المجادلة
Al-Mujadala
She Who Argues
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
God heeft zeker de uitspraak gehoord van haar die met jou debatteert over haar echtgenoot en zich bij God beklaagt; en God hoort jullie dialoog,
قَدْ سَمِعَ ٱللَّهُ قَوْلَ ٱلَّتِى تُجَٰدِلُكَ فِى زَوْجِهَا وَتَشْتَكِىٓ إِلَى ٱللَّهِ وَٱللَّهُ يَسْمَعُ تَحَاوُرَكُمَآ
want God is de Alhorende, de Alziende.
إِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعٌۢ بَصِيرٌ
Zij onder jullie die hun rug aanbieden aan hun vrouwen – zij zijn niet hun moeders.
ٱلَّذِينَ يُظَٰهِرُونَ مِنكُم مِّن نِّسَآئِهِم مَّا هُنَّ أُمَّهَٰتِهِمْ
Hun moeders zijn slechts degenen die hen hebben gebaard.
إِنْ أُمَّهَٰتُهُمْ إِلَّا ٱلَّٰٓـِٔى وَلَدْنَهُمْ
En zij doen daar voorzeker een afgekeurde uitspraak en een vervalsing.
وَإِنَّهُمْ لَيَقُولُونَ مُنكَرًۭا مِّنَ ٱلْقَوْلِ وَزُورًۭا
Maar God is voorzeker Degene die kwijtscheldt, Zeer Vergevensgezind.
وَإِنَّ ٱللَّهَ لَعَفُوٌّ غَفُورٌۭ
En zij die hun rug aanbieden aan hun vrouwen en daarna herhalen wat zij hebben gezegd, moeten, voordat zij elkaar opnieuw aanraken, een door een schuld gebonden persoon zijn onafhankelijkheid teruggeven.
وَٱلَّذِينَ يُظَٰهِرُونَ مِن نِّسَآئِهِمْ ثُمَّ يَعُودُونَ لِمَا قَالُوا۟ فَتَحْرِيرُ رَقَبَةٍۢ مِّن قَبْلِ أَن يَتَمَآسَّا
Dit is waarmee jullie worden vermaand.
ذَٰلِكُمْ تُوعَظُونَ بِهِۦ
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
وَٱللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرٌۭ
Wie daartoe de middelen niet vindt, zal zich twee opeenvolgende maanden onthouden voordat zij elkaar opnieuw aanraken.
فَمَن لَّمْ يَجِدْ فَصِيَامُ شَهْرَيْنِ مُتَتَابِعَيْنِ مِن قَبْلِ أَن يَتَمَآسَّا
Wie dat niet kan, zal zestig behoeftigen voeden.
فَمَن لَّمْ يَسْتَطِعْ فَإِطْعَامُ سِتِّينَ مِسْكِينًۭا
Dat, opdat jullie in God en in Zijn gezant geloven.
ذَٰلِكَ لِتُؤْمِنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ
En dat zijn de grenzen van God.
وَتِلْكَ حُدُودُ ٱللَّهِ
En voor hen die verloochenen, een schrijnende pijn.
وَلِلْكَٰفِرِينَ عَذَابٌ أَلِيمٌ
Zij die zich met vijandigheid verzetten tegen God en Zijn gezant zullen gewis ten val gebracht worden, zoals zij die vóór hen waren ten val gebracht werden.
إِنَّ ٱلَّذِينَ يُحَآدُّونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ كُبِتُوا۟ كَمَا كُبِتَ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ
Wij hebben toch duidelijke tekenen doen neerdalen.
وَقَدْ أَنزَلْنَآ ءَايَٰتٍۭ بَيِّنَٰتٍۢ
En voor hen die verloochenen, een verlagende pijn.
وَلِلْكَٰفِرِينَ عَذَابٌۭ مُّهِينٌۭ
De dag waarop God hen allen zal opwekken en hen zal berichten over wat zij hebben gedaan.
يَوْمَ يَبْعَثُهُمُ ٱللَّهُ جَمِيعًۭا فَيُنَبِّئُهُم بِمَا عَمِلُوٓا۟
God heeft het geteld, terwijl zij het vergeten zijn.
أَحْصَىٰهُ ٱللَّهُ وَنَسُوهُ
En God is getuige van alles.
وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ شَهِيدٌ
Heb je niet gezien dat God weet wat in de hemelen is en wat op de aarde is?
أَلَمْ تَرَ أَنَّ ٱللَّهَ يَعْلَمُ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ
Er is geen heimelijk beraad van drie of Hij is hun vierde, noch van vijf of Hij is hun zesde, noch minder noch meer dan dat of Hij is met hen, waar zij zich ook bevinden.
مَا يَكُونُ مِن نَّجْوَىٰ ثَلَٰثَةٍ إِلَّا هُوَ رَابِعُهُمْ وَلَا خَمْسَةٍ إِلَّا هُوَ سَادِسُهُمْ وَلَآ أَدْنَىٰ مِن ذَٰلِكَ وَلَآ أَكْثَرَ إِلَّا هُوَ مَعَهُمْ أَيْنَ مَا كَانُوا۟
Daarna zal Hij hen berichten over wat zij hebben gedaan, op de Dag van het Verschijnen,
ثُمَّ يُنَبِّئُهُم بِمَا عَمِلُوا۟ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ
want God is Alwetend over alles.
إِنَّ ٱللَّهَ بِكُلِّ شَىْءٍ عَلِيمٌ
Heb je hen niet gezien aan wie het heimelijk beraad verboden werd, en die daarna herhalen wat hun verboden werd en heimelijk beraad houden voor de overtreding, de vijandigheid en de ongehoorzaamheid aan de gezant?
أَلَمْ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ نُهُوا۟ عَنِ ٱلنَّجْوَىٰ ثُمَّ يَعُودُونَ لِمَا نُهُوا۟ عَنْهُ وَيَتَنَٰجَوْنَ بِٱلْإِثْمِ وَٱلْعُدْوَٰنِ وَمَعْصِيَتِ ٱلرَّسُولِ
En wanneer zij tot je komen, begroeten zij je met een begroeting waarmee God je niet heeft begroet, en zeggen in zichzelf: “Waarom legt God ons geen pijn op voor wat wij zeggen?”
وَإِذَا جَآءُوكَ حَيَّوْكَ بِمَا لَمْ يُحَيِّكَ بِهِ ٱللَّهُ وَيَقُولُونَ فِىٓ أَنفُسِهِمْ لَوْلَا يُعَذِّبُنَا ٱللَّهُ بِمَا نَقُولُ
Djahannam volstaat voor hen.
حَسْبُهُمْ جَهَنَّمُ
Zij zullen daarin verbranden.
يَصْلَوْنَهَا
Wat een afschuwelijke bestemming!
فَبِئْسَ ٱلْمَصِيرُ
O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie heimelijk beraad houden, houd het niet voor de overtreding, de vijandigheid en de ongehoorzaamheid aan de gezant.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِذَا تَنَٰجَيْتُمْ فَلَا تَتَنَٰجَوْا۟ بِٱلْإِثْمِ وَٱلْعُدْوَٰنِ وَمَعْصِيَتِ ٱلرَّسُولِ
Maar houd heimelijk beraad voor de deugd en de behoedzaamheid.
وَتَنَٰجَوْا۟ بِٱلْبِرِّ وَٱلتَّقْوَىٰ
En behoed jullie voor God, naar wie jullie verzameld zullen worden.
وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ ٱلَّذِىٓ إِلَيْهِ تُحْشَرُونَ
Het heimelijk beraad komt slechts van de Afleider, om hen die geloven te bedroeven; maar het kan hen in niets schaden, tenzij met toestemming van God.
إِنَّمَا ٱلنَّجْوَىٰ مِنَ ٱلشَّيْطَٰنِ لِيَحْزُنَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَلَيْسَ بِضَآرِّهِمْ شَيْـًٔا إِلَّا بِإِذْنِ ٱللَّهِ
En aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.
وَعَلَى ٱللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ ٱلْمُؤْمِنُونَ
O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie gezegd wordt ruimte te maken in de vergaderingen, maak dan ruimte; God zal ruimte voor jullie maken.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِذَا قِيلَ لَكُمْ تَفَسَّحُوا۟ فِى ٱلْمَجَٰلِسِ فَٱفْسَحُوا۟ يَفْسَحِ ٱللَّهُ لَكُمْ
En wanneer jullie gezegd wordt op te staan, sta dan op; God zal hen onder jullie die geloven en hen aan wie het weten is gegeven in graden verheffen.
وَإِذَا قِيلَ ٱنشُزُوا۟ فَٱنشُزُوا۟ يَرْفَعِ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مِنكُمْ وَٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْعِلْمَ دَرَجَٰتٍۢ
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
وَٱللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرٌۭ
O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie heimelijk beraad houden met de gezant, stuur dan een liefdadigheid vooruit vóór jullie heimelijk beraad.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِذَا نَٰجَيْتُمُ ٱلرَّسُولَ فَقَدِّمُوا۟ بَيْنَ يَدَىْ نَجْوَىٰكُمْ صَدَقَةًۭ
Dat is beter voor jullie, en reiner.
ذَٰلِكَ خَيْرٌۭ لَّكُمْ وَأَطْهَرُ
Maar als jullie er de middelen niet voor vinden, God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
فَإِن لَّمْ تَجِدُوا۟ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌ
Waren jullie bezorgd liefdadigheden vooruit te sturen vóór jullie heimelijke beraden?
ءَأَشْفَقْتُمْ أَن تُقَدِّمُوا۟ بَيْنَ يَدَىْ نَجْوَىٰكُمْ صَدَقَٰتٍۢ
Aangezien jullie het niet gedaan hebben en God met mildheid tot jullie is teruggekeerd, onderhoud het Contact en geef de zuivere vrijgevigheid.
فَإِذْ لَمْ تَفْعَلُوا۟ وَتَابَ ٱللَّهُ عَلَيْكُمْ فَأَقِيمُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُوا۟ ٱلزَّكَوٰةَ
En voeg jullie naar God en Zijn gezant.
وَأَطِيعُوا۟ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
وَٱللَّهُ خَبِيرٌۢ بِمَا تَعْمَلُونَ
Heb jij hen niet gezien die een volk, waarover God Zich vertoornd heeft, tot bondgenoten nemen? Zij zijn noch van jullie noch van hen, en zij zweren een eed op de leugen met volle kennis.
أَلَمْ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ تَوَلَّوْا۟ قَوْمًا غَضِبَ ٱللَّهُ عَلَيْهِم مَّا هُم مِّنكُمْ وَلَا مِنْهُمْ وَيَحْلِفُونَ عَلَى ٱلْكَذِبِ وَهُمْ يَعْلَمُونَ
God heeft voor hen een strenge pijn bereid,
أَعَدَّ ٱللَّهُ لَهُمْ عَذَابًۭا شَدِيدًا
want hoe slecht is wat zij deden!
إِنَّهُمْ سَآءَ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ
Zij hebben hun eden als een schild genomen, en zij hebben de weg van God versperd; zij zullen dus een verlagende pijn hebben.
ٱتَّخَذُوٓا۟ أَيْمَٰنَهُمْ جُنَّةًۭ فَصَدُّوا۟ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ فَلَهُمْ عَذَابٌۭ مُّهِينٌۭ
Noch hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun tegenover God van enig nut zijn.
لَّن تُغْنِىَ عَنْهُمْ أَمْوَٰلُهُمْ وَلَآ أَوْلَٰدُهُم مِّنَ ٱللَّهِ شَيْـًٔا
Dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلنَّارِ هُمْ فِيهَا خَٰلِدُونَ
Op de dag waarop God hen allen zal opwekken, zullen zij Hem een eed zweren zoals zij jullie een eed zweren, denkend op iets te steunen.
يَوْمَ يَبْعَثُهُمُ ٱللَّهُ جَمِيعًۭا فَيَحْلِفُونَ لَهُۥ كَمَا يَحْلِفُونَ لَكُمْ وَيَحْسَبُونَ أَنَّهُمْ عَلَىٰ شَىْءٍ
Is het niet zo: gewis zijn zij het, de leugenaars.
أَلَآ إِنَّهُمْ هُمُ ٱلْكَٰذِبُونَ
De Afleider heeft hen in zijn greep genomen en hun de herinnering aan God doen vergeten.
ٱسْتَحْوَذَ عَلَيْهِمُ ٱلشَّيْطَٰنُ فَأَنسَىٰهُمْ ذِكْرَ ٱللَّهِ
Dezen zijn de partij van de Afleider.
أُو۟لَٰٓئِكَ حِزْبُ ٱلشَّيْطَٰنِ
Is het niet zo: de partij van de Afleider, gewis zijn zij het, de verliezers.
أَلَآ إِنَّ حِزْبَ ٱلشَّيْطَٰنِ هُمُ ٱلْخَٰسِرُونَ
Zij die zich met vijandigheid verzetten tegen God en Zijn gezant, dezen behoren tot de meest vernederden.
إِنَّ ٱلَّذِينَ يُحَآدُّونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥٓ أُو۟لَٰٓئِكَ فِى ٱلْأَذَلِّينَ
God heeft geschreven: “Voorzeker zal Ik overwinnen, Ik en Mijn gezanten.”
كَتَبَ ٱللَّهُ لَأَغْلِبَنَّ أَنَا۠ وَرُسُلِىٓ
Want God is de Sterke, de Almachtige.
إِنَّ ٱللَّهَ قَوِىٌّ عَزِيزٌۭ
Jij zult geen volk vinden dat in God en in de Laatste Dag gelooft en tegelijk genegenheid koestert voor hen die zich met vijandigheid verzetten tegen God en Zijn gezant, al waren het hun vaders, hun zonen, hun broers of hun huisgenoten.
لَّا تَجِدُ قَوْمًۭا يُؤْمِنُونَ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْءَاخِرِ يُوَآدُّونَ مَنْ حَآدَّ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَلَوْ كَانُوٓا۟ ءَابَآءَهُمْ أَوْ أَبْنَآءَهُمْ أَوْ إِخْوَٰنَهُمْ أَوْ عَشِيرَتَهُمْ
Dezen zijn zij in wier kernen Hij het geloof heeft ingeschreven, die Hij heeft versterkt met een Toestroom van Hem, en die Hij zal doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen, om daar eeuwig te blijven.
أُو۟لَٰٓئِكَ كَتَبَ فِى قُلُوبِهِمُ ٱلْإِيمَٰنَ وَأَيَّدَهُم بِرُوحٍۢ مِّنْهُ وَيُدْخِلُهُمْ جَنَّٰتٍۢ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا
God is tevreden over hen, en zij zijn tevreden over Hem.
رَضِىَ ٱللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا۟ عَنْهُ
Dezen zijn de partij van God.
أُو۟لَٰٓئِكَ حِزْبُ ٱللَّهِ
Is het niet zo: de partij van God, gewis zijn zij het die slagen.
أَلَآ إِنَّ حِزْبَ ٱللَّهِ هُمُ ٱلْمُفْلِحُونَ