ال عمران
Al-Imran
The Rope of God
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Mim.
بِسْمِ اِ۬للَّهِ اِ۬لرَّحْمَٰنِ اِ۬لرَّحِيمِ أَلَٓمِّٓۖ
God, geen godheid behalve Hij,
اَ۬للَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ
de Levende, Hij die door Zichzelf bestaat. Hij heeft op jou de Schrift doen neerdalen, in alle waarheid, bevestigend wat eraan voorafgaat,
اَ۬لْحَيُّ اُ۬لْقَيُّومُ نَزَّلَ عَلَيْكَ اَ۬لْكِتَٰبَ بِالْحَقِّ مُصَدِّقاٗ لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِۖ
en Hij heeft tevoren de Taurah en de Indjil doen neerdalen, een leiding voor de mensen, en Hij heeft het Onderscheid doen neerdalen.
وَأَنزَلَ اَ۬لتَّوْر۪يٰةَ وَالِانجِيلَ مِن قَبْلُ هُدىٗ لِّلنَّاسِ وَأَنزَلَ اَ۬لْفُرْقَانَۖ
Gewis zullen zij die de tekenen van God hebben verloochend, een strenge pijn hebben.
إِنَّ اَ۬لذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ لَهُمْ عَذَابٞ شَدِيدٞۖ
God is Almachtig, houder van de wraak.
وَاللَّهُ عَزِيزٞ ذُو اُ۪نتِقَامٍۖ
Gewis is niets voor God verborgen, noch op de aarde noch in de hemel.
۞ اِنَّ اَ۬للَّهَ لَا يَخْف۪ىٰ عَلَيْهِ شَےْءٞ فِے اِ۬لَارْضِ وَلَا فِے اِ۬لسَّمَآءِۖ
Hij is het die jullie vorm geeft in de baarmoeders zoals het Hem behaagt.
هُوَ اَ۬لذِے يُصَوِّرُكُمْ فِے اِ۬لَارْحَامِ كَيْفَ يَشَآءُۖ
Geen godheid behalve Hij,
لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ
de Almachtige, de Wijze.
اَ۬لْعَزِيزُ اُ۬لْحَكِيمُۖ
Hij is het die op jou de Schrift heeft doen neerdalen;
هُوَ اَ۬لذِےٓ أَنزَلَ عَلَيْكَ اَ۬لْكِتَٰبَ مِنْهُۖ
daarvan zijn er eenduidige tekenen, die de Matrix van de Schrift zijn, en andere, onderhevig aan gelijkenis.
ءَايَٰتٞ مُّحْكَمَٰتٌ هُنَّ أُمُّ اُ۬لْكِتَٰبِ وَأُخَرُ مُتَشَٰبِهَٰتٞۖ
Wat hen betreft wier kernen een afwijking dragen, zij volgen wat in de Schrift tot gelijkenis aanleiding geeft, op zoek naar de beproeving en op zoek naar de interpretatie ervan;
فَأَمَّا اَ۬لذِينَ فِے قُلُوبِهِمْ زَيْغٞ فَيَتَّبِعُونَ مَا تَشَٰبَهَ مِنْهُ اُ۪بْتِغَآءَ اَ۬لْفِتْنَةِ وَابْتِغَآءَ تَاوِيلِهِۦۖ
doch niemand kent de interpretatie ervan, behalve God.
وَمَا يَعْلَمُ تَاوِيلَهُۥٓ إِلَّا اَ۬للَّهُۖ
En zij die in het weten geworteld zijn, zeggen: “Wij geloven erin; alles komt van onze Voogd”;
وَالرَّٰسِخُونَ فِے اِ۬لْعِلْمِ يَقُولُونَ ءَامَنَّا بِهِۦ كُلّٞ مِّنْ عِندِ رَبِّنَاۖ
en alleen de houders van intelligentie herinneren het zich.
وَمَا يَذَّكَّرُ إِلَّآ أُوْلُواْ اُ۬لَالْبَٰبِۖ
“Onze Voogd, laat onze kernen niet afwijken nadat U ons geleid hebt, en schenk ons, van Uw zijde, een welwillendheid;
رَبَّنَا لَا تُزِغْ قُلُوبَنَا بَعْدَ إِذْ هَدَيْتَنَا وَهَبْ لَنَا مِن لَّدُنكَ رَحْمَةًۖ
want U bent het, de Schenker.
اِنَّكَ أَنتَ اَ۬لْوَهَّابُۖ
Onze Voogd, U bent Hij die de mensen bijeenbrengt voor een dag waarover geen twijfel is,
رَبَّنَآ إِنَّكَ جَامِعُ اُ۬لنَّاسِ لِيَوْمٖ لَّا رَيْبَ فِيهِۖ
want God schiet niet tekort in Zijn belofte.”
إِنَّ اَ۬للَّهَ لَا يُخْلِفُ اُ۬لْمِيعَادَۖ
Gewis, zij die verloochenen, noch hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun iets baten tegenover God.
إِنَّ اَ۬لذِينَ كَفَرُواْ لَن تُغْنِيَ عَنْهُمُۥٓ أَمْوَٰلُهُمْ وَلَآ أَوْلَٰدُهُم مِّنَ اَ۬للَّهِ شَئْاٗۖ
En dat zijn zij die de brandstof van het Vuur zijn, naar het beeld van het gedrag van de clan van Fir'aun,
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمْ وَقُودُ اُ۬لنّ۪ارِ كَدَأْبِ ءَالِ فِرْعَوْنَۖ
en van hen die vóór hen waren, die Onze tekenen ontkend hebben; God heeft hen toen gegrepen wegens hun vergrijpen.
وَالذِينَ مِن قَبْلِهِمْ كَذَّبُواْ بِـَٔايَٰتِنَا فَأَخَذَهُمُ اُ۬للَّهُ بِذُنُوبِهِمْۖ
God is streng in de sanctie.
وَاللَّهُ شَدِيدُ اُ۬لْعِقَابِۖ
Zeg tegen hen die verloochenen: “Jullie zullen overwonnen en verzameld worden naar Djahannam.”
قُل لِّلذِينَ كَفَرُواْ سَتُغْلَبُونَ وَتُحْشَرُونَ إِلَىٰ جَهَنَّمَۖ
En wat een afschuwelijke ligplaats!
وَبِيسَ اَ۬لْمِهَادُۖ
Voor jullie was er een teken in die twee bataljons die elkaar ontmoetten:
قَدْ كَانَ لَكُمُۥٓ ءَايَةٞ فِے فِئَتَيْنِ اِ۪لْتَقَتَاۖ
de een streed op de weg van God, en de ander verloochende; jullie zagen hen, met het blote oog, tweemaal wat zij waren.
فِئَةٞ تُقَٰتِلُ فِے سَبِيلِ اِ۬للَّهِ وَأُخْر۪ىٰ كَافِرَةٞ تَرَوْنَهُم مِّثْلَيْهِمْ رَأْيَ اَ۬لْعَيْنِۖ
God versterkt, door Zijn hulp, wie het Hem behaagt.
وَاللَّهُ يُوَ۬يِّدُ بِنَصْرِهِۦ مَنْ يَّشَآءُۖ
Voorzeker is daarin een les voor de houders van gezichtsvermogen.
اِ۪نَّ فِے ذَٰلِكَ لَعِبْرَةٗ لِّأُوْلِے اِ۬لَابْصٰ۪رِۖ
De liefde voor de passies is voor de mensen verfraaid: de vrouwen, de zonen, de opgestapelde kwintalen goud en zilver, de gemerkte paarden, het vee en de akker.
زُيِّنَ لِلنَّاسِ حُبُّ اُ۬لشَّهَوَٰتِ مِنَ اَ۬لنِّسَآءِ وَالْبَنِينَ وَالْقَنَٰطِيرِ اِ۬لْمُقَنطَرَةِ مِنَ اَ۬لذَّهَبِ وَالْفِضَّةِ وَالْخَيْلِ اِ۬لْمُسَوَّمَةِ وَالَانْعَٰمِ وَالْحَرْثِۖ
Dat is de genieting van het leven hienieden;
ذَٰلِكَ مَتَٰعُ اُ۬لْحَيَوٰةِ اِ۬لدُّنْي۪اۖ
doch bij God bevindt zich de schone plaats om terug te keren.
وَاللَّهُ عِندَهُۥ حُسْنُ اُ۬لْمَـَٔابِۖ
Zeg: “Zal ik jullie berichten over iets beters dan dat?
۞ قُلَ اَوْ۟نَبِّئُكُم بِخَيْرٖ مِّن ذَٰلِكُمْۖ
Voor hen die zich behoeden, bij hun Voogd, tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, gereinigde echtgenoten, en een instemming van God.”
لِلذِينَ اَ۪تَّقَوْاْ عِندَ رَبِّهِمْ جَنَّٰتٞ تَجْرِے مِن تَحْتِهَا اَ۬لَانْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَأَزْوَٰجٞ مُّطَهَّرَةٞ وَرِضْوَٰنٞ مِّنَ اَ۬للَّهِۖ
God is Alziend over Zijn gehoorzamen,
وَاللَّهُ بَصِيرُۢ بِالْعِبَادِۖ
zij die zeggen: “Onze Voogd, wij hebben gewis geloofd; vergeef ons dan onze vergrijpen, en behoed ons voor de pijn van het Vuur”,
اِ۬لذِينَ يَقُولُونَ رَبَّنَآ إِنَّنَآ ءَامَنَّا فَاغْفِرْ لَنَا ذُنُوبَنَا وَقِنَا عَذَابَ اَ۬لنّ۪ارِۖ
de geduldigen, de waarachtigen, de toegewijden, zij die uitgeven, en zij die om vergeving smeken in de laatste uren van de nacht.
اِ۬لصَّٰبِرِينَ وَالصَّٰدِقِينَ وَالْقَٰنِتِينَ وَالْمُنفِقِينَ وَالْمُسْتَغْفِرِينَ بِالَاسْح۪ارِۖ
God betuigt, evenals de Gemachtigden en de houders van het weten, dat er geen godheid is behalve Hij, de billijkheid onderhoudend.
شَهِدَ اَ۬للَّهُ أَنَّهُۥ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ وَالْمَلَٰٓئِكَةُ وَأُوْلُواْ اُ۬لْعِلْمِ قَآئِماَۢ بِالْقِسْطِۖ
Geen godheid behalve Hij,
لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ
de Almachtige, de Wijze.
اَ۬لْعَزِيزُ اُ۬لْحَكِيمُۖ
Gewis is de Wet, bij God, de integriteit tegenover Hem.
إِنَّ اَ۬لدِّينَ عِندَ اَ۬للَّهِ اِ۬لِاسْلَٰمُۖ
En zij aan wie de Schrift gegeven is, zijn pas uiteengelopen nadat het weten hun was gekomen,
وَمَا اَ۪خْتَلَفَ اَ۬لذِينَ أُوتُواْ اُ۬لْكِتَٰبَ إِلَّا مِنۢ بَعْدِ مَا جَآءَهُمُ اُ۬لْعِلْمُۖ
door afpersing onder elkaar.
بَغْياَۢ بَيْنَهُمْۖ
En wie de tekenen van God verloochent – God is gewis snel in de rekening.
وَمَنْ يَّكْفُرْ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ سَرِيعُ اُ۬لْحِسَابِۖ
Als zij met jou een geschil voeren, zeg dan: “Ik maak mijn richting integer tegenover God, evenals zij die mij gevolgd hebben.”
فَإِنْ حَآجُّوكَ فَقُلَ اَسْلَمْتُ وَجْهِيَ لِلهِ وَمَنِ اِ۪تَّبَعَنِۦۖ
En zeg tegen hen aan wie de Schrift gegeven is, en tegen de lieden zonder voorafgaande Schrift: “Zijn jullie integer geworden tegenover God?”
وَقُل لِّلذِينَ أُوتُواْ اُ۬لْكِتَٰبَ وَالُامِّيِّۧنَ ءَآسْلَمْتُمْۖ
Als zij het worden, laten zij zich dan leiden;
فَإِنَ اَسْلَمُواْ فَقَدِ اِ۪هْتَدَواْۖ
en als zij de rug toekeren, rust op jou slechts de overdracht.
وَّإِن تَوَلَّوْاْ فَإِنَّمَا عَلَيْكَ اَ۬لْبَلَٰغُۖ
God is Alziend over Zijn gehoorzamen.
وَاللَّهُ بَصِيرُۢ بِالْعِبَادِۖ
Gewis, zij die de tekenen van God verloochenen, de berichtgevers zonder recht doden, en hen doden die onder de mensen de billijkheid bevelen – kondig hun een schrijnende pijn aan.
إِنَّ اَ۬لذِينَ يَكْفُرُونَ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ وَيَقْتُلُونَ اَ۬لنَّبِيٓـِٕۧنَ بِغَيْرِ حَقّٖ وَيَقْتُلُونَ اَ۬لذِينَ يَامُرُونَ بِالْقِسْطِ مِنَ اَ۬لنَّاسِ فَبَشِّرْهُم بِعَذَابٍ اَلِيمٍۖ
Dat zijn zij wier werken ingestort zijn, hienieden en in het laatste leven,
ا۟وْلَٰٓئِكَ اَ۬لذِينَ حَبِطَتَ اَعْمَٰلُهُمْ فِے اِ۬لدُّنْي۪ا وَالَاخِرَةِۖ
en zij zullen geen hulp hebben.
وَمَا لَهُم مِّن نَّٰصِرِينَۖ
Heb je hen niet gezien aan wie een gedeelte van de Schrift gegeven is, geroepen tot de Schrift van God opdat zij tussen hen oordeelt, en dan een fractie van hen de rug toekeert, zich onttrekkend?
۞ أَلَمْ تَرَ إِلَى اَ۬لذِينَ أُوتُواْ نَصِيباٗ مِّنَ اَ۬لْكِتَٰبِ يُدْعَوْنَ إِلَىٰ كِتَٰبِ اِ۬للَّهِ لِيَحْكُمَ بَيْنَهُمْ ثُمَّ يَتَوَلّ۪ىٰ فَرِيقٞ مِّنْهُمْ وَهُم مُّعْرِضُونَۖ
Dat komt doordat zij hebben gezegd: “Het Vuur zal ons slechts aanraken gedurende getelde dagen”; en wat zij verzonnen heeft hen bedrogen in hun Wet.
ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ قَالُواْ لَن تَمَسَّنَا اَ۬لنَّارُ إِلَّآ أَيَّاماٗ مَّعْدُودَٰتٖ وَغَرَّهُمْ فِے دِينِهِم مَّا كَانُواْ يَفْتَرُونَۖ
Hoe dan, wanneer Wij hen bijeengebracht zullen hebben voor een dag waarover geen twijfel is, en elk Zelf getrouw zal hebben ontvangen wat het heeft verworven, zonder onrecht te ondergaan?
فَكَيْفَ إِذَا جَمَعْنَٰهُمْ لِيَوْمٖ لَّا رَيْبَ فِيهِ وَوُفِّيَتْ كُلُّ نَفْسٖ مَّا كَسَبَتْ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَۖ
Zeg: “O God, Soeverein van het koningschap! U geeft het koningschap aan wie het U behaagt, en U ontrukt het koningschap aan wie het U behaagt; U maakt machtig wie het U behaagt, en U vernedert wie het U behaagt; het goede is in Uw hand;
قُلِ اِ۬للَّهُمَّ مَٰلِكَ اَ۬لْمُلْكِ تُوتِے اِ۬لْمُلْكَ مَن تَشَآءُ وَتَنزِعُ اُ۬لْمُلْكَ مِمَّن تَشَآءُ وَتُعِزُّ مَن تَشَآءُ وَتُذِلُّ مَن تَشَآءُ بِيَدِكَ اَ۬لْخَيْرُۖ
want U bent tot alles in staat.
إِنَّكَ عَلَىٰ كُلِّ شَےْءٖ قَدِيرٞۖ
U doet de nacht in de dag doordringen, en U doet de dag in de nacht doordringen; U brengt het levende uit het dode naar buiten, en U brengt het dode uit het levende naar buiten; en U voorziet wie het U behaagt, zonder te tellen.”
تُولِجُ اُ۬ليْلَ فِے اِ۬لنَّه۪ارِ وَتُولِجُ اُ۬لنَّهَارَ فِے اِ۬ليْلِ وَتُخْرِجُ اُ۬لْحَيَّ مِنَ اَ۬لْمَيِّتِ وَتُخْرِجُ اُ۬لْمَيِّتَ مِنَ اَ۬لْحَيِّ وَتَرْزُقُ مَن تَشَآءُ بِغَيْرِ حِسَابٖۖ
Laat de gelovenden hen die verloochenen niet tot bondgenoten nemen, buiten de gelovenden;
لَّا يَتَّخِذِ اِ۬لْمُومِنُونَ اَ۬لْكٰ۪فِرِينَ أَوْلِيَآءَ مِن دُونِ اِ۬لْمُومِنِينَۖ
en wie dat doet, heeft niets meer met God te maken – behalve als jullie je voor hen behoeden uit voorzorg.
وَمَنْ يَّفْعَلْ ذَٰلِكَ فَلَيْسَ مِنَ اَ۬للَّهِ فِے شَےْءٍ اِلَّآ أَن تَتَّقُواْ مِنْهُمْ تُق۪يٰةٗۖ
En God maakt jullie waakzaam jegens Zichzelf,
وَيُحَذِّرُكُمُ اُ۬للَّهُ نَفْسَهُۥۖ
en tot God is de bestemming.
وَإِلَى اَ۬للَّهِ اِ۬لْمَصِيرُۖ
Zeg: “Of jullie verbergen wat in jullie borst is, of het zichtbaar maken, God kent het.
قُلِ اِن تُخْفُواْ مَا فِے صُدُورِكُمُۥٓ أَوْ تُبْدُوهُ يَعْلَمْهُ اُ۬للَّهُۖ
En Hij weet wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
وَيَعْلَمُ مَا فِے اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِے اِ۬لَارْضِۖ
En God is tot alles in staat.”
وَاللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَےْءٖ قَدِيرٞۖ
De dag waarop elk Zelf aanwezig zal vinden wat het aan goeds heeft gedaan,
يَوْمَ تَجِدُ كُلُّ نَفْسٖ مَّا عَمِلَتْ مِنْ خَيْرٖ مُّحْضَراٗۖ
en wat het aan kwaads heeft gedaan, het zou willen dat er tussen dat en zichzelf een verre tussenruimte was.
وَمَا عَمِلَتْ مِن سُوٓءٖ تَوَدُّ لَوَ اَنَّ بَيْنَهَا وَبَيْنَهُۥٓ أَمَداَۢ بَعِيداٗۖ
En God maakt jullie waakzaam jegens Zichzelf.
وَيُحَذِّرُكُمُ اُ۬للَّهُ نَفْسَهُۥۖ
God is vol goedheid jegens Zijn gehoorzamen.
وَاللَّهُ رَءُوفُۢ بِالْعِبَادِۖ
Zeg: “Als jullie van God houden, volg mij: God zal van jullie houden en jullie vergrijpen vergeven.
قُلِ اِن كُنتُمْ تُحِبُّونَ اَ۬للَّهَ فَاتَّبِعُونِے يُحْبِبْكُمُ اُ۬للَّهُ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ذُنُوبَكُمْۖ
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”
وَاللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞۖ
Zeg: “Voeg jullie naar God en naar de gezant”;
قُلَ اَطِيعُواْ اُ۬للَّهَ وَالرَّسُولَۖ
en als zij de rug toekeren, houdt God gewis niet van hen die verloochenen.
فَإِن تَوَلَّوْاْ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ لَا يُحِبُّ اُ۬لْكٰ۪فِرِينَۖ
God heeft Adam, Noeh, de clan van Ibrahim en de clan van Imran uitgekozen, boven alle wezens, een nageslacht de een van de ander.
۞ إِنَّ اَ۬للَّهَ اَ۪صْطَف۪ىٰٓ ءَادَمَ وَنُوحاٗ وَءَالَ إِبْرَٰهِيمَ وَءَالَ عِمْرَٰنَ عَلَى اَ۬لْعَٰلَمِينَ ذُرِّيَّةَۢ بَعْضُهَا مِنۢ بَعْضٖۖ
God is de Alhorende, de Alwetende.
وَاللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌۖ
Toen de vrouw van Imran zei: “Mijn Voogd, ik doe U gelofte van wat in mijn buik is, onafhankelijk gemaakt van alles; aanvaard het dan van mij;
اِذْ قَالَتِ اِ۪مْرَأَتُ عِمْرَٰنَ رَبِّ إِنِّے نَذَرْتُ لَكَ مَا فِے بَطْنِے مُحَرَّراٗ فَتَقَبَّلْ مِنِّيَۖ
want U bent het, de Alhorende, de Alwetende.”
إِنَّكَ أَنتَ اَ۬لسَّمِيعُ اُ۬لْعَلِيمُۖ
Vervolgens, toen zij haar ter wereld had gebracht, zei zij: “Mijn Voogd, ik heb haar gewis ter wereld gebracht, een dochter” – God kende nochtans het best wat zij ter wereld had gebracht –
فَلَمَّا وَضَعَتْهَا قَالَتْ رَبِّ إِنِّے وَضَعْتُهَآ أُنث۪ىٰ وَاللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا وَضَعَتْۖ
“en het mannetje is niet als het vrouwtje;
وَلَيْسَ اَ۬لذَّكَرُ كَالُانث۪ىٰۖ
ik heb haar Marjam tot eigenschap gegeven,
وَإِنِّے سَمَّيْتُهَا مَرْيَمَۖ
en ik plaats haar, haar en haar nageslacht, onder Uw egide, tegen de verbannen Afleider.”
وَإِنِّيَ أُعِيذُهَا بِكَ وَذُرِّيَّتَهَا مِنَ اَ۬لشَّيْطَٰنِ اِ۬لرَّجِيمِۖ
Haar Voogd onthaalde haar met een schoon onthaal, en deed haar groeien met een schone groei,
فَتَقَبَّلَهَا رَبُّهَا بِقَبُولٍ حَسَنٖ وَأَنۢبَتَهَا نَبَاتاً حَسَناٗۖ
en vertrouwde de zorg voor haar toe aan Zakarija.
وَكَفَلَهَا زَكَرِيَّآءُۖ
Telkens wanneer Zakarija bij haar binnenkwam in het oratorium, vond hij bij haar een leeftocht.
كُلَّمَا دَخَلَ عَلَيْهَا زَكَرِيَّآءُ اُ۬لْمِحْرَابَ وَجَدَ عِندَهَا رِزْقاٗۖ
Hij zei: “O Marjam! Vanwaar komt jou dit?”
قَالَ يَٰمَرْيَمُ أَنّ۪ىٰ لَكِ هَٰذَاۖ
Zij zei: “Dat komt van God.
قَالَتْ هُوَ مِنْ عِندِ اِ۬للَّهِۖ
God voorziet wie het Hem behaagt, zonder te tellen.”
إِنَّ اَ۬للَّهَ يَرْزُقُ مَنْ يَّشَآءُ بِغَيْرِ حِسَابٍۖ
Ter plekke riep Zakarija zijn Voogd aan.
هُنَالِكَ دَعَا زَكَرِيَّآءُ رَبَّهُۥۖ
Hij zei: “Mijn Voogd, schenk mij, van Uw zijde, een goed nageslacht; want U bent Hij die de aanroeping hoort.”
قَالَ رَبِّ هَبْ لِے مِن لَّدُنكَ ذُرِّيَّةٗ طَيِّبَةً اِنَّكَ سَمِيعُ اُ۬لدُّعَآءِۖ
De Gemachtigden riepen hem toe terwijl hij het Contact aanknoopte in het oratorium: “God kondigt jou Jahja aan, bevestigend een woord afkomstig van God, een aanvoerder, een man van volledige continentie, en een berichtgever, behorend tot hen die deugdelijk zijn.”
فَنَادَتْهُ اُ۬لْمَلَٰٓئِكَةُ وَهُوَ قَآئِمٞ يُصَلِّے فِے اِ۬لْمِحْرَابِ أَنَّ اَ۬للَّهَ يُبَشِّرُكَ بِيَحْي۪ىٰ مُصَدِّقاَۢ بِكَلِمَةٖ مِّنَ اَ۬للَّهِ وَسَيِّداٗ وَحَصُوراٗ وَنَبِيٓـٔاٗ مِّنَ اَ۬لصَّٰلِحِينَۖ
Hij zei: “Mijn Voogd, hoe zou ik een jongen hebben, terwijl de grote ouderdom mij reeds heeft bereikt, en mijn vrouw onvruchtbaar is?”
قَالَ رَبِّ أَنّ۪ىٰ يَكُونُ لِے غُلَٰمٞ وَقَدْ بَلَغَنِيَ اَ۬لْكِبَرُ وَامْرَأَتِے عَاقِرٞۖ
Hij zei: “Zo is het:
قَالَ كَذَٰلِكَۖ
God doet wat het Hem behaagt.”
اَ۬للَّهُ يَفْعَلُ مَا يَشَآءُۖ
Hij zei: “Mijn Voogd, wijs mij een teken aan.”
قَالَ رَبِّ اِ۪جْعَل لِّيَ ءَايَةٗۖ
Hij zei: “Jouw teken zal zijn dat je tot de mensen slechts met gebaren zult spreken, gedurende drie dagen.
قَالَ ءَايَتُكَ أَلَّا تُكَلِّمَ اَ۬لنَّاسَ ثَلَٰثَةَ أَيَّامٍ اِلَّا رَمْزاٗۖ
En herinner je jouw Voogd overvloedig, en glorifieer bij avond en bij dageraad.”
وَاذْكُر رَّبَّكَ كَثِيراٗ وَسَبِّحْ بِالْعَشِيِّ وَالِابْكٰ۪رِۖ
En toen de Gemachtigden zeiden: “O Marjam! God heeft jou uitgekozen, heeft jou gereinigd, en heeft jou uitgekozen boven de vrouwen van alle wezens.
۞ وَإِذْ قَالَتِ اِ۬لْمَلَٰٓئِكَةُ يَٰمَرْيَمُ إِنَّ اَ۬للَّهَ اَ۪صْطَف۪يٰكِ وَطَهَّرَكِ وَاصْطَف۪يٰكِ عَلَىٰ نِسَآءِ اِ۬لْعَٰلَمِينَۖ
O Marjam! Wees toegewijd jegens jouw Voogd, werp je neer, en kniel met hen die knielen.”
يَٰمَرْيَمُ اُ۟قْنُتِے لِرَبِّكِ وَاسْجُدِے وَارْكَعِے مَعَ اَ۬لرَّٰكِعِينَۖ
Dat maakt deel uit van de berichten over wat de zintuigen ontgaat, die Wij jou openbaren.
ذَٰلِكَ مِنَ اَنۢبَآءِ اِ۬لْغَيْبِ نُوحِيهِ إِلَيْكَۖ
Jij was niet bij hen toen zij hun rietstengels wierpen: wie van hen de zorg voor Marjam zou hebben,
وَمَا كُنتَ لَدَيْهِمُۥٓ إِذْ يُلْقُونَ أَقْلَٰمَهُمُۥٓ أَيُّهُمْ يَكْفُلُ مَرْيَمَۖ
en jij was niet bij hen toen zij twistten. Toen de Gemachtigden zeiden: “O Marjam! God kondigt jou een woord aan afkomstig van Hem,
وَمَا كُنتَ لَدَيْهِمُۥٓ إِذْ يَخْتَصِمُونَ إِذْ قَالَتِ اِ۬لْمَلَٰٓئِكَةُ يَٰمَرْيَمُ إِنَّ اَ۬للَّهَ يُبَشِّرُكِ بِكَلِمَةٖ مِّنْهُۖ
wiens eigenschap Al-Masih zal zijn, Isa, zoon van Marjam, van hoge achting hienieden en in het laatste leven, en behorend tot de naderbijgebrachten.
اُ۪سْمُهُ اُ۬لْمَسِيحُ عِيسَى اَ۪بْنُ مَرْيَمَ وَجِيهاٗ فِے اِ۬لدُّنْي۪ا وَالَاخِرَةِ وَمِنَ اَ۬لْمُقَرَّبِينَۖ
En hij zal tot de mensen spreken in de wieg en op rijpe leeftijd,
وَيُكَلِّمُ اُ۬لنَّاسَ فِے اِ۬لْمَهْدِ وَكَهْلاٗۖ
en zal behoren tot hen die deugdelijk zijn.”
وَمِنَ اَ۬لصَّٰلِحِينَۖ
Zij zei: “Mijn Voogd, hoe zou ik een kind hebben, terwijl geen enkele sterveling mij heeft aangeraakt?”
قَالَتْ رَبِّ أَنّ۪ىٰ يَكُونُ لِے وَلَدٞ وَلَمْ يَمْسَسْنِے بَشَرٞۖ
Hij zei: “Zo is het:
قَالَ كَذَٰلِكِۖ
God schept wat het Hem behaagt.
اِ۬للَّهُ يَخْلُقُ مَا يَشَآءُۖ
Wanneer Hij een ding decreteert, zegt Hij er slechts tegen: ‘Wees’,
اِ۪ذَا قَض۪ىٰٓ أَمْراٗ فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُۥ كُنۖ
en het is.”
فَيَكُونُۖ
“En Hij zal hem de Codex, de wijsheid, de Taurah en de Indjil onderwijzen, en gezant aan de zonen van Israël: ik breng jullie een teken van jullie Voogd:
وَيُعَلِّمُهُ اُ۬لْكِتَٰبَ وَالْحِكْمَةَ وَالتَّوْر۪يٰةَ وَالِانجِيلَ وَرَسُولاً اِلَىٰ بَنِےٓ إِسْرَآءِيلَ أَنِّے قَدْ جِئْتُكُم بِـَٔايَةٖ مِّن رَّبِّكُمُۥٓۖ
ik schep voor jullie, uit klei, een vorm van een vogel, vervolgens blaas ik erin, en het wordt een vogel, met de toestemming van God.
إِنِّيَ أَخْلُقُ لَكُم مِّنَ اَ۬لطِّينِ كَهَيْـَٔةِ اِ۬لطَّيْرِ فَأَنفُخُ فِيهِ فَيَكُونُ طَٰٓئِراَۢ بِإِذْنِ اِ۬للَّهِۖ
En ik herstel de blindgeborene en de lepralijder, en ik geef de doden het leven terug, met de toestemming van God.
وَأُبْرِۓُ اُ۬لَاكْمَهَ وَالَابْرَصَ وَأُحْيِ اِ۬لْمَوْت۪ىٰ بِإِذْنِ اِ۬للَّهِۖ
En ik bericht jullie over wat jullie eten en over wat jullie opslaan in jullie huizen.
وَأُنَبِّئُكُم بِمَا تَاكُلُونَ وَمَا تَدَّخِرُونَ فِے بُيُوتِكُمُۥٓۖ
Voorzeker is daarin een teken voor jullie, indien jullie gelovenden zijn.
إِنَّ فِے ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لَّكُمُۥٓ إِن كُنتُم مُّومِنِينَۖ
En bevestigend wat, van de Taurah, mij voorafgaat, en om voor jullie geoorloofd te maken een deel van wat jullie ontzegd was.
وَمُصَدِّقاٗ لِّمَا بَيْنَ يَدَيَّ مِنَ اَ۬لتَّوْر۪يٰةِ وَلِأُحِلَّ لَكُم بَعْضَ اَ۬لذِے حُرِّمَ عَلَيْكُمْۖ
En ik breng jullie een teken van jullie Voogd;
وَجِئْتُكُم بِـَٔايَةٖ مِّن رَّبِّكُمْۖ
behoed jullie dus voor God en voeg jullie naar mij,
فَاتَّقُواْ اُ۬للَّهَ وَأَطِيعُونِۖ
want God is mijn Voogd en jullie Voogd; gehoorzaam Hem dan.
إِنَّ اَ۬للَّهَ رَبِّے وَرَبُّكُمْ فَاعْبُدُوهُۖ
Dit is een rechtlijnig pad.”
هَٰذَا صِرَٰطٞ مُّسْتَقِيمٞۖ
Toen Isa van hen de verloochening bespeurde, zei hij: “Wie zijn mijn helpers naar God?”
۞ فَلَمَّآ أَحَسَّ عِيس۪ىٰ مِنْهُمُ اُ۬لْكُفْرَ قَالَ مَنَ اَنصَارِيَ إِلَى اَ۬للَّهِۖ
De leerlingen zeiden: “Wij zijn de helpers van God.
قَالَ اَ۬لْحَوَارِيُّونَ نَحْنُ أَنصَارُ اُ۬للَّهِۖ
Wij geloven in God, en wees getuige dat wij integer zijn tegenover Hem.
ءَامَنَّا بِاللَّهِ وَاشْهَدْ بِأَنَّا مُسْلِمُونَۖ
Onze Voogd, wij hebben geloofd in wat U hebt doen neerdalen, en wij hebben de gezant gevolgd; schrijf ons dan in onder de getuigen.”
رَبَّنَآ ءَامَنَّا بِمَآ أَنزَلْتَ وَاتَّبَعْنَا اَ۬لرَّسُولَ فَاكْتُبْنَا مَعَ اَ۬لشَّٰهِدِينَۖ
En zij complotteerden, en God complotteerde,
وَمَكَرُواْ وَمَكَرَ اَ۬للَّهُۖ
en God is de voortreffelijkste van hen die complotteren.
وَاللَّهُ خَيْرُ اُ۬لْمَٰكِرِينَۖ
Toen God zei: “O Isa! Ik zal jou gewis getrouw in bewaring houden, jou tot Mij verheffen, en jou reinigen van hen die verloochend hebben,
إِذْ قَالَ اَ۬للَّهُ يَٰعِيس۪ىٰٓ إِنِّے مُتَوَفِّيكَ وَرَافِعُكَ إِلَيَّ وَمُطَهِّرُكَ مِنَ اَ۬لذِينَ كَفَرُواْۖ
en hen die jou gevolgd zijn boven hen die verloochend hebben plaatsen, tot de Dag van het Verschijnen.
وَجَاعِلُ اُ۬لذِينَ اَ۪تَّبَعُوكَ فَوْقَ اَ۬لذِينَ كَفَرُوٓاْ إِلَىٰ يَوْمِ اِ۬لْقِيَٰمَةِۖ
Vervolgens is het tot Mij dat jullie terugkeer zal zijn, en Ik zal tussen jullie oordelen over datgene waarin jullie uiteenliepen.
ثُمَّ إِلَيَّ مَرْجِعُكُمْ فَأَحْكُمُ بَيْنَكُمْ فِيمَا كُنتُمْ فِيهِ تَخْتَلِفُونَۖ
Wat hen betreft die verloochend hebben, Ik zal hun een strenge pijn opleggen, hienieden en in het laatste leven,
فَأَمَّا اَ۬لذِينَ كَفَرُواْ فَأُعَذِّبُهُمْ عَذَاباٗ شَدِيداٗ فِے اِ۬لدُّنْي۪ا وَالَاخِرَةِۖ
en zij zullen geen hulp hebben.
وَمَا لَهُم مِّن نَّٰصِرِينَۖ
En wat hen betreft die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Hij zal hun getrouw hun beloningen teruggeven.
وَأَمَّا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ اُ۬لصَّٰلِحَٰتِ فَنُوَفِّيهِمُۥٓ أُجُورَهُمْۖ
God houdt niet van de onrechtvaardigen.”
وَاللَّهُ لَا يُحِبُّ اُ۬لظَّٰلِمِينَۖ
Dat is wat Wij jou voordragen van de tekenen en van de Herinnering vol wijsheid.
ذَٰلِكَ نَتْلُوهُ عَلَيْكَ مِنَ اَ۬لَايَٰتِ وَالذِّكْرِ اِ۬لْحَكِيمِۖ
Gewis is het voorbeeld van Isa, bij God, gelijkend aan dat van Adam:
إِنَّ مَثَلَ عِيس۪ىٰ عِندَ اَ۬للَّهِ كَمَثَلِ ءَادَمَۖ
Hij schiep hem uit aarde, en zei vervolgens tegen hem: “Wees”,
خَلَقَهُۥ مِن تُرَابٖ ثُمَّ قَالَ لَهُۥ كُنۖ
en hij was.
فَيَكُونُۖ
De waarheid komt van jouw Voogd;
اُ۬لْحَقُّ مِن رَّبِّكَۖ
behoor dan niet tot hen die in controverse treden.
فَلَا تَكُن مِّنَ اَ۬لْمُمْتَرِينَۖ
Tegen wie met jou hierover een geschil zou voeren, nadat het weten tot jou was gekomen, zeg: “Kom, laten wij onze zonen en jullie zonen roepen, onze vrouwen en jullie vrouwen, onszelf en jullie zelf, en laten wij vervolgens dringend verzoeken, en laten wij de vloek van God over de leugenaars afroepen.”
فَمَنْ حَآجَّكَ فِيهِ مِنۢ بَعْدِ مَا جَآءَكَ مِنَ اَ۬لْعِلْمِ فَقُلْ تَعَالَوْاْ نَدْعُ أَبْنَآءَنَا وَأَبْنَآءَكُمْ وَنِسَآءَنَا وَنِسَآءَكُمْ وَأَنفُسَنَا وَأَنفُسَكُمْ ثُمَّ نَبْتَهِلْ فنَجْعَل لَّعْنَتَ اَ۬للَّهِ عَلَى اَ۬لْكَٰذِبِينَۖ
Voorzeker is dit het ware verhaal,
إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ اَ۬لْقَصَصُ اُ۬لْحَقُّۖ
en er is geen godheid dan God.
وَمَا مِنِ اِلَٰهٍ اِلَّا اَ۬للَّهُۖ
En voorzeker is God de Almachtige, de Wijze.
وَإِنَّ اَ۬للَّهَ لَهُوَ اَ۬لْعَزِيزُ اُ۬لْحَكِيمُۖ
Als zij de rug toekeren, is God gewis Alwetend over de bedervers.
فَإِن تَوَلَّوْاْ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ عَلِيمُۢ بِالْمُفْسِدِينَۖ
Zeg: “O lieden van de Schrift! Kom tot een billijk woord tussen ons en jullie: dat wij alleen God gehoorzamen, dat wij niets met Hem associëren, en dat niemand van ons de anderen tot meesters neemt buiten God.”
۞ قُلْ يَٰٓأَهْلَ اَ۬لْكِتَٰبِ تَعَالَوِاْ اِلَىٰ كَلِمَةٖ سَوَآءِۢ بَيْنَنَا وَبَيْنَكُمُۥٓ أَلَّا نَعْبُدَ إِلَّا اَ۬للَّهَ وَلَا نُشْرِكَ بِهِۦ شَئْاٗ وَلَا يَتَّخِذَ بَعْضُنَا بَعْضاً اَرْبَاباٗ مِّن دُونِ اِ۬للَّهِۖ
Als zij de rug toekeren, zeg dan: “Wees getuigen dat wij integer zijn tegenover God.”
فَإِن تَوَلَّوْاْ فَقُولُواْ اُ۪شْهَدُواْ بِأَنَّا مُسْلِمُونَۖ
O lieden van de Schrift! Waarom voeren jullie een geschil over Ibrahim,
يَٰٓأَهْلَ اَ۬لْكِتَٰبِ لِمَ تُحَآجُّونَ فِےٓ إِبْرَٰهِيمَۖ
terwijl de Taurah en de Indjil pas na hem zijn neergedaald?
وَمَآ أُنزِلَتِ اِ۬لتَّوْر۪يٰةُ وَالِانجِيلُ إِلَّا مِنۢ بَعْدِهِۦٓۖ
Redeneren jullie dan niet?
أَفَلَا تَعْقِلُونَۖ
Daar zijn jullie, een geschil voerend over iets waarvan jullie enig weten hebben; maar waarom voeren jullie een geschil over iets waarvan jullie geen enkel weten hebben?
هَآنتُمْ هَٰٓؤُلَآءِ حَٰجَجْتُمْ فِيمَا لَكُم بِهِۦ عِلْمٞ فَلِمَ تُحَآجُّونَ فِيمَا لَيْسَ لَكُم بِهِۦ عِلْمٞۖ
God weet,
وَاللَّهُ يَعْلَمُۖ
en jullie weten niet.
وَأَنتُمْ لَا تَعْلَمُونَۖ
Ibrahim was noch een Geheroriënteerde noch een Helper, maar hij was geheel op God gericht, integer tegenover Hem,
مَا كَانَ إِبْرَٰهِيمُ يَهُودِيّاٗ وَلَا نَصْرَانِيّاٗ وَلَٰكِن كَانَ حَنِيفاٗ مُّسْلِماٗۖ
en hij behoorde niet tot hen die associëren.
وَمَا كَانَ مِنَ اَ۬لْمُشْرِكِينَۖ
Voorzeker zijn de meest nabije mensen van Ibrahim zij die hem gevolgd zijn, evenals deze berichtgever en zij die geloofd hebben.
إِنَّ أَوْلَى اَ۬لنَّاسِ بِإِبْرَٰهِيمَ لَلذِينَ اَ۪تَّبَعُوهُ وَهَٰذَا اَ۬لنَّبِےٓءُ وَالذِينَ ءَامَنُواْۖ
God is de beschermer van de gelovenden.
وَاللَّهُ وَلِيُّ اُ۬لْمُومِنِينَۖ
Een groep onder de lieden van de Schrift zou jullie hebben willen doen dwalen;
وَدَّت طَّآئِفَةٞ مِّنَ اَهْلِ اِ۬لْكِتَٰبِ لَوْ يُضِلُّونَكُمْۖ
maar zij doen slechts zichzelf dwalen, zonder het te voelen.
وَمَا يُضِلُّونَ إِلَّآ أَنفُسَهُمْ وَمَا يَشْعُرُونَۖ
O lieden van de Schrift! Waarom verloochenen jullie de tekenen van God, terwijl jullie er getuigen van zijn?
يَٰٓأَهْلَ اَ۬لْكِتَٰبِ لِمَ تَكْفُرُونَ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ وَأَنتُمْ تَشْهَدُونَۖ
O lieden van de Schrift! Waarom bekleden jullie de waarheid met het valse, en verzwijgen jullie de waarheid, terwijl jullie weten?
يَٰٓأَهْلَ اَ۬لْكِتَٰبِ لِمَ تَلْبِسُونَ اَ۬لْحَقَّ بِالْبَٰطِلِ وَتَكْتُمُونَ اَ۬لْحَقَّ وَأَنتُمْ تَعْلَمُونَۖ
En een groep onder de lieden van de Schrift zei: “Geloof in wat is neergedaald aan hen die geloofd hebben, aan het begin van de dag, en verloochen het aan het einde ervan, misschien zullen zij terugkeren.”
وَقَالَت طَّآئِفَةٞ مِّنَ اَهْلِ اِ۬لْكِتَٰبِ ءَامِنُواْ بِالذِےٓ أُنزِلَ عَلَى اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ وَجْهَ اَ۬لنَّه۪ارِ وَاكْفُرُوٓاْ ءَاخِرَهُۥ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَۖ
“En verleen alleen krediet aan wie jullie Wet volgt.”
وَلَا تُومِنُوٓاْ إِلَّا لِمَن تَبِعَ دِينَكُمْۖ
Zeg: “De leiding is gewis de leiding van God” – uit angst dat aan iemand iets wordt gegeven dat gelijk is aan wat jullie is gegeven, of dat zij een geschil met jullie voeren bij jullie Voogd.
قُلِ اِنَّ اَ۬لْهُد۪ىٰ هُدَى اَ۬للَّهِ أَنْ يُّوت۪ىٰٓ أَحَدٞ مِّثْلَ مَآ أُوتِيتُمُۥٓ أَوْ يُحَآجُّوكُمْ عِندَ رَبِّكُمْۖ
Zeg: “De gunst is in de hand van God,
قُلِ اِنَّ اَ۬لْفَضْلَ بِيَدِ اِ۬للَّهِۖ
Hij geeft haar aan wie het Hem behaagt.
يُوتِيهِ مَنْ يَّشَآءُۖ
God is Veelomvattend, Alwetend.”
وَاللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٞۖ
Hij behoudt Zijn welwillendheid voor wie het Hem behaagt.
يَخْتَصُّ بِرَحْمَتِهِۦ مَنْ يَّشَآءُۖ
En God bezit de ontzaglijke gunst.
وَاللَّهُ ذُو اُ۬لْفَضْلِ اِ۬لْعَظِيمِۖ
En onder de lieden van de Schrift zijn er die, als jij hun een kwintaal toevertrouwt, het jou restitueren;
۞ وَمِنَ اَهْلِ اِ۬لْكِتَٰبِ مَنِ اِن تَامَنْهُ بِقِنط۪ارٖ يُوَ۬دِّهِۦٓ إِلَيْكَۖ
en er zijn er die, als jij hun een dinar toevertrouwt, het jou slechts restitueren zolang jij je handhaaft in het opeisen ervan bij hen.
وَمِنْهُم مَّنِ اِن تَامَنْهُ بِدِين۪ارٖ لَّا يُوَ۬دِّهِۦٓ إِلَيْكَ إِلَّا مَا دُمْتَ عَلَيْهِ قَآئِماٗۖ
Dat komt doordat zij zeggen: “Wij hebben, jegens de lieden zonder voorafgaande Schrift, geen enkele verplichting”,
ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ قَالُواْ لَيْسَ عَلَيْنَا فِے اِ۬لُامِّيِّۧنَ سَبِيلٞۖ
en zij zeggen de leugen tegen God, terwijl zij weten.
وَيَقُولُونَ عَلَى اَ۬للَّهِ اِ۬لْكَذِبَ وَهُمْ يَعْلَمُونَۖ
Maar jawel: wie trouw is aan zijn pact en zich behoedt – God houdt gewis van hen die zich behoeden.
بَل۪ىٰ مَنَ اَوْف۪ىٰ بِعَهْدِهِۦ وَاتَّق۪ىٰ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ يُحِبُّ اُ۬لْمُتَّقِينَۖ
Gewis, zij die kopen, met het pact van God en hun eden, een schamele prijs – dat zijn zij die geen enkel lot zullen hebben in het laatste leven; God zal het woord niet tot hen richten, hen niet aankijken op de Dag van het Verschijnen, en hen niet zuiveren.
إِنَّ اَ۬لذِينَ يَشْتَرُونَ بِعَهْدِ اِ۬للَّهِ وَأَيْمَٰنِهِمْ ثَمَناٗ قَلِيلاً ا۟وْلَٰٓئِكَ لَا خَلَٰقَ لَهُمْ فِے اِ۬لَاخِرَةِ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ اُ۬للَّهُ وَلَا يَنظُرُ إِلَيْهِمْ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمْۖ
En zij zullen een schrijnende pijn hebben.
وَلَهُمْ عَذَابٌ اَلِيمٞۖ
En onder hen is er voorzeker een fractie die haar tongen verdraait met de Schrift, opdat jullie het voor een uittreksel uit de Schrift houden, terwijl het er geen deel van uitmaakt,
وَإِنَّ مِنْهُمْ لَفَرِيقاٗ يَلْوُۥنَ أَلْسِنَتَهُم بِالْكِتَٰبِ لِتَحْسِبُوهُ مِنَ اَ۬لْكِتَٰبِ وَمَا هُوَ مِنَ اَ۬لْكِتَٰبِۖ
en zij zeggen: “Dat komt van God”,
وَيَقُولُونَ هُوَ مِنْ عِندِ اِ۬للَّهِۖ
terwijl het niet van God komt,
وَمَا هُوَ مِنْ عِندِ اِ۬للَّهِۖ
en zij zeggen de leugen tegen God, terwijl zij weten.
وَيَقُولُونَ عَلَى اَ۬للَّهِ اِ۬لْكَذِبَ وَهُمْ يَعْلَمُونَۖ
Het komt aan geen enkele sterveling toe, aan wie God de Schrift, het oordeel en de berichtgeving heeft gegeven, vervolgens tot de mensen te zeggen: “Wees voor mij gehoorzaam, buiten God”; maar eerder: “Wees geestelijke meesters, wegens wat jullie onderwijzen van de Schrift en wat jullie bestuderen.”
مَا كَانَ لِبَشَرٍ اَنْ يُّوتِيَهُ اُ۬للَّهُ اُ۬لْكِتَٰبَ وَالْحُكْمَ وَالنُّبُوٓءَةَ ثُمَّ يَقُولَ لِلنَّاسِ كُونُواْ عِبَاداٗ لِّے مِن دُونِ اِ۬للَّهِ وَلَٰكِن كُونُواْ رَبَّٰنِيِّۧنَ بِمَا كُنتُمْ تَعْلَمُونَ اَ۬لْكِتَٰبَ وَبِمَا كُنتُمْ تَدْرُسُونَۖ
En hij zou jullie niet bevelen de Gemachtigden en de berichtgevers tot meesters te nemen.
وَلَا يَامُرُكُمُۥٓ أَن تَتَّخِذُواْ اُ۬لْمَلَٰٓئِكَةَ وَالنَّبِيٓـِٕۧنَ أَرْبَاباًۖ
Zou hij jullie de verloochening bevelen, nadat jullie integer zijn geworden tegenover God?
اَيَامُرُكُم بِالْكُفْرِ بَعْدَ إِذَ اَنتُم مُّسْلِمُونَۖ
En toen God de plechtige verbintenis van de berichtgevers afnam: “Wat Ik jullie gegeven heb aan Schrift en wijsheid, en dat dan een gezant tot jullie komt, bevestigend wat bij jullie is, jullie moeten voorzeker in hem geloven, en hem voorzeker helpen.”
وَإِذَ اَخَذَ اَ۬للَّهُ مِيثَٰقَ اَ۬لنَّبِيٓـِٕۧنَ لَمَآ ءَاتَيْنَٰكُم مِّن كِتَٰبٖ وَحِكْمَةٖ ثُمَّ جَآءَكُمْ رَسُولٞ مُّصَدِّقٞ لِّمَا مَعَكُمْ لَتُومِنُنَّ بِهِۦ وَلَتَنصُرُنَّهُۥۖ
Hij zei: “Hebben jullie ingestemd, en onder deze voorwaarde Mijn juk op jullie genomen?”
۞ قَالَ ءَآقْرَرْتُمْ وَأَخَذتُّمْ عَلَىٰ ذَٰلِكُمُۥٓ إِصْرِےۖ
Zij zeiden: “Wij hebben ingestemd.”
قَالُوٓاْ أَقْرَرْنَاۖ
Hij zei: “Wees er dan getuigen van, en Ik behoor, met jullie, tot de getuigen.”
قَالَ فَاشْهَدُواْ وَأَنَا مَعَكُم مِّنَ اَ۬لشَّٰهِدِينَۖ
Wie hierna de rug toekeert – dat zijn de grensoverschrijders.
فَمَن تَوَلّ۪ىٰ بَعْدَ ذَٰلِكَ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لْفَٰسِقُونَۖ
Zouden zij dan een andere Wet zoeken dan die van God, terwijl het tegenover Hem is dat zich integer maakt wie in de hemelen en op de aarde is, gewillig of gedwongen,
أَفَغَيْرَ دِينِ اِ۬للَّهِ تَبْغُونَ وَلَهُۥٓ أَسْلَمَ مَن فِے اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضِ طَوْعاٗ وَكَرْهاٗۖ
en dat het tot Hem is dat zij teruggebracht zullen worden?
وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَۖ
Zeg: “Wij geloven in God, in wat ons is neergedaald, in wat aan Ibrahim, Isma'il, Ishaq, Ja'qoeb en de afstammingslijnen is neergedaald, en in wat aan Moesa, aan Isa en aan de berichtgevers is gegeven, van de zijde van hun Voogd; wij maken geen enkel verschil tussen hen, en het is tegenover Hem dat wij integer zijn.”
قُلَ اٰمَنَّا بِاللَّهِ وَمَآ أُنزِلَ عَلَيْنَا وَمَآ أُنزِلَ عَلَىٰٓ إِبْرَٰهِيمَ وَإِسْمَٰعِيلَ وَإِسْحَٰقَ وَيَعْقُوبَ وَالَاسْبَاطِ وَمَآ أُوتِيَ مُوس۪ىٰ وَعِيس۪ىٰ وَالنَّبِيٓـُٔونَ مِن رَّبِّهِمْ لَا نُفَرِّقُ بَيْنَ أَحَدٖ مِّنْهُمْ وَنَحْنُ لَهُۥ مُسْلِمُونَۖ
En wie een andere Wet zoekt dan de integriteit tegenover God, zij zal nooit van hem aanvaard worden,
وَمَنْ يَّبْتَغِ غَيْرَ اَ۬لِاسْلَٰمِ دِيناٗ فَلَنْ يُّقْبَلَ مِنْهُۖ
en hij zal, in het laatste leven, tot de verliezers behoren.
وَهُوَ فِے اِ۬لَاخِرَةِ مِنَ اَ۬لْخَٰسِرِينَۖ
Hoe zou God een volk leiden dat verloochend heeft nadat het geloofd had, en nadat het getuigd had dat de gezant waar is, terwijl de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen?
كَيْفَ يَهْدِے اِ۬للَّهُ قَوْماٗ كَفَرُواْ بَعْدَ إِيمَٰنِهِمْ وَشَهِدُوٓاْ أَنَّ اَ۬لرَّسُولَ حَقّٞ وَجَآءَهُمُ اُ۬لْبَيِّنَٰتُۖ
En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
وَاللَّهُ لَا يَهْدِے اِ۬لْقَوْمَ اَ۬لظَّٰلِمِينَۖ
Dat zijn zij wier vergelding is dat over hen de vloek van God zal drukken, van de Gemachtigden, en van de mensen, allen tezamen, waarin zij eeuwig zullen blijven; de pijn zal hun niet verlicht worden, en er zal hun geen uitstel verleend worden – behalve zij die hierna terugkeren, en zich saneren: God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
أُوْلَٰٓئِكَ جَزَآؤُهُمُۥٓ أَنَّ عَلَيْهِمْ لَعْنَةَ اَ۬للَّهِ وَالْمَلَٰٓئِكَةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ خَٰلِدِينَ فِيهَا لَا يُخَفَّفُ عَنْهُمُ اُ۬لْعَذَابُ وَلَا هُمْ يُنظَرُونَ إِلَّا اَ۬لذِينَ تَابُواْ مِنۢ بَعْدِ ذَٰلِكَ وَأَصْلَحُواْ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٌۖ
Gewis, zij die verloochenen nadat zij geloofd hebben, en vervolgens toenemen in verloochening, hun berouw zal nooit aanvaard worden,
اِنَّ اَ۬لذِينَ كَفَرُواْ بَعْدَ إِيمَٰنِهِمْ ثُمَّ اَ۪زْدَادُواْ كُفْراٗ لَّن تُقْبَلَ تَوْبَتُهُمْۖ
en dat zijn de dwalenden.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لضَّآلُّونَۖ
Gewis, zij die verloochenen en sterven terwijl zij verloochenen, van een van hen zal nooit de gehele aarde gevuld met goud aanvaard worden, ook al zou hij haar als losgeld aanbieden.
إِنَّ اَ۬لذِينَ كَفَرُواْ وَمَاتُواْ وَهُمْ كُفَّارٞ فَلَنْ يُّقْبَلَ مِنَ اَحَدِهِم مِّلْءُ اُ۬لَارْضِ ذَهَباٗ وَلَوِ اِ۪فْتَد۪ىٰ بِهِۦٓۖ
Dat zijn zij die een schrijnende pijn zullen hebben,
أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمْ عَذَابٌ اَلِيمٞۖ
en zij zullen geen hulp hebben.
وَمَا لَهُم مِّن نَّٰصِرِينَۖ
De deugd zal jullie slechts toevallen als jullie uitgeven van datgene waarvan jullie houden.
۞ لَن تَنَالُواْ اُ۬لْبِرَّ حَتَّىٰ تُنفِقُواْ مِمَّا تُحِبُّونَۖ
En wat jullie ook uitgeven, God is er gewis Alwetend over.
وَمَا تُنفِقُواْ مِن شَےْءٖ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ بِهِۦ عَلِيمٞۖ
Al het voedsel was geoorloofd voor de zonen van Israël, behalve wat Israël zichzelf had ontzegd, voordat de Taurah was neergedaald.
كُلُّ اُ۬لطَّعَامِ كَانَ حِلّاٗ لِّبَنِےٓ إِسْرَآءِيلَ إِلَّا مَا حَرَّمَ إِسْرَآءِيلُ عَلَىٰ نَفْسِهِۦ مِن قَبْلِ أَن تُنَزَّلَ اَ۬لتَّوْر۪يٰةُۖ
Zeg: “Breng dan de Taurah, en draag haar voor, als jullie waarachtig zijn.”
قُلْ فَاتُواْ بِالتَّوْر۪يٰةِ فَاتْلُوهَآ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَۖ
Wie dan, hierna, de leugen tegen God verzint – dat zijn de onrechtvaardigen.
فَمَنِ اِ۪فْتَر۪ىٰ عَلَى اَ۬للَّهِ اِ۬لْكَذِبَ مِنۢ بَعْدِ ذَٰلِكَ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لظَّٰلِمُونَۖ
Zeg: “God heeft waar gezegd.
قُلْ صَدَقَ اَ۬للَّهُۖ
Volg dan de leer van Ibrahim, geheel op God gericht,
فَاتَّبِعُواْ مِلَّةَ إِبْرَٰهِيمَ حَنِيفاٗۖ
en hij behoorde niet tot hen die associëren.”
وَمَا كَانَ مِنَ اَ۬لْمُشْرِكِينَۖ
Voorzeker is het eerste Huis dat voor de mensen is neergezet dat van de plaats van de toeloop, gezegend en een leiding voor alle wezens; daarin zijn duidelijke tekenen.
إِنَّ أَوَّلَ بَيْتٖ وُضِعَ لِلنَّاسِ لَلذِے بِبَكَّةَ مُبَٰرَكاٗ وَهُدىٗ لِّلْعَٰلَمِينَ فِيهِ ءَايَٰتُۢ بَيِّنَٰتٞۖ
De standplaats van Ibrahim,
مَّقَامُ إِبْرَٰهِيمَۖ
en wie erin binnengaat is in veiligheid.
وَمَن دَخَلَهُۥ كَانَ ءَامِناٗۖ
En de hadj van het Huis is een plicht jegens God voor de mensen, voor wie het vermogen heeft de weg ernaartoe te nemen;
وَلِلهِ عَلَى اَ۬لنَّاسِ حَجُّ اُ۬لْبَيْتِ مَنِ اِ۪سْتَطَاعَ إِلَيْهِ سَبِيلاٗۖ
en wie verloochent – God is gewis Rijk, zonder afhankelijk te zijn van ook maar één van de wezens.
وَمَن كَفَرَ فَإِنَّ اَ۬للَّهَ غَنِيٌّ عَنِ اِ۬لْعَٰلَمِينَۖ
Zeg: “O lieden van de Schrift! Waarom verloochenen jullie de tekenen van God, terwijl God getuige is van wat jullie doen?”
قُلْ يَٰٓأَهْلَ اَ۬لْكِتَٰبِ لِمَ تَكْفُرُونَ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ وَاللَّهُ شَهِيدٌ عَلَىٰ مَا تَعْمَلُونَۖ
Zeg: “O lieden van de Schrift! Waarom versperren jullie de weg van God voor hem die geloofd heeft, zoekend haar kronkelig te maken, terwijl jullie er getuigen van zijn?”
قُلْ يَٰٓأَهْلَ اَ۬لْكِتَٰبِ لِمَ تَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ اِ۬للَّهِ مَنَ اٰمَنَ تَبْغُونَهَا عِوَجاٗ وَأَنتُمْ شُهَدَآءُۖ
En God is niet onbekommerd over wat jullie doen.
وَمَا اَ۬للَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَۖ
O jullie die geloofd hebben! Als jullie je voegen naar een fractie onder hen aan wie de Schrift gegeven is, zullen zij jullie, na jullie geloof, terugbrengen tot een verloochening.
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِن تُطِيعُواْ فَرِيقاٗ مِّنَ اَ۬لذِينَ أُوتُواْ اُ۬لْكِتَٰبَ يَرُدُّوكُم بَعْدَ إِيمَٰنِكُمْ كٰ۪فِرِينَۖ
En hoe zouden jullie verloochenen, terwijl de tekenen van God jullie worden voorgedragen, en Zijn gezant onder jullie is?
وَكَيْفَ تَكْفُرُونَ وَأَنتُمْ تُتْل۪ىٰ عَلَيْكُمُۥٓ ءَايَٰتُ اُ۬للَّهِ وَفِيكُمْ رَسُولُهُۥۖ
En wie zich stevig hecht aan God, is reeds geleid naar een rechtlijnig pad.
وَمَنْ يَّعْتَصِم بِاللَّهِ فَقَدْ هُدِيَ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسْتَقِيمٖۖ
O jullie die geloofd hebben! Behoed jullie voor God zoals het betaamt zich voor Hem te behoeden,
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ اُ۪تَّقُواْ اُ۬للَّهَ حَقَّ تُق۪اتِهِۦۖ
en sterf slechts terwijl jullie integer zijn tegenover Hem.
وَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنتُم مُّسْلِمُونَۖ
En hecht jullie allen, stevig, aan het koord van God,
۞ وَاعْتَصِمُواْ بِحَبْلِ اِ۬للَّهِ جَمِيعاٗۖ
en scheur jullie niet.
وَلَا تَفَرَّقُواْۖ
En herinner jullie de weldaad van God over jullie, toen jullie vijanden waren, en Hij jullie kernen verzoende, zodat jullie, door Zijn weldaad, broers zijn geworden;
وَاذْكُرُواْ نِعْمَتَ اَ۬للَّهِ عَلَيْكُمُۥٓ إِذْ كُنتُمُۥٓ أَعْدَآءٗ فَأَلَّفَ بَيْنَ قُلُوبِكُمْ فَأَصْبَحْتُم بِنِعْمَتِهِۦٓ إِخْوَٰناٗۖ
en jullie waren aan de rand van een kuil van vuur, en Hij heeft jullie ervan gered.
وَكُنتُمْ عَلَىٰ شَفَا حُفْرَةٖ مِّنَ اَ۬لنّ۪ارِ فَأَنقَذَكُم مِّنْهَاۖ
Zo maakt God voor jullie Zijn tekenen duidelijk, misschien zullen jullie je laten leiden.
كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ اُ۬للَّهُ لَكُمُۥٓ ءَايَٰتِهِۦ لَعَلَّكُمْ تَهْتَدُونَۖ
En laat uit jullie een gemeenschap voortkomen die tot het goede roept, beveelt wat erkend is, en verbiedt wat afgekeurd is.
وَلْتَكُن مِّنكُمُۥٓ أُمَّةٞ يَدْعُونَ إِلَى اَ۬لْخَيْرِ وَيَامُرُونَ بِالْمَعْرُوفِ وَيَنْهَوْنَ عَنِ اِ۬لْمُنكَرِۖ
En dat zijn zij die slagen.
وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ اُ۬لْمُفْلِحُونَۖ
En wees niet zoals zij die zich gescheurd hebben en uiteengelopen zijn nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen.
وَلَا تَكُونُواْ كَالذِينَ تَفَرَّقُواْ وَاخْتَلَفُواْ مِنۢ بَعْدِ مَا جَآءَهُمُ اُ۬لْبَيِّنَٰتُۖ
En dat zijn zij die een ontzaglijke pijn zullen hebben, de dag waarop gezichten zullen opklaren en gezichten zullen versomberen.
وَأُوْلَٰٓئِكَ لَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٞ يَوْمَ تَبْيَضُّ وُجُوهٞ وَتَسْوَدُّ وُجُوهٞۖ
Wat betreft zij wier gezichten versomberd zullen zijn: “Hebben jullie verloochend na jullie geloof? Proef dan de pijn, omdat jullie verloochend hebben.”
فَأَمَّا اَ۬لذِينَ اَ۪سْوَدَّتْ وُجُوهُهُمُۥٓ أَكَفَرْتُم بَعْدَ إِيمَٰنِكُمْ فَذُوقُواْ اُ۬لْعَذَابَ بِمَا كُنتُمْ تَكْفُرُونَۖ
En wat betreft zij wier gezichten opgeklaard zullen zijn, zij zullen in de welwillendheid van God zijn,
وَأَمَّا اَ۬لذِينَ اَ۪بْيَضَّتْ وُجُوهُهُمْ فَفِے رَحْمَةِ اِ۬للَّهِۖ
waarin zij eeuwig zullen blijven.
هُمْ فِيهَا خَٰلِدُونَۖ
Dat zijn de tekenen van God, die Wij jou voordragen in alle waarheid.
تِلْكَ ءَايَٰتُ اُ۬للَّهِ نَتْلُوهَا عَلَيْكَ بِالْحَقِّۖ
En God wil geen enkel onrecht voor alle wezens.
وَمَا اَ۬للَّهُ يُرِيدُ ظُلْماٗ لِّلْعَٰلَمِينَۖ
En aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is,
وَلِلهِ مَا فِے اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِے اِ۬لَارْضِۖ
en tot God keren alle zaken terug.
وَإِلَى اَ۬للَّهِ تُرْجَعُ اُ۬لُامُورُۖ
Jullie zijn de voortreffelijkste gemeenschap die naar buiten is gebracht voor de mensen: jullie bevelen wat erkend is, jullie verbieden wat afgekeurd is, en jullie geloven in God.
كُنتُمْ خَيْرَ أُمَّةٍ ا۟خْرِجَتْ لِلنَّاسِ تَامُرُونَ بِالْمَعْرُوفِ وَتَنْهَوْنَ عَنِ اِ۬لْمُنكَرِ وَتُومِنُونَ بِاللَّهِۖ
En als de lieden van de Schrift geloofd hadden, zou dat beter voor hen zijn geweest.
وَلَوَ اٰمَنَ أَهْلُ اُ۬لْكِتَٰبِ لَكَانَ خَيْراٗ لَّهُمۖ
Onder hen zijn er gelovenden,
مِّنْهُمُ اُ۬لْمُومِنُونَۖ
maar de meesten van hen zijn grensoverschrijders.
وَأَكْثَرُهُمُ اُ۬لْفَٰسِقُونَۖ
Zij zullen jullie nooit kunnen schaden,
لَنْ يَّضُرُّوكُمُۥٓۖ
behalve door hinder.
إِلَّآ أَذىٗۖ
En als zij jullie bevechten, zullen zij jullie de rug toekeren;
وَإِنْ يُّقَٰتِلُوكُمْ يُوَلُّوكُمُ اُ۬لَادْبَٰرَۖ
daarna zullen zij niet geholpen worden.
ثُمَّ لَا يُنصَرُونَۖ
De vernedering is hun opgedrukt, waar zij ook betrapt worden,
ضُرِبَتْ عَلَيْهِمُ اُ۬لذِّلَّةُ أَيْنَ مَا ثُقِفُوٓاْۖ
behalve door een koord van God en een koord van de mensen; zij halen zich de woede van God op de hals,
إِلَّا بِحَبْلٖ مِّنَ اَ۬للَّهِ وَحَبْلٖ مِّنَ اَ۬لنَّاسِ وَبَآءُو بِغَضَبٖ مِّنَ اَ۬للَّهِۖ
en de behoeftigheid is hun opgedrukt.
وَضُرِبَتْ عَلَيْهِمُ اُ۬لْمَسْكَنَةُۖ
Dat is omdat zij de tekenen van God verloochenden, en de berichtgevers zonder recht doodden.
ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ كَانُواْ يَكْفُرُونَ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ وَيَقْتُلُونَ اَ۬لَانۢبِئَآءَ بِغَيْرِ حَقّٖۖ
Dat is omdat zij ongehoorzaam zijn geweest en de grenzen overschreden hebben.
ذَٰلِكَ بِمَا عَصَواْ وَّكَانُواْ يَعْتَدُونَۖ
Zij zijn niet allen gelijk:
۞ لَيْسُواْ سَوَآءٗۖ
onder de lieden van de Schrift is er een rechtschapen gemeenschap, die de tekenen van God voordraagt in de uren van de nacht, zich neerwerpend.
مِّنَ اَهْلِ اِ۬لْكِتَٰبِ أُمَّةٞ قَآئِمَةٞ يَتْلُونَ ءَايَٰتِ اِ۬للَّهِ ءَانَآءَ اَ۬ليْلِ وَهُمْ يَسْجُدُونَۖ
Zij geloven in God en in de Laatste Dag, bevelen wat erkend is, verbieden wat afgekeurd is, en haasten zich naar het voortreffelijkste.
يُومِنُونَ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ اِ۬لَاخِرِ وَيَامُرُونَ بِالْمَعْرُوفِ وَيَنْهَوْنَ عَنِ اِ۬لْمُنكَرِ وَيُسَٰرِعُونَ فِے اِ۬لْخَيْرَٰتِۖ
En die behoren tot hen die deugdelijk zijn.
وَأُوْلَٰٓئِكَ مِنَ اَ۬لصَّٰلِحِينَۖ
En welk goed zij ook doen, het zal hun nooit verloochend worden.
وَمَا تَفْعَلُواْ مِنْ خَيْرٖ فَلَن تُكْفَرُوهُۖ
God is Alwetend over hen die zich behoeden.
وَاللَّهُ عَلِيمُۢ بِالْمُتَّقِينَۖ
Gewis, zij die verloochenen, noch hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun iets baten tegenover God,
إِنَّ اَ۬لذِينَ كَفَرُواْ لَن تُغْنِيَ عَنْهُمُۥٓ أَمْوَٰلُهُمْ وَلَآ أَوْلَٰدُهُم مِّنَ اَ۬للَّهِ شَئْاٗۖ
en dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.
وَأُوْلَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ اُ۬لنّ۪ارِ هُمْ فِيهَا خَٰلِدُونَۖ
Het voorbeeld van wat zij uitgeven in dit leven hienieden is dat van een ijskoude wind, die de akker overkomt van een volk dat onrechtvaardig is geweest jegens zichzelf, en het vernietigt.
مَثَلُ مَا يُنفِقُونَ فِے هَٰذِهِ اِ۬لْحَيَوٰةِ اِ۬لدُّنْي۪ا كَمَثَلِ رِيحٖ فِيهَا صِرٌّ اَصَابَتْ حَرْثَ قَوْمٖ ظَلَمُوٓاْ أَنفُسَهُمْ فَأَهْلَكَتْهُۖ
En God is niet onrechtvaardig geweest jegens hen,
وَمَا ظَلَمَهُمُ اُ۬للَّهُۖ
maar het is jegens zichzelf dat zij onrechtvaardig zijn.
وَلَٰكِنَ اَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَۖ
O jullie die geloofd hebben! Neem geen intieme vertrouwelingen buiten die van jullie: zij houden niet op jullie ontreddering te bezorgen, en zouden willen dat jullie verpletterd zijn.
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَتَّخِذُواْ بِطَانَةٗ مِّن دُونِكُمْ لَا يَالُونَكُمْ خَبَالاٗ وَدُّواْ مَا عَنِتُّمْۖ
De haat is reeds zichtbaar geworden in hun monden, en wat hun borst verbergt is nog veel ernstiger.
قَدْ بَدَتِ اِ۬لْبَغْضَآءُ مِنَ اَفْوَٰهِهِمْ وَمَا تُخْفِے صُدُورُهُمُۥٓ أَكْبَرُۖ
Wij hebben voor jullie de tekenen reeds duidelijk gemaakt, als jullie redeneren.
قَدْ بَيَّنَّا لَكُمُ اُ۬لَايَٰتِ إِن كُنتُمْ تَعْقِلُونَۖ
Daar zijn jullie, jullie die van hen houden, terwijl zij niet van jullie houden, en jullie geloven in de gehele Schrift.
هَآنتُمُۥٓ أُوْلَآءِ تُحِبُّونَهُمْ وَلَا يُحِبُّونَكُمْ وَتُومِنُونَ بِالْكِتَٰبِ كُلِّهِۖۦ
En wanneer zij jullie ontmoeten, zeggen zij: “Wij hebben geloofd”;
وَإِذَا لَقُوكُمْ قَالُوٓاْ ءَامَنَّاۖ
maar wanneer zij alleen zijn, bijten zij zich in de vingertoppen, van woede tegen jullie.
وَإِذَا خَلَوْاْ عَضُّواْ عَلَيْكُمُ اُ۬لَانَامِلَ مِنَ اَ۬لْغَيْظِۖ
Zeg: “Sterf van jullie woede.”
قُلْ مُوتُواْ بِغَيْظِكُمُۥٓۖ
God is gewis Alwetend over de inhoud van de borsten.
إِنَّ اَ۬للَّهَ عَلِيمُۢ بِذَاتِ اِ۬لصُّدُورِۖ
Als een goed jullie treft, mishaagt het hun,
إِن تَمْسَسْكُمْ حَسَنَةٞ تَسُؤْهُمْۖ
en als een kwaad jullie overkomt, verheugen zij zich erover.
وَإِن تُصِبْكُمْ سَيِّئَةٞ يَفْرَحُواْ بِهَاۖ
Maar als jullie geduldig zijn en je behoeden, zal hun list jullie in niets schaden,
وَإِن تَصْبِرُواْ وَتَتَّقُواْ لَا يَضِرْكُمْ كَيْدُهُمْ شَئْاًۖ
want God omvat volkomen wat zij doen.
اِنَّ اَ۬للَّهَ بِمَا يَعْمَلُونَ مُحِيطٞۖ
En toen jij de jouwen vroeg verliet, om de gelovenden op gevechtsposten te installeren.
۞ وَإِذْ غَدَوْتَ مِنَ اَهْلِكَ تُبَوِّۓُ اُ۬لْمُومِنِينَ مَقَٰعِدَ لِلْقِتَالِۖ
God is de Alhorende, de Alwetende.
وَاللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌۖ
Toen twee van jullie groepen op het punt stonden te wijken, terwijl God hun beider beschermer was –
اِذْ هَمَّت طَّآئِفَتَٰنِ مِنكُمُۥٓ أَن تَفْشَلَا وَاللَّهُ وَلِيُّهُمَاۖ
en aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.
وَعَلَى اَ۬للَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ اِ۬لْمُومِنُونَۖ
God heeft jullie gewis geholpen bij Badr, terwijl jullie vernederd waren.
وَلَقَدْ نَصَرَكُمُ اُ۬للَّهُ بِبَدْرٖ وَأَنتُمُۥٓ أَذِلَّةٞۖ
Behoed jullie dus voor God, misschien zullen jullie dankbaar zijn.
فَاتَّقُواْ اُ۬للَّهَ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَۖ
Toen jij tegen de gelovenden zei: “Volstaat het niet voor jullie dat jullie Voogd jullie versterkt met drieduizend neergedaalde Gemachtigden?”
إِذْ تَقُولُ لِلْمُومِنِينَ أَلَنْ يَّكْفِيَكُمُۥٓ أَنْ يُّمِدَّكُمْ رَبُّكُم بِثَلَٰثَةِ ءَالَٰفٖ مِّنَ اَ۬لْمَلَٰٓئِكَةِ مُنزَلِينَۖ
Maar jawel: als jullie geduldig zijn en je behoeden, en zij tot jullie komen, daar, ogenblikkelijk, zal jullie Voogd jullie versterken met vijfduizend duidelijk gemerkte Gemachtigden.
بَل۪ىٰٓ إِن تَصْبِرُواْ وَتَتَّقُواْ وَيَاتُوكُم مِّن فَوْرِهِمْ هَٰذَا يُمْدِدْكُمْ رَبُّكُم بِخَمْسَةِ ءَالَٰفٖ مِّنَ اَ۬لْمَلَٰٓئِكَةِ مُسَوَّمِينَۖ
En God maakte er slechts een blijde aankondiging van voor jullie, en opdat jullie kernen daarin gerustheid vinden.
وَمَا جَعَلَهُ اُ۬للَّهُ إِلَّا بُشْر۪ىٰ لَكُمْ وَلِتَطْمَئِنَّ قُلُوبُكُم بِهِۦۖ
Nu komt de hulp slechts bij God vandaan, de Almachtige, de Wijze, opdat Hij een deel afsnijdt van hen die verloochenen, of hen terneerslaat, en zij teleurgesteld vertrekken. Jij hebt, in deze zaak, geen enkele macht: of Hij keert met mildheid tot hen terug, of Hij legt hun pijn op, want zij zijn onrechtvaardig.
وَمَا اَ۬لنَّصْرُ إِلَّا مِنْ عِندِ اِ۬للَّهِ اِ۬لْعَزِيزِ اِ۬لْحَكِيمِ لِيَقْطَعَ طَرَفاٗ مِّنَ اَ۬لذِينَ كَفَرُوٓاْ أَوْ يَكْبِتَهُمْ فَيَنقَلِبُواْ خَآئِبِينَ لَيْسَ لَكَ مِنَ اَ۬لَامْرِ شَےْءٌ اَوْ يَتُوبَ عَلَيْهِمُۥٓ أَوْ يُعَذِّبَهُمْ فَإِنَّهُمْ ظَٰلِمُونَۖ
En aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.
وَلِلهِ مَا فِے اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِے اِ۬لَارْضِۖ
Hij vergeeft aan wie het Hem behaagt, en Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt.
يَغْفِرُ لِمَنْ يَّشَآءُ وَيُعَذِّبُ مَنْ يَّشَآءُۖ
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وَاللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞۖ
O jullie die geloofd hebben! Verslind de woeker niet, dubbel verdubbeld.
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَاكُلُواْ اُ۬لرِّبَوٰٓاْ أَضْعَٰفاٗ مُّضَٰعَفَةٗۖ
En behoed jullie voor God, misschien zullen jullie slagen.
وَاتَّقُواْ اُ۬للَّهَ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَۖ
En behoed jullie voor het Vuur, dat bereid is voor hen die verloochenen.
وَاتَّقُواْ اُ۬لنَّارَ اَ۬لتِےٓ أُعِدَّتْ لِلْكٰ۪فِرِينَۖ
En voeg jullie naar God en de gezant, misschien wordt jullie welwillendheid betoond.
وَأَطِيعُواْ اُ۬للَّهَ وَالرَّسُولَ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَۖ
En haast jullie naar een vergeving van jullie Voogd, en een Tuin waarvan de uitgestrektheid die van de hemelen en de aarde is, bereid voor de behoedzamen, die uitgeven in de welstand en de schade, hun woede bedwingen, en het de mensen kwijtschelden.
۞ سَارِعُوٓاْ إِلَىٰ مَغْفِرَةٖ مِّن رَّبِّكُمْ وَجَنَّةٍ عَرْضُهَا اَ۬لسَّمَٰوَٰتُ وَالَارْضُ أُعِدَّتْ لِلْمُتَّقِينَ اَ۬لذِينَ يُنفِقُونَ فِے اِ۬لسَّرَّآءِ وَالضَّرَّآءِ وَالْكَٰظِمِينَ اَ۬لْغَيْظَ وَالْعَافِينَ عَنِ اِ۬لنَّاسِۖ
God houdt van hen die het goede doen.
وَاللَّهُ يُحِبُّ اُ۬لْمُحْسِنِينَۖ
En zij die, wanneer zij een schanddaad plegen of onrecht doen aan zichzelf, zich God herinneren en om vergeving smeken voor hun vergrijpen –
وَالذِينَ إِذَا فَعَلُواْ فَٰحِشَةً اَوْ ظَلَمُوٓاْ أَنفُسَهُمْ ذَكَرُواْ اُ۬للَّهَ فَاسْتَغْفَرُواْ لِذُنُوبِهِمْۖ
en wie vergeeft de vergrijpen, behalve God? –
وَمَنْ يَّغْفِرُ اُ۬لذُّنُوبَ إِلَّا اَ۬للَّهُۖ
en die niet volharden in wat zij gedaan hebben, terwijl zij weten.
وَلَمْ يُصِرُّواْ عَلَىٰ مَا فَعَلُواْ وَهُمْ يَعْلَمُونَۖ
Dat zijn zij wier vergelding een vergeving van hun Voogd is, en tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven.
أُوْلَٰٓئِكَ جَزَآؤُهُم مَّغْفِرَةٞ مِّن رَّبِّهِمْ وَجَنَّٰتٞ تَجْرِے مِن تَحْتِهَا اَ۬لَانْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَاۖ
En wat een uitstekende beloning voor hen die werken!
وَنِعْمَ أَجْرُ اُ۬لْعَٰمِلِينَۖ
Normen zijn reeds voorbijgegaan vóór jullie;
قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِكُمْ سُنَنٞۖ
doorkruis dus de aarde en kijk wat het einde was van hen die ontkenden.
فَسِيرُواْ فِے اِ۬لَارْضِ فَانظُرُواْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ اُ۬لْمُكَذِّبِينَۖ
Dit is een duidelijke uiteenzetting voor de mensen, een leiding en een vermaning voor de behoedzamen.
هَٰذَا بَيَانٞ لِّلنَّاسِ وَهُدىٗ وَمَوْعِظَةٞ لِّلْمُتَّقِينَۖ
En verslap niet, en wees niet bedroefd: jullie zijn de hoogsten, als jullie gelovenden zijn.
وَلَا تَهِنُواْ وَلَا تَحْزَنُواْ وَأَنتُمُ اُ۬لَاعْلَوْنَ إِن كُنتُم مُّومِنِينَۖ
Als een wond jullie treft, heeft een soortgelijke wond dat volk reeds getroffen.
إِنْ يَّمْسَسْكُمْ قَرْحٞ فَقَدْ مَسَّ اَ۬لْقَوْمَ قَرْحٞ مِّثْلُهُۥۖ
Zo gaan de dagen: Wij laten ze van de een naar de ander gaan onder de mensen,
وَتِلْكَ اَ۬لَايَّامُ نُدَاوِلُهَا بَيْنَ اَ۬لنَّاسِۖ
opdat God hen onderscheidt die geloofd hebben, en uit jullie midden getuigen neemt –
وَلِيَعْلَمَ اَ۬للَّهُ اُ۬لذِينَ ءَامَنُواْ وَيَتَّخِذَ مِنكُمْ شُهَدَآءَۖ
God houdt niet van de onrechtvaardigen –
وَاللَّهُ لَا يُحِبُّ اُ۬لظَّٰلِمِينَۖ
en opdat God hen loutert die geloofd hebben, en hen die verloochenen tot niets herleidt.
وَلِيُمَحِّصَ اَ۬للَّهُ اُ۬لذِينَ ءَامَنُواْ وَيَمْحَقَ اَ۬لْكٰ۪فِرِينَۖ
Of dachten jullie de Tuin binnen te gaan zonder dat God nog hen onder jullie onderscheiden heeft die gestreden hebben, en de geduldigen onderscheiden heeft?
أَمْ حَسِبْتُمُۥٓ أَن تَدْخُلُواْ اُ۬لْجَنَّةَ وَلَمَّا يَعْلَمِ اِ۬للَّهُ اُ۬لذِينَ جَٰهَدُواْ مِنكُمْ وَيَعْلَمَ اَ۬لصَّٰبِرِينَۖ
Jullie wensten gewis de dood voordat jullie hem ontmoetten; jullie hebben hem dus gezien, en jullie keken ernaar.
وَلَقَدْ كُنتُمْ تَمَنَّوْنَ اَ۬لْمَوْتَ مِن قَبْلِ أَن تَلْقَوْهُ فَقَدْ رَأَيْتُمُوهُ وَأَنتُمْ تَنظُرُونَۖ
Moehammad is slechts een gezant; gezanten zijn reeds voorbijgegaan vóór hem.
۞ وَمَا مُحَمَّدٌ اِلَّا رَسُولٞ قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِهِ اِ۬لرُّسُلُۖ
Als hij dus stierf, of gedood werd, zouden jullie je dan omdraaien op jullie hielen?
أَفَإِيْن مَّاتَ أَوْ قُتِلَ اَ۪نقَلَبْتُمْ عَلَىٰٓ أَعْقَٰبِكُمْۖ
En wie zich omdraait op zijn hielen, schaadt God in niets,
وَمَنْ يَّنقَلِبْ عَلَىٰ عَقِبَيْهِ فَلَنْ يَّضُرَّ اَ۬للَّهَ شَئْاٗۖ
en God zal de dankbaren vergelden.
وَسَيَجْزِے اِ۬للَّهُ اُ۬لشَّٰكِرِينَۖ
En het komt geen enkel Zelf toe te sterven, behalve met de toestemming van God,
وَمَا كَانَ لِنَفْسٍ اَن تَمُوتَ إِلَّا بِإِذْنِ اِ۬للَّهِۖ
volgens een register met een vastgestelde termijn.
كِتَٰباٗ مُّوَ۬جَّلاٗۖ
En wie de tegenprestatie van hienieden wil, die geven Wij hem;
وَمَنْ يُّرِدْ ثَوَابَ اَ۬لدُّنْي۪ا نُوتِهِۦ مِنْهَاۖ
en wie de tegenprestatie van het laatste leven wil, die geven Wij hem.
وَمَنْ يُّرِدْ ثَوَابَ اَ۬لَاخِرَةِ نُوتِهِۦ مِنْهَاۖ
En Wij zullen de dankbaren vergelden.
وَسَنَجْزِے اِ۬لشَّٰكِرِينَۖ
Hoeveel berichtgevers zijn er gedood, met aan hun zijde talrijke aan de Voogd verbondenen!
وَكَأَيِّن مِّن نَّبِےٓءٖ قُتِلَۖ مَعَهُۥ رِبِّيُّونَ كَثِيرٞۖ
Zij verslapten niet door wat hun overkwam op de weg van God, werden niet zwak, en bogen niet.
فَمَا وَهَنُواْ لِمَآ أَصَابَهُمْ فِے سَبِيلِ اِ۬للَّهِ وَمَا ضَعُفُواْ وَمَا اَ۪سْتَكَانُواْۖ
God houdt van de geduldigen.
وَاللَّهُ يُحِبُّ اُ۬لصَّٰبِرِينَۖ
En hun enige uitspraak was te zeggen: “Onze Voogd, vergeef ons onze vergrijpen en onze buitensporigheden in ons gedrag, maak onze passen vast, en help ons tegen het volk dat verloochent.”
وَمَا كَانَ قَوْلَهُمُۥٓ إِلَّآ أَن قَالُواْ رَبَّنَا اَ۪غْفِرْ لَنَا ذُنُوبَنَا وَإِسْرَافَنَا فِےٓ أَمْرِنَا وَثَبِّتَ اَقْدَامَنَا وَانصُرْنَا عَلَى اَ۬لْقَوْمِ اِ۬لْكٰ۪فِرِينَۖ
God gaf hun toen de tegenprestatie van hienieden, en de schone tegenprestatie van het laatste leven.
فَـَٔات۪يٰهُمُ اُ۬للَّهُ ثَوَابَ اَ۬لدُّنْي۪ا وَحُسْنَ ثَوَابِ اِ۬لَاخِرَةِۖ
God houdt van hen die het goede doen.
وَاللَّهُ يُحِبُّ اُ۬لْمُحْسِنِينَۖ
O jullie die geloofd hebben! Als jullie je voegen naar hen die verloochenen, zullen zij jullie terugbrengen op jullie hielen, en zullen jullie als verliezers vertrekken.
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِن تُطِيعُواْ اُ۬لذِينَ كَفَرُواْ يَرُدُّوكُمْ عَلَىٰٓ أَعْقَٰبِكُمْ فَتَنقَلِبُواْ خَٰسِرِينَۖ
God is, integendeel, jullie naaste Garant,
بَلِ اِ۬للَّهُ مَوْل۪يٰكُمْۖ
en Hij is de beste der helpers.
وَهُوَ خَيْرُ اُ۬لنَّٰصِرِينَۖ
Wij zullen schrik werpen in de kernen van hen die verloochenen, omdat zij met God hebben geassocieerd wat Hij geen enkel gezag heeft doen neerdalen.
سَنُلْقِے فِے قُلُوبِ اِ۬لذِينَ كَفَرُواْ اُ۬لرُّعْبَ بِمَآ أَشْرَكُواْ بِاللَّهِ مَا لَمْ يُنَزِّلْ بِهِۦ سُلْطَٰناٗۖ
En hun toevlucht zal het Vuur zijn,
وَمَأْو۪يٰهُمُ اُ۬لنَّارُۖ
en wat een verwerpelijke onderkomen is die van de onrechtvaardigen!
وَبِيسَ مَثْوَى اَ۬لظَّٰلِمِينَۖ
God heeft jullie gewis Zijn belofte gehouden, toen jullie hen decimeerden met Zijn toestemming,
وَلَقَدْ صَدَقَكُمُ اُ۬للَّهُ وَعْدَهُۥٓ إِذْ تَحُسُّونَهُم بِإِذْنِهِۦۖ
totdat jullie, na te zijn geweken, in betwisting raakten over de zaak, en ongehoorzaam zijn geweest, nadat Hij jullie had doen zien datgene waarvan jullie hielden.
حَتَّىٰٓ إِذَا فَشِلْتُمْ وَتَنَٰزَعْتُمْ فِے اِ۬لَامْرِ وَعَصَيْتُم مِّنۢ بَعْدِ مَآ أَر۪يٰكُم مَّا تُحِبُّونَۖ
Onder jullie zijn er die het hienieden wilden, en onder jullie zijn er die het laatste leven wilden;
مِنكُم مَّنْ يُّرِيدُ اُ۬لدُّنْي۪ا وَمِنكُم مَّنْ يُّرِيدُ اُ۬لَاخِرَةَۖ
vervolgens verwijderde Hij jullie van hen, om jullie op de proef te stellen.
ثُمَّ صَرَفَكُمْ عَنْهُمْ لِيَبْتَلِيَكُمْۖ
Hij heeft het jullie gewis kwijtgescholden.
وَلَقَدْ عَفَا عَنكُمْۖ
God bezit een gunst jegens de gelovenden.
وَاللَّهُ ذُو فَضْلٍ عَلَى اَ۬لْمُومِنِينَۖ
Toen jullie omhoogklommen, zonder naar iemand om te kijken, terwijl de gezant jullie riep, achter in jullie gelederen; toen gaf Hij jullie als tegenprestatie een angst na een angst, opdat jullie je niet zouden bedroeven om wat jullie verlaten had, noch om wat jullie was overkomen.
۞ إِذْ تُصْعِدُونَ وَلَا تَلْوُۥنَ عَلَىٰٓ أَحَدٖ وَالرَّسُولُ يَدْعُوكُمْ فِےٓ أُخْر۪يٰكُمْ فَأَثَٰبَكُمْ غَمّاَۢ بِغَمّٖ لِّكَيْلَا تَحْزَنُواْ عَلَىٰ مَا فَاتَكُمْ وَلَا مَآ أَصَٰبَكُمْۖ
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
وَاللَّهُ خَبِيرُۢ بِمَا تَعْمَلُونَۖ
Vervolgens deed Hij over jullie, na de angst, een veiligheid neerdalen, een sluimering die een groep onder jullie overviel,
ثُمَّ أَنزَلَ عَلَيْكُم مِّنۢ بَعْدِ اِ۬لْغَمِّ أَمَنَةٗ نُّعَاساٗ يَغْش۪ىٰ طَآئِفَةٗ مِّنكُمْۖ
terwijl een groep, bekommerd om zijn eigen Zelf, over God, in strijd met de waarheid, een vermoeden van het tijdperk van de onwetendheid vormde,
وَطَآئِفَةٞ قَدَ اَهَمَّتْهُمُۥٓ أَنفُسُهُمْ يَظُنُّونَ بِاللَّهِ غَيْرَ اَ۬لْحَقِّ ظَنَّ اَ۬لْجَٰهِلِيَّةِۖ
zeggend: “Hebben wij ook maar enig aandeel in de zaak?”
يَقُولُونَ هَل لَّنَا مِنَ اَ۬لَامْرِ مِن شَےْءٖۖ
Zeg: “De zaak, in haar geheel, behoort gewis aan God toe.”
قُلِ اِنَّ اَ۬لَامْرَ كُلَّهُۥ لِلهِۖ
Zij verbergen, in zichzelf, wat zij jou niet doen blijken,
يُخْفُونَ فِےٓ أَنفُسِهِم مَّا لَا يُبْدُونَ لَكَۖ
zeggend: “Als wij in deze zaak enige macht hadden gehad, waren wij hier niet gedood.”
يَقُولُونَ لَوْ كَانَ لَنَا مِنَ اَ۬لَامْرِ شَےْءٞ مَّا قُتِلْنَا هَٰهُنَاۖ
Zeg: “Waren jullie in jullie huizen geweest, dan zouden zij voor wie de moord was voorgeschreven zich zeker begeven hebben naar de plaatsen waar zij zich moesten uitstrekken” – en opdat God op de proef stelt wat in jullie borsten is, en loutert wat in jullie kernen is.
قُل لَّوْ كُنتُمْ فِے بُيُوتِكُمْ لَبَرَزَ اَ۬لذِينَ كُتِبَ عَلَيْهِمُ اُ۬لْقَتْلُ إِلَىٰ مَضَاجِعِهِمْ وَلِيَبْتَلِيَ اَ۬للَّهُ مَا فِے صُدُورِكُمْ وَلِيُمَحِّصَ مَا فِے قُلُوبِكُمْۖ
En God is Alwetend over de inhoud van de borsten.
وَاللَّهُ عَلِيمُۢ بِذَاتِ اِ۬لصُّدُورِۖ
Zij onder jullie die de rug toekeerden op de dag dat de twee troepen elkaar ontmoetten, het was slechts de Afleider die hen deed uitglijden, om een deel van wat zij verworven hadden.
إِنَّ اَ۬لذِينَ تَوَلَّوْاْ مِنكُمْ يَوْمَ اَ۪لْتَقَى اَ۬لْجَمْعَٰنِ إِنَّمَا اَ۪سْتَزَلَّهُمُ اُ۬لشَّيْطَٰنُ بِبَعْضِ مَا كَسَبُواْۖ
God heeft het hun gewis kwijtgescholden,
وَلَقَدْ عَفَا اَ۬للَّهُ عَنْهُمُۥٓۖ
want God is Zeer Vergevensgezind, Lankmoedig.
إِنَّ اَ۬للَّهَ غَفُورٌ حَلِيمٞۖ
O jullie die geloofd hebben! Wees niet als zij die verloochend hebben, en die van hun broers zeggen, wanneer zij de aarde afstruinen of op expeditie gaan: “Als zij bij ons waren gebleven, zouden zij niet gestorven zijn, en niet gedood zijn” – opdat God er een ontreddering van maakt in hun kernen.
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَكُونُواْ كَالذِينَ كَفَرُواْ وَقَالُواْ لِإِخْوَٰنِهِمُۥٓ إِذَا ضَرَبُواْ فِے اِ۬لَارْضِ أَوْ كَانُواْ غُزّىٗ لَّوْ كَانُواْ عِندَنَا مَا مَاتُواْ وَمَا قُتِلُواْ لِيَجْعَلَ اَ۬للَّهُ ذَٰلِكَ حَسْرَةٗ فِے قُلُوبِهِمْۖ
God doet leven en doet sterven.
وَاللَّهُ يُحْيِۦ وَيُمِيتُۖ
En God is Alziend over wat jullie doen.
وَاللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٞۖ
En als jullie gedood worden op de weg van God, of sterven, zijn een vergeving van God en een welwillendheid gewis beter dan wat zij vergaren.
وَلَئِن قُتِلْتُمْ فِے سَبِيلِ اِ۬للَّهِ أَوْ مِتُّمْ لَمَغْفِرَةٞ مِّنَ اَ۬للَّهِ وَرَحْمَةٌ خَيْرٞ مِّمَّا تَجْمَعُونَۖ
En of jullie sterven, of gedood worden, het is naar God dat jullie verzameld zullen worden.
وَلَئِن مِّتُّمُۥٓ أَوْ قُتِلْتُمْ لَإِلَى اَ۬للَّهِ تُحْشَرُونَۖ
Het is door een welwillendheid van God dat jij je zacht jegens hen hebt getoond;
فَبِمَا رَحْمَةٖ مِّنَ اَ۬للَّهِ لِنتَ لَهُمْۖ
en als jij nors was geweest, met een harde kern, zouden zij zich zeker weg van jou verspreid hebben.
وَلَوْ كُنتَ فَظّاً غَلِيظَ اَ۬لْقَلْبِ لَانفَضُّواْ مِنْ حَوْلِكَۖ
Scheld het hun dus kwijt, smeek om vergeving voor hen, en pleeg overleg met hen over de zaak;
فَاعْفُ عَنْهُمْ وَاسْتَغْفِرْ لَهُمْ وَشَاوِرْهُمْ فِے اِ۬لَامْرِۖ
en wanneer jij je besluit hebt genomen, verleen lastgeving aan God,
فَإِذَا عَزَمْتَ فَتَوَكَّلْ عَلَى اَ۬للَّهِۖ
want God houdt van hen die lastgeving verlenen.
إِنَّ اَ۬للَّهَ يُحِبُّ اُ۬لْمُتَوَكِّلِينَۖ
Als God jullie helpt, kan niemand jullie overwinnen;
۞ إِنْ يَّنصُرْكُمُ اُ۬للَّهُ فَلَا غَالِبَ لَكُمْۖ
en als Hij jullie in de steek laat, wie zou jullie dan na Hem kunnen helpen?
وَإِنْ يَّخْذُلْكُمْ فَمَن ذَا اَ۬لذِے يَنصُرُكُم مِّنۢ بَعْدِهِۦۖ
En aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.
وَعَلَى اَ۬للَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ اِ۬لْمُومِنُونَۖ
Het komt een berichtgever niet toe een malversatie te plegen;
وَمَا كَانَ لِنَبِےٓءٍ اَنْ يُّغَلَّۖ
en wie een malversatie pleegt, zal komen, op de Dag van het Verschijnen, met wat hij door malversatie zal hebben ontfutseld,
وَمَنْ يَّغْلُلْ يَاتِ بِمَا غَلَّ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِۖ
vervolgens zal ieder Zelf getrouw ontvangen wat het verworven heeft, zonder onrecht te ondergaan.
ثُمَّ تُوَفّ۪ىٰ كُلُّ نَفْسٖ مَّا كَسَبَتْ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَۖ
Is hij die de instemming van God volgt dan als hij die de toorn van God oploopt, en wiens toevlucht Djahannam zal zijn?
أَفَمَنِ اِ۪تَّبَعَ رِضْوَٰنَ اَ۬للَّهِ كَمَنۢ بَآءَ بِسَخَطٖ مِّنَ اَ۬للَّهِ وَمَأْو۪يٰهُ جَهَنَّمُۖ
En wat een afschuwelijke bestemming!
وَبِيسَ اَ۬لْمَصِيرُۖ
Zij hebben graden bij God.
هُمْ دَرَجَٰتٌ عِندَ اَ۬للَّهِۖ
God is Alziend over wat zij doen.
وَاللَّهُ بَصِيرُۢ بِمَا يَعْمَلُونَۖ
God heeft de gelovenden gewis begunstigd, door onder hen een gezant op te wekken, uit hunzelf voortgekomen, die hun Zijn tekenen voordraagt, hen zuivert, en hun de Schrift en de wijsheid onderwijst, terwijl zij voorheen voorzeker in een klaarblijkelijke dwaling waren.
لَقَدْ مَنَّ اَ۬للَّهُ عَلَى اَ۬لْمُومِنِينَ إِذْ بَعَثَ فِيهِمْ رَسُولاٗ مِّنَ اَنفُسِهِمْ يَتْلُواْ عَلَيْهِمُۥٓ ءَايَٰتِهِۦ وَيُزَكِّيهِمْ وَيُعَلِّمُهُمُ اُ۬لْكِتَٰبَ وَالْحِكْمَةَ وَإِن كَانُواْ مِن قَبْلُ لَفِے ضَلَٰلٖ مُّبِينٍۖ
Hoe dan, wanneer een tegenslag jullie overkomt, terwijl jullie er het dubbele hadden doen overkomen, zeggen jullie: “Vanwaar komt dit dan?”
اَوَلَمَّآ أَصَٰبَتْكُم مُّصِيبَةٞ قَدَ اَصَبْتُم مِّثْلَيْهَا قُلْتُمُۥٓ أَنّ۪ىٰ هَٰذَاۖ
Zeg: “Dit komt van jullie zelf.”
قُلْ هُوَ مِنْ عِندِ أَنفُسِكُمُۥٓۖ
God is gewis tot alles in staat.
إِنَّ اَ۬للَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَےْءٖ قَدِيرٞۖ
En wat jullie is overkomen, op de dag dat de twee troepen elkaar ontmoetten, was met de toestemming van God, en opdat Hij de gelovenden onderscheidt, en hen onderscheidt die de huichelarij beoefenden,
وَمَآ أَصَٰبَكُمْ يَوْمَ اَ۪لْتَقَى اَ۬لْجَمْعَٰنِ فَبِإِذْنِ اِ۬للَّهِ وَلِيَعْلَمَ اَ۬لْمُومِنِينَ وَلِيَعْلَمَ اَ۬لذِينَ نَافَقُواْۖ
en tot wie gezegd werd: “Kom vechten op de weg van God, of sla terug”;
وَقِيلَ لَهُمْ تَعَالَوْاْ قَٰتِلُواْ فِے سَبِيلِ اِ۬للَّهِ أَوِ اِ۪دْفَعُواْۖ
zij zeiden: “Als wij wisten te vechten, zouden wij jullie zeker gevolgd zijn.”
قَالُواْ لَوْ نَعْلَمُ قِتَالاٗ لَّاتَّبَعْنَٰكُمْۖ
Op die dag waren zij dichter bij de verloochening dan bij het geloof,
هُمْ لِلْكُفْرِ يَوْمَئِذٍ اَقْرَبُ مِنْهُمْ لِلِايمَٰنِۖ
zeggend met hun monden wat niet in hun kernen was.
يَقُولُونَ بِأَفْوَٰهِهِم مَّا لَيْسَ فِے قُلُوبِهِمْۖ
God weet het best wat zij verzwijgen.
وَاللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا يَكْتُمُونَۖ
Zij die, zittend gebleven, van hun broers zeiden: “Als zij zich naar ons hadden gevoegd, zouden zij niet gedood zijn.”
اَ۬لذِينَ قَالُواْ لِإِخْوَٰنِهِمْ وَقَعَدُواْ لَوَ اَطَاعُونَا مَا قُتِلُواْۖ
Zeg: “Wend de dood dan van jullie zelf af, als jullie waarachtig zijn.”
قُلْ فَادْرَءُواْ عَنَ اَنفُسِكُمُ اُ۬لْمَوْتَ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَۖ
En denk vooral niet dat zij die gedood zijn op de weg van God dood zijn.
وَلَا تَحْسِبَنَّ اَ۬لذِينَ قُتِلُواْ فِے سَبِيلِ اِ۬للَّهِ أَمْوَٰتاَۢۖ
Nee, zij zijn levend, bij hun Voogd, van leeftocht voorzien, zich verheugend over wat God hun van Zijn gunst gegeven heeft, en jubelend om hen die, achter hen achtergebleven, hen nog niet hebben bereikt: geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
بَلَ اَحْيَآءٌۖ عِندَ رَبِّهِمْ يُرْزَقُونَ فَرِحِينَ بِمَآ ءَات۪يٰهُمُ اُ۬للَّهُ مِن فَضْلِهِۦ وَيَسْتَبْشِرُونَ بِالذِينَ لَمْ يَلْحَقُواْ بِهِم مِّنْ خَلْفِهِمُۥٓ أَلَّا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَۖ
Zij jubelen om een weldaad van God en een gunst, en omdat God de beloning van de gelovenden niet laat vervliegen, zij die God en de gezant hebben geantwoord nadat de wond hun was overkomen.
۞ يَسْتَبْشِرُونَ بِنِعْمَةٖ مِّنَ اَ۬للَّهِ وَفَضْلٖ وَأَنَّ اَ۬للَّهَ لَا يُضِيعُ أَجْرَ اَ۬لْمُومِنِينَ اَ۬لذِينَ اَ۪سْتَجَابُواْ لِلهِ وَالرَّسُولِ مِنۢ بَعْدِ مَآ أَصَابَهُمُ اُ۬لْقَرْحُۖ
Aan hen onder hen die het goede gedaan hebben en zich behoed hebben, komt een ontzaglijke beloning toe.
لِلذِينَ أَحْسَنُواْ مِنْهُمْ وَاتَّقَوَاْ اَجْرٌ عَظِيمٌۖ
Zij tot wie de mensen zeiden: “De mensen zijn gewis tegen jullie bijeengekomen, ducht hen dus” – dat deed hun geloof toenemen.
اِ۬لذِينَ قَالَ لَهُمُ اُ۬لنَّاسُ إِنَّ اَ۬لنَّاسَ قَدْ جَمَعُواْ لَكُمْ فَاخْشَوْهُمْ فَزَادَهُمُۥٓ إِيمَٰناٗۖ
En zij zeiden: “God volstaat voor ons; wat een uitstekende lasthebber!”
وَقَالُواْ حَسْبُنَا اَ۬للَّهُ وَنِعْمَ اَ۬لْوَكِيلُۖ
Zij vertrokken toen met een weldaad van God en een gunst, zonder dat enig kwaad hen had getroffen, en zij volgden de instemming van God.
فَانقَلَبُواْ بِنِعْمَةٖ مِّنَ اَ۬للَّهِ وَفَضْلٖ لَّمْ يَمْسَسْهُمْ سُوٓءٞ وَاتَّبَعُواْ رِضْوَٰنَ اَ۬للَّهِۖ
God bezit een ontzaglijke gunst.
وَاللَّهُ ذُو فَضْلٍ عَظِيمٍۖ
Het is slechts die Afleider die jullie zijn bondgenoten doet vrezen; vrees hen dus niet,
اِنَّمَا ذَٰلِكُمُ اُ۬لشَّيْطَٰنُ يُخَوِّفُ أَوْلِيَآءَهُۥ فَلَا تَخَافُوهُمْۖ
maar vrees Mij, als jullie gelovenden zijn.
وَخَافُونِ إِن كُنتُم مُّومِنِينَۖ
En laat hen die zich haasten in de verloochening jou niet bedroeven,
وَلَا يُحْزِنكَ اَ۬لذِينَ يُسَٰرِعُونَ فِے اِ۬لْكُفْرِۖ
want zij zullen God in niets schaden.
إِنَّهُمْ لَنْ يَّضُرُّواْ اُ۬للَّهَ شَئْاٗۖ
God wil hun geen enkel aandeel toewijzen in het laatste leven,
يُرِيدُ اُ۬للَّهُ أَلَّا يَجْعَلَ لَهُمْ حَظّاٗ فِے اِ۬لَاخِرَةِۖ
en zij zullen een ontzaglijke pijn hebben.
وَلَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٌۖ
Gewis zullen zij die de verloochening gekocht hebben tegen de prijs van het geloof, God in niets schaden, en zij zullen een schrijnende pijn hebben.
اِنَّ اَ۬لذِينَ اَ۪شْتَرَوُاْ اُ۬لْكُفْرَ بِالِايمَٰنِ لَنْ يَّضُرُّواْ اُ۬للَّهَ شَئْاٗۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ اَلِيمٞۖ
En laat hen die verloochenen vooral niet denken dat het respijt dat Wij hun verlenen een goed voor henzelf is:
وَلَا يَحْسِبَنَّ اَ۬لذِينَ كَفَرُوٓاْ أَنَّمَا نُمْلِے لَهُمْ خَيْرٞ لِّأَنفُسِهِمُۥٓۖ
Wij verlenen het hun slechts opdat zij toenemen in overtreding,
إِنَّمَا نُمْلِے لَهُمْ لِيَزْدَادُوٓاْ إِثْماٗۖ
en zij zullen een verlagende pijn hebben.
وَلَهُمْ عَذَابٞ مُّهِينٞۖ
Het past God niet de gelovenden achter te laten in de toestand waarin jullie zijn, zonder het snode van het goede te onderscheiden,
مَّا كَانَ اَ۬للَّهُ لِيَذَرَ اَ۬لْمُومِنِينَ عَلَىٰ مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ حَتَّىٰ يَمِيزَ اَ۬لْخَبِيثَ مِنَ اَ۬لطَّيِّبِۖ
en het past God niet jullie te laten doordringen tot wat de zintuigen ontgaat,
وَمَا كَانَ اَ۬للَّهُ لِيُطْلِعَكُمْ عَلَى اَ۬لْغَيْبِۖ
maar God kiest, uit Zijn gezanten, wie het Hem behaagt.
وَلَٰكِنَّ اَ۬للَّهَ يَجْتَبِے مِن رُّسُلِهِۦ مَنْ يَّشَآءُۖ
Geloof dus in God en in Zijn gezanten;
فَـَٔامِنُواْ بِاللَّهِ وَرُسُلِهِۦۖ
en als jullie geloven en je behoeden, zullen jullie een ontzaglijke beloning hebben.
وَإِن تُومِنُواْ وَتَتَّقُواْ فَلَكُمُۥٓ أَجْرٌ عَظِيمٞۖ
En laat hen die gierig zijn met wat God hun van Zijn gunst gegeven heeft vooral niet denken dat het een goed voor hen is;
وَلَا يَحْسِبَنَّ اَ۬لذِينَ يَبْخَلُونَ بِمَآ ءَات۪يٰهُمُ اُ۬للَّهُ مِن فَضْلِهِۦ هُوَ خَيْراٗ لَّهُمۖ
het is integendeel een kwaad voor hen.
بَلْ هُوَ شَرّٞ لَّهُمْۖ
Zij zullen omcirkeld worden door datgene waarmee zij gierig zijn geweest, op de Dag van het Verschijnen.
سَيُطَوَّقُونَ مَا بَخِلُواْ بِهِۦ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِۖ
En aan God komt de erfenis van de hemelen en de aarde toe.
وَلِلهِ مِيرَٰثُ اُ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضِۖ
En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
وَاللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرٞۖ
God heeft zeker de uitspraak gehoord van hen die gezegd hebben: “God is arm, en wij zijn rijk.”
۞ لَّقَدْ سَمِعَ اَ۬للَّهُ قَوْلَ اَ۬لذِينَ قَالُوٓاْ إِنَّ اَ۬للَّهَ فَقِيرٞ وَنَحْنُ أَغْنِيَآءُۖ
Wij zullen optekenen wat zij gezegd hebben, alsook hun moord op de berichtgevers zonder recht, en Wij zullen zeggen: “Proef de pijn van de verbranding.
سَنَكْتُبُ مَا قَالُواْ وَقَتْلَهُمُ اُ۬لَانۢبِئَآءَ بِغَيْرِ حَقّٖ وَنَقُولُ ذُوقُواْ عَذَابَ اَ۬لْحَرِيقِۖ
Dat is voor wat jullie handen vooruitgestuurd hebben; en God is in niets onrechtvaardig jegens de onder dwang gehoorzamenden.”
ذَٰلِكَ بِمَا قَدَّمَتَ اَيْدِيكُمْ وَأَنَّ اَ۬للَّهَ لَيْسَ بِظَلَّٰمٖ لِّلْعَبِيدِۖ
Zij die gezegd hebben: “God heeft ons door een pact verbonden om aan geen enkele gezant krediet te geven, voordat hij ons een gave brengt die het vuur verteert”,
اِ۬لذِينَ قَالُوٓاْ إِنَّ اَ۬للَّهَ عَهِدَ إِلَيْنَآ أَلَّا نُومِنَ لِرَسُولٍ حَتَّىٰ يَاتِيَنَا بِقُرْبَانٖ تَاكُلُهُ اُ۬لنَّارُۖ
zeg: “Gezanten vóór mij zijn tot jullie gekomen met de duidelijke bewijzen, en met wat jullie gezegd hebben; waarom hebben jullie hen dan gedood, als jullie waarachtig zijn?”
قُلْ قَدْ جَآءَكُمْ رُسُلٞ مِّن قَبْلِے بِالْبَيِّنَٰتِ وَبِالذِے قُلْتُمْ فَلِمَ قَتَلْتُمُوهُمُۥٓ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَۖ
Als zij jou ontkennen, zijn er vóór jou reeds gezanten ontkend, die gekomen waren met de duidelijke bewijzen, de Formularia en de lichtgevende Schrift.
فَإِن كَذَّبُوكَ فَقَدْ كُذِّبَ رُسُلٞ مِّن قَبْلِكَ جَآءُو بِالْبَيِّنَٰتِ وَالزُّبُرِ وَالْكِتَٰبِ اِ۬لْمُنِيرِۖ
Ieder Zelf zal de dood proeven,
كُلُّ نَفْسٖ ذَآئِقَةُ اُ۬لْمَوْتِۖ
en het is slechts op de Dag van het Verschijnen dat jullie getrouw jullie beloningen zullen ontvangen.
وَإِنَّمَا تُوَفَّوْنَ أُجُورَكُمْ يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِۖ
Wie dus van het Vuur is vrijgemaakt en in de Tuin is binnengeleid, heeft getriomfeerd.
فَمَن زُحْزِحَ عَنِ اِ۬لنّ۪ارِ وَأُدْخِلَ اَ۬لْجَنَّةَ فَقَدْ فَازَۖ
En het leven hienieden is slechts een genieting die bedriegt.
وَمَا اَ۬لْحَيَوٰةُ اُ۬لدُّنْي۪آ إِلَّا مَتَٰعُ اُ۬لْغُرُورِۖ
Jullie zullen voorzeker op de proef gesteld worden in jullie bezittingen en in jullie Zelf, en jullie zullen voorzeker horen, van hen aan wie de Schrift vóór jullie gegeven is, en van hen die geassocieerd hebben, veel hinder.
۞ لَتُبْلَوُنَّ فِےٓ أَمْوَٰلِكُمْ وَأَنفُسِكُمْ وَلَتَسْمَعُنَّ مِنَ اَ۬لذِينَ أُوتُواْ اُ۬لْكِتَٰبَ مِن قَبْلِكُمْ وَمِنَ اَ۬لذِينَ أَشْرَكُوٓاْ أَذىٗ كَثِيراٗۖ
Maar als jullie geduldig zijn en je behoeden, behoort dat gewis tot de zaken die vastberadenheid vereisen.
وَإِن تَصْبِرُواْ وَتَتَّقُواْ فَإِنَّ ذَٰلِكَ مِنْ عَزْمِ اِ۬لُامُورِۖ
En toen God de plechtige verbintenis afnam van hen aan wie de Schrift gegeven is: “Jullie zullen haar voorzeker duidelijk maken voor de mensen, en jullie zullen haar niet verzwijgen”; maar zij hebben haar achter hun rug geworpen, en daarmee een schamele prijs gekocht.
وَإِذَ اَخَذَ اَ۬للَّهُ مِيثَٰقَ اَ۬لذِينَ أُوتُواْ اُ۬لْكِتَٰبَ لَتُبَيِّنُنَّهُۥ لِلنَّاسِ وَلَا تَكْتُمُونَهُۥ فَنَبَذُوهُ وَرَآءَ ظُهُورِهِمْ وَاشْتَرَوْاْ بِهِۦ ثَمَناٗ قَلِيلاٗۖ
Hoe afschuwelijk is wat zij kopen!
فَبِيسَ مَا يَشْتَرُونَۖ
Denk vooral niet dat zij die zich verheugen over wat zij volbracht hebben, en ervan houden geloofd te worden voor wat zij niet gedaan hebben – denk vooral niet dat zij de pijn zullen ontwijken.
لَا يَحْسِبَنَّ اَ۬لذِينَ يَفْرَحُونَ بِمَآ أَتَواْ وَّيُحِبُّونَ أَنْ يُّحْمَدُواْ بِمَا لَمْ يَفْعَلُواْ فَلَا تَحْسِبَنَّهُم بِمَفَازَةٖ مِّنَ اَ۬لْعَذَابِۖ
En zij zullen een schrijnende pijn hebben.
وَلَهُمْ عَذَابٌ اَلِيمٞۖ
En aan God behoort het koningschap van de hemelen en de aarde toe.
وَلِلهِ مُلْكُ اُ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضِۖ
En God is tot alles in staat.
وَاللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَےْءٖ قَدِيرٌۖ
Er zijn voorzeker, in de schepping van de hemelen en de aarde, en in de afwisseling van de nacht en de dag, tekenen voor de houders van intelligentie, zij die zich God herinneren, staand, zittend, of liggend op de zij, en nadenken over de schepping van de hemelen en de aarde:
اِنَّ فِے خَلْقِ اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضِ وَاخْتِلَٰفِ اِ۬ليْلِ وَالنَّه۪ارِ لَأٓيَٰتٖ لِّأُوْلِے اِ۬لَالْبَٰبِ اِ۬لذِينَ يَذْكُرُونَ اَ۬للَّهَ قِيَٰماٗ وَقُعُوداٗ وَعَلَىٰ جُنُوبِهِمْ وَيَتَفَكَّرُونَ فِے خَلْقِ اِ۬لسَّمَٰوَٰتِ وَالَارْضِۖ
“Onze Voogd, U hebt dit niet tevergeefs geschapen. Glorie zij U!
رَبَّنَا مَا خَلَقْتَ هَٰذَا بَٰطِلاٗ سُبْحَٰنَكَۖ
Behoed ons dus voor de pijn van het Vuur.
فَقِنَا عَذَابَ اَ۬لنّ۪ارِۖ
Onze Voogd, hem die U in het Vuur doet binnengaan, hebt U gewis met schande bedekt,
رَبَّنَآ إِنَّكَ مَن تُدْخِلِ اِ۬لنَّارَ فَقَدَ اَخْزَيْتَهُۥۖ
en de onrechtvaardigen hebben geen enkele hulp.
وَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنَ اَنص۪ارٖۖ
Onze Voogd, wij hebben een heraut horen oproepen tot het geloof: Geloof in jullie Voogd – en wij hebben geloofd.
رَّبَّنَآ إِنَّنَا سَمِعْنَا مُنَادِياٗ يُنَادِے لِلِايمَٰنِ أَنَ اٰمِنُواْ بِرَبِّكُمْ فَـَٔامَنَّاۖ
Onze Voogd, vergeef ons dus onze vergrijpen, bedek voor ons onze slechte daden, en houd ons getrouw in bewaring samen met de deugdzamen.
رَبَّنَا فَاغْفِرْ لَنَا ذُنُوبَنَا وَكَفِّرْ عَنَّا سَيِّـَٔاتِنَا وَتَوَفَّنَا مَعَ اَ۬لَابْر۪ارِۖ
Onze Voogd, en verleen ons wat U ons beloofd hebt door Uw gezanten, en bedek ons niet met schande op de Dag van het Verschijnen,
رَبَّنَا وَءَاتِنَا مَا وَعَدتَّنَا عَلَىٰ رُسُلِكَ وَلَا تُخْزِنَا يَوْمَ اَ۬لْقِيَٰمَةِۖ
want U schiet niet tekort in Uw belofte.”
إِنَّكَ لَا تُخْلِفُ اُ۬لْمِيعَادَۖ
Hun Voogd antwoordde hun dus: “Ik laat het werk van wie onder jullie werkt niet vervliegen, man of vrouw –
فَاسْتَجَابَ لَهُمْ رَبُّهُمُۥٓ أَنِّے لَآ أُضِيعُ عَمَلَ عَٰمِلٖ مِّنكُم مِّن ذَكَرٍ اَوُ ا۟نث۪ىٰۖ
jullie zijn van elkaar.
بَعْضُكُم مِّنۢ بَعْضٖۖ
Zij die geëmigreerd zijn, uit hun woningen verdreven zijn, op Mijn weg lastiggevallen zijn, gevochten hebben en gedood zijn, Ik zal voorzeker hun slechte daden bedekken, en Ik zal hen voorzeker doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen” – een tegenprestatie afkomstig van God.
فَالذِينَ هَاجَرُواْ وَأُخْرِجُواْ مِن دِيٰ۪رِهِمْ وَأُوذُواْ فِے سَبِيلِے وَقَٰتَلُواْ وَقُتِلُواْ لَأُكَفِّرَنَّ عَنْهُمْ سَيِّـَٔاتِهِمْ وَلَأُدْخِلَنَّهُمْ جَنَّٰتٖ تَجْرِے مِن تَحْتِهَا اَ۬لَانْهَٰرُ ثَوَاباٗ مِّنْ عِندِ اِ۬للَّهِۖ
En het is bij God dat de schone tegenprestatie zich bevindt.
وَاللَّهُ عِندَهُۥ حُسْنُ اُ۬لثَّوَابِۖ
Laat het heen en weer gaan van hen die verloochenen door de landstreken jou niet bedriegen.
۞ لَا يَغُرَّنَّكَ تَقَلُّبُ اُ۬لذِينَ كَفَرُواْ فِے اِ۬لْبِلَٰدِۖ
Het is een genieting van weinig waarde,
مَتَٰعٞ قَلِيلٞۖ
vervolgens zal hun toevlucht Djahannam zijn,
ثُمَّ مَأْو۪يٰهُمْ جَهَنَّمُۖ
en wat een afschuwelijke ligplaats!
وَبِيسَ اَ۬لْمِهَادُۖ
Maar zij die zich behoed hebben voor hun Voogd, zullen tuinen hebben waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, als onthaal afkomstig van God.
لَٰكِنِ اِ۬لذِينَ اَ۪تَّقَوْاْ رَبَّهُمْ لَهُمْ جَنَّٰتٞ تَجْرِے مِن تَحْتِهَا اَ۬لَانْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا نُزُلاٗ مِّنْ عِندِ اِ۬للَّهِۖ
En wat bij God is, is beter voor de deugdzamen.
وَمَا عِندَ اَ۬للَّهِ خَيْرٞ لِّلَابْر۪ارِۖ
En onder de lieden van de Schrift zijn er voorzeker die geloven in God, in wat aan jullie is neergedaald, en in wat aan hen is neergedaald, nederig tegenover God,
وَإِنَّ مِنَ اَهْلِ اِ۬لْكِتَٰبِ لَمَنْ يُّومِنُ بِاللَّهِ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيْكُمْ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِمْ خَٰشِعِينَ لِلهِۖ
zonder met de tekenen van God een schamele prijs te kopen.
لَا يَشْتَرُونَ بِـَٔايَٰتِ اِ۬للَّهِ ثَمَناٗ قَلِيلاًۖ
Dat zijn zij die hun beloning bij hun Voogd hebben,
ا۟وْلَٰٓئِكَ لَهُمُۥٓ أَجْرُهُمْ عِندَ رَبِّهِمُۥٓۖ
want God is snel in de rekening.
إِنَّ اَ۬للَّهَ سَرِيعُ اُ۬لْحِسَابِۖ
O jullie die geloofd hebben! Wees geduldig, overtref in geduld, houd jullie gereed met standvastigheid, en behoed jullie voor God, misschien zullen jullie slagen.
يَٰٓأَيُّهَا اَ۬لذِينَ ءَامَنُواْ اُ۪صْبِرُواْ وَصَابِرُواْ وَرَابِطُواْ وَاتَّقُواْ اُ۬للَّهَ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَۖ