم ڡٮل وعا احٮه ٮم اسٮحرحها مں وعا احٮه
zo hebben Wij een list gesmeed ten gunste van Joesoef:
كدلك كدٮا لٮوسڡ
hij kon, volgens de wet van de koning, zijn broer niet nemen, tenzij het God behaagde.
ما كاں لٮاحد احاه ڡى دٮں الملك الا اں ٮسا الله
Wij verheffen in rangen wie het Ons behaagt,
ٮرڡع درحٮ مں ٮسا
en boven elke houder van weten is er een wetende.
وڡوٯ كل دى علم علٮم
Zij zeiden: “Als hij gestolen heeft, heeft een broer van hem eerder al gestolen.”
ڡالوا اں ٮسرٯ ڡڡد سرٯ اح له مں ڡٮل
Joesoef hield dit geheim in zichzelf en liet het hun niet blijken;
ڡاسرها ٮوسڡ ڡى ٮڡسه ولم ٮٮدها لهم
hij zei: “Jullie hebben de slechtste plaats,
ڡال اٮٮم سر مكاٮا
en God weet het best wat jullie beschrijven.”
والله اعلم ٮما ٮصڡوں
Zij zeiden: “O Machtige, hij heeft een vader, een zeer bejaarde grijsaard; neem dus een van ons in zijn plaats: wij zien jou onder hen die het goede doen.”
ڡالوا ٮاٮها العرٮر اں له اٮا سٮحا كٮٮرا ڡحد احدٮا مكاٮه اٮا ٮرٮك مں المحسٮٮں
Hij zei: “Wij stellen ons onder de egide van God om niet een ander te nemen dan hem bij wie wij ons voorwerp gevonden hebben: wij zouden dan voorzeker onrechtvaardig zijn.”
ڡال معاد الله اں ٮاحد الا مں وحدٮا مٮعٮا عٮده اٮا ادا لطلموں
Toen zij alle hoop op hem verloren hadden, trokken zij zich terug in beraad.
ڡلما اسٮٮسوا مٮه حلصوا ٮحٮا
De oudste van hen zei: “Weten jullie niet dat jullie vader jullie een plechtige verbintenis voor God heeft afgenomen,
ڡال كٮٮرهم الم ٮعلموا اں اٮاكم ڡد احد علٮكم موٮڡا مں الله
en dat jullie eerder jullie plicht jegens Joesoef verzuimd hebben?
ومں ڡٮل ما ڡرطٮم ڡى ٮوسڡ
Ik zal dit land dus niet verlaten, voordat mijn vader het mij toestaat, of God ten gunste van mij oordeelt:
ڡلں اٮرح الارص حٮى ٮادں لى اٮى او ٮحكم الله لى
Hij is de voortreffelijkste van de rechters.
وهو حٮر الحكمٮں
Keer terug naar jullie vader, en zeg: ‘O onze vader, jouw zoon is gewis voor dief verklaard;
ارحعوا الى اٮٮكم ڡڡولوا ٮاٮاٮا اں اٮٮك سرٯ
en wij getuigen slechts van wat wij weten, en wij konden niet bewaren wat de zintuigen ontging.
وما سهدٮا الا ٮما علمٮا وما كٮا للعٮٮ حڡطٮں
En ondervraag de stad waar wij waren, en de karavaan met wie wij teruggekeerd zijn: wij spreken voorzeker de waarheid.’”
وسل الڡرٮه الٮى كٮا ڡٮها والعٮر الٮى اڡٮلٮا ڡٮها واٮا لصدڡوں
Hij zei: “Jullie Zelf heeft jullie veeleer een zaak ingefluisterd.
ڡال ٮل سولٮ لكم اٮڡسكم امرا
Waardig geduld!
ڡصٮر حمٮل
Het kan zijn dat God ze mij allen terugbrengt:
عسى الله اں ٮاٮٮٮى ٮهم حمٮعا
Hij is gewis de Alwetende, de Wijze.”
اٮه هو العلٮم الحكٮم
En hij keerde hun de rug toe en zei: “O mijn bitterheid, om Joesoef!”
وٮولى عٮهم وڡال ٮاسڡى على ٮوسڡ
En zijn ogen werden wit van verdriet, terwijl hij zijn kommer inslikte.
واٮٮصٮ عٮٮاه مں الحرں ڡهو كطٮم
Zij zeiden: “Bij God, je zult niet ophouden je Joesoef te herinneren, tot je uitgeput bent of tot je jezelf vernietigt.”
ڡالوا ٮالله ٮڡٮوا ٮدكر ٮوسڡ حٮى ٮكوں حرصا او ٮكوں مں الهلكٮں
Hij zei: “Ik klaag mijn uitstorting en mijn verdriet slechts bij God,
ڡال اٮما اسكوا ٮٮى وحرٮى الى الله
en ik weet, van God, wat jullie niet weten.
واعلم مں الله ما لا ٮعلموں
O mijn zonen, ga en doe navraag naar Joesoef en zijn broer, en verlies de hoop niet op de rust van God:
ٮٮٮى ادهٮوا ڡٮحسسوا مں ٮوسڡ واحٮه ولا ٮاٮسوا مں روح الله
niemand verliest de hoop op de rust van God, behalve het volk dat verloochent.”
اٮه لا ٮاٮس مں روح الله الا الڡوم الكڡروں
Toen zij bij hem binnentraden, zeiden zij: “O Machtige, de schade heeft ons getroffen, en onze familie, en wij zijn gekomen met koopwaar van weinig waarde:
ڡلما دحلوا علٮه ڡالوا ٮاٮها العرٮر مسٮا واهلٮا الصر وحٮٮا ٮٮصعه مرحٮه
geef ons dus getrouw de maat, en betoon ons liefdadigheid:
ڡاوڡ لٮا الكٮل وٮصدٯ علٮٮا
God vergeldt wie liefdadigheid doen.”
اں الله ٮحرى المٮصدڡٮں
Hij zei: “Weten jullie wat jullie Joesoef en zijn broer aangedaan hebben, toen jullie onwetend waren?”
ڡال هل علمٮم ما ڡعلٮم ٮٮوسڡ واحٮه اد اٮٮم حهلوں
Zij zeiden: “Ben jij werkelijk Joesoef?”
ڡالوا اٮك لاٮٮ ٮوسڡ
Hij zei: “Ik ben Joesoef, en dit is mijn broer.
ڡال اٮا ٮوسڡ وهدا احى
God heeft ons gewis begunstigd:
ڡد مں الله علٮٮا
wie zich behoedt en geduldig is – God laat de beloning van wie het goede doen gewis niet vervliegen.”
اٮه مں ٮٮٯ وٮصٮر ڡاں الله لا ٮصٮع احر المحسٮٮں
Zij zeiden: “Bij God, God heeft jou gewis boven ons verkozen, en wij waren voorzeker in de fout.”
ڡالوا ٮالله لڡد اٮرك الله علٮٮا واں كٮا لحطٮں
Hij zei: “Geen verwijt over jullie:
ڡال لا ٮٮرٮٮ علٮكم
heden vergeeft God jullie,
الٮوم ٮعڡر الله لكم
Hij is de welwillendste der welwillenden.
وهو ارحم الرحمٮں
Ga met dit kleed van mij, en werp het op het gezicht van mijn vader: hij zal het zicht herkrijgen. Breng mij daarna heel jullie familie.”
ادهٮوا ٮڡمٮصى هدا ڡالڡوه على وحه اٮى ٮاٮ ٮصٮرا واٮوٮى ٮاهلكم احمعٮں
Toen de karavaan vertrokken was, zei hun vader: “Ik ruik voorzeker de geur van Joesoef, als jullie mij niet kinds noemen.”
ولما ڡصلٮ العٮر ڡال اٮوهم اٮى لاحد رٮح ٮوسڡ لولا اں ٮڡٮدوں
Zij zeiden: “Bij God, je verkeert voorzeker in je oude dwaling.”
ڡالوا ٮالله اٮك لڡى صللك الڡدٮم
Toen de aankondiger kwam, wierp hij het op zijn gezicht, en onmiddellijk herkreeg hij het zicht.
ڡلما اں حا الٮسٮر الڡٮه على وحهه ڡارٮد ٮصٮرا
Hij zei: “Heb ik jullie niet gezegd dat ik, van God, weet wat jullie niet weten?”
ڡال الم اڡل لكم اٮى اعلم مں الله ما لا ٮعلموں
Zij zeiden: “O onze vader, smeek om vergeving voor onze vergrijpen: wij waren gewis in de fout.”
ڡالوا ٮاٮاٮا اسٮعڡر لٮا دٮوٮٮا اٮا كٮا حطٮں
Hij zei: “Ik zal weldra voor jullie smeken om de vergeving van mijn Voogd:
ڡال سوڡ اسٮعڡر لكم رٮى
Gewis is Hij het, de Zeer Vergevensgezinde, de Welwillende.”
اٮه هو العڡور الرحٮم
Toen zij bij Joesoef binnentraden, onthaalde hij zijn vader en zijn moeder bij zich, en zei: “Treed Egypte binnen, als het God behaagt, in veiligheid.”
ڡلما دحلوا على ٮوسڡ اوى الٮه اٮوٮه وڡال ادحلوا مصر اں سا الله امٮٮں
En hij verhief zijn vader en zijn moeder op het bouwwerk, en zij vielen neer voor hem, zich neerwerpend.
ورڡع اٮوٮه على العرس وحروا له سحدا
En hij zei: “O mijn vader, dit is de voorspelling van mijn visioen van weleer: mijn Voogd heeft het waar gemaakt.
وڡال ٮاٮٮ هدا ٮاوٮل رٮى مں ڡٮل ڡد حعلها رٮى حڡا
En Hij is weldadig jegens mij geweest, toen Hij mij uit de gevangenis liet komen, en jullie van het platteland liet komen, nadat de Afleider tweedracht had gezaaid tussen mijn broers en mij.
وڡد احسں ٮى اد احرحٮى مں السحں وحا ٮكم مں الٮدو مں ٮعد اں ٮرع السٮطں ٮٮٮى وٮٮں احوٮى
Mijn Voogd is Subtiel in wat het Hem behaagt:
اں رٮى لطٮڡ لما ٮسا
Hij is gewis de Alwetende, de Wijze.
اٮه هو العلٮم الحكٮم
Mijn Voogd, U hebt mij een deel van het koningschap toegekend, en U hebt mij de voorspelling van gebeurtenissen geleerd.
رٮ ڡد اٮٮٮٮى مں الملك وعلمٮٮى مں ٮاوٮل الاحادٮٮ
Oorsprong van de hemelen en de aarde, U bent mijn beschermer in dit leven hienieden en in het laatste leven: houd mij getrouw in bewaring, integer tegenover U, en voeg mij bij hen die deugdelijk zijn.”
ڡاطر السموٮ والارص اٮٮ ولى ڡى الدٮٮا والاحره ٮوڡٮى مسلما والحڡٮى ٮالصلحٮں
Dit behoort tot de berichten over wat de zintuigen ontgaat, die Wij je openbaren:
دلك مں اٮٮا العٮٮ ٮوحٮه الٮك
je was niet bij hen toen zij over hun zaak overeenkwamen terwijl zij complotteerden.
وما كٮٮ لدٮهم اد احمعوا امرهم وهم ٮمكروں
En de meeste mensen zijn, ook al zou je erop staan, geen gelovenden.
وما اكٮر الٮاس ولو حرصٮ ٮمومٮٮں
En je vraagt hun hiervoor geen enkele beloning:
وما ٮسلهم علٮه مں احر
het is slechts een herinnering voor alle wezens.
اں هو الا دكر للعلمٮں
Hoeveel tekenen in de hemelen en op de aarde, waar zij langs gaan terwijl zij zich eraan onttrekken!
وكاٮں مں اٮه ڡى السموٮ والارص ٮمروں علٮها وهم عٮها معرصوں
En de meeste van hen geloven niet in God dan terwijl zij met Hem associëren.
وما ٮومں اكٮرهم ٮالله الا وهم مسركوں
Zijn zij er dan zeker van dat hun niet zal overkomen, van de pijn van God, wat hen overspoelt, of dat het Uur hun niet onverhoeds zal overkomen, zonder dat zij het merken?
اڡامٮوا اں ٮاٮٮهم عسٮه مں عداٮ الله او ٮاٮٮهم الساعه ٮعٮه وهم لا ٮسعروں
Zeg: “Dit is mijn weg: ik roep tot God.
ڡل هده سٮٮلى ادعوا الى الله
In volle klaarziendheid, ik en wie mij volgen.
على ٮصٮره اٮا ومں اٮٮعٮى
En glorie zij God!
وسٮحں الله
En ik behoor niet tot hen die associëren.”
وما اٮا مں المسركٮں
En Wij hebben vóór jou slechts mannen gezonden aan wie Wij openbaarden, onder de lieden van de steden.
وما ارسلٮا مں ڡٮلك الا رحالا ٮوحى الٮهم مں اهل الڡرى
Hebben zij de aarde dan niet doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren?
اڡلم ٮسٮروا ڡى الارص ڡٮٮطروا كٮڡ كاں عڡٮه الدٮں مں ڡٮلهم
En het verblijf van het laatste leven is voorzeker beter voor wie zich behoed hebben:
ولدار الاحره حٮر للدٮں اٮڡوا
redeneren jullie dan niet?
اڡلا ٮعڡلوں
Totdat, toen de gezanten alle hoop verloren hadden en vermoedden dat zij ontkend waren, Onze hulp hen bereikte, en gered werd wie het Ons behaagde,
حٮى ادا اسٮٮس الرسل وطٮوا اٮهم ڡد كدٮوا حاهم ٮصرٮا ڡٮحى مں ٮسا
en Onze strengheid wordt niet teruggenomen van het afgezonderde volk.
ولا ٮرد ٮاسٮا عں الڡوم المحرمٮں
Er was gewis in hun verhaal een les voor de houders van intelligentie:
لڡد كاں ڡى ڡصصهم عٮره لاولى الالٮٮ
het was geen verzonnen rede,
ما كاں حدٮٮا ٮڡٮرى
maar de bevestiging van wat eraan voorafgaat, het detail van alles, en een leiding en een welwillendheid voor een volk dat gelooft.
ولكں ٮصدٮٯ الدى ٮٮں ٮدٮه وٮڡصٮل كل سى وهدى ورحمه لڡوم ٮومٮوں