Naar de inhoud
القرآنal-quran.fr
Menu
100%
القرآن

الانعام

Al-An'am

The Guardian of Every Thing

Soera 6 · 165 verzen

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ

In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.

6:1

Lof zij God, die de hemelen en de aarde geschapen heeft, en de duisternissen en het licht gemaakt heeft; toch stellen zij die verloochenen tegenwichten tegenover hun Voogd.

ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ وَجَعَلَ ٱلظُّلُمَٰتِ وَٱلنُّورَ ثُمَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بِرَبِّهِمْ يَعْدِلُونَ

6:2

Hij is het die jullie uit klei geschapen heeft, en daarna een termijn bepaald heeft –

هُوَ ٱلَّذِى خَلَقَكُم مِّن طِينٍۢ ثُمَّ قَضَىٰٓ أَجَلًۭا

6:2

en een genoemde termijn, bij Hem.

وَأَجَلٌۭ مُّسَمًّى عِندَهُۥ

6:2

Toch treden jullie nog in controverse.

ثُمَّ أَنتُمْ تَمْتَرُونَ

En Hij is God,

وَهُوَ ٱللَّهُ

in de hemelen en op aarde; Hij kent jullie geheim en wat jullie hardop zeggen, en Hij weet wat jullie verwerven.

فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَفِى ٱلْأَرْضِ يَعْلَمُ سِرَّكُمْ وَجَهْرَكُمْ وَيَعْلَمُ مَا تَكْسِبُونَ

Geen enkel teken, van de tekenen van hun Voogd, komt tot hen zonder dat zij zich eraan onttrekken.

وَمَا تَأْتِيهِم مِّنْ ءَايَةٍۢ مِّنْ ءَايَٰتِ رَبِّهِمْ إِلَّا كَانُوا۟ عَنْهَا مُعْرِضِينَ

Zij hebben dus de waarheid ontkend, toen zij tot hen kwam;

فَقَدْ كَذَّبُوا۟ بِٱلْحَقِّ لَمَّا جَآءَهُمْ

de berichten over wat zij hoonden zullen hen weldra bereiken.

فَسَوْفَ يَأْتِيهِمْ أَنۢبَٰٓؤُا۟ مَا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ

Zien zij niet hoeveel generaties Wij vóór hen vernietigd hebben, die Wij op aarde gevestigd hadden zoals Wij jullie niet gevestigd hebben,

أَلَمْ يَرَوْا۟ كَمْ أَهْلَكْنَا مِن قَبْلِهِم مِّن قَرْنٍۢ مَّكَّنَّٰهُمْ فِى ٱلْأَرْضِ مَا لَمْ نُمَكِّن لَّكُمْ

en aan wie Wij de hemel, stromend, gezonden hebben,

وَأَرْسَلْنَا ٱلسَّمَآءَ عَلَيْهِم مِّدْرَارًۭا

en Wij hebben de rivieren onder hen doen stromen; daarna hebben Wij hen vernietigd voor hun vergrijpen,

وَجَعَلْنَا ٱلْأَنْهَٰرَ تَجْرِى مِن تَحْتِهِمْ فَأَهْلَكْنَٰهُم بِذُنُوبِهِمْ

en Wij hebben na hen een andere generatie doen ontstaan.

وَأَنشَأْنَا مِنۢ بَعْدِهِمْ قَرْنًا ءَاخَرِينَ

6:7

En als Wij een schrift op een perkament naar jou hadden doen neerdalen, en zij het met hun handen hadden aangeraakt, zouden zij die verloochenen zeker gezegd hebben: “Dit is niets dan een klaarblijkelijke begoocheling.”

وَلَوْ نَزَّلْنَا عَلَيْكَ كِتَٰبًۭا فِى قِرْطَاسٍۢ فَلَمَسُوهُ بِأَيْدِيهِمْ لَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا سِحْرٌۭ مُّبِينٌۭ

6:8

En zij zeggen: “Waarom heeft men geen Gemachtigde op hem doen neerdalen!”

وَقَالُوا۟ لَوْلَآ أُنزِلَ عَلَيْهِ مَلَكٌۭ

6:8

En als Wij een Gemachtigde hadden doen neerdalen, zou de zaak reeds beslist zijn, en hun zou geen uitstel verleend worden.

وَلَوْ أَنزَلْنَا مَلَكًۭا لَّقُضِىَ ٱلْأَمْرُ ثُمَّ لَا يُنظَرُونَ

6:9

En als Wij er een Gemachtigde van gemaakt hadden, zouden Wij er een man van gemaakt hebben, en Wij zouden voor hen door elkaar gehaald hebben wat zijzelf door elkaar halen.

وَلَوْ جَعَلْنَٰهُ مَلَكًۭا لَّجَعَلْنَٰهُ رَجُلًۭا وَلَلَبَسْنَا عَلَيْهِم مَّا يَلْبِسُونَ

Gezanten zijn gewis vóór jou gehoond; wat zij hoonden, omhulde toen degenen onder hen die spotten.

وَلَقَدِ ٱسْتُهْزِئَ بِرُسُلٍۢ مِّن قَبْلِكَ فَحَاقَ بِٱلَّذِينَ سَخِرُوا۟ مِنْهُم مَّا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ

Zeg: “Doorkruis de aarde, en kijk dan wat het einde was van hen die ontkenden.”

قُلْ سِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ ثُمَّ ٱنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلْمُكَذِّبِينَ

6:12

Zeg: “Aan wie behoort wat in de hemelen en op aarde is?” Zeg: “Aan God.

قُل لِّمَن مَّا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ قُل لِّلَّهِ

6:12

Hij heeft Zichzelf de welwillendheid voorgeschreven.

كَتَبَ عَلَىٰ نَفْسِهِ ٱلرَّحْمَةَ

6:12

Voorzeker zal Hij jullie bijeenbrengen op de Dag van het Verschijnen, waaraan geen twijfel is.

لَيَجْمَعَنَّكُمْ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ لَا رَيْبَ فِيهِ

Zij die het verlies van hun Zelf veroorzaakt zullen hebben, dat zijn zij die niet geloven.”

ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ فَهُمْ لَا يُؤْمِنُونَ

En aan Hem behoort toe wat rust in de nacht en de dag;

وَلَهُۥ مَا سَكَنَ فِى ٱلَّيْلِ وَٱلنَّهَارِ

en Hij is de Alhorende, de Alwetende.

وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ

6:14

Zeg: “Zou ik een beschermer nemen buiten God, de Oorsprong van de hemelen en de aarde,

قُلْ أَغَيْرَ ٱللَّهِ أَتَّخِذُ وَلِيًّۭا فَاطِرِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ

6:14

Hij is het die voedt en niet gevoed wordt.”

وَهُوَ يُطْعِمُ وَلَا يُطْعَمُ

Zeg: “Mij is bevolen de eerste te zijn van hen die integer zijn tegenover God”,

قُلْ إِنِّىٓ أُمِرْتُ أَنْ أَكُونَ أَوَّلَ مَنْ أَسْلَمَ

en behoor nooit tot hen die associëren.

وَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلْمُشْرِكِينَ

Zeg: “Ik vrees gewis, als ik ongehoorzaam ben aan mijn Voogd, de pijn van een ontzaglijke dag.”

قُلْ إِنِّىٓ أَخَافُ إِنْ عَصَيْتُ رَبِّى عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍۢ

6:16

Wie er die dag van afgewend is, aan hem zal Hij welwillendheid betoond hebben,

مَّن يُصْرَفْ عَنْهُ يَوْمَئِذٍۢ فَقَدْ رَحِمَهُۥ

en dat is de klaarblijkelijke triomf.

وَذَٰلِكَ ٱلْفَوْزُ ٱلْمُبِينُ

En als God je met schade raakt, kan niemand je ervan verlichten dan Hij;

وَإِن يَمْسَسْكَ ٱللَّهُ بِضُرٍّۢ فَلَا كَاشِفَ لَهُۥٓ إِلَّا هُوَ

en als Hij je met een goed raakt, is Hij tot alles in staat.

وَإِن يَمْسَسْكَ بِخَيْرٍۢ فَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ قَدِيرٌۭ

Hij heerst boven Zijn gehoorzamen,

وَهُوَ ٱلْقَاهِرُ فَوْقَ عِبَادِهِۦ

en Hij is de Wijze, de Intieme Kenner.

وَهُوَ ٱلْحَكِيمُ ٱلْخَبِيرُ

6:19

Zeg: “Welk ding is het grootst in getuigenis?” Zeg: “God,

قُلْ أَىُّ شَىْءٍ أَكْبَرُ شَهَٰدَةًۭ قُلِ ٱللَّهُ

6:19

getuige tussen mij en jullie.

شَهِيدٌۢ بَيْنِى وَبَيْنَكُمْ

6:19

En deze Lezing is mij geopenbaard opdat ik jullie erdoor waarschuw, alsook wie zij ook bereikt.

وَأُوحِىَ إِلَىَّ هَٰذَا ٱلْقُرْءَانُ لِأُنذِرَكُم بِهِۦ وَمَنۢ بَلَغَ

6:19

Getuigen jullie werkelijk dat er, met God, andere godheden zijn?” Zeg: “Ik getuig niet.”

أَئِنَّكُمْ لَتَشْهَدُونَ أَنَّ مَعَ ٱللَّهِ ءَالِهَةً أُخْرَىٰ قُل لَّآ أَشْهَدُ

Zeg: “Hij is slechts één enige godheid,

قُلْ إِنَّمَا هُوَ إِلَٰهٌۭ وَٰحِدٌۭ

en ik ben gewis vrij van wat jullie associëren.”

وَإِنَّنِى بَرِىٓءٌۭ مِّمَّا تُشْرِكُونَ

6:20

Zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben, herkennen het zoals zij hun eigen zonen herkennen;

ٱلَّذِينَ ءَاتَيْنَٰهُمُ ٱلْكِتَٰبَ يَعْرِفُونَهُۥ كَمَا يَعْرِفُونَ أَبْنَآءَهُمُ

zij die het verlies van hun Zelf veroorzaakt zullen hebben, dat zijn zij die niet geloven.

ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ فَهُمْ لَا يُؤْمِنُونَ

En wie is dan onrechtvaardiger dan wie een leugen tegen God verzint, of Zijn tekenen ontkent?

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ ٱفْتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا أَوْ كَذَّبَ بِـَٔايَٰتِهِۦٓ

De onrechtvaardigen slagen gewis niet.

إِنَّهُۥ لَا يُفْلِحُ ٱلظَّٰلِمُونَ

En de dag waarop Wij hen allen zullen verzamelen, en daarna zullen zeggen tegen hen die geassocieerd hebben: “Waar zijn jullie geassocieerden, die jullie beweerden?”

وَيَوْمَ نَحْشُرُهُمْ جَمِيعًۭا ثُمَّ نَقُولُ لِلَّذِينَ أَشْرَكُوٓا۟ أَيْنَ شُرَكَآؤُكُمُ ٱلَّذِينَ كُنتُمْ تَزْعُمُونَ

6:23

Daarna zal hun enige beproeving geweest zijn te zeggen: “Bij God, onze Voogd, wij behoorden niet tot hen die associëren.”

ثُمَّ لَمْ تَكُن فِتْنَتُهُمْ إِلَّآ أَن قَالُوا۟ وَٱللَّهِ رَبِّنَا مَا كُنَّا مُشْرِكِينَ

Kijk hoe zij liegen tegen zichzelf! En wat zij verzonnen, zal ver van hen gedwaald hebben.

ٱنظُرْ كَيْفَ كَذَبُوا۟ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمْ وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَفْتَرُونَ

En onder hen zijn er die naar je luisteren,

وَمِنْهُم مَّن يَسْتَمِعُ إِلَيْكَ

6:25

maar Wij hebben over hun kernen omhulsels geplaatst, opdat zij het niet begrijpen, en in hun oren een doofheid.

وَجَعَلْنَا عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ أَكِنَّةً أَن يَفْقَهُوهُ وَفِىٓ ءَاذَانِهِمْ وَقْرًۭا

En zelfs al zagen zij elk teken, zij zouden er niet in geloven,

وَإِن يَرَوْا۟ كُلَّ ءَايَةٍۢ لَّا يُؤْمِنُوا۟ بِهَا

zozeer dat, wanneer zij bij je komen om te debatteren, zij die verloochenen zeggen: “Dit zijn slechts legenden van de ouden.”

حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءُوكَ يُجَٰدِلُونَكَ يَقُولُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ إِنْ هَٰذَآ إِلَّآ أَسَٰطِيرُ ٱلْأَوَّلِينَ

En zij verbieden het, en zij verwijderen zich ervan;

وَهُمْ يَنْهَوْنَ عَنْهُ وَيَنْـَٔوْنَ عَنْهُ

en zij vernietigen slechts zichzelf, zonder het te voelen.

وَإِن يُهْلِكُونَ إِلَّآ أَنفُسَهُمْ وَمَا يَشْعُرُونَ

6:27

En als je zag, wanneer zij voor het Vuur geplaatst zullen worden, en zullen zeggen: “Ach, werden wij maar teruggebracht,

وَلَوْ تَرَىٰٓ إِذْ وُقِفُوا۟ عَلَى ٱلنَّارِ فَقَالُوا۟ يَٰلَيْتَنَا نُرَدُّ

6:27

en wij zullen de tekenen van onze Voogd niet meer ontkennen, en wij zullen tot de gelovenden behoren!”

وَلَا نُكَذِّبَ بِـَٔايَٰتِ رَبِّنَا وَنَكُونَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ

6:28

Nee! Wat zij voordien verhulden, is hun gebleken.

بَلْ بَدَا لَهُم مَّا كَانُوا۟ يُخْفُونَ مِن قَبْلُ

6:28

En als zij teruggebracht werden, zouden zij zeker herhalen wat hun verboden was,

وَلَوْ رُدُّوا۟ لَعَادُوا۟ لِمَا نُهُوا۟ عَنْهُ

6:28

en zij zijn voorzeker leugenaars.

وَإِنَّهُمْ لَكَٰذِبُونَ

En zij zeggen: “Er is slechts ons leven hienieden, en wij zullen niet opgewekt worden.”

وَقَالُوٓا۟ إِنْ هِىَ إِلَّا حَيَاتُنَا ٱلدُّنْيَا وَمَا نَحْنُ بِمَبْعُوثِينَ

En als je zag, wanneer zij voor hun Voogd geplaatst zullen worden! Hij zal zeggen: “Is dit niet de waarheid?”

وَلَوْ تَرَىٰٓ إِذْ وُقِفُوا۟ عَلَىٰ رَبِّهِمْ قَالَ أَلَيْسَ هَٰذَا بِٱلْحَقِّ

Zij zullen zeggen: “Jawel, bij onze Voogd!”

قَالُوا۟ بَلَىٰ وَرَبِّنَا

Hij zal zeggen: “Proef dus de pijn, omdat jullie verloochend hebben.”

قَالَ فَذُوقُوا۟ ٱلْعَذَابَ بِمَا كُنتُمْ تَكْفُرُونَ

Zij zijn gewis verliezers, zij die de ontmoeting met God ontkend hebben, zozeer dat, wanneer het Uur onverhoeds tot hen komt, zij zeggen: “Wat een troosteloosheid voor ons, om wat wij erin verwaarloosd hebben!” Zij zullen hun lasten op hun rug dragen.

قَدْ خَسِرَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِلِقَآءِ ٱللَّهِ حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَتْهُمُ ٱلسَّاعَةُ بَغْتَةًۭ قَالُوا۟ يَٰحَسْرَتَنَا عَلَىٰ مَا فَرَّطْنَا فِيهَا وَهُمْ يَحْمِلُونَ أَوْزَارَهُمْ عَلَىٰ ظُهُورِهِمْ

Hoe slecht is de last die zij dragen!

أَلَا سَآءَ مَا يَزِرُونَ

Het leven hienieden is slechts spel en verstrooiing;

وَمَا ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَآ إِلَّا لَعِبٌۭ وَلَهْوٌۭ

en het laatste verblijf is gewis beter voor hen die zich behoeden.

وَلَلدَّارُ ٱلْءَاخِرَةُ خَيْرٌۭ لِّلَّذِينَ يَتَّقُونَ

6:32

Redeneren jullie dan niet?

أَفَلَا تَعْقِلُونَ

6:33

Wij zullen gewis weten dat wat zij zeggen je voorzeker bedroeft;

قَدْ نَعْلَمُ إِنَّهُۥ لَيَحْزُنُكَ ٱلَّذِى يَقُولُونَ

6:33

doch niet jou ontkennen zij,

فَإِنَّهُمْ لَا يُكَذِّبُونَكَ

6:33

maar het zijn de tekenen van God die de onrechtvaardigen halsstarrig betwisten.

وَلَٰكِنَّ ٱلظَّٰلِمِينَ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ يَجْحَدُونَ

Gezanten zijn gewis ontkend vóór jou; ontkend en lastiggevallen hebben zij geduld gehad totdat Onze hulp tot hen kwam.

وَلَقَدْ كُذِّبَتْ رُسُلٌۭ مِّن قَبْلِكَ فَصَبَرُوا۟ عَلَىٰ مَا كُذِّبُوا۟ وَأُوذُوا۟ حَتَّىٰٓ أَتَىٰهُمْ نَصْرُنَا

En niemand kan de woorden van God veranderen.

وَلَا مُبَدِّلَ لِكَلِمَٰتِ ٱللَّهِ

Een deel van het bericht van de gezondenen heeft je gewis reeds bereikt.

وَلَقَدْ جَآءَكَ مِن نَّبَإِى۟ ٱلْمُرْسَلِينَ

6:35

En als hun ontwijking op je weegt, zoek dan, als je daartoe het vermogen hebt, een tunnel in de aarde, of een ladder in de hemel, om hun een teken te brengen.

وَإِن كَانَ كَبُرَ عَلَيْكَ إِعْرَاضُهُمْ فَإِنِ ٱسْتَطَعْتَ أَن تَبْتَغِىَ نَفَقًۭا فِى ٱلْأَرْضِ أَوْ سُلَّمًۭا فِى ٱلسَّمَآءِ فَتَأْتِيَهُم بِـَٔايَةٍۢ

6:35

En als het God behaagd had, zou Hij hen op de leiding bijeengebracht hebben;

وَلَوْ شَآءَ ٱللَّهُ لَجَمَعَهُمْ عَلَى ٱلْهُدَىٰ

6:35

behoor dus nooit tot de onwetenden.

فَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلْجَٰهِلِينَ

Slechts zij die horen, antwoorden.

إِنَّمَا يَسْتَجِيبُ ٱلَّذِينَ يَسْمَعُونَ

Wat de doden betreft, God zal hen opwekken,

وَٱلْمَوْتَىٰ يَبْعَثُهُمُ ٱللَّهُ

daarna is het tot Hem dat zij teruggebracht zullen worden.

ثُمَّ إِلَيْهِ يُرْجَعُونَ

En zij zeggen: “Waarom heeft men geen teken van zijn Voogd op hem doen neerdalen!”

وَقَالُوا۟ لَوْلَا نُزِّلَ عَلَيْهِ ءَايَةٌۭ مِّن رَّبِّهِۦ

6:37

Zeg: “God is gewis in staat een teken te doen neerdalen”,

قُلْ إِنَّ ٱللَّهَ قَادِرٌ عَلَىٰٓ أَن يُنَزِّلَ ءَايَةًۭ

maar de meesten van hen weten het niet.

وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ

6:38

Er is geen wezen dat zich beweegt op de aarde, noch een vogel die met zijn twee vleugels vliegt, die geen gemeenschappen vormt soortgelijk aan jullie.

وَمَا مِن دَآبَّةٍۢ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا طَٰٓئِرٍۢ يَطِيرُ بِجَنَاحَيْهِ إِلَّآ أُمَمٌ أَمْثَالُكُم

6:38

Wij hebben niets verwaarloosd van de Codex.

مَّا فَرَّطْنَا فِى ٱلْكِتَٰبِ مِن شَىْءٍۢ

Daarna worden zij tot hun Voogd verzameld.

ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّهِمْ يُحْشَرُونَ

En zij die Onze tekenen ontkend hebben, zijn doof en stom, in de duisternissen.

وَٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا صُمٌّۭ وَبُكْمٌۭ فِى ٱلظُّلُمَٰتِ

Wie het God behaagt te doen dwalen, die doet Hij dwalen;

مَن يَشَإِ ٱللَّهُ يُضْلِلْهُ

en wie het Hem behaagt, die plaatst Hij op een rechtlijnig pad.

وَمَن يَشَأْ يَجْعَلْهُ عَلَىٰ صِرَٰطٍۢ مُّسْتَقِيمٍۢ

Zeg: “Zien jullie het? Als de pijn van God tot jullie kwam, of als het Uur tot jullie kwam, zouden jullie dan een ander dan God aanroepen, als jullie waarachtig zijn?”

قُلْ أَرَءَيْتَكُمْ إِنْ أَتَىٰكُمْ عَذَابُ ٱللَّهِ أَوْ أَتَتْكُمُ ٱلسَّاعَةُ أَغَيْرَ ٱللَّهِ تَدْعُونَ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

In werkelijkheid is het Hem die jullie zouden aanroepen; Hij zou jullie dan verlichten, als het Hem behaagde, van datgene waarvoor jullie Hem aanriepen, en jullie zouden vergeten wat jullie associëren.

بَلْ إِيَّاهُ تَدْعُونَ فَيَكْشِفُ مَا تَدْعُونَ إِلَيْهِ إِن شَآءَ وَتَنسَوْنَ مَا تُشْرِكُونَ

Wij hebben gewis gezonden naar gemeenschappen vóór jou, en Wij hebben hen gegrepen door tegenspoed en schade, misschien zouden zij smeken.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَآ إِلَىٰٓ أُمَمٍۢ مِّن قَبْلِكَ فَأَخَذْنَٰهُم بِٱلْبَأْسَآءِ وَٱلضَّرَّآءِ لَعَلَّهُمْ يَتَضَرَّعُونَ

Hadden zij maar gesmeekt, toen Onze strengheid tot hen kwam!

فَلَوْلَآ إِذْ جَآءَهُم بَأْسُنَا تَضَرَّعُوا۟

6:43

Maar hun kernen verhardden, en de Afleider verfraaide hun wat zij deden.

وَلَٰكِن قَسَتْ قُلُوبُهُمْ وَزَيَّنَ لَهُمُ ٱلشَّيْطَٰنُ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

Daarna, toen zij vergaten waaraan men hen herinnerd had, openden Wij over hen de poorten van alles,

فَلَمَّا نَسُوا۟ مَا ذُكِّرُوا۟ بِهِۦ فَتَحْنَا عَلَيْهِمْ أَبْوَٰبَ كُلِّ شَىْءٍ

zozeer dat, toen zij zich verheugden over wat hun gegeven was, Wij hen onverhoeds grepen, en daar zijn zij, wanhopig.

حَتَّىٰٓ إِذَا فَرِحُوا۟ بِمَآ أُوتُوٓا۟ أَخَذْنَٰهُم بَغْتَةًۭ فَإِذَا هُم مُّبْلِسُونَ

6:45

Zo werd het laatste overblijfsel van het volk dat onrechtvaardig was geweest, afgesneden.

فَقُطِعَ دَابِرُ ٱلْقَوْمِ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟

6:45

En lof zij God, Voogd van alle wezens.

وَٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

Zeg: “Zien jullie het? Als God jullie gehoor en jullie gezichtsvermogen nam, en jullie kernen verzegelde, welke godheid, anders dan God, zou ze jullie teruggeven?”

قُلْ أَرَءَيْتُمْ إِنْ أَخَذَ ٱللَّهُ سَمْعَكُمْ وَأَبْصَٰرَكُمْ وَخَتَمَ عَلَىٰ قُلُوبِكُم مَّنْ إِلَٰهٌ غَيْرُ ٱللَّهِ يَأْتِيكُم بِهِ

Kijk hoe Wij de tekenen diversifiëren, en toch onttrekken zij zich eraan.

ٱنظُرْ كَيْفَ نُصَرِّفُ ٱلْءَايَٰتِ ثُمَّ هُمْ يَصْدِفُونَ

Zeg: “Zien jullie het? Als de pijn van God tot jullie kwam, onverhoeds of openlijk, wie zou vernietigd worden dan het onrechtvaardige volk?”

قُلْ أَرَءَيْتَكُمْ إِنْ أَتَىٰكُمْ عَذَابُ ٱللَّهِ بَغْتَةً أَوْ جَهْرَةً هَلْ يُهْلَكُ إِلَّا ٱلْقَوْمُ ٱلظَّٰلِمُونَ

Wij zenden de gezondenen slechts als aankondigers en waarschuwers.

وَمَا نُرْسِلُ ٱلْمُرْسَلِينَ إِلَّا مُبَشِّرِينَ وَمُنذِرِينَ

Wie gelooft en zich saneert, geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.

فَمَنْ ءَامَنَ وَأَصْلَحَ فَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ

En zij die Onze tekenen ontkend hebben, hen zal de pijn raken, omdat zij de grenzen overschreden hebben.

وَٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا يَمَسُّهُمُ ٱلْعَذَابُ بِمَا كَانُوا۟ يَفْسُقُونَ

6:50

Zeg: “Ik zeg jullie niet dat ik bij mij de reserves van God heb, noch dat ik ken wat de zintuigen ontgaat, noch zeg ik jullie dat ik een Gemachtigde ben;

قُل لَّآ أَقُولُ لَكُمْ عِندِى خَزَآئِنُ ٱللَّهِ وَلَآ أَعْلَمُ ٱلْغَيْبَ وَلَآ أَقُولُ لَكُمْ إِنِّى مَلَكٌ

ik volg slechts wat mij geopenbaard wordt.”

إِنْ أَتَّبِعُ إِلَّا مَا يُوحَىٰٓ إِلَىَّ

Zeg: “Zijn de blinde en de ziende gelijk?”

قُلْ هَلْ يَسْتَوِى ٱلْأَعْمَىٰ وَٱلْبَصِيرُ

Denken jullie dus niet na?

أَفَلَا تَتَفَكَّرُونَ

En waarschuw erdoor hen die vrezen tot hun Voogd verzameld te worden – zij hebben, buiten Hem, geen beschermer noch voorspreker – misschien zullen zij zich behoeden.

وَأَنذِرْ بِهِ ٱلَّذِينَ يَخَافُونَ أَن يُحْشَرُوٓا۟ إِلَىٰ رَبِّهِمْ لَيْسَ لَهُم مِّن دُونِهِۦ وَلِىٌّۭ وَلَا شَفِيعٌۭ لَّعَلَّهُمْ يَتَّقُونَ

6:52

En wijs hen niet af die hun Voogd aanroepen, ochtend en avond, Zijn richting beogend. Er rust op jou niets van hun rekening, en er rust op jou niets van jouw rekening ten aanzien van hen, opdat jij hen afwijst en dan tot de onrechtvaardigen behoort.

وَلَا تَطْرُدِ ٱلَّذِينَ يَدْعُونَ رَبَّهُم بِٱلْغَدَوٰةِ وَٱلْعَشِىِّ يُرِيدُونَ وَجْهَهُۥ مَا عَلَيْكَ مِنْ حِسَابِهِم مِّن شَىْءٍۢ وَمَا مِنْ حِسَابِكَ عَلَيْهِم مِّن شَىْءٍۢ فَتَطْرُدَهُمْ فَتَكُونَ مِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ

6:53

En zo hebben Wij de enen door de anderen beproefd, opdat zij zeggen: “Zijn dit zij die God onder ons begunstigd heeft?”

وَكَذَٰلِكَ فَتَنَّا بَعْضَهُم بِبَعْضٍۢ لِّيَقُولُوٓا۟ أَهَٰٓؤُلَآءِ مَنَّ ٱللَّهُ عَلَيْهِم مِّنۢ بَيْنِنَآ

6:53

Weet God niet het best wie dankbaar zijn?

أَلَيْسَ ٱللَّهُ بِأَعْلَمَ بِٱلشَّٰكِرِينَ

En wanneer zij die in Onze tekenen geloven bij je komen, zeg: “Vrede over jullie.

وَإِذَا جَآءَكَ ٱلَّذِينَ يُؤْمِنُونَ بِـَٔايَٰتِنَا فَقُلْ سَلَٰمٌ عَلَيْكُمْ

6:54

Jullie Voogd heeft Zichzelf de welwillendheid voorgeschreven: wie onder jullie een kwaad begaat uit onwetendheid, daarna, na die daad, berouw heeft en zich saneert – Hij is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”

كَتَبَ رَبُّكُمْ عَلَىٰ نَفْسِهِ ٱلرَّحْمَةَ أَنَّهُۥ مَنْ عَمِلَ مِنكُمْ سُوٓءًۢا بِجَهَٰلَةٍۢ ثُمَّ تَابَ مِنۢ بَعْدِهِۦ وَأَصْلَحَ فَأَنَّهُۥ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌۭ

6:55

Zo detailleren Wij de tekenen, opdat de weg van de afgezonderden duidelijk wordt.

وَكَذَٰلِكَ نُفَصِّلُ ٱلْءَايَٰتِ وَلِتَسْتَبِينَ سَبِيلُ ٱلْمُجْرِمِينَ

Zeg: “Het is mij gewis verboden te gehoorzamen aan hen die jullie aanroepen buiten God.”

قُلْ إِنِّى نُهِيتُ أَنْ أَعْبُدَ ٱلَّذِينَ تَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ

6:56

Zeg: “Ik volg jullie emoties niet;

قُل لَّآ أَتَّبِعُ أَهْوَآءَكُمْ

dan zou ik dwalend zijn, en ik zou niet behoren tot hen die zich laten leiden.”

قَدْ ضَلَلْتُ إِذًۭا وَمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلْمُهْتَدِينَ

Zeg: “Ik steun gewis op een duidelijk bewijs van mijn Voogd, en jullie hebben het ontkend.

قُلْ إِنِّى عَلَىٰ بَيِّنَةٍۢ مِّن رَّبِّى وَكَذَّبْتُم بِهِۦ

Ik heb niet bij mij wat jullie zoeken te verhaasten.

مَا عِندِى مَا تَسْتَعْجِلُونَ بِهِۦٓ

Het oordeel behoort alleen aan God toe.

إِنِ ٱلْحُكْمُ إِلَّا لِلَّهِ

6:57

Hij decreteert de waarheid,

يَقُصُّ ٱلْحَقَّ

en Hij is de voortreffelijkste van hen die de scheiding maken.”

وَهُوَ خَيْرُ ٱلْفَٰصِلِينَ

Zeg: “Als ik bij mij had wat jullie zoeken te verhaasten, zou de zaak reeds beslist zijn tussen mij en jullie.”

قُل لَّوْ أَنَّ عِندِى مَا تَسْتَعْجِلُونَ بِهِۦ لَقُضِىَ ٱلْأَمْرُ بَيْنِى وَبَيْنَكُمْ

God kent de onrechtvaardigen het best.

وَٱللَّهُ أَعْلَمُ بِٱلظَّٰلِمِينَ

6:59

En Hij heeft bij Zich de sleutels van wat de zintuigen ontgaat: niemand kent ze, uitgezonderd Hij.

وَعِندَهُۥ مَفَاتِحُ ٱلْغَيْبِ لَا يَعْلَمُهَآ إِلَّا هُوَ

6:59

En Hij weet wat op het vasteland en in de zee is.

وَيَعْلَمُ مَا فِى ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ

6:59

Geen blad valt of Hij weet het; geen korrel, in de duisternissen van de aarde, niets vochtigs of droogs, dat niet in een uitdrukkelijk register is.

وَمَا تَسْقُطُ مِن وَرَقَةٍ إِلَّا يَعْلَمُهَا وَلَا حَبَّةٍۢ فِى ظُلُمَٰتِ ٱلْأَرْضِ وَلَا رَطْبٍۢ وَلَا يَابِسٍ إِلَّا فِى كِتَٰبٍۢ مُّبِينٍۢ

Hij is het die jullie getrouw in bewaring houdt, 's nachts, en weet wat jullie overdag bedreven hebben, daarna wekt Hij jullie erin op, opdat een genoemde termijn ten einde loopt;

وَهُوَ ٱلَّذِى يَتَوَفَّىٰكُم بِٱلَّيْلِ وَيَعْلَمُ مَا جَرَحْتُم بِٱلنَّهَارِ ثُمَّ يَبْعَثُكُمْ فِيهِ لِيُقْضَىٰٓ أَجَلٌۭ مُّسَمًّۭى

daarna is het tot Hem dat jullie terugkeer zal zijn, en Hij zal jullie berichten over wat jullie deden.

ثُمَّ إِلَيْهِ مَرْجِعُكُمْ ثُمَّ يُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

Hij heerst boven Zijn gehoorzamen,

وَهُوَ ٱلْقَاهِرُ فَوْقَ عِبَادِهِۦ

en Hij zendt over jullie bewaarders,

وَيُرْسِلُ عَلَيْكُمْ حَفَظَةً

6:61

zozeer dat, wanneer de dood bij een van jullie komt, Onze gezondenen hem getrouw in bewaring houden, zonder nalatigheid.

حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَكُمُ ٱلْمَوْتُ تَوَفَّتْهُ رُسُلُنَا وَهُمْ لَا يُفَرِّطُونَ

Daarna worden zij tot God teruggebracht, hun ware naaste Garant.

ثُمَّ رُدُّوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ مَوْلَىٰهُمُ ٱلْحَقِّ

Is het niet aan Hem dat het oordeel toebehoort?

أَلَا لَهُ ٱلْحُكْمُ

Hij is de vlugste van hen die de rekeningen bijhouden.

وَهُوَ أَسْرَعُ ٱلْحَٰسِبِينَ

6:63

Zeg: “Wie redt jullie uit de duisternissen van het vasteland en van de zee?” – jullie roepen Hem aan smekend en in het geheim: “Als U ons hiervan redt, zullen wij voorzeker tot de dankbaren behoren.”

قُلْ مَن يُنَجِّيكُم مِّن ظُلُمَٰتِ ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ تَدْعُونَهُۥ تَضَرُّعًۭا وَخُفْيَةًۭ لَّئِنْ أَنجَىٰنَا مِنْ هَٰذِهِۦ لَنَكُونَنَّ مِنَ ٱلشَّٰكِرِينَ

6:64

Zeg: “God redt jullie ervan, alsook van elke nood; toch associëren jullie.”

قُلِ ٱللَّهُ يُنَجِّيكُم مِّنْهَا وَمِن كُلِّ كَرْبٍۢ ثُمَّ أَنتُمْ تُشْرِكُونَ

Zeg: “Hij is in staat over jullie een pijn op te wekken, van boven jullie of van onder jullie voeten, of jullie in facties te verwarren, en de enen het geweld van de anderen te doen proeven.”

قُلْ هُوَ ٱلْقَادِرُ عَلَىٰٓ أَن يَبْعَثَ عَلَيْكُمْ عَذَابًۭا مِّن فَوْقِكُمْ أَوْ مِن تَحْتِ أَرْجُلِكُمْ أَوْ يَلْبِسَكُمْ شِيَعًۭا وَيُذِيقَ بَعْضَكُم بَأْسَ بَعْضٍ

Kijk hoe Wij de tekenen diversifiëren, misschien zullen zij begrijpen.

ٱنظُرْ كَيْفَ نُصَرِّفُ ٱلْءَايَٰتِ لَعَلَّهُمْ يَفْقَهُونَ

Doch jouw volk heeft haar ontkend, terwijl zij de waarheid is.

وَكَذَّبَ بِهِۦ قَوْمُكَ وَهُوَ ٱلْحَقُّ

6:66

Zeg: “Ik ben voor jullie geen lasthebber.

قُل لَّسْتُ عَلَيْكُم بِوَكِيلٍۢ

Elk bericht heeft zijn stabiele plaats,

لِّكُلِّ نَبَإٍۢ مُّسْتَقَرٌّۭ

en jullie zullen weldra weten.”

وَسَوْفَ تَعْلَمُونَ

En wanneer je hen ziet die zich onderdompelen in Onze tekenen, ontwijk hen, totdat zij zich onderdompelen in een andere rede.

وَإِذَا رَأَيْتَ ٱلَّذِينَ يَخُوضُونَ فِىٓ ءَايَٰتِنَا فَأَعْرِضْ عَنْهُمْ حَتَّىٰ يَخُوضُوا۟ فِى حَدِيثٍ غَيْرِهِۦ

6:68

En als de Afleider je doet vergeten, blijf dan niet zitten, na deze herinnering, bij het onrechtvaardige volk.

وَإِمَّا يُنسِيَنَّكَ ٱلشَّيْطَٰنُ فَلَا تَقْعُدْ بَعْدَ ٱلذِّكْرَىٰ مَعَ ٱلْقَوْمِ ٱلظَّٰلِمِينَ

En er rust niets van hun rekening op hen die zich behoeden,

وَمَا عَلَى ٱلَّذِينَ يَتَّقُونَ مِنْ حِسَابِهِم مِّن شَىْءٍۢ

behalve een herinnering, misschien zullen zij zich behoeden.

وَلَٰكِن ذِكْرَىٰ لَعَلَّهُمْ يَتَّقُونَ

En laat hen achter die hun Wet tot verstrooiing en tot spel genomen hebben, en die het leven hienieden bedrogen heeft.

وَذَرِ ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُوا۟ دِينَهُمْ لَعِبًۭا وَلَهْوًۭا وَغَرَّتْهُمُ ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَا

En herinner erdoor, uit vrees dat een Zelf wordt uitgeleverd voor wat het verworven heeft, zonder buiten God een beschermer noch voorspreker te hebben;

وَذَكِّرْ بِهِۦٓ أَن تُبْسَلَ نَفْسٌۢ بِمَا كَسَبَتْ لَيْسَ لَهَا مِن دُونِ ٱللَّهِ وَلِىٌّۭ وَلَا شَفِيعٌۭ

en zelfs al bood het elke compensatie aan, zij zou niet van hem genomen worden.

وَإِن تَعْدِلْ كُلَّ عَدْلٍۢ لَّا يُؤْخَذْ مِنْهَآ

Dat zijn zij die uitgeleverd zullen zijn voor wat zij verworven hebben; zij zullen een drank van kokend water hebben en een schrijnende pijn, omdat zij verloochend hebben.

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ أُبْسِلُوا۟ بِمَا كَسَبُوا۟ لَهُمْ شَرَابٌۭ مِّنْ حَمِيمٍۢ وَعَذَابٌ أَلِيمٌۢ بِمَا كَانُوا۟ يَكْفُرُونَ

6:71

Zeg: “Zouden wij buiten God aanroepen wat ons niet baat noch schaadt, en zouden wij op onze hielen teruggebracht worden nadat God ons geleid heeft, zoals hij die de Afleiders op aarde hebben aangetrokken, verdwaasd,

قُلْ أَنَدْعُوا۟ مِن دُونِ ٱللَّهِ مَا لَا يَنفَعُنَا وَلَا يَضُرُّنَا وَنُرَدُّ عَلَىٰٓ أَعْقَابِنَا بَعْدَ إِذْ هَدَىٰنَا ٱللَّهُ كَٱلَّذِى ٱسْتَهْوَتْهُ ٱلشَّيَٰطِينُ فِى ٱلْأَرْضِ حَيْرَانَ

terwijl hij metgezellen heeft die hem naar de leiding roepen: ‘Kom naar ons’?”

لَهُۥٓ أَصْحَٰبٌۭ يَدْعُونَهُۥٓ إِلَى ٱلْهُدَى ٱئْتِنَا

Zeg: “De leiding van God, dat is de leiding; en het is ons bevolen integer te zijn tegenover de Voogd van alle wezens, en het Contact te onderhouden, en ons voor Hem te behoeden.”

قُلْ إِنَّ هُدَى ٱللَّهِ هُوَ ٱلْهُدَىٰ وَأُمِرْنَا لِنُسْلِمَ لِرَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ وَأَنْ أَقِيمُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَٱتَّقُوهُ

En het is tot Hem dat jullie verzameld zullen worden.

وَهُوَ ٱلَّذِىٓ إِلَيْهِ تُحْشَرُونَ

Hij is het die de hemelen en de aarde geschapen heeft in alle waarheid,

وَهُوَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ بِٱلْحَقِّ

en de dag waarop Hij zegt: “Wees”,

وَيَوْمَ يَقُولُ كُن

dat is.

فَيَكُونُ

Zijn uitspraak is de waarheid,

قَوْلُهُ ٱلْحَقُّ

6:73

en aan Hem behoort het koningschap toe,

وَلَهُ ٱلْمُلْكُ

6:73

op de dag waarop men in de Hoorn zal blazen.

يَوْمَ يُنفَخُ فِى ٱلصُّورِ

6:73

Hij die weet wat de zintuigen ontgaat en wat geattesteerd is,

عَٰلِمُ ٱلْغَيْبِ وَٱلشَّهَٰدَةِ

Hij is de Wijze, de Intieme Kenner.

وَهُوَ ٱلْحَكِيمُ ٱلْخَبِيرُ

6:74

En toen Ibrahim tot zijn vader Azar zei: “Neem jij idolen tot godheden?

وَإِذْ قَالَ إِبْرَٰهِيمُ لِأَبِيهِ ءَازَرَ أَتَتَّخِذُ أَصْنَامًا ءَالِهَةً

Ik zie jou gewis, jou en jouw volk, in een klaarblijkelijke dwaling.”

إِنِّىٓ أَرَىٰكَ وَقَوْمَكَ فِى ضَلَٰلٍۢ مُّبِينٍۢ

6:75

Zo toonden Wij Ibrahim het soevereine koningschap van de hemelen en de aarde, opdat hij behoort tot hen die de zekerheid bezitten.

وَكَذَٰلِكَ نُرِىٓ إِبْرَٰهِيمَ مَلَكُوتَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَلِيَكُونَ مِنَ ٱلْمُوقِنِينَ

6:76

Toen de nacht hem verborg, zag hij een hemellichaam; hij zei: “Dit is mijn voogd”;

فَلَمَّا جَنَّ عَلَيْهِ ٱلَّيْلُ رَءَا كَوْكَبًۭا قَالَ هَٰذَا رَبِّى

6:76

maar toen het verdween, zei hij: “Ik hou niet van hen die verdwijnen.”

فَلَمَّآ أَفَلَ قَالَ لَآ أُحِبُّ ٱلْءَافِلِينَ

6:77

Daarna, toen hij de maan zag opkomen, zei hij: “Dit is mijn voogd”;

فَلَمَّا رَءَا ٱلْقَمَرَ بَازِغًۭا قَالَ هَٰذَا رَبِّى

6:77

maar toen zij verdween, zei hij: “Als mijn Voogd mij niet leidt, zal ik voorzeker van het dwalende volk zijn.”

فَلَمَّآ أَفَلَ قَالَ لَئِن لَّمْ يَهْدِنِى رَبِّى لَأَكُونَنَّ مِنَ ٱلْقَوْمِ ٱلضَّآلِّينَ

6:78

Daarna, toen hij de zon zag opkomen, zei hij: “Dit is mijn voogd, deze is groter”;

فَلَمَّا رَءَا ٱلشَّمْسَ بَازِغَةًۭ قَالَ هَٰذَا رَبِّى هَٰذَآ أَكْبَرُ

6:78

maar toen hij verdween, zei hij: “O mijn volk! Ik ben gewis vrij van wat jullie associëren.

فَلَمَّآ أَفَلَتْ قَالَ يَٰقَوْمِ إِنِّى بَرِىٓءٌۭ مِّمَّا تُشْرِكُونَ

6:79

Ik heb mijn richting georiënteerd naar Hem die de hemelen en de aarde oorspronkelijk geschapen heeft, geheel naar Hem toegekeerd,

إِنِّى وَجَّهْتُ وَجْهِىَ لِلَّذِى فَطَرَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ حَنِيفًۭا

en ik behoor niet tot hen die associëren.”

وَمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلْمُشْرِكِينَ

6:80

En zijn volk disputeerde met hem.

وَحَآجَّهُۥ قَوْمُهُۥ

6:80

Hij zei: “Disputeren jullie met mij over God, terwijl Hij mij geleid heeft?

قَالَ أَتُحَٰٓجُّوٓنِّى فِى ٱللَّهِ وَقَدْ هَدَىٰنِ

En ik vrees niet wat jullie met Hem associëren, tenzij het mijn Voogd behaagt dat mij iets overkomt.

وَلَآ أَخَافُ مَا تُشْرِكُونَ بِهِۦٓ إِلَّآ أَن يَشَآءَ رَبِّى شَيْـًۭٔا

Mijn Voogd omvat alles met Zijn weten.

وَسِعَ رَبِّى كُلَّ شَىْءٍ عِلْمًا

Herinneren jullie je dan niet?

أَفَلَا تَتَذَكَّرُونَ

En hoe zou ik vrezen wat jullie associëren,

وَكَيْفَ أَخَافُ مَآ أَشْرَكْتُمْ

6:81

terwijl jullie niet vrezen aan God datgene te hebben geassocieerd waarvoor Hij op jullie geen enkel gezag heeft doen neerdalen?

وَلَا تَخَافُونَ أَنَّكُمْ أَشْرَكْتُم بِٱللَّهِ مَا لَمْ يُنَزِّلْ بِهِۦ عَلَيْكُمْ سُلْطَٰنًۭا

6:81

Welke van de twee fracties heeft dus het meeste recht op de veiligheid, als jullie weten?”

فَأَىُّ ٱلْفَرِيقَيْنِ أَحَقُّ بِٱلْأَمْنِ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ

6:82

Zij die geloofd hebben en hun geloof niet met enig onrecht bekleed hebben – dat zijn zij die de veiligheid hebben, en zij laten zich leiden.

ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَلَمْ يَلْبِسُوٓا۟ إِيمَٰنَهُم بِظُلْمٍ أُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمُ ٱلْأَمْنُ وَهُم مُّهْتَدُونَ

6:83

En dat is Ons argument, dat Wij Ibrahim gegeven hebben tegen zijn volk.

وَتِلْكَ حُجَّتُنَآ ءَاتَيْنَٰهَآ إِبْرَٰهِيمَ عَلَىٰ قَوْمِهِۦ

6:83

Wij verheffen in graden wie het Ons behaagt.

نَرْفَعُ دَرَجَٰتٍۢ مَّن نَّشَآءُ

Jouw Voogd is gewis Wijs, Alwetend.

إِنَّ رَبَّكَ حَكِيمٌ عَلِيمٌۭ

En Wij schonken hem Ishaq en Ja'qoeb;

وَوَهَبْنَا لَهُۥٓ إِسْحَٰقَ وَيَعْقُوبَ

Wij hebben hen beiden geleid.

كُلًّا هَدَيْنَا

6:84

En Noeh, Wij hadden hem voordien geleid;

وَنُوحًا هَدَيْنَا مِن قَبْلُ

6:84

en onder zijn nageslacht, Dawoed, Soelaiman, Ajjoeb, Joesoef, Moesa en Haroen.

وَمِن ذُرِّيَّتِهِۦ دَاوُۥدَ وَسُلَيْمَٰنَ وَأَيُّوبَ وَيُوسُفَ وَمُوسَىٰ وَهَٰرُونَ

Zo vergelden Wij hen die het goede doen.

وَكَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

6:85

En Zakarija, Jahja, Isa en Iljas –

وَزَكَرِيَّا وَيَحْيَىٰ وَعِيسَىٰ وَإِلْيَاسَ

allen behoren tot hen die gezond zijn.

كُلٌّۭ مِّنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

6:86

En Isma'il, Al-Jasa', Joenoes en Loet –

وَإِسْمَٰعِيلَ وَٱلْيَسَعَ وَيُونُسَ وَلُوطًۭا

en allen, Wij hebben hen bevoorrecht boven alle wezens.

وَكُلًّۭا فَضَّلْنَا عَلَى ٱلْعَٰلَمِينَ

En onder hun voorouders, hun nageslachten en hun broers –

وَمِنْ ءَابَآئِهِمْ وَذُرِّيَّٰتِهِمْ وَإِخْوَٰنِهِمْ

Wij hebben hen verkozen, en Wij hebben hen geleid naar een rechtlijnig pad.

وَٱجْتَبَيْنَٰهُمْ وَهَدَيْنَٰهُمْ إِلَىٰ صِرَٰطٍۢ مُّسْتَقِيمٍۢ

Dat is de leiding van God, waarmee Hij leidt wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen.

ذَٰلِكَ هُدَى ٱللَّهِ يَهْدِى بِهِۦ مَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ

En als zij geassocieerd hadden, zou wat zij deden voor hen ingestort zijn.

وَلَوْ أَشْرَكُوا۟ لَحَبِطَ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

6:89

Dat zijn zij aan wie Wij de Schrift, het oordeel en de berichtgeving gegeven hebben.

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ ءَاتَيْنَٰهُمُ ٱلْكِتَٰبَ وَٱلْحُكْمَ وَٱلنُّبُوَّةَ

Als dezen haar dus verloochenen, hebben Wij reeds een volk voor haar gemandateerd dat er geen verloochenaar van is.

فَإِن يَكْفُرْ بِهَا هَٰٓؤُلَآءِ فَقَدْ وَكَّلْنَا بِهَا قَوْمًۭا لَّيْسُوا۟ بِهَا بِكَٰفِرِينَ

6:90

Dat zijn zij die God geleid heeft; modelleer je dus naar hun leiding.

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ هَدَى ٱللَّهُ فَبِهُدَىٰهُمُ ٱقْتَدِهْ

6:90

Zeg: “Ik vraag jullie hiervoor geen enkele beloning.

قُل لَّآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ أَجْرًا

6:90

Het is slechts een herinnering voor alle wezens.”

إِنْ هُوَ إِلَّا ذِكْرَىٰ لِلْعَٰلَمِينَ

6:91

Zij hebben God niet gemeten naar Zijn juiste maat, toen zij zeiden: “God heeft niets doen neerdalen op een sterveling.”

وَمَا قَدَرُوا۟ ٱللَّهَ حَقَّ قَدْرِهِۦٓ إِذْ قَالُوا۟ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ عَلَىٰ بَشَرٍۢ مِّن شَىْءٍۢ

6:91

Zeg: “Wie heeft de Schrift doen neerdalen die Moesa gebracht heeft, licht en leiding voor de mensen,

قُلْ مَنْ أَنزَلَ ٱلْكِتَٰبَ ٱلَّذِى جَآءَ بِهِۦ مُوسَىٰ نُورًۭا وَهُدًۭى لِّلنَّاسِ

6:91

die zij op perkamenten zetten, door sommige te doen blijken en er veel van te verhullen –

تَجْعَلُونَهُۥ قَرَاطِيسَ تُبْدُونَهَا وَتُخْفُونَ كَثِيرًۭا

6:91

en men heeft jullie onderwezen wat jullie niet wisten, noch jullie noch jullie voorouders?” Zeg: “God”;

وَعُلِّمْتُم مَّا لَمْ تَعْلَمُوٓا۟ أَنتُمْ وَلَآ ءَابَآؤُكُمْ قُلِ ٱللَّهُ

daarna laat hen achter in hun ijdele redevoeringen, waarin zij spelen.

ثُمَّ ذَرْهُمْ فِى خَوْضِهِمْ يَلْعَبُونَ

6:92

En dit is een Schrift die Wij hebben doen neerdalen, gezegend, bevestigend wat haar voorafgaat, opdat jij de metropool der steden en hen die haar omringen waarschuwt.

وَهَٰذَا كِتَٰبٌ أَنزَلْنَٰهُ مُبَارَكٌۭ مُّصَدِّقُ ٱلَّذِى بَيْنَ يَدَيْهِ وَلِتُنذِرَ أُمَّ ٱلْقُرَىٰ وَمَنْ حَوْلَهَا

En zij die in het laatste leven geloven, geloven erin, en zij bewaren voortdurend hun Contact.

وَٱلَّذِينَ يُؤْمِنُونَ بِٱلْءَاخِرَةِ يُؤْمِنُونَ بِهِۦ وَهُمْ عَلَىٰ صَلَاتِهِمْ يُحَافِظُونَ

En wie is dus onrechtvaardiger dan wie een leugen verzint tegen God, of zegt: “Het is mij geopenbaard”, terwijl hem niets geopenbaard is, en wie zegt: “Ik zal het soortgelijke doen neerdalen van wat God heeft doen neerdalen”?

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ ٱفْتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا أَوْ قَالَ أُوحِىَ إِلَىَّ وَلَمْ يُوحَ إِلَيْهِ شَىْءٌۭ وَمَن قَالَ سَأُنزِلُ مِثْلَ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ

6:93

En als je zag, wanneer de onrechtvaardigen in de doodsstrijd zijn, en de Gemachtigden de handen uitstrekken: “Breng jullie Zelf naar buiten.

وَلَوْ تَرَىٰٓ إِذِ ٱلظَّٰلِمُونَ فِى غَمَرَٰتِ ٱلْمَوْتِ وَٱلْمَلَٰٓئِكَةُ بَاسِطُوٓا۟ أَيْدِيهِمْ أَخْرِجُوٓا۟ أَنفُسَكُمُ

Vandaag zullen jullie vergolden worden met de pijn van de verlaging, omdat jullie over God iets anders dan de waarheid gezegd hebben, en omdat jullie tegenover Zijn tekenen van hoogmoed zijn opgezwollen.”

ٱلْيَوْمَ تُجْزَوْنَ عَذَابَ ٱلْهُونِ بِمَا كُنتُمْ تَقُولُونَ عَلَى ٱللَّهِ غَيْرَ ٱلْحَقِّ وَكُنتُمْ عَنْ ءَايَٰتِهِۦ تَسْتَكْبِرُونَ

Hier zijn jullie dan, tot Ons gekomen, geïsoleerd, zoals Wij jullie de eerste keer geschapen hebben, en jullie hebben achter jullie rug gelaten wat Wij jullie toegekend hadden;

وَلَقَدْ جِئْتُمُونَا فُرَٰدَىٰ كَمَا خَلَقْنَٰكُمْ أَوَّلَ مَرَّةٍۢ وَتَرَكْتُم مَّا خَوَّلْنَٰكُمْ وَرَآءَ ظُهُورِكُمْ

en Wij zien jullie voorsprekers niet bij jullie, van wie jullie beweerden dat zij geassocieerden waren onder jullie.

وَمَا نَرَىٰ مَعَكُمْ شُفَعَآءَكُمُ ٱلَّذِينَ زَعَمْتُمْ أَنَّهُمْ فِيكُمْ شُرَكَٰٓؤُا۟

6:94

De schakels tussen jullie zijn wel verbroken, en wat jullie beweerden is ver van jullie gedwaald.

لَقَد تَّقَطَّعَ بَيْنَكُمْ وَضَلَّ عَنكُم مَّا كُنتُمْ تَزْعُمُونَ

God is Hij die het zaad en de kern splijt.

إِنَّ ٱللَّهَ فَالِقُ ٱلْحَبِّ وَٱلنَّوَىٰ

6:95

Hij brengt de levende uit de dode naar buiten, en Hij brengt de dode uit de levende naar buiten.

يُخْرِجُ ٱلْحَىَّ مِنَ ٱلْمَيِّتِ وَمُخْرِجُ ٱلْمَيِّتِ مِنَ ٱلْحَىِّ

Dat is God.

ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ

Hoe worden jullie dan van het spoor gebracht?

فَأَنَّىٰ تُؤْفَكُونَ

6:96

Hij die het krieken van de dag splijt, en die van de nacht een rust gemaakt heeft,

فَالِقُ ٱلْإِصْبَاحِ وَجَعَلَ ٱلَّيْلَ سَكَنًۭا

en van de zon en de maan, een berekening.

وَٱلشَّمْسَ وَٱلْقَمَرَ حُسْبَانًۭا

Dat is de maat die vastgelegd is door de Almachtige, de Alwetende.

ذَٰلِكَ تَقْدِيرُ ٱلْعَزِيزِ ٱلْعَلِيمِ

En Hij is het die voor jullie de sterren gemaakt heeft, opdat jullie je erdoor laten leiden in de duisternissen van het vasteland en van de zee.

وَهُوَ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلنُّجُومَ لِتَهْتَدُوا۟ بِهَا فِى ظُلُمَٰتِ ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ

Wij hebben de tekenen gewis gedetailleerd voor een volk dat weet.

قَدْ فَصَّلْنَا ٱلْءَايَٰتِ لِقَوْمٍۢ يَعْلَمُونَ

6:98

En Hij is het die jullie uit één enkel Zelf heeft doen ontstaan – daarna een haven en een depot.

وَهُوَ ٱلَّذِىٓ أَنشَأَكُم مِّن نَّفْسٍۢ وَٰحِدَةٍۢ فَمُسْتَقَرٌّۭ وَمُسْتَوْدَعٌۭ

Wij hebben de tekenen gewis gedetailleerd voor een volk dat begrijpt.

قَدْ فَصَّلْنَا ٱلْءَايَٰتِ لِقَوْمٍۢ يَفْقَهُونَ

En Hij is het die uit de hemel een water heeft doen neerdalen, en Wij hebben daarmee de plantengroei van alles naar buiten gebracht; Wij hebben daaruit groen naar buiten gebracht, waaruit Wij opeengestapelde korrels naar buiten brengen, en, uit de palm, uit zijn bloeischede, trossen binnen handbereik, en tuinen van wijnstokken, de olijfboom en de granaatappelboom, gelijkend en niet gelijkend.

وَهُوَ ٱلَّذِىٓ أَنزَلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءًۭ فَأَخْرَجْنَا بِهِۦ نَبَاتَ كُلِّ شَىْءٍۢ فَأَخْرَجْنَا مِنْهُ خَضِرًۭا نُّخْرِجُ مِنْهُ حَبًّۭا مُّتَرَاكِبًۭا وَمِنَ ٱلنَّخْلِ مِن طَلْعِهَا قِنْوَانٌۭ دَانِيَةٌۭ وَجَنَّٰتٍۢ مِّنْ أَعْنَابٍۢ وَٱلزَّيْتُونَ وَٱلرُّمَّانَ مُشْتَبِهًۭا وَغَيْرَ مُتَشَٰبِهٍ

Kijk naar zijn vrucht, wanneer hij vrucht draagt, en naar zijn rijping.

ٱنظُرُوٓا۟ إِلَىٰ ثَمَرِهِۦٓ إِذَآ أَثْمَرَ وَيَنْعِهِۦٓ

Daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat gelooft.

إِنَّ فِى ذَٰلِكُمْ لَءَايَٰتٍۢ لِّقَوْمٍۢ يُؤْمِنُونَ

6:100

En zij hebben aan God geassocieerden toegewezen: de Verborgenen, terwijl Hij hen geschapen heeft;

وَجَعَلُوا۟ لِلَّهِ شُرَكَآءَ ٱلْجِنَّ وَخَلَقَهُمْ

6:100

en zij hebben Hem, zonder enig weten, zonen en dochters toegeschreven.

وَخَرَقُوا۟ لَهُۥ بَنِينَ وَبَنَٰتٍۭ بِغَيْرِ عِلْمٍۢ

Glorie zij Hem! Hij staat ver boven wat zij beschrijven.

سُبْحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يَصِفُونَ

Schepper zonder precedent van de hemelen en de aarde.

بَدِيعُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ

Hoe zou Hij een kind hebben, terwijl Hij geen metgezellin heeft,

أَنَّىٰ يَكُونُ لَهُۥ وَلَدٌۭ وَلَمْ تَكُن لَّهُۥ صَٰحِبَةٌۭ

en Hij alles geschapen heeft,

وَخَلَقَ كُلَّ شَىْءٍۢ

en Hij Alwetend is over alles?

وَهُوَ بِكُلِّ شَىْءٍ عَلِيمٌۭ

Dat is God, jullie Voogd.

ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمْ

Geen godheid behalve Hij,

لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ

Schepper van alles;

خَٰلِقُ كُلِّ شَىْءٍۢ

gehoorzaam Hem dus.

فَٱعْبُدُوهُ

6:102

Hij is, over alles, lasthebber.

وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ وَكِيلٌۭ

6:103

Het gezichtsvermogen haalt Hem niet in,

لَّا تُدْرِكُهُ ٱلْأَبْصَٰرُ

6:103

maar Hij haalt het gezichtsvermogen in.

وَهُوَ يُدْرِكُ ٱلْأَبْصَٰرَ

6:103

Hij is de Subtiele, de Intieme Kenner.

وَهُوَ ٱللَّطِيفُ ٱلْخَبِيرُ

Er zijn jullie gewis klaarzichtigheden van jullie Voogd gekomen.

قَدْ جَآءَكُم بَصَآئِرُ مِن رَّبِّكُمْ

Wie klaar ziet, dat is voor zichzelf; en wie blind is, dat is ten nadele van hemzelf.

فَمَنْ أَبْصَرَ فَلِنَفْسِهِۦ وَمَنْ عَمِىَ فَعَلَيْهَا

En ik ben over jullie geen bewaarder.

وَمَآ أَنَا۠ عَلَيْكُم بِحَفِيظٍۢ

6:105

En zo diversifiëren Wij de tekenen; en opdat zij zeggen: “Je hebt gestudeerd”, en opdat Wij het duidelijk maken voor een volk dat weet.

وَكَذَٰلِكَ نُصَرِّفُ ٱلْءَايَٰتِ وَلِيَقُولُوا۟ دَرَسْتَ وَلِنُبَيِّنَهُۥ لِقَوْمٍۢ يَعْلَمُونَ

Volg wat je geopenbaard wordt van de zijde van jouw Voogd.

ٱتَّبِعْ مَآ أُوحِىَ إِلَيْكَ مِن رَّبِّكَ

Geen godheid behalve Hij,

لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ

en ontwijk hen die associëren.

وَأَعْرِضْ عَنِ ٱلْمُشْرِكِينَ

En als het God behaagd had, zouden zij niet geassocieerd hebben.

وَلَوْ شَآءَ ٱللَّهُ مَآ أَشْرَكُوا۟

En Wij hebben je niet hun bewaarder gemaakt,

وَمَا جَعَلْنَٰكَ عَلَيْهِمْ حَفِيظًۭا

6:107

en jij bent voor hen geen lasthebber.

وَمَآ أَنتَ عَلَيْهِم بِوَكِيلٍۢ

6:108

En beledig hen niet die zij buiten God aanroepen, uit vrees dat zij God beledigen uit vijandigheid, zonder te weten.

وَلَا تَسُبُّوا۟ ٱلَّذِينَ يَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ فَيَسُبُّوا۟ ٱللَّهَ عَدْوًۢا بِغَيْرِ عِلْمٍۢ

6:108

Zo hebben Wij voor elke gemeenschap haar werk verfraaid;

كَذَٰلِكَ زَيَّنَّا لِكُلِّ أُمَّةٍ عَمَلَهُمْ

6:108

daarna is het tot hun Voogd dat hun terugkeer zal zijn, en Hij zal hen berichten over wat zij deden.

ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّهِم مَّرْجِعُهُمْ فَيُنَبِّئُهُم بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

En zij hebben bij God gezworen, met de volle kracht van hun eden, dat als een teken tot hen kwam, zij er voorzeker in zouden geloven.

وَأَقْسَمُوا۟ بِٱللَّهِ جَهْدَ أَيْمَٰنِهِمْ لَئِن جَآءَتْهُمْ ءَايَةٌۭ لَّيُؤْمِنُنَّ بِهَا

Zeg: “De tekenen zijn slechts bij God”;

قُلْ إِنَّمَا ٱلْءَايَٰتُ عِندَ ٱللَّهِ

6:109

en wat doet jullie het voelen?

وَمَا يُشْعِرُكُمْ

6:109

Gewis, wanneer het komt, zullen zij er niet in geloven.

أَنَّهَآ إِذَا جَآءَتْ لَا يُؤْمِنُونَ

En Wij keren hun Bewustzijnen en hun gezichtsvermogen om, zoals zij er de eerste keer niet in geloofd hebben, en Wij laten hen achter in hun mateloosheid, waarin zij rondtasten.

وَنُقَلِّبُ أَفْـِٔدَتَهُمْ وَأَبْصَٰرَهُمْ كَمَا لَمْ يُؤْمِنُوا۟ بِهِۦٓ أَوَّلَ مَرَّةٍۢ وَنَذَرُهُمْ فِى طُغْيَٰنِهِمْ يَعْمَهُونَ

6:111

En zelfs als Wij de Gemachtigden naar hen hadden doen neerdalen, en de doden tot hen hadden gesproken, en Wij alles voor hen hadden verzameld, oog in oog, zij zouden niet geloofd hebben, tenzij het God behaagt;

وَلَوْ أَنَّنَا نَزَّلْنَآ إِلَيْهِمُ ٱلْمَلَٰٓئِكَةَ وَكَلَّمَهُمُ ٱلْمَوْتَىٰ وَحَشَرْنَا عَلَيْهِمْ كُلَّ شَىْءٍۢ قُبُلًۭا مَّا كَانُوا۟ لِيُؤْمِنُوٓا۟ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُ

maar de meesten onder hen zijn onwetend.

وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ يَجْهَلُونَ

6:112

En zo hebben Wij aan elke berichtgever een vijand toegewezen: de afleiders onder de stervelingen en de Verborgenen, die elkaar een vergulde uitspraak ingeven, om te bedriegen.

وَكَذَٰلِكَ جَعَلْنَا لِكُلِّ نَبِىٍّ عَدُوًّۭا شَيَٰطِينَ ٱلْإِنسِ وَٱلْجِنِّ يُوحِى بَعْضُهُمْ إِلَىٰ بَعْضٍۢ زُخْرُفَ ٱلْقَوْلِ غُرُورًۭا

6:112

En als het jouw Voogd behaagd had, zouden zij het niet gedaan hebben;

وَلَوْ شَآءَ رَبُّكَ مَا فَعَلُوهُ

6:112

laat hen dus achter, alsook wat zij verzinnen.

فَذَرْهُمْ وَمَا يَفْتَرُونَ

6:113

En opdat de Bewustzijnen van hen die niet in het laatste leven geloven ertoe overhellen, zij er zich mee tevreden stellen, en zij begaan wat zij te begaan hebben.

وَلِتَصْغَىٰٓ إِلَيْهِ أَفْـِٔدَةُ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْءَاخِرَةِ وَلِيَرْضَوْهُ وَلِيَقْتَرِفُوا۟ مَا هُم مُّقْتَرِفُونَ

6:114

Zou ik dus een andere rechter dan God zoeken, terwijl Hij het is die de Schrift, gedetailleerd, naar jullie heeft doen neerdalen?

أَفَغَيْرَ ٱللَّهِ أَبْتَغِى حَكَمًۭا وَهُوَ ٱلَّذِىٓ أَنزَلَ إِلَيْكُمُ ٱلْكِتَٰبَ مُفَصَّلًۭا

6:114

En zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben, weten dat zij van jouw Voogd neergedaald is in alle waarheid;

وَٱلَّذِينَ ءَاتَيْنَٰهُمُ ٱلْكِتَٰبَ يَعْلَمُونَ أَنَّهُۥ مُنَزَّلٌۭ مِّن رَّبِّكَ بِٱلْحَقِّ

behoor dus nooit tot hen die in controverse treden.

فَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلْمُمْتَرِينَ

6:115

En het woord van jouw Voogd is voltooid, in alle waarachtigheid en in alle rechtvaardigheid.

وَتَمَّتْ كَلِمَتُ رَبِّكَ صِدْقًۭا وَعَدْلًۭا

6:115

Niemand kan Zijn woorden veranderen,

لَّا مُبَدِّلَ لِكَلِمَٰتِهِۦ

en Hij is de Alhorende, de Alwetende.

وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ

6:116

En als je je voegt naar de meesten van hen die op de aarde zijn, zullen zij je ver van de weg van God doen dwalen.

وَإِن تُطِعْ أَكْثَرَ مَن فِى ٱلْأَرْضِ يُضِلُّوكَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ

6:116

Zij volgen slechts het vermoeden,

إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ

6:116

en zij doen niets dan gissen.

وَإِنْ هُمْ إِلَّا يَخْرُصُونَ

Jouw Voogd kent gewis het best wie ver van Zijn weg dwaalt,

إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ مَن يَضِلُّ عَن سَبِيلِهِۦ

en Hij weet het best wie zich laten leiden.

وَهُوَ أَعْلَمُ بِٱلْمُهْتَدِينَ

Eet dus van datgene waarover de naam van God herinnerd is, als jullie gelovenden zijn in Zijn tekenen.

فَكُلُوا۟ مِمَّا ذُكِرَ ٱسْمُ ٱللَّهِ عَلَيْهِ إِن كُنتُم بِـَٔايَٰتِهِۦ مُؤْمِنِينَ

6:119

En wat is er met jullie, dat jullie niet eten van datgene waarover de naam van God herinnerd is, terwijl Hij jullie gedetailleerd heeft wat Hij jullie ontzegd heeft, behoudens datgene waartoe jullie in het nauw gedreven worden?

وَمَا لَكُمْ أَلَّا تَأْكُلُوا۟ مِمَّا ذُكِرَ ٱسْمُ ٱللَّهِ عَلَيْهِ وَقَدْ فَصَّلَ لَكُم مَّا حَرَّمَ عَلَيْكُمْ إِلَّا مَا ٱضْطُرِرْتُمْ إِلَيْهِ

6:119

En velen doen voorzeker dwalen door hun emoties, zonder te weten.

وَإِنَّ كَثِيرًۭا لَّيُضِلُّونَ بِأَهْوَآئِهِم بِغَيْرِ عِلْمٍ

Jouw Voogd weet het best wie de grenzen overschrijden.

إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ بِٱلْمُعْتَدِينَ

En laat de overtreding achter, onbedekt en innerlijk.

وَذَرُوا۟ ظَٰهِرَ ٱلْإِثْمِ وَبَاطِنَهُۥٓ

Zij die de overtreding verwerven zullen gewis vergolden worden voor wat zij begingen.

إِنَّ ٱلَّذِينَ يَكْسِبُونَ ٱلْإِثْمَ سَيُجْزَوْنَ بِمَا كَانُوا۟ يَقْتَرِفُونَ

En eet niet van datgene waarover de naam van God niet herinnerd is: het is voorzeker een grensoverschrijding.

وَلَا تَأْكُلُوا۟ مِمَّا لَمْ يُذْكَرِ ٱسْمُ ٱللَّهِ عَلَيْهِ وَإِنَّهُۥ لَفِسْقٌۭ

6:121

En de Afleiders geven voorzeker hun bondgenoten in om met jullie te debatteren;

وَإِنَّ ٱلشَّيَٰطِينَ لَيُوحُونَ إِلَىٰٓ أَوْلِيَآئِهِمْ لِيُجَٰدِلُوكُمْ

en als jullie je naar hen voegden, zouden jullie voorzeker tot hen behoren die associëren.

وَإِنْ أَطَعْتُمُوهُمْ إِنَّكُمْ لَمُشْرِكُونَ

6:122

Wie dood was, en aan wie Wij het leven gegeven hebben, en voor wie Wij een licht gemaakt hebben waarmee hij onder de mensen loopt, is hij soortgelijk aan hem wiens voorbeeld is dat hij in de duisternissen is, zonder eruit te kunnen gaan?

أَوَمَن كَانَ مَيْتًۭا فَأَحْيَيْنَٰهُ وَجَعَلْنَا لَهُۥ نُورًۭا يَمْشِى بِهِۦ فِى ٱلنَّاسِ كَمَن مَّثَلُهُۥ فِى ٱلظُّلُمَٰتِ لَيْسَ بِخَارِجٍۢ مِّنْهَا

Zo werden voor hen die verloochenen de daden verfraaid die zij verrichtten.

كَذَٰلِكَ زُيِّنَ لِلْكَٰفِرِينَ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

En zo hebben Wij in elke stad de grootsten van haar afgezonderden geplaatst, opdat zij er complotteren;

وَكَذَٰلِكَ جَعَلْنَا فِى كُلِّ قَرْيَةٍ أَكَٰبِرَ مُجْرِمِيهَا لِيَمْكُرُوا۟ فِيهَا

maar zij complotteren slechts tegen zichzelf, zonder het te voelen.

وَمَا يَمْكُرُونَ إِلَّا بِأَنفُسِهِمْ وَمَا يَشْعُرُونَ

6:124

En wanneer een teken tot hen komt, zeggen zij: “Wij zullen niet geloven, totdat men ons het soortgelijke geeft van wat aan de gezanten van God gegeven is.”

وَإِذَا جَآءَتْهُمْ ءَايَةٌۭ قَالُوا۟ لَن نُّؤْمِنَ حَتَّىٰ نُؤْتَىٰ مِثْلَ مَآ أُوتِىَ رُسُلُ ٱللَّهِ

6:124

God weet het best waar Hij Zijn boodschap plaatst.

ٱللَّهُ أَعْلَمُ حَيْثُ يَجْعَلُ رِسَالَتَهُۥ

Een verlaging bij God, en een strenge pijn, zullen hen te beurt vallen die zich afgezonderd hebben, omdat zij gecomplotteerd hebben.

سَيُصِيبُ ٱلَّذِينَ أَجْرَمُوا۟ صَغَارٌ عِندَ ٱللَّهِ وَعَذَابٌۭ شَدِيدٌۢ بِمَا كَانُوا۟ يَمْكُرُونَ

6:125

Wie God wil leiden, diens borst opent Hij voor de integriteit tegenover God;

فَمَن يُرِدِ ٱللَّهُ أَن يَهْدِيَهُۥ يَشْرَحْ صَدْرَهُۥ لِلْإِسْلَٰمِ

6:125

en wie Hij wil doen dwalen, diens borst maakt Hij nauw en benauwd, alsof hij in de hemel opsteeg.

وَمَن يُرِدْ أَن يُضِلَّهُۥ يَجْعَلْ صَدْرَهُۥ ضَيِّقًا حَرَجًۭا كَأَنَّمَا يَصَّعَّدُ فِى ٱلسَّمَآءِ

Zo plaatst God het slijk op hen die niet geloven.

كَذَٰلِكَ يَجْعَلُ ٱللَّهُ ٱلرِّجْسَ عَلَى ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ

En dit is het pad van jouw Voogd, rechtlijnig.

وَهَٰذَا صِرَٰطُ رَبِّكَ مُسْتَقِيمًۭا

Wij hebben de tekenen gewis gedetailleerd voor een volk dat zich herinnert.

قَدْ فَصَّلْنَا ٱلْءَايَٰتِ لِقَوْمٍۢ يَذَّكَّرُونَ

Zij hebben het Verblijf van de Vrede, bij hun Voogd,

لَهُمْ دَارُ ٱلسَّلَٰمِ عِندَ رَبِّهِمْ

en Hij is hun beschermer, om wat zij deden.

وَهُوَ وَلِيُّهُم بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

6:128

En de dag waarop Hij hen allen zal verzamelen: “O vergadering van de Verborgenen! Jullie hebben wel veel stervelingen voor jullie gewonnen”;

وَيَوْمَ يَحْشُرُهُمْ جَمِيعًۭا يَٰمَعْشَرَ ٱلْجِنِّ قَدِ ٱسْتَكْثَرْتُم مِّنَ ٱلْإِنسِ

en hun bondgenoten onder de stervelingen zullen zeggen: “Onze Voogd, wij hebben van elkaar genoten, en wij hebben onze termijn bereikt, die U ons had vastgelegd.”

وَقَالَ أَوْلِيَآؤُهُم مِّنَ ٱلْإِنسِ رَبَّنَا ٱسْتَمْتَعَ بَعْضُنَا بِبَعْضٍۢ وَبَلَغْنَآ أَجَلَنَا ٱلَّذِىٓ أَجَّلْتَ لَنَا

Hij zal zeggen: “Het Vuur is jullie onderkomen, jullie blijven daar eeuwig” – behoudens wat het God zal behagen.

قَالَ ٱلنَّارُ مَثْوَىٰكُمْ خَٰلِدِينَ فِيهَآ إِلَّا مَا شَآءَ ٱللَّهُ

Jouw Voogd is gewis Wijs, Alwetend.

إِنَّ رَبَّكَ حَكِيمٌ عَلِيمٌۭ

En zo doen Wij de onrechtvaardigen elkaars bondgenoten worden, om wat zij verwierven.

وَكَذَٰلِكَ نُوَلِّى بَعْضَ ٱلظَّٰلِمِينَ بَعْضًۢا بِمَا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ

6:130

“O vergadering van de Verborgenen en van de stervelingen! Zijn er geen gezanten uit jullie midden tot jullie gekomen, die jullie Mijn tekenen vertelden en jullie waarschuwden voor de ontmoeting van deze dag die van jullie is?”

يَٰمَعْشَرَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ أَلَمْ يَأْتِكُمْ رُسُلٌۭ مِّنكُمْ يَقُصُّونَ عَلَيْكُمْ ءَايَٰتِى وَيُنذِرُونَكُمْ لِقَآءَ يَوْمِكُمْ هَٰذَا

Zij zullen zeggen: “Wij getuigen tegen onszelf”;

قَالُوا۟ شَهِدْنَا عَلَىٰٓ أَنفُسِنَا

en het leven hienieden heeft hen bedrogen, en zij zullen tegen zichzelf getuigen dat zij verloochenden.

وَغَرَّتْهُمُ ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَا وَشَهِدُوا۟ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمْ أَنَّهُمْ كَانُوا۟ كَٰفِرِينَ

Dat komt doordat het niet in de aard van jouw Voogd ligt steden op onrechtvaardige wijze te vernietigen, terwijl de lieden erin onbekommerd zouden zijn.

ذَٰلِكَ أَن لَّمْ يَكُن رَّبُّكَ مُهْلِكَ ٱلْقُرَىٰ بِظُلْمٍۢ وَأَهْلُهَا غَٰفِلُونَ

En voor ieder, graden, naar wat zij gedaan hebben.

وَلِكُلٍّۢ دَرَجَٰتٌۭ مِّمَّا عَمِلُوا۟

En jouw Voogd is niet onbekommerd over wat zij doen.

وَمَا رَبُّكَ بِغَٰفِلٍ عَمَّا يَعْمَلُونَ

En jouw Voogd is de Rijke, houder van de welwillendheid.

وَرَبُّكَ ٱلْغَنِىُّ ذُو ٱلرَّحْمَةِ

Als het Hem behaagt, voert Hij jullie weg, en Hij laat na jullie opvolgen wat het Hem behaagt, zoals Hij jullie heeft doen ontstaan uit het nageslacht van een ander volk.

إِن يَشَأْ يُذْهِبْكُمْ وَيَسْتَخْلِفْ مِنۢ بَعْدِكُم مَّا يَشَآءُ كَمَآ أَنشَأَكُم مِّن ذُرِّيَّةِ قَوْمٍ ءَاخَرِينَ

Wat jullie beloofd wordt, zal voorzeker komen,

إِنَّ مَا تُوعَدُونَ لَءَاتٍۢ

en jullie zullen Hem niet tot onmacht weten te brengen.

وَمَآ أَنتُم بِمُعْجِزِينَ

6:135

Zeg: “O mijn volk! Handel naar jullie plaats; ook ik handel gewis.

قُلْ يَٰقَوْمِ ٱعْمَلُوا۟ عَلَىٰ مَكَانَتِكُمْ إِنِّى عَامِلٌۭ

Jullie zullen weldra weten aan wie de afloop van het verblijf zal toekomen.

فَسَوْفَ تَعْلَمُونَ مَن تَكُونُ لَهُۥ عَٰقِبَةُ ٱلدَّارِ

De onrechtvaardigen slagen gewis niet.”

إِنَّهُۥ لَا يُفْلِحُ ٱلظَّٰلِمُونَ

6:136

En zij hebben aan God, van wat Hij als akker en vee heeft verspreid, een deel toegewezen, zeggend: “Dit is voor God” – volgens hun bewering – “en dit is voor onze geassocieerden”;

وَجَعَلُوا۟ لِلَّهِ مِمَّا ذَرَأَ مِنَ ٱلْحَرْثِ وَٱلْأَنْعَٰمِ نَصِيبًۭا فَقَالُوا۟ هَٰذَا لِلَّهِ بِزَعْمِهِمْ وَهَٰذَا لِشُرَكَآئِنَا

6:136

en wat voor hun geassocieerden bestemd is, bereikt God niet,

فَمَا كَانَ لِشُرَكَآئِهِمْ فَلَا يَصِلُ إِلَى ٱللَّهِ

6:136

terwijl wat voor God bestemd is, dat bereikt hun geassocieerden.

وَمَا كَانَ لِلَّهِ فَهُوَ يَصِلُ إِلَىٰ شُرَكَآئِهِمْ

6:136

Hoe slecht is hun oordeel!

سَآءَ مَا يَحْكُمُونَ

En zo hebben hun geassocieerden voor velen van de associeerders de moord op hun kinderen verfraaid, om hen tot hun val te voeren en voor hen hun Wet te verwarren.

وَكَذَٰلِكَ زَيَّنَ لِكَثِيرٍۢ مِّنَ ٱلْمُشْرِكِينَ قَتْلَ أَوْلَٰدِهِمْ شُرَكَآؤُهُمْ لِيُرْدُوهُمْ وَلِيَلْبِسُوا۟ عَلَيْهِمْ دِينَهُمْ

En als het God behaagd had, zouden zij het niet gedaan hebben;

وَلَوْ شَآءَ ٱللَّهُ مَا فَعَلُوهُ

laat hen dus achter, alsook wat zij verzinnen.

فَذَرْهُمْ وَمَا يَفْتَرُونَ

6:138

En zij hebben gezegd: “Hier is vee en een akker verboden: niemand zal zich ervan voeden, behoudens wie het ons behaagt” – volgens hun bewering – “en vee waarvan de rug ontzegd is”, en vee waarover zij de naam van God niet herinneren, als verzinsel tegen Hem.

وَقَالُوا۟ هَٰذِهِۦٓ أَنْعَٰمٌۭ وَحَرْثٌ حِجْرٌۭ لَّا يَطْعَمُهَآ إِلَّا مَن نَّشَآءُ بِزَعْمِهِمْ وَأَنْعَٰمٌ حُرِّمَتْ ظُهُورُهَا وَأَنْعَٰمٌۭ لَّا يَذْكُرُونَ ٱسْمَ ٱللَّهِ عَلَيْهَا ٱفْتِرَآءً عَلَيْهِ

Hij zal hen vergelden voor wat zij verzonnen.

سَيَجْزِيهِم بِمَا كَانُوا۟ يَفْتَرُونَ

6:139

En zij hebben gezegd: “Wat in de buik van dit vee is, behoort uitsluitend aan onze mannelijken toe, en is onze echtgenoten ontzegd”;

وَقَالُوا۟ مَا فِى بُطُونِ هَٰذِهِ ٱلْأَنْعَٰمِ خَالِصَةٌۭ لِّذُكُورِنَا وَمُحَرَّمٌ عَلَىٰٓ أَزْوَٰجِنَا

6:139

maar als het een doodgeborene is, nemen zij er allen aan deel.

وَإِن يَكُن مَّيْتَةًۭ فَهُمْ فِيهِ شُرَكَآءُ

Hij zal hen vergelden voor hun toerekening.

سَيَجْزِيهِمْ وَصْفَهُمْ

Hij is Wijs, Alwetend.

إِنَّهُۥ حَكِيمٌ عَلِيمٌۭ

6:140

Zij zijn gewis verliezers, zij die hun kinderen gedood hebben uit dwaasheid, zonder te weten, en die datgene voor ontzegd hebben gehouden waarmee God hen voorzien had, als verzinsel tegen God.

قَدْ خَسِرَ ٱلَّذِينَ قَتَلُوٓا۟ أَوْلَٰدَهُمْ سَفَهًۢا بِغَيْرِ عِلْمٍۢ وَحَرَّمُوا۟ مَا رَزَقَهُمُ ٱللَّهُ ٱفْتِرَآءً عَلَى ٱللَّهِ

Zij zijn gedwaald, en zij lieten zich niet leiden.

قَدْ ضَلُّوا۟ وَمَا كَانُوا۟ مُهْتَدِينَ

6:141

En Hij is het die tuinen heeft doen ontstaan, met latwerk en zonder latwerk, alsook de palm en de teelt, met verscheidene spijzen, en de olijfboom en de granaatappelboom, gelijkend en niet gelijkend.

وَهُوَ ٱلَّذِىٓ أَنشَأَ جَنَّٰتٍۢ مَّعْرُوشَٰتٍۢ وَغَيْرَ مَعْرُوشَٰتٍۢ وَٱلنَّخْلَ وَٱلزَّرْعَ مُخْتَلِفًا أُكُلُهُۥ وَٱلزَّيْتُونَ وَٱلرُّمَّانَ مُتَشَٰبِهًۭا وَغَيْرَ مُتَشَٰبِهٍۢ

6:141

Eet van zijn vrucht, wanneer hij vrucht draagt, en geef wat hem verschuldigd is, op de dag van zijn oogst,

كُلُوا۟ مِن ثَمَرِهِۦٓ إِذَآ أَثْمَرَ وَءَاتُوا۟ حَقَّهُۥ يَوْمَ حَصَادِهِۦ

maar verspil niet:

وَلَا تُسْرِفُوٓا۟

Hij houdt gewis niet van de verspillers.

إِنَّهُۥ لَا يُحِبُّ ٱلْمُسْرِفِينَ

En onder het vee zijn er de lastdieren en die van de vacht.

وَمِنَ ٱلْأَنْعَٰمِ حَمُولَةًۭ وَفَرْشًۭا

Eet van datgene waarmee God jullie voorzien heeft,

كُلُوا۟ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُ

6:142

en volg de passen van de Afleider niet:

وَلَا تَتَّبِعُوا۟ خُطُوَٰتِ ٱلشَّيْطَٰنِ

hij is gewis voor jullie een klaarblijkelijke vijand.

إِنَّهُۥ لَكُمْ عَدُوٌّۭ مُّبِينٌۭ

Acht, in paren:

ثَمَٰنِيَةَ أَزْوَٰجٍۢ

6:143

schapen, twee, en geitachtigen, twee.

مِّنَ ٱلضَّأْنِ ٱثْنَيْنِ وَمِنَ ٱلْمَعْزِ ٱثْنَيْنِ

Zeg: “Zijn het de twee mannetjes die Hij voor ontzegd heeft gehouden, of de twee wijfjes, of wat de baarmoeders van de twee wijfjes bevatten?

قُلْ ءَآلذَّكَرَيْنِ حَرَّمَ أَمِ ٱلْأُنثَيَيْنِ أَمَّا ٱشْتَمَلَتْ عَلَيْهِ أَرْحَامُ ٱلْأُنثَيَيْنِ

Bericht mij erover in vol weten, als jullie waarachtig zijn.”

نَبِّـُٔونِى بِعِلْمٍ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

6:144

En massieve dieren, twee, en runderen, twee.

وَمِنَ ٱلْإِبِلِ ٱثْنَيْنِ وَمِنَ ٱلْبَقَرِ ٱثْنَيْنِ

Zeg: “Zijn het de twee mannetjes die Hij voor ontzegd heeft gehouden, of de twee wijfjes, of wat de baarmoeders van de twee wijfjes bevatten?

قُلْ ءَآلذَّكَرَيْنِ حَرَّمَ أَمِ ٱلْأُنثَيَيْنِ أَمَّا ٱشْتَمَلَتْ عَلَيْهِ أَرْحَامُ ٱلْأُنثَيَيْنِ

Of waren jullie getuigen, toen God jullie dit heeft aanbevolen?”

أَمْ كُنتُمْ شُهَدَآءَ إِذْ وَصَّىٰكُمُ ٱللَّهُ بِهَٰذَا

Wie is dus onrechtvaardiger dan wie een leugen verzint tegen God, om de mensen te doen dwalen zonder te weten?

فَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ ٱفْتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًۭا لِّيُضِلَّ ٱلنَّاسَ بِغَيْرِ عِلْمٍ

God leidt gewis het onrechtvaardige volk niet.

إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلظَّٰلِمِينَ

6:145

Zeg: “Ik vind, in wat mij geopenbaard is, niets ontzegd aan wie zich ervan wil voeden, behoudens dat het een dood dier is, of vergoten bloed, of varkensvlees – want dat is slijk –

قُل لَّآ أَجِدُ فِى مَآ أُوحِىَ إِلَىَّ مُحَرَّمًا عَلَىٰ طَاعِمٍۢ يَطْعَمُهُۥٓ إِلَّآ أَن يَكُونَ مَيْتَةً أَوْ دَمًۭا مَّسْفُوحًا أَوْ لَحْمَ خِنزِيرٍۢ فَإِنَّهُۥ رِجْسٌ

6:145

of een grensoverschrijding opgedragen aan een ander dan God.

أَوْ فِسْقًا أُهِلَّ لِغَيْرِ ٱللَّهِ بِهِۦ

6:145

Maar wie ertoe in het nauw gedreven wordt, zonder opstandig te zijn noch de grenzen te overschrijden – jouw Voogd is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”

فَمَنِ ٱضْطُرَّ غَيْرَ بَاغٍۢ وَلَا عَادٍۢ فَإِنَّ رَبَّكَ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌۭ

En aan de Geheroriënteerden hebben Wij elke drager van een ongespleten nagel ontzegd: zowel van de runderen als van de schapenachtigen,

وَعَلَى ٱلَّذِينَ هَادُوا۟ حَرَّمْنَا كُلَّ ذِى ظُفُرٍۢ وَمِنَ ٱلْبَقَرِ وَٱلْغَنَمِ

Wij hebben hun vetten ontzegd, behoudens wat hun ruggen dragen, of de ingewanden, of wat met een bot vermengd is.

حَرَّمْنَا عَلَيْهِمْ شُحُومَهُمَآ إِلَّا مَا حَمَلَتْ ظُهُورُهُمَآ أَوِ ٱلْحَوَايَآ أَوْ مَا ٱخْتَلَطَ بِعَظْمٍۢ

Dat is hoe Wij hen vergolden hebben voor hun afpersing,

ذَٰلِكَ جَزَيْنَٰهُم بِبَغْيِهِمْ

en Wij zijn voorzeker waarachtig.

وَإِنَّا لَصَٰدِقُونَ

Als zij je ontkennen, zeg dan: “Jullie Voogd is houder van een ruime welwillendheid,

فَإِن كَذَّبُوكَ فَقُل رَّبُّكُمْ ذُو رَحْمَةٍۢ وَٰسِعَةٍۢ

en Zijn strengheid zal niet herroepen worden ten aanzien van het volk van de afgezonderden.”

وَلَا يُرَدُّ بَأْسُهُۥ عَنِ ٱلْقَوْمِ ٱلْمُجْرِمِينَ

Zij die geassocieerd hebben zullen zeggen: “Als het God behaagd had, zouden wij niet geassocieerd hebben, noch onze voorouders, en wij zouden niets voor ontzegd gehouden hebben.”

سَيَقُولُ ٱلَّذِينَ أَشْرَكُوا۟ لَوْ شَآءَ ٱللَّهُ مَآ أَشْرَكْنَا وَلَآ ءَابَآؤُنَا وَلَا حَرَّمْنَا مِن شَىْءٍۢ

Zo hebben zij die vóór hen waren ontkend, totdat zij Onze strengheid geproefd hebben.

كَذَٰلِكَ كَذَّبَ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ حَتَّىٰ ذَاقُوا۟ بَأْسَنَا

Zeg: “Hebben jullie enig weten, dat jullie voor ons naar buiten kunnen brengen?

قُلْ هَلْ عِندَكُم مِّنْ عِلْمٍۢ فَتُخْرِجُوهُ لَنَآ

Jullie volgen slechts het vermoeden,

إِن تَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ

en jullie doen niets dan gissen.”

وَإِنْ أَنتُمْ إِلَّا تَخْرُصُونَ

Zeg: “Aan God behoort het beslissende argument toe.

قُلْ فَلِلَّهِ ٱلْحُجَّةُ ٱلْبَٰلِغَةُ

Als het Hem behaagd had, zou Hij jullie allen geleid hebben.”

فَلَوْ شَآءَ لَهَدَىٰكُمْ أَجْمَعِينَ

Zeg: “Breng jullie getuigen aan, zij die getuigen dat God dit voor ontzegd heeft gehouden.”

قُلْ هَلُمَّ شُهَدَآءَكُمُ ٱلَّذِينَ يَشْهَدُونَ أَنَّ ٱللَّهَ حَرَّمَ هَٰذَا

Als zij getuigen, getuig niet met hen,

فَإِن شَهِدُوا۟ فَلَا تَشْهَدْ مَعَهُمْ

en volg de emoties niet van hen die Onze tekenen ontkend hebben, en van hen die niet in het laatste leven geloven, en die tegenwichten stellen tegenover hun Voogd.

وَلَا تَتَّبِعْ أَهْوَآءَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا وَٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْءَاخِرَةِ وَهُم بِرَبِّهِمْ يَعْدِلُونَ

6:151

Zeg: “Kom, opdat ik voordraag wat jullie Voogd jullie ontzegd heeft: associeer niets aan Hem;

قُلْ تَعَالَوْا۟ أَتْلُ مَا حَرَّمَ رَبُّكُمْ عَلَيْكُمْ أَلَّا تُشْرِكُوا۟ بِهِۦ شَيْـًۭٔا

6:151

weldadigheid jegens de twee ouders;

وَبِٱلْوَٰلِدَيْنِ إِحْسَٰنًۭا

6:151

en dood jullie kinderen niet uit schaarste –

وَلَا تَقْتُلُوٓا۟ أَوْلَٰدَكُم مِّنْ إِمْلَٰقٍۢ

6:151

Wij zijn het die jullie voorzien, alsook hen;

نَّحْنُ نَرْزُقُكُمْ وَإِيَّاهُمْ

6:151

en nader de snoodheden niet, onbedekt of innerlijk;

وَلَا تَقْرَبُوا۟ ٱلْفَوَٰحِشَ مَا ظَهَرَ مِنْهَا وَمَا بَطَنَ

6:151

en dood het Zelf niet dat God onschendbaar gemaakt heeft, behoudens met goed recht;

وَلَا تَقْتُلُوا۟ ٱلنَّفْسَ ٱلَّتِى حَرَّمَ ٱللَّهُ إِلَّا بِٱلْحَقِّ

6:151

dat is wat Hij jullie aanbevolen heeft, misschien zullen jullie redeneren.

ذَٰلِكُمْ وَصَّىٰكُم بِهِۦ لَعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ

6:152

En nader het goed van de wees niet, behoudens op de schoonste wijze, totdat hij zijn volle rijpheid bereikt;

وَلَا تَقْرَبُوا۟ مَالَ ٱلْيَتِيمِ إِلَّا بِٱلَّتِى هِىَ أَحْسَنُ حَتَّىٰ يَبْلُغَ أَشُدَّهُۥ

6:152

en geef getrouw de maat en de weegschaal, met billijkheid –

وَأَوْفُوا۟ ٱلْكَيْلَ وَٱلْمِيزَانَ بِٱلْقِسْطِ

6:152

Wij leggen aan geen enkel Zelf iets op dan zijn vermogen –

لَا نُكَلِّفُ نَفْسًا إِلَّا وُسْعَهَا

6:152

en wanneer jullie een uitspraak doen, wees rechtvaardig, al is het jegens een verwant;

وَإِذَا قُلْتُمْ فَٱعْدِلُوا۟ وَلَوْ كَانَ ذَا قُرْبَىٰ

6:152

en wees getrouw aan het pact van God:

وَبِعَهْدِ ٱللَّهِ أَوْفُوا۟

6:152

dat is wat Hij jullie aanbevolen heeft, misschien zullen jullie je herinneren.

ذَٰلِكُمْ وَصَّىٰكُم بِهِۦ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ

6:153

En: dit is mijn pad, rechtlijnig; volg het dus,

وَأَنَّ هَٰذَا صِرَٰطِى مُسْتَقِيمًۭا فَٱتَّبِعُوهُ

6:153

en volg de wegen niet, die jullie van Zijn weg zouden scheiden:

وَلَا تَتَّبِعُوا۟ ٱلسُّبُلَ فَتَفَرَّقَ بِكُمْ عَن سَبِيلِهِۦ

6:153

dat is wat Hij jullie aanbevolen heeft, misschien zullen jullie je behoeden.”

ذَٰلِكُمْ وَصَّىٰكُم بِهِۦ لَعَلَّكُمْ تَتَّقُونَ

6:154

Daarna hebben Wij Moesa de Schrift gegeven, als volledigheid jegens wie het goede doet, als detail van alles, als leiding en als welwillendheid, misschien zouden zij geloven in de ontmoeting met hun Voogd.

ثُمَّ ءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْكِتَٰبَ تَمَامًا عَلَى ٱلَّذِىٓ أَحْسَنَ وَتَفْصِيلًۭا لِّكُلِّ شَىْءٍۢ وَهُدًۭى وَرَحْمَةًۭ لَّعَلَّهُم بِلِقَآءِ رَبِّهِمْ يُؤْمِنُونَ

En dit is een Schrift die Wij hebben doen neerdalen, gezegend; volg haar dus, en behoed jullie, misschien zal jullie welwillendheid betoond worden – uit vrees dat jullie zeggen: “De Schrift is slechts op twee groepen vóór ons neergedaald, en wij waren wel onbekommerd over hun studie”, of dat jullie zeggen: “Als de Schrift op ons neergedaald was, zouden wij beter geleid zijn geweest dan zij.”

وَهَٰذَا كِتَٰبٌ أَنزَلْنَٰهُ مُبَارَكٌۭ فَٱتَّبِعُوهُ وَٱتَّقُوا۟ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ أَن تَقُولُوٓا۟ إِنَّمَآ أُنزِلَ ٱلْكِتَٰبُ عَلَىٰ طَآئِفَتَيْنِ مِن قَبْلِنَا وَإِن كُنَّا عَن دِرَاسَتِهِمْ لَغَٰفِلِينَ أَوْ تَقُولُوا۟ لَوْ أَنَّآ أُنزِلَ عَلَيْنَا ٱلْكِتَٰبُ لَكُنَّآ أَهْدَىٰ مِنْهُمْ

Een duidelijk bewijs is dus tot jullie gekomen van jullie Voogd, alsook een leiding en een welwillendheid.

فَقَدْ جَآءَكُم بَيِّنَةٌۭ مِّن رَّبِّكُمْ وَهُدًۭى وَرَحْمَةٌۭ

Wie is dus onrechtvaardiger dan wie de tekenen van God ontkend heeft en zich eraan onttrokken heeft?

فَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّن كَذَّبَ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ وَصَدَفَ عَنْهَا

Wij zullen hen die zich aan Onze tekenen onttrekken vergelden met de slechte pijn, omdat zij zich eraan onttrokken hebben.

سَنَجْزِى ٱلَّذِينَ يَصْدِفُونَ عَنْ ءَايَٰتِنَا سُوٓءَ ٱلْعَذَابِ بِمَا كَانُوا۟ يَصْدِفُونَ

6:158

Wachten zij slechts tot de Gemachtigden tot hen komen, of tot jouw Voogd komt, of tot bepaalde tekenen van jouw Voogd komen?

هَلْ يَنظُرُونَ إِلَّآ أَن تَأْتِيَهُمُ ٱلْمَلَٰٓئِكَةُ أَوْ يَأْتِىَ رَبُّكَ أَوْ يَأْتِىَ بَعْضُ ءَايَٰتِ رَبِّكَ

Op de dag waarop bepaalde tekenen van jouw Voogd zullen komen, zal het geloof van een Zelf het niet baten, als het voordien niet geloofd heeft, of in zijn geloof geen enkel goed verworven heeft.

يَوْمَ يَأْتِى بَعْضُ ءَايَٰتِ رَبِّكَ لَا يَنفَعُ نَفْسًا إِيمَٰنُهَا لَمْ تَكُنْ ءَامَنَتْ مِن قَبْلُ أَوْ كَسَبَتْ فِىٓ إِيمَٰنِهَا خَيْرًۭا

Zeg: “Wacht:

قُلِ ٱنتَظِرُوٓا۟

wij wachten gewis.”

إِنَّا مُنتَظِرُونَ

6:159

Gewis, zij die hun Wet verdeeld hebben en facties geworden zijn, jij bent in niets met hen verbonden.

إِنَّ ٱلَّذِينَ فَرَّقُوا۟ دِينَهُمْ وَكَانُوا۟ شِيَعًۭا لَّسْتَ مِنْهُمْ فِى شَىْءٍ

6:159

Hun zaak ressorteert slechts onder God,

إِنَّمَآ أَمْرُهُمْ إِلَى ٱللَّهِ

6:159

daarna zal Hij hen berichten over wat zij deden.

ثُمَّ يُنَبِّئُهُم بِمَا كَانُوا۟ يَفْعَلُونَ

Wie met de goede daad komt, heeft recht op tienmaal zijn equivalent,

مَن جَآءَ بِٱلْحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشْرُ أَمْثَالِهَا

en wie met de slechte daad komt, wordt slechts met zijn equivalent vergolden, zonder onrecht te ondergaan.

وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجْزَىٰٓ إِلَّا مِثْلَهَا وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَ

Zeg: “Mijn Voogd heeft mij gewis geleid naar een rechtlijnig pad,

قُلْ إِنَّنِى هَدَىٰنِى رَبِّىٓ إِلَىٰ صِرَٰطٍۢ مُّسْتَقِيمٍۢ

6:161

een rechte Wet, de leer van Ibrahim, geheel naar God toegekeerd;

دِينًۭا قِيَمًۭا مِّلَّةَ إِبْرَٰهِيمَ حَنِيفًۭا

en hij behoorde niet tot hen die associëren.”

وَمَا كَانَ مِنَ ٱلْمُشْرِكِينَ

6:162–163

Zeg: “Mijn Contact, mijn weldadige praktijk, mijn leven en mijn dood behoren gewis aan God, Voogd van alle wezens; geen geassocieerde aan Hem.

قُلْ إِنَّ صَلَاتِى وَنُسُكِى وَمَحْيَاىَ وَمَمَاتِى لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ لَا شَرِيكَ لَهُۥ

En dat is wat mij bevolen is,

وَبِذَٰلِكَ أُمِرْتُ

en ik ben de eerste van de integeren tegenover God.”

وَأَنَا۠ أَوَّلُ ٱلْمُسْلِمِينَ

6:164

Zeg: “Zou ik een andere Voogd zoeken dan God, terwijl Hij de Voogd van alles is?”

قُلْ أَغَيْرَ ٱللَّهِ أَبْغِى رَبًّۭا وَهُوَ رَبُّ كُلِّ شَىْءٍۢ

6:164

En ieder Zelf verwerft slechts ten nadele van zichzelf,

وَلَا تَكْسِبُ كُلُّ نَفْسٍ إِلَّا عَلَيْهَا

6:164

en geen drager van een last zal de last van een ander dragen.

وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٌۭ وِزْرَ أُخْرَىٰ

6:164

Daarna is jullie terugkeer tot jullie Voogd, en Hij zal jullie berichten over datgene waarin jullie uiteenliepen.

ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّكُم مَّرْجِعُكُمْ فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ فِيهِ تَخْتَلِفُونَ

En Hij is het die jullie tot opvolgers op de aarde heeft gemaakt, en sommigen van jullie boven anderen heeft verheven in graden, om jullie te beproeven in wat Hij jullie gegeven heeft.

وَهُوَ ٱلَّذِى جَعَلَكُمْ خَلَٰٓئِفَ ٱلْأَرْضِ وَرَفَعَ بَعْضَكُمْ فَوْقَ بَعْضٍۢ دَرَجَٰتٍۢ لِّيَبْلُوَكُمْ فِى مَآ ءَاتَىٰكُمْ

Je Voogd is gewis snel in de sanctie,

إِنَّ رَبَّكَ سَرِيعُ ٱلْعِقَابِ

en Hij is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Welwillend.

وَإِنَّهُۥ لَغَفُورٌۭ رَّحِيمٌۢ

← Index van de soera's