المعارج
Al-Ma'arij
The Ascending Ways
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Een vrager heeft een pijn geëist die zal intreden voor hen die verloochenen – niemand kan haar terugdringen – afkomstig van God, de Houder van de wegen van de opklimming.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم سال ساٮل ٮعداٮ واڡع للكڡرٮں لٮس له داڡع مں الله دى المعارح
De Gemachtigden en de Toestroom stijgen naar Hem op in een dag waarvan de maat vijftigduizend jaar is.
ٮعرح الملٮكه والروح الٮه ڡى ٮوم كاں مڡداره حمسٮں الڡ سٮه
Wees dus geduldig met een waardig geduld,
ڡاصٮر صٮرا حمٮلا
want zij zien het veraf, terwijl Wij het nabij zien.
اٮهم ٮروٮه ٮعٮدا وٮرٮه ڡرٮٮا
De dag waarop de hemel als gesmolten metaal zal zijn, waarop de bergen als wol zullen zijn, en waarop geen warme vriend een warme vriend zal ondervragen, hoewel men hen elkaar duidelijk doet zien.
ٮوم ٮكوں السما كالمهل وٮكوں الحٮال كالعهں ولا ٮسل حمٮم حمٮما ٮٮصروٮهم
De afgezonderde zou zich willen vrijkopen van de pijn van die dag ten koste van zijn zonen, zijn metgezellin, zijn broer, het geslacht dat hem onderdak bood, en allen die op aarde zijn, als dat hem dan kon redden. Geenszins!
ٮود المحرم لو ٮڡٮدى مں عداٮ ٮومٮد ٮٮٮٮه وصحٮٮه واحٮه وڡصٮلٮه الٮى ٮوٮه ومں ڡى الارص حمٮعا ٮم ٮٮحٮه كلا
Het is gewis de laaiende Gloed, die de huid van de schedel afrukt, die roept wie zich teruggetrokken en de rug toegekeerd heeft, die vergaard en vervolgens opgeborgen heeft.
اٮها لطى ٮراعه للسوى ٮدعوا مں ادٮر وٮولى وحمع ڡاوعى
De mens is gewis angstig geschapen: wanneer het kwaad hem raakt, raakt hij in paniek, en wanneer het goede hem raakt, onthoudt hij het aan anderen – behalve zij die het Contact aanknopen, standvastig in hun Contact,
اں الاٮسں حلٯ هلوعا ادا مسه السر حروعا وادا مسه الحٮر مٮوعا الا المصلٮں الدٮں هم على صلاٮهم داٮموں
en zij in wier bezittingen een bekend recht is voor hem die vraagt en hem die beroofd is,
والدٮں ڡى امولهم حٯ معلوم للساٮل والمحروم
en zij die de Vervaldag waarachtig verklaren,
والدٮں ٮصدڡوں ٮٮوم الدٮں
en zij die vol bezorgdheid zijn voor de pijn van hun Voogd – want niemand is veilig voor de pijn van hun Voogd –
والدٮں هم مں عداٮ رٮهم مسڡڡوں اں عداٮ رٮهم عٮر ماموں
en zij die hun kuisheid bewaren, behalve jegens hun echtgenoten of de door eed gebondenen – dan worden zij niet gelaakt;
والدٮں هم لڡروحهم حڡطوں الا على اروحهم او ما ملكٮ اٮمٮهم ڡاٮهم عٮر ملومٮں
wie verder dan dat zoekt, dezen zijn zij die de grenzen overschrijden;
ڡمں اٮٮعى ورا دلك ڡاولٮك هم العادوں
en zij die oplettend zijn voor hun toevertrouwde goederen en voor hun pact,
والدٮں هم لامٮٮهم وعهدهم رعوں
en zij die hun getuigenissen onderhouden,
والدٮں هم ٮسهدٮهم ڡاٮموں
en zij die hun Contact voortdurend bewaren: dezen zullen geëerd worden in tuinen.
والدٮں هم على صلاٮهم ٮحاڡطوں اولٮك ڡى حٮٮ مكرموں
Wat hebben zij die verloochenen dan, dat zij naar jou toe snellen, aan jouw rechter- en linkerzijde, in afzonderlijke groepen?
ڡمال الدٮں كڡروا ڡٮلك مهطعٮں عں الٮمٮں وعں السمال عرٮں
Begeert ieder persoon onder hen binnen te gaan in een tuin van weldaad? Geenszins!
اٮطمع كل امرى مٮهم اں ٮدحل حٮه ٮعٮم كلا
Wij hebben hen gewis geschapen uit wat zij weten.
اٮا حلڡٮهم مما ٮعلموں
Nee! Ik zweer bij de Voogd van de opgangen en de ondergangen dat Wij voorzeker in staat zijn hen te vervangen door betere dan zij, en niets kan Ons voor zijn.
ڡلا اڡسم ٮرٮ المسرٯ والمعرٮ اٮا لڡدروں على اں ٮٮدل حٮرا مٮهم وما ٮحں ٮمسٮوڡٮں
Laat hen dus achter: laat hen zich onderdompelen en spelen, totdat zij hun dag ontmoeten, degene die hun beloofd is – de dag waarop zij haastig uit de grafkamers zullen komen, alsof zij naar een opgerichte stele renden, hun gezichtsvermogen nederig, terwijl de vernedering hen omsluiert.
ڡدرهم ٮحوصوا وٮلعٮوا حٮى ٮلڡوا ٮومهم الدى ٮوعدوں ٮوم ٮحرحوں مں الاحداٮ سراعا كاٮهم الى ٮصٮ ٮوڡصوں حسعه اٮصرهم ٮرهڡهم دله
Dit is wel de dag die hun beloofd was.
دلك الٮوم الدى كاٮوا ٮوعدوں