العنكبوت
Al-Ankabut
The Spider
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Mim.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم الم
Denken de mensen dat zij zullen worden gelaten, omdat zij zeggen: “Wij geloven”, zonder dat zij op de proef worden gesteld?
احسٮ الٮاس اں ٮٮركوا اں ٮڡولوا امٮا وهم لا ٮڡٮٮوں
Wij hebben echter hen die hun voorgingen op de proef gesteld,
ولڡد ڡٮٮا الدٮں مں ڡٮلهم
opdat God voorzeker hen onderscheidt die de waarheid hebben gezegd, en voorzeker de leugenaars onderscheidt.
ڡلٮعلمں الله الدٮں صدڡوا ولٮعلمں الكدٮٮں
Of denken zij die het kwaad plegen dat zij Ons zullen voorbijstreven?
ام حسٮ الدٮں ٮعملوں السٮاٮ اں ٮسٮڡوٮا
Hoe slecht is hun oordeel!
سا ما ٮحكموں
Wie de ontmoeting met God hoopt – voorzeker zal de door God vastgelegde termijn komen;
مں كاں ٮرحوا لڡا الله ڡاں احل الله لاٮ
en Hij is de Alhorende, de Alwetende.
وهو السمٮع العلٮم
En wie strijd voert, voert slechts strijd voor zichzelf,
ومں حهد ڡاٮما ٮحهد لٮڡسه
want voorzeker is God Rijk, en Hij heeft alle wezens niet nodig.
اں الله لعٮى عں العلمٮں
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, hun slechte daden zullen Wij voorzeker bedekken, en Wij zullen hen voorzeker vergelden naar het schoonste van wat zij deden.
والدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ لٮكڡرں عٮهم سٮاٮهم ولٮحرٮٮهم احسں الدى كاٮوا ٮعملوں
En Wij hebben de mens een schoon gedrag jegens zijn beide ouders aanbevolen;
ووصٮٮا الاٮسں ٮولدٮه حسٮا
maar als zij strijd tegen je voeren opdat jij datgene met Mij associeert waarvan jij geen enkel weten hebt, voeg je dan niet naar hen;
واں حهداك لٮسرك ٮى ما لٮس لك ٮه علم ڡلا ٮطعهما
tot Mij zal jullie terugkeer zijn, en Ik zal jullie dan berichten over wat jullie deden.
الى مرحعكم ڡاٮٮٮكم ٮما كٮٮم ٮعملوں
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Wij zullen hen voorzeker doen binnentreden onder hen die deugdelijk zijn.
والدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ لٮدحلٮهم ڡى الصلحٮں
En onder de mensen zijn er die zeggen: “Wij geloven in God”; maar zodra zij lastiggevallen worden omwille van God, stellen zij de beproeving die de mensen opleggen gelijk aan de pijn van God.
ومں الٮاس مں ٮڡول امٮا ٮالله ڡادا اودى ڡى الله حعل ڡٮٮه الٮاس كعداٮ الله
En als er hulp komt van je Voogd, zullen zij voorzeker zeggen: “Wij waren gewis met jullie.”
ولٮں حا ٮصر مں رٮك لٮڡولں اٮا كٮا معكم
Weet God niet het best wat in de borsten van alle wezens is?
اولٮس الله ٮاعلم ٮما ڡى صدور العلمٮں
En God zal voorzeker hen onderscheiden die geloofd hebben, en voorzeker de huichelaars onderscheiden.
ولٮعلمں الله الدٮں امٮوا ولٮعلمں المٮڡڡٮں
En zij die verloochenen zeiden tot hen die geloofd hebben: “Volg onze weg, en wij zullen jullie fouten dragen” –
وڡال الدٮں كڡروا للدٮں امٮوا اٮٮعوا سٮٮلٮا ولٮحمل حطٮكم
terwijl zij niets van de fouten van dezen zullen dragen;
وما هم ٮحملٮں مں حطٮهم مں سى
zij zijn voorzeker leugenaars.
اٮهم لكدٮوں
En zij zullen voorzeker hun eigen lasten dragen, en lasten bovenop hun lasten;
ولٮحملں اٮڡالهم واٮڡالا مع اٮڡالهم
en zij zullen voorzeker ondervraagd worden, op de Dag van het Verschijnen, over wat zij verzonnen.
ولٮسلں ٮوم الڡٮمه عما كاٮوا ٮڡٮروں
Wij hebben gewis Noeh tot zijn volk gezonden, en hij bracht onder hen duizend jaar door, min vijftig jaren van de gebruikelijke tijdrekening, daarna greep de overstroming hen terwijl zij onrechtvaardig waren.
ولڡد ارسلٮا ٮوحا الى ڡومه ڡلٮٮ ڡٮهم الڡ سٮه الا حمسٮں عاما ڡاحدهم الطوڡاں وهم طلموں
Wij redden hem, en de metgezellen van het schip,
ڡاٮحٮٮه واصحٮ السڡٮٮه
en Wij maakten ervan een teken voor alle wezens.
وحعلٮها اٮه للعلمٮں
En Ibrahim, toen hij tot zijn volk zei: “Gehoorzaam God en behoed jullie voor Hem;
واٮرهٮم اد ڡال لڡومه اعٮدوا الله واٮڡوه
dat is beter voor jullie, als jullie wisten.
دلكم حٮر لكم اں كٮٮم ٮعلموں
Jullie gehoorzamen, buiten God, slechts schijnbeelden, en jullie scheppen een vermomming;
اٮما ٮعٮدوں مں دوں الله اوٮٮا وٮحلڡوں اڡكا
zij die jullie buiten God gehoorzamen bezitten voor jullie gewis geen enkele leeftocht –
اں الدٮں ٮعٮدوں مں دوں الله لا ٮملكوں لكم ررڡا
zoek dus bij God de leeftocht,
ڡاٮٮعوا عٮد الله الررٯ
gehoorzaam Hem,
واعٮدوه
en wees Hem dankbaar;
واسكروا له
tot Hem zullen jullie teruggebracht worden.
الٮه ٮرحعوں
En als jullie ontkennen, hebben gemeenschappen vóór jullie al ontkend;
واں ٮكدٮوا ڡڡد كدٮ امم مں ڡٮلكم
en aan de gezant rust slechts de uitdrukkelijke overdracht.”
وما على الرسول الا الٮلع المٮٮں
Zien zij niet hoe God de schepping begint,
اولم ٮروا كٮڡ ٮٮدى الله الحلٯ
haar dan opnieuw maakt?
ٮم ٮعٮده
Gewis is dit gemakkelijk voor God.
اں دلك على الله ٮسٮر
Zeg: “Doorkruis de aarde en kijk hoe Hij de schepping begonnen heeft;
ڡل سٮروا ڡى الارص ڡاٮطروا كٮڡ ٮدا الحلٯ
daarna zal God de ultieme genese doen ontstaan;
ٮم الله ٮٮسى الٮساه الاحره
gewis is God tot alles in staat.”
اں الله على كل سى ڡدٮر
Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt en bewijst welwillendheid aan wie het Hem behaagt;
ٮعدٮ مں ٮسا وٮرحم مں ٮسا
en tot Hem zullen jullie teruggeleid worden.
والٮه ٮڡلٮوں
Jullie kunnen Hem niet tot onmacht brengen, noch op de aarde noch in de hemel;
وما اٮٮم ٮمعحرٮں ڡى الارص ولا ڡى السما
en jullie hebben, buiten God, noch beschermer noch hulp.
وما لكم مں دوں الله مں ولى ولا ٮصٮر
En zij die de tekenen van God en Zijn ontmoeting verloochenen, dezen hebben de hoop verloren op Mijn welwillendheid,
والدٮں كڡروا ٮاٮٮ الله ولڡاٮه اولٮك ٮٮسوا مں رحمٮى
en dezen zullen een schrijnende pijn hebben.
واولٮك لهم عداٮ الٮم
Het enige antwoord van zijn volk was te zeggen: “Dood hem, of verbrand hem!”
ڡما كاں حواٮ ڡومه الا اں ڡالوا اڡٮلوه او حرڡوه
Maar God redde hem uit het vuur;
ڡاٮحٮه الله مں الٮار
daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat gelooft.
اں ڡى دلك لاٮٮ لڡوم ٮومٮوں
En hij zei: “Jullie hebben schijnbeelden buiten God slechts aangenomen uit wederzijdse genegenheid onder jullie in het leven hienieden;
وڡال اٮما اٮحدٮم مں دوں الله اوٮٮا موده ٮٮٮكم ڡى الحٮوه الدٮٮا
daarna, op de Dag van het Verschijnen, zullen jullie elkaar verloochenen en elkaar vervloeken,
ٮم ٮوم الڡٮمه ٮكڡر ٮعصكم ٮٮعص وٮلعں ٮعصكم ٮعصا
en jullie toevlucht is het Vuur, en jullie zullen geen enkele hulp hebben.”
وماوٮكم الٮار وما لكم مں ٮصرٮں
Loet kende hem krediet toe,
ڡامں له لوط
en hij zei: “Ik emigreer naar mijn Voogd;
وڡال اٮى مهاحر الى رٮى
gewis is Hij het, de Almachtige, de Wijze.”
اٮه هو العرٮر الحكٮم
En Wij schonken hem Ishaq en Ja'qoeb,
ووهٮٮا له اسحٯ وٮعڡوٮ
en Wij plaatsten in zijn nageslacht de functie van berichtgeving en de Schrift;
وحعلٮا ڡى درٮٮه الٮٮوه والكٮٮ
en Wij gaven hem zijn beloning hienieden,
واٮٮٮه احره ڡى الدٮٮا
en in het laatste leven zal hij voorzeker behoren tot hen die deugdelijk zijn.
واٮه ڡى الاحره لمں الصلحٮں
En Loet, toen hij tot zijn volk zei: “Jullie plegen voorzeker de schanddaad, waarin niemand, onder alle wezens, jullie is voorgegaan; komen jullie waarlijk tot de mannen, onderbreken jullie de route, en plegen jullie, in jullie kringen, wat afgekeurd is?”
ولوطا اد ڡال لڡومه اٮكم لٮاٮوں الڡحسه ما سٮڡكم ٮها مں احد مں العلمٮں اٮٮكم لٮاٮوں الرحال وٮڡطعوں السٮٮل وٮاٮوں ڡى ٮادٮكم المٮكر
Het enige antwoord van zijn volk was te zeggen: “Breng ons de pijn van God, als jij tot de waarachtigen behoort!”
ڡما كاں حواٮ ڡومه الا اں ڡالوا اٮٮٮا ٮعداٮ الله اں كٮٮ مں الصدڡٮں
Hij zei: “Mijn Voogd, help mij tegen het volk van de bedervers.”
ڡال رٮ اٮصرٮى على الڡوم المڡسدٮں
Toen Onze gezanten bij Ibrahim kwamen met het goede nieuws, zeiden zij: “Wij zullen de lieden van deze stad gewis vernietigen; haar lieden zijn onrechtvaardig.”
ولما حاٮ رسلٮا اٮرهٮم ٮالٮسرى ڡالوا اٮا مهلكوا اهل هده الڡرٮه اں اهلها كاٮوا طلمٮں
Hij zei: “Loet bevindt zich daar gewis.”
ڡال اں ڡٮها لوطا
Zij zeiden: “Wij weten het best wie zich daar bevindt;
ڡالوا ٮحں اعلم ٮمں ڡٮها
wij zullen hem voorzeker redden, hem en de zijnen, behalve zijn vrouw, die zal behoren tot hen die talmen.”
لٮٮحٮٮه واهله الا امراٮه كاٮٮ مں العٮرٮں
Toen Onze gezanten bij Loet kwamen, mishaagde hem hun komst en voelde hij zich radeloos om hen;
ولما اں حاٮ رسلٮا لوطا سى ٮهم وصاٯ ٮهم درعا
en zij zeiden: “Vrees niet en bedroef je niet; wij zullen jou redden, jou en de jouwen, behalve jouw vrouw, die zal behoren tot hen die talmen.
وڡالوا لا ٮحڡ ولا ٮحرں اٮا مٮحوك واهلك الا امراٮك كاٮٮ مں العٮرٮں
Wij zullen op de lieden van deze stad gewis een bezoedeling uit de hemel doen neerdalen, omdat zij de grenzen hebben overschreden.”
اٮا مٮرلوں على اهل هده الڡرٮه رحرا مں السما ٮما كاٮوا ٮڡسڡوں
Wij hebben daarvan gewis een duidelijk teken nagelaten, voor een volk dat redeneert.
ولڡد ٮركٮا مٮها اٮه ٮٮٮه لڡوم ٮعڡلوں
En naar Madjan, hun broer Sjoe'aib; hij zei: “O mijn volk! Gehoorzaam God, hoop op de Laatste Dag, en zaai geen wanorde op de aarde als bedervers.”
والى مدٮں احاهم سعٮٮا ڡڡال ٮڡوم اعٮدوا الله وارحوا الٮوم الاحر ولا ٮعٮوا ڡى الارص مڡسدٮں
Zij ontkenden hem; toen greep de schok hen, en zij bevonden zich, in hun woning, liggend, levenloos.
ڡكدٮوه ڡاحدٮهم الرحڡه ڡاصٮحوا ڡى دارهم حٮمٮں
En de Aad en de Thamoed – het is jullie duidelijk geworden door hun woningen; de Afleider had hun werken verfraaid, en had zo hun de weg versperd, terwijl zij toch helder zicht hadden.
وعادا وٮمودا وڡد ٮٮٮں لكم مں مسكٮهم ورٮں لهم السٮطں اعملهم ڡصدهم عں السٮٮل وكاٮوا مسٮٮصرٮں
En Qaroen, Fir'aun en Haman –
وڡروں وڡرعوں وهمں
Moesa was toch bij hen gekomen met de duidelijke bewijzen, maar zij zwollen op van hoogmoed op de aarde, zonder Ons te kunnen voorbijstreven.
ولڡد حاهم موسى ٮالٮٮٮٮ ڡاسٮكٮروا ڡى الارص وما كاٮوا سٮڡٮں
Ieder van hen hebben Wij gegrepen voor zijn vergrijp;
ڡكلا احدٮا ٮدٮٮه
op sommigen van hen hebben Wij een vlaag van keien gezonden,
ڡمٮهم مں ارسلٮا علٮه حاصٮا
anderen heeft de Schreeuw gegrepen,
ومٮهم مں احدٮه الصٮحه
anderen hebben Wij door de aarde laten verzwelgen,
ومٮهم مں حسڡٮا ٮه الارص
weer anderen hebben Wij laten verdrinken.
ومٮهم مں اعرڡٮا
God zou hun geen onrecht doen;
وما كاں الله لٮطلمهم
maar aan zichzelf deden zij onrecht.
ولكں كاٮوا اٮڡسهم ٮطلموں
Het voorbeeld van hen die buiten God bondgenoten nemen, is dat van de spin die een huis voor zichzelf neemt;
مٮل الدٮں اٮحدوا مں دوں الله اولٮا كمٮل العٮكٮوٮ اٮحدٮ ٮٮٮا
en het meest broze van de huizen is voorzeker het huis van de spin – als zij het maar wisten.
واں اوهں الٮٮوٮ لٮٮٮ العٮكٮوٮ لو كاٮوا ٮعلموں
God weet gewis alles wat zij buiten Hem aanroepen;
اں الله ٮعلم ما ٮدعوں مں دوٮه مں سى
en Hij is de Almachtige, de Wijze.
وهو العرٮر الحكٮم
En die voorbeelden, Wij vermenigvuldigen ze voor de mensen,
وٮلك الامٮل ٮصرٮها للٮاس
maar alleen de geleerden passen er hun rede op toe.
وما ٮعڡلها الا العلموں
God heeft de hemelen en de aarde geschapen in alle waarheid;
حلٯ الله السموٮ والارص ٮالحٯ
daarin is voorzeker een teken voor de gelovenden.
اں ڡى دلك لاٮه للمومٮٮں
Draag voor wat jou van de Schrift geopenbaard is, en onderhoud het Contact;
اٮل ما اوحى الٮك مں الكٮٮ واڡم الصلوه
het Contact verbiedt de schanddaad en wat afgekeurd is;
اں الصلوه ٮٮهى عں الڡحسا والمٮكر
en de herinnering aan God is nog groter;
ولدكر الله اكٮر
God weet wat jullie doen.
والله ٮعلم ما ٮصٮعوں
En debatteer met de lieden van de Schrift slechts op de schoonste wijze,
ولا ٮحدلوا اهل الكٮٮ الا ٮالٮى هى احسں
behalve met hen onder hen die onrecht begaan;
الا الدٮں طلموا مٮهم
en zeg: “Wij geloven in wat voor ons neergedaald is en in wat voor jullie neergedaald is; onze godheid en jullie godheid is één, en wij zijn integer tegenover Hem.”
وڡولوا امٮا ٮالدى اٮرل الٮٮا واٮرل الٮكم والهٮا والهكم وحد وٮحں له مسلموں
Zo hebben Wij jou de Schrift doen neerdalen;
وكدلك اٮرلٮا الٮك الكٮٮ
zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben, geloven erin, en onder dezen hier geloven sommigen er ook in;
ڡالدٮں اٮٮٮهم الكٮٮ ٮومٮوں ٮه ومں هولا مں ٮومں ٮه
alleen zij die verloochenen betwisten Onze tekenen hardnekkig.
وما ٮححد ٮاٮٮٮا الا الكڡروں
Jij droeg vóór haar geen enkel geschrift voor, en jij tekende er geen op met je rechterhand;
وما كٮٮ ٮٮلوا مں ڡٮله مں كٮٮ ولا ٮحطه ٮٮمٮٮك
anders zouden de ambachtslieden van het valse twijfels hebben gehad.
ادا لارٮاٮ المٮطلوں
Het zijn veeleer duidelijke tekenen, in de borsten van hen aan wie het weten gegeven is;
ٮل هو اٮٮ ٮٮٮٮ ڡى صدور الدٮں اوٮوا العلم
alleen de onrechtvaardigen betwisten Onze tekenen hardnekkig.
وما ٮححد ٮاٮٮٮا الا الطلموں
En zij zeiden: “Waarom heeft men hem geen tekenen van zijn Voogd doen neerdalen!”
وڡالوا لولا اٮرل علٮه اٮٮ مں رٮه
Zeg: “De tekenen zijn slechts bij God; en ik ben slechts een uitdrukkelijke waarschuwer.”
ڡل اٮما الاٮٮ عٮد الله واٮما اٮا ٮدٮر مٮٮں
Is het hun niet genoeg dat Wij de Schrift op jou hebben doen neerdalen, die hun wordt voorgedragen?
اولم ٮكڡهم اٮا اٮرلٮا علٮك الكٮٮ ٮٮلى علٮهم
Daarin is voorzeker een welwillendheid en een herinnering voor een volk dat gelooft.
اں ڡى دلك لرحمه ودكرى لڡوم ٮومٮوں
Zeg: “God volstaat als getuige tussen mij en jullie;
ڡل كڡى ٮالله ٮٮٮى وٮٮٮكم سهٮدا
Hij weet wat in de hemelen en op de aarde is;
ٮعلم ما ڡى السموٮ والارص
en zij die in het valse geloven en God verloochenen, dezen zijn de verliezers.”
والدٮں امٮوا ٮالٮطل وكڡروا ٮالله اولٮك هم الحسروں
En zij vragen jou de pijn te verhaasten;
وٮسٮعحلوٮك ٮالعداٮ
en zonder een genoemde termijn zou de pijn hun al gekomen zijn – zij zal hun voorzeker onverhoeds komen, zonder dat zij haar voelen.
ولولا احل مسمى لحاهم العداٮ ولٮاٮٮٮهم ٮعٮه وهم لا ٮسعروں
Zij vragen jou de pijn te verhaasten,
ٮسٮعحلوٮك ٮالعداٮ
en Djahannam omsingelt voorzeker hen die verloochenen.
واں حهٮم لمحٮطه ٮالكڡرٮں
De dag waarop de pijn hen zal overspoelen van boven hen en onder hun voeten, en waarop Wij zullen zeggen: “Proef wat jullie deden.”
ٮوم ٮعسٮهم العداٮ مں ڡوڡهم ومں ٮحٮ ارحلهم وٮڡول دوڡوا ما كٮٮم ٮعملوں
“O Mijn gehoorzamen die geloofd hebben, Mijn aarde is wijd; aan Mij moeten jullie dus gehoorzamen.”
ٮعٮادى الدٮں امٮوا اں ارصى وسعه ڡاٮى ڡاعٮدوں
Ieder Zelf zal de dood proeven,
كل ٮڡس داٮڡه الموٮ
vervolgens zullen jullie tot Ons teruggebracht worden.
ٮم الٮٮا ٮرحعوں
En zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Wij zullen hen voorzeker onderbrengen in hoge kamers van de Tuin, waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven;
والدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ لٮٮوٮٮهم مں الحٮه عرڡا ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها
wat een uitstekende beloning voor hen die werken,
ٮعم احر العملٮں
zij die geduldig zijn geweest en die lastgeving aan hun Voogd verlenen.
الدٮں صٮروا وعلى رٮهم ٮٮوكلوں
Hoeveel wezens die zich bewegen dragen hun eigen leeftocht niet! God is het die hen voorziet, en jullie met hen;
وكاٮں مں داٮه لا ٮحمل ررڡها الله ٮررڡها واٮاكم
en Hij is de Alhorende, de Alwetende.
وهو السمٮع العلٮم
En als jij hun vraagt wie de hemelen en de aarde geschapen heeft en de zon en de maan heeft onderworpen, zullen zij voorzeker zeggen: “God”;
ولٮں سالٮهم مں حلٯ السموٮ والارص وسحر السمس والڡمر لٮڡولں الله
hoe worden zij dan van het spoor gebracht?
ڡاٮى ٮوڡكوں
God verruimt de leeftocht voor wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen, en meet haar hem toe;
الله ٮٮسط الررٯ لمں ٮسا مں عٮاده وٮڡدر له
God is gewis Alwetend over alles.
اں الله ٮكل سى علٮم
En als jij hun vraagt wie uit de hemel een water doet neerdalen en de aarde er weer leven door geeft na haar dood, zullen zij voorzeker zeggen: “God”;
ولٮں سالٮهم مں ٮرل مں السما ما ڡاحٮا ٮه الارص مں ٮعد موٮها لٮڡولں الله
zeg: “Lof zij God!”
ڡل الحمد لله
Maar de meesten van hen redeneren niet.
ٮل اكٮرهم لا ٮعڡلوں
Dit leven hienieden is slechts verstrooiing en spel;
وما هده الحٮوه الدٮٮا الا لهو ولعٮ
en het laatste verblijf, dat is voorzeker het ware leven – als zij het maar wisten.
واں الدار الاحره لهى الحٮواں لو كاٮوا ٮعلموں
Wanneer zij in het vaartuig stappen, roepen zij God aan, Hem uitsluitend de Wet toewijdend;
ڡادا ركٮوا ڡى الڡلك دعوا الله محلصٮں له الدٮں
maar wanneer Hij hen redt naar het vaste land, zie, dan associëren zij, om te verloochenen wat Wij hun gegeven hebben,
ڡلما ٮحٮهم الى الٮر ادا هم ٮسركوں لٮكڡروا ٮما اٮٮٮهم
dat zij dus genieten: zij zullen het weldra weten.
ولٮٮمٮعوا ڡسوڡ ٮعلموں
Zien zij niet dat Wij een onschendbare en veilige plaats hebben geplaatst, terwijl rondom hen de mensen worden weggerukt?
اولم ٮروا اٮا حعلٮا حرما امٮا وٮٮحطڡ الٮاس مں حولهم
Geloven zij dan in het valse, en verloochenen zij de weldaad van God?
اڡٮالٮطل ٮومٮوں وٮٮعمه الله ٮكڡروں
En wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God, of de waarheid ontkent zodra zij hem gekomen is?
ومں اطلم ممں اڡٮرى على الله كدٮا او كدٮ ٮالحٯ لما حاه
Is er niet, in Djahannam, een onderkomen voor hen die verloochenen?
الٮس ڡى حهٮم مٮوى للكڡرٮں
En zij die voor Ons gestreden hebben, Wij zullen hen voorzeker leiden op Onze wegen;
والدٮں حهدوا ڡٮٮا لٮهدٮٮهم سٮلٮا
en God is voorzeker met hen die het goede doen.
واں الله لمع المحسٮٮں