الاحزاب
Al-Ahzab
The Parties
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. O Berichtgever, behoed je voor God,
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ ٱتَّقِ ٱللَّهَ
en voeg je niet naar hen die verloochenen en evenmin naar de huichelaars,
وَلَا تُطِعِ ٱلۡكَٰفِرِينَ وَٱلۡمُنَٰفِقِينَۚ
want God is Alwetend, Wijs.
إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلِيمًا حَكِيمٗا
En volg wat jou geopenbaard wordt van de kant van jouw Voogd.
وَٱتَّبِعۡ مَا يُوحَىٰٓ إِلَيۡكَ مِن رَّبِّكَۚ
God is gewis Intiem Kenner van wat zij doen.
إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٗا
En verleen lastgeving aan God.
وَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِۚ
En God volstaat als lasthebber.
وَكَفَىٰ بِٱللَّهِ وَكِيلٗا
God heeft aan geen enkele man twee kernen in zijn binnenste toegewezen.
مَّا جَعَلَ ٱللَّهُ لِرَجُلٖ مِّن قَلۡبَيۡنِ فِي جَوۡفِهِۦۚ
En Hij heeft jullie echtgenoten – zij aan wie jullie de rug tonen – niet jullie moeders gemaakt,
وَمَا جَعَلَ أَزۡوَٰجَكُمُ ٱلَّٰٓـِٔي تُظَٰهِرُونَ مِنۡهُنَّ أُمَّهَٰتِكُمۡۚ
en Hij heeft jullie aangenomen zonen niet jullie zonen gemaakt.
وَمَا جَعَلَ أَدۡعِيَآءَكُمۡ أَبۡنَآءَكُمۡۚ
Dat is jullie uitspraak, uit jullie monden;
ذَٰلِكُمۡ قَوۡلُكُم بِأَفۡوَٰهِكُمۡۖ
en God zegt de waarheid, en Hij is het die leidt naar de weg.
وَٱللَّهُ يَقُولُ ٱلۡحَقَّ وَهُوَ يَهۡدِي ٱلسَّبِيلَ
Noem hen bij de naam van hun vaders: dat is billijker bij God.
ٱدۡعُوهُمۡ لِأٓبَآئِهِمۡ هُوَ أَقۡسَطُ عِندَ ٱللَّهِۚ
En als jullie hun vaders niet kennen, dan zijn zij jullie broers in de Wet, en jullie bondgenoten.
فَإِن لَّمۡ تَعۡلَمُوٓاْ ءَابَآءَهُمۡ فَإِخۡوَٰنُكُمۡ فِي ٱلدِّينِ وَمَوَٰلِيكُمۡۚ
En er is geen verwijt jegens jullie in wat jullie door een fout gedaan zouden hebben,
وَلَيۡسَ عَلَيۡكُمۡ جُنَاحٞ فِيمَآ أَخۡطَأۡتُم بِهِۦ
maar in wat jullie kernen voorbedacht hebben.
وَلَٰكِن مَّا تَعَمَّدَتۡ قُلُوبُكُمۡۚ
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمًا
De Berichtgever staat dichter bij de gelovenden dan zij het bij zichzelf zijn,
ٱلنَّبِيُّ أَوۡلَىٰ بِٱلۡمُؤۡمِنِينَ مِنۡ أَنفُسِهِمۡۖ
en zijn echtgenoten zijn hun moeders.
وَأَزۡوَٰجُهُۥٓ أُمَّهَٰتُهُمۡۗ
En de houders van de schakels van verwantschap staan dichter bij elkaar volgens de Codex van God dan de gelovenden en de emigranten – tenzij jullie jegens jullie bondgenoten doen wat naar gebruik erkend is.
وَأُوْلُواْ ٱلۡأَرۡحَامِ بَعۡضُهُمۡ أَوۡلَىٰ بِبَعۡضٖ فِي كِتَٰبِ ٱللَّهِ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُهَٰجِرِينَ إِلَّآ أَن تَفۡعَلُوٓاْ إِلَىٰٓ أَوۡلِيَآئِكُم مَّعۡرُوفٗاۚ
Dat was opgetekend in de Schrift.
كَانَ ذَٰلِكَ فِي ٱلۡكِتَٰبِ مَسۡطُورٗا
En toen Wij van de berichtgevers hun plechtige verbintenis namen, en van jou, en van Noeh, Ibrahim, Moesa en Isa, zoon van Marjam –
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِنَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ مِيثَٰقَهُمۡ وَمِنكَ وَمِن نُّوحٖ وَإِبۡرَٰهِيمَ وَمُوسَىٰ وَعِيسَى ٱبۡنِ مَرۡيَمَۖ
en Wij namen van hen een plechtige en vaste verbintenis, opdat Hij de waarachtigen ondervraagt over hun waarachtigheid;
وَأَخَذۡنَا مِنۡهُم مِّيثَٰقًا غَلِيظٗا لِّيَسۡـَٔلَ ٱلصَّٰدِقِينَ عَن صِدۡقِهِمۡۚ
en Hij heeft voor hen die verloochenen een schrijnende pijn bereid.
وَأَعَدَّ لِلۡكَٰفِرِينَ عَذَابًا أَلِيمٗا
O jullie die geloofd hebben! Herinner jullie de weldaad van God over jullie, toen legers tegen jullie kwamen, en Wij een wind op hen zonden, en legers die jullie niet zagen.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱذۡكُرُواْ نِعۡمَةَ ٱللَّهِ عَلَيۡكُمۡ إِذۡ جَآءَتۡكُمۡ جُنُودٞ فَأَرۡسَلۡنَا عَلَيۡهِمۡ رِيحٗا وَجُنُودٗا لَّمۡ تَرَوۡهَاۚ
En God is Alziend over wat jullie doen.
وَكَانَ ٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرًا
Toen zij van boven en van beneden tot jullie kwamen,
إِذۡ جَآءُوكُم مِّن فَوۡقِكُمۡ وَمِنۡ أَسۡفَلَ مِنكُمۡ
en toen het gezichtsvermogen afweek, de kernen de keel bereikten, en jullie over God allerlei vermoedens koesterden.
وَإِذۡ زَاغَتِ ٱلۡأَبۡصَٰرُ وَبَلَغَتِ ٱلۡقُلُوبُ ٱلۡحَنَاجِرَ وَتَظُنُّونَ بِٱللَّهِ ٱلظُّنُونَا
Daar werden de gelovenden beproefd, en geschud met een hevige schudding.
هُنَالِكَ ٱبۡتُلِيَ ٱلۡمُؤۡمِنُونَ وَزُلۡزِلُواْ زِلۡزَالٗا شَدِيدٗا
En toen de huichelaars, en zij wier kernen een ziekte dragen, zeiden: “God en Zijn gezant hebben ons niets dan bedrog beloofd”,
وَإِذۡ يَقُولُ ٱلۡمُنَٰفِقُونَ وَٱلَّذِينَ فِي قُلُوبِهِم مَّرَضٞ مَّا وَعَدَنَا ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥٓ إِلَّا غُرُورٗا
en toen een groep van hen zei: “O lieden van Jathrib, er is geen plaats voor jullie; keer terug”,
وَإِذۡ قَالَت طَّآئِفَةٞ مِّنۡهُمۡ يَٰٓأَهۡلَ يَثۡرِبَ لَا مَقَامَ لَكُمۡ فَٱرۡجِعُواْۚ
en toen een deel van hen de Berichtgever om toestemming vroeg, zeggend: “Onze huizen zijn gewis zonder beslotenheid” – terwijl zij dat niet waren:
وَيَسۡتَـٔۡذِنُ فَرِيقٞ مِّنۡهُمُ ٱلنَّبِيَّ يَقُولُونَ إِنَّ بِيُوتَنَا عَوۡرَةٞ وَمَا هِيَ بِعَوۡرَةٍۖ
zij wilden slechts vluchten.
إِن يُرِيدُونَ إِلَّا فِرَارٗا
En als men van alle kanten daar was binnengekomen, en hun vervolgens de beproeving gevraagd had, zouden zij zich eraan hebben geleend, en daar slechts een ogenblik hebben gedraald.
وَلَوۡ دُخِلَتۡ عَلَيۡهِم مِّنۡ أَقۡطَارِهَا ثُمَّ سُئِلُواْ ٱلۡفِتۡنَةَ لَأٓتَوۡهَا وَمَا تَلَبَّثُواْ بِهَآ إِلَّا يَسِيرٗا
En zij hadden toch een pact met God gesloten, eerder, de rug niet toe te keren;
وَلَقَدۡ كَانُواْ عَٰهَدُواْ ٱللَّهَ مِن قَبۡلُ لَا يُوَلُّونَ ٱلۡأَدۡبَٰرَۚ
en het pact van God zal ondervraagd worden.
وَكَانَ عَهۡدُ ٱللَّهِ مَسۡـُٔولٗا
Zeg: “De vlucht zal jullie van geen enkel nut zijn als jullie vluchten voor de dood of de moord,
قُل لَّن يَنفَعَكُمُ ٱلۡفِرَارُ إِن فَرَرۡتُم مِّنَ ٱلۡمَوۡتِ أَوِ ٱلۡقَتۡلِ
en dan zouden jullie slechts weinig genieten.”
وَإِذٗا لَّا تُمَتَّعُونَ إِلَّا قَلِيلٗا
Zeg: “Wie zou jullie dan vrijwaren van God, als Hij voor jullie een kwaad wilde, of als Hij voor jullie een welwillendheid wilde?”
قُلۡ مَن ذَا ٱلَّذِي يَعۡصِمُكُم مِّنَ ٱللَّهِ إِنۡ أَرَادَ بِكُمۡ سُوٓءًا أَوۡ أَرَادَ بِكُمۡ رَحۡمَةٗۚ
En zij zullen buiten God geen beschermer en geen hulp vinden.
وَلَا يَجِدُونَ لَهُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ وَلِيّٗا وَلَا نَصِيرٗا
God zal gewis hen onder jullie onderscheiden die de anderen vertragen, en hen die tot hun broers zeggen: “Kom tot ons” – en die slechts weinig naar het gevecht komen, gierig jegens jullie.
۞ قَدۡ يَعۡلَمُ ٱللَّهُ ٱلۡمُعَوِّقِينَ مِنكُمۡ وَٱلۡقَآئِلِينَ لِإِخۡوَٰنِهِمۡ هَلُمَّ إِلَيۡنَاۖ وَلَا يَأۡتُونَ ٱلۡبَأۡسَ إِلَّا قَلِيلًا أَشِحَّةً عَلَيۡكُمۡۖ
Vervolgens, wanneer de vrees komt, zie je hen naar jou kijken, hun ogen draaiend zoals bij hem die de dood doet bezwijken.
فَإِذَا جَآءَ ٱلۡخَوۡفُ رَأَيۡتَهُمۡ يَنظُرُونَ إِلَيۡكَ تَدُورُ أَعۡيُنُهُمۡ كَٱلَّذِي يُغۡشَىٰ عَلَيۡهِ مِنَ ٱلۡمَوۡتِۖ
Vervolgens, wanneer de vrees weggaat, overvallen zij jullie met scherpe tongen, gierig naar het goede.
فَإِذَا ذَهَبَ ٱلۡخَوۡفُ سَلَقُوكُم بِأَلۡسِنَةٍ حِدَادٍ أَشِحَّةً عَلَى ٱلۡخَيۡرِۚ
Dezen hebben niet geloofd; God heeft hun werken dus tenietgedaan,
أُوْلَٰٓئِكَ لَمۡ يُؤۡمِنُواْ فَأَحۡبَطَ ٱللَّهُ أَعۡمَٰلَهُمۡۚ
en dat is, voor God, iets gemakkelijks.
وَكَانَ ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٗا
Zij denken dat de partijen niet zijn weggegaan;
يَحۡسَبُونَ ٱلۡأَحۡزَابَ لَمۡ يَذۡهَبُواْۖ
en als de partijen kwamen, zouden zij zich willen hebben teruggetrokken onder de notabelen,
وَإِن يَأۡتِ ٱلۡأَحۡزَابُ يَوَدُّواْ لَوۡ أَنَّهُم بَادُونَ فِي ٱلۡأَعۡرَابِ
vragend om berichten over jullie; en als zij onder jullie waren, zouden zij slechts weinig gevochten hebben.
يَسۡـَٔلُونَ عَنۡ أَنۢبَآئِكُمۡۖ وَلَوۡ كَانُواْ فِيكُم مَّا قَٰتَلُوٓاْ إِلَّا قَلِيلٗا
Jullie hebben gewis, in de gezant van God, een schoon toonbeeld gehad, voor wie ook op God en de Laatste Dag hoopt, en zich God overvloedig herinnert.
لَّقَدۡ كَانَ لَكُمۡ فِي رَسُولِ ٱللَّهِ أُسۡوَةٌ حَسَنَةٞ لِّمَن كَانَ يَرۡجُواْ ٱللَّهَ وَٱلۡيَوۡمَ ٱلۡأٓخِرَ وَذَكَرَ ٱللَّهَ كَثِيرٗا
En toen de gelovenden de partijen zagen, zeiden zij: “Dit is wat God en Zijn gezant ons beloofd hadden, en God en Zijn gezant hebben de waarheid gezegd”,
وَلَمَّا رٜءَا ٱلۡمُؤۡمِنُونَ ٱلۡأَحۡزَابَ قَالُواْ هَٰذَا مَا وَعَدَنَا ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥ وَصَدَقَ ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥۚ
en dat vermeerderde slechts hun geloof en hun geheel integere instemming.
وَمَا زَادَهُمۡ إِلَّآ إِيمَٰنٗا وَتَسۡلِيمٗا
Onder de gelovenden zijn er mannen die waarachtig zijn geweest jegens het pact dat zij met God gesloten hadden:
مِّنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ رِجَالٞ صَدَقُواْ مَا عَٰهَدُواْ ٱللَّهَ عَلَيۡهِۖ
sommigen van hen hebben hun verbintenis volbracht, en anderen wachten,
فَمِنۡهُم مَّن قَضَىٰ نَحۡبَهُۥ وَمِنۡهُم مَّن يَنتَظِرُۖ
en zij hebben niets veranderd – opdat God de waarachtigen vergeldt voor hun waarachtigheid, en pijn oplegt aan de huichelaars, indien het Hem behaagt, of met mildheid tot hen terugkeert,
وَمَا بَدَّلُواْ تَبۡدِيلٗا لِّيَجۡزِيَ ٱللَّهُ ٱلصَّٰدِقِينَ بِصِدۡقِهِمۡ وَيُعَذِّبَ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ إِن شَآءَ أَوۡ يَتُوبَ عَلَيۡهِمۡۚ
want God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ غَفُورٗا رَّحِيمٗا
En God deed hen die verloochend hebben terugvloeien, in hun woede, zonder dat enig goed hun ten deel viel;
وَرَدَّ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِغَيۡظِهِمۡ لَمۡ يَنَالُواْ خَيۡرٗاۚ
en God heeft de gelovenden het gevecht bespaard.
وَكَفَى ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ٱلۡقِتَالَۚ
En God is Sterk, Almachtig.
وَكَانَ ٱللَّهُ قَوِيًّا عَزِيزٗا
En Hij deed hen uit hun vestingen neerdalen die hen, onder de lieden van de Schrift, hadden gesteund, en slingerde de ontzetting in hun kernen:
وَأَنزَلَ ٱلَّذِينَ ظَٰهَرُوهُم مِّنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ مِن صَيَاصِيهِمۡ وَقَذَفَ فِي قُلُوبِهِمُ ٱلرُّعۡبَ
een fractie doodden jullie, en een fractie namen jullie gevangen;
فَرِيقٗا تَقۡتُلُونَ وَتَأۡسِرُونَ فَرِيقٗا
en Hij deed jullie hun aarde erven, hun woningen, hun bezittingen, en een aarde die jullie niet betreden hadden.
وَأَوۡرَثَكُمۡ أَرۡضَهُمۡ وَدِيَٰرَهُمۡ وَأَمۡوَٰلَهُمۡ وَأَرۡضٗا لَّمۡ تَطَـُٔوهَاۚ
En God is tot alles in staat.
وَكَانَ ٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٗا
O Berichtgever, zeg tot je echtgenoten: “Indien jullie het leven hienieden en zijn tooi willen, kom, ik zal jullie genieting geven en jullie vrijlaten met een waardige vrijlating;
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ قُل لِّأَزۡوَٰجِكَ إِن كُنتُنَّ تُرِدۡنَ ٱلۡحَيَوٰةَ ٱلدُّنۡيَا وَزِينَتَهَا فَتَعَالَيۡنَ أُمَتِّعۡكُنَّ وَأُسَرِّحۡكُنَّ سَرَاحٗا جَمِيلٗا
en indien jullie God, Zijn gezant en het laatste verblijf willen, dan heeft God gewis, voor hen onder jullie die het goede doen, een ontzaglijke beloning bereid.”
وَإِن كُنتُنَّ تُرِدۡنَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَٱلدَّارَ ٱلۡأٓخِرَةَ فَإِنَّ ٱللَّهَ أَعَدَّ لِلۡمُحۡسِنَٰتِ مِنكُنَّ أَجۡرًا عَظِيمٗا
O vrouwen van de Berichtgever, wie van jullie een klaarblijkelijke schanddaad zou plegen, haar zouden Wij de pijn verdubbelen, tweemaal;
يَٰنِسَآءَ ٱلنَّبِيِّ مَن يَأۡتِ مِنكُنَّ بِفَٰحِشَةٖ مُّبَيَّنَةٖ يُضَٰعَفۡ لَهَا ٱلۡعَذَابُ ضِعۡفَيۡنِۚ
en dat is, voor God, iets gemakkelijks.
وَكَانَ ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٗا
En degene onder jullie die aan God en aan Zijn gezant toegewijd is, en een deugdelijk werk verricht, haar zullen Wij haar beloning tweemaal geven, en voor haar hebben Wij een edele leeftocht klaargemaakt.
۞ وَمَن يَقۡنُتۡ مِنكُنَّ لِلَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَتَعۡمَلۡ صَٰلِحٗا نُّؤۡتِهَآ أَجۡرَهَا مَرَّتَيۡنِ وَأَعۡتَدۡنَا لَهَا رِزۡقٗا كَرِيمٗا
O vrouwen van de Berichtgever, jullie zijn niet als enige andere van de vrouwen, indien jullie je behoeden.
يَٰنِسَآءَ ٱلنَّبِيِّ لَسۡتُنَّ كَأَحَدٖ مِّنَ ٱلنِّسَآءِ إِنِ ٱتَّقَيۡتُنَّۚ
Verzacht dus de toon van jullie uitspraak niet, uit vrees dat hij wiens kern een ziekte draagt, zou begeren; zeg een naar gebruik erkende uitspraak, en verblijf in jullie huizen,
فَلَا تَخۡضَعۡنَ بِٱلۡقَوۡلِ فَيَطۡمَعَ ٱلَّذِي فِي قَلۡبِهِۦ مَرَضٞ وَقُلۡنَ قَوۡلٗا مَّعۡرُوفٗا وَقَرۡنَ فِي بِيُوتِكُنَّ
en spreid jullie niet ten toon zoals de eerste onwetendheid zich ten toon spreidde.
وَلَا تَبَرَّجۡنَ تَبَرُّجَ ٱلۡجَٰهِلِيَّةِ ٱلۡأُولَىٰۖ
En onderhoud het Contact en geef de zuivere vrijgevigheid,
وَأَقِمۡنَ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتِينَ ٱلزَّكَوٰةَ
en voeg jullie naar God en Zijn gezant.
وَأَطِعۡنَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥٓۚ
God wil slechts het slijk ver van jullie doen vertrekken, lieden van het Huis, en jullie volledig reinigen.
إِنَّمَا يُرِيدُ ٱللَّهُ لِيُذۡهِبَ عَنكُمُ ٱلرِّجۡسَ أَهۡلَ ٱلۡبَيۡتِ وَيُطَهِّرَكُمۡ تَطۡهِيرٗا
En herinner jullie wat in jullie huizen wordt voorgedragen van de tekenen van God en van de wijsheid,
وَٱذۡكُرۡنَ مَا يُتۡلَىٰ فِي بِيُوتِكُنَّ مِنۡ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ وَٱلۡحِكۡمَةِۚ
want God is Subtiel, Intiem Kenner.
إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ لَطِيفًا خَبِيرًا
De mannen die integer zijn tegenover God en de vrouwen die integer zijn tegenover God, de gelovenden en de gelovende vrouwen, de toegewijden en de toegewijde vrouwen, de waarachtigen, mannen en vrouwen, de geduldigen en de geduldige vrouwen, de nederigen, mannen en vrouwen, de mannen die liefdadigheid bedrijven en de vrouwen die haar bedrijven, zij die zich onthouden, de mannen die hun kuisheid bewaren en de vrouwen die haar bewaren, de mannen die zich God overvloedig herinneren en de vrouwen die zich Hem herinneren – God heeft hun gewis vergeving en een ontzaglijke beloning bereid.
إِنَّ ٱلۡمُسۡلِمِينَ وَٱلۡمُسۡلِمَٰتِ وَٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ وَٱلۡقَٰنِتِينَ وَٱلۡقَٰنِتَٰتِ وَٱلصَّٰدِقِينَ وَٱلصَّٰدِقَٰتِ وَٱلصَّٰبِرِينَ وَٱلصَّٰبِرَٰتِ وَٱلۡخَٰشِعِينَ وَٱلۡخَٰشِعَٰتِ وَٱلۡمُتَصَدِّقِينَ وَٱلۡمُتَصَدِّقَٰتِ وَٱلصَّٰٓئِمِينَ وَٱلصَّٰٓئِمَٰتِ وَٱلۡحَٰفِظِينَ فُرُوجَهُمۡ وَٱلۡحَٰفِظَٰتِ وَٱلذَّٰكِرِينَ ٱللَّهَ كَثِيرٗا وَٱلذَّٰكِرَٰتِ أَعَدَّ ٱللَّهُ لَهُم مَّغۡفِرَةٗ وَأَجۡرًا عَظِيمٗا
En het komt geen gelovende en geen gelovende vrouw toe, wanneer God en Zijn gezant een zaak hebben beslist, dat er voor hen een keuze zou zijn in hun eigen zaak.
وَمَا كَانَ لِمُؤۡمِنٖ وَلَا مُؤۡمِنَةٍ إِذَا قَضَى ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥٓ أَمۡرًا أَن يَكُونَ لَهُمُ ٱلۡخِيَرَةُ مِنۡ أَمۡرِهِمۡۗ
En wie ongehoorzaam is aan God en aan Zijn gezant, is gedwaald met een klaarblijkelijke dwaling.
وَمَن يَعۡصِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَقَدۡ ضَلَّ ضَلَٰلٗا مُّبِينٗا
En toen je zei tegen hem die God met Zijn weldaad had overladen, en die jijzelf met weldaad had overladen: “Houd je echtgenoot, en behoed je voor God” – terwijl je in je binnenste verborg wat God zou zichtbaar maken, en je de mensen duchtte, hoewel God er meer recht op heeft dat je Hem ducht.
وَإِذۡ تَقُولُ لِلَّذِيٓ أَنۡعَمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِ وَأَنۡعَمۡتَ عَلَيۡهِ أَمۡسِكۡ عَلَيۡكَ زَوۡجَكَ وَٱتَّقِ ٱللَّهَ وَتُخۡفِي فِي نَفۡسِكَ مَا ٱللَّهُ مُبۡدِيهِ وَتَخۡشَى ٱلنَّاسَ وَٱللَّهُ أَحَقُّ أَن تَخۡشَىٰهُۖ
Vervolgens, toen Zaid elke betrekking met haar beëindigd had, gaven Wij haar jou tot echtgenoot, opdat er voor de gelovenden geen belemmering zou zijn ten aanzien van de echtgenoten van hun aangenomen zonen, nadat dezen elke betrekking met hen beëindigd hebben.
فَلَمَّا قَضَىٰ زَيۡدٞ مِّنۡهَا وَطَرٗا زَوَّجۡنَٰكَهَا لِكَيۡ لَا يَكُونَ عَلَى ٱلۡمُؤۡمِنِينَ حَرَجٞ فِيٓ أَزۡوَٰجِ أَدۡعِيَآئِهِمۡ إِذَا قَضَوۡاْ مِنۡهُنَّ وَطَرٗاۚ
En het bevel van God is altijd een gedane zaak.
وَكَانَ أَمۡرُ ٱللَّهِ مَفۡعُولٗا
Er is voor de Berichtgever geen enkele belemmering in wat God voor hem heeft bepaald –
مَّا كَانَ عَلَى ٱلنَّبِيِّ مِنۡ حَرَجٖ فِيمَا فَرَضَ ٱللَّهُ لَهُۥۖ
dat is de norm van God jegens hen die voordien voorbijgegaan zijn.
سُنَّةَ ٱللَّهِ فِي ٱلَّذِينَ خَلَوۡاْ مِن قَبۡلُۚ
En het bevel van God is een vastgestelde maat.
وَكَانَ أَمۡرُ ٱللَّهِ قَدَرٗا مَّقۡدُورًا
Zij die de boodschappen van God overbrengen, en Hem duchten, en niemand duchten behalve God –
ٱلَّذِينَ يُبَلِّغُونَ رِسَٰلَٰتِ ٱللَّهِ وَيَخۡشَوۡنَهُۥ وَلَا يَخۡشَوۡنَ أَحَدًا إِلَّا ٱللَّهَۗ
en God volstaat als rekenmeester.
وَكَفَىٰ بِٱللَّهِ حَسِيبٗا
Moehammad is niet de vader van een van jullie mannen,
مَّا كَانَ مُحَمَّدٌ أَبَآ أَحَدٖ مِّن رِّجَالِكُمۡ
maar hij is de gezant van God en het zegel van de berichtgevers.
وَلَٰكِن رَّسُولَ ٱللَّهِ وَخَاتَمَ ٱلنَّبِيِّـۧنَۗ
En God is Alwetend over alles.
وَكَانَ ٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٗا
O jullie die geloofd hebben! Herinner jullie God overvloedig, en glorifieer Hem bij de dageraad en in de avond.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ ذِكۡرٗا كَثِيرٗا وَسَبِّحُوهُ بُكۡرَةٗ وَأَصِيلًا
Hij is het die met jullie in contact is, Hij en Zijn Gemachtigden, om jullie uit de duisternissen naar het licht naar buiten te brengen;
هُوَ ٱلَّذِي يُصَلِّي عَلَيۡكُمۡ وَمَلَٰٓئِكَتُهُۥ لِيُخۡرِجَكُم مِّنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِۚ
en Hij is, jegens de gelovenden, Welwillend.
وَكَانَ بِٱلۡمُؤۡمِنِينَ رَحِيمٗا
Hun begroeting, de dag waarop zij Hem zullen ontmoeten, zal zijn: “Vrede”.
تَحِيَّتُهُمۡ يَوۡمَ يَلۡقَوۡنَهُۥ سَلَٰمٞۚ
En Hij heeft hun een edele beloning bereid.
وَأَعَدَّ لَهُمۡ أَجۡرٗا كَرِيمٗا
O Berichtgever, Wij hebben jou gewis gezonden als getuige, aankondiger en waarschuwer, als iemand die tot God roept met Zijn toestemming, en als een lichtgevende fakkel.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِنَّآ أَرۡسَلۡنَٰكَ شَٰهِدٗا وَمُبَشِّرٗا وَنَذِيرٗا وَدَاعِيًا إِلَى ٱللَّهِ بِإِذۡنِهِۦ وَسِرَاجٗا مُّنِيرٗا
En kondig de gelovenden aan dat zij van God een grote gunst hebben.
وَبَشِّرِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ بِأَنَّ لَهُم مِّنَ ٱللَّهِ فَضۡلٗا كَبِيرٗا
En voeg je niet naar hen die verloochenen en naar de huichelaars,
وَلَا تُطِعِ ٱلۡكَٰفِرِينَ وَٱلۡمُنَٰفِقِينَ
en sla geen acht op hun hinder,
وَدَعۡ أَذَىٰهُمۡ
en verleen lastgeving aan God.
وَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِۚ
En God volstaat als lasthebber.
وَكَفَىٰ بِٱللَّهِ وَكِيلٗا
O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie gelovende vrouwen huwen en hen vervolgens verstoten voordat jullie hen hebben aangeraakt, hebben jullie over hen geen termijn waarvan jullie het aantal moeten bijhouden.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِذَا نَكَحۡتُمُ ٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ ثُمَّ طَلَّقۡتُمُوهُنَّ مِن قَبۡلِ أَن تَمَسُّوهُنَّ فَمَا لَكُمۡ عَلَيۡهِنَّ مِنۡ عِدَّةٖ تَعۡتَدُّونَهَاۖ
Geef hun dus een genieting, en laat hen vrij met een waardige vrijlating.
فَمَتِّعُوهُنَّ وَسَرِّحُوهُنَّ سَرَاحٗا جَمِيلٗا
O Berichtgever, Wij hebben voor jou geoorloofd gemaakt je echtgenoten aan wie jij hun beloningen hebt gegeven, degene die door een eed aan jou gebonden is uit wat God jou heeft doen binnengaan, de dochters van je oom van vaderszijde, de dochters van je tantes van vaderszijde, de dochters van je oom van moederszijde, de dochters van je tantes van moederszijde die met jou zijn geëmigreerd, en elke gelovende vrouw als zij zichzelf aan de Berichtgever schenkt – mits de Berichtgever haar wil huwen:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِنَّآ أَحۡلَلۡنَا لَكَ أَزۡوَٰجَكَ ٱلَّٰتِيٓ ءَاتَيۡتَ أُجُورَهُنَّ وَمَا مَلَكَتۡ يَمِينُكَ مِمَّآ أَفَآءَ ٱللَّهُ عَلَيۡكَ وَبَنَاتِ عَمِّكَ وَبَنَاتِ عَمَّٰتِكَ وَبَنَاتِ خَالِكَ وَبَنَاتِ خَٰلَٰتِكَ ٱلَّٰتِي هَاجَرۡنَ مَعَكَ وَٱمۡرَأَةٗ مُّؤۡمِنَةً إِن وَهَبَتۡ نَفۡسَهَا لِلنَّبِيِّ إِنۡ أَرَادَ ٱلنَّبِيُّ أَن يَسۡتَنكِحَهَا
uitsluitend voor jou, met uitsluiting van de gelovenden.
خَالِصَةٗ لَّكَ مِن دُونِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَۗ
Wij weten wat Wij voor hen hebben bepaald ten aanzien van hun echtgenoten en van hen die door een eed aan hen gebonden zijn, opdat er voor jou geen enkele belemmering zou zijn;
قَدۡ عَلِمۡنَا مَا فَرَضۡنَا عَلَيۡهِمۡ فِيٓ أَزۡوَٰجِهِمۡ وَمَا مَلَكَتۡ أَيۡمَٰنُهُمۡ لِكَيۡلَا يَكُونَ عَلَيۡكَ حَرَجٞۗ
en God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا
Je mag verdagen wie van hen het jou behaagt, en bij je onthalen wie het jou behaagt;
۞ تُرۡجِئُ مَن تَشَآءُ مِنۡهُنَّ وَتُـٔۡوِيٓ إِلَيۡكَ مَن تَشَآءُۖ
en wie jij zoekt onder hen die je terzijde had geschoven, geen verwijt tegen jou.
وَمَنِ ٱبۡتَغَيۡتَ مِمَّنۡ عَزَلۡتَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكَۚ
Dat is dichterbij opdat hun blik bedare, zij zich niet bedroeven, en zij tevreden zijn, allen, met wat jij hun geeft.
ذَٰلِكَ أَدۡنَىٰٓ أَن تَقَرَّ أَعۡيُنُهُنَّ وَلَا يَحۡزَنَّ وَيَرۡضَيۡنَ بِمَآ ءَاتَيۡتَهُنَّ كُلُّهُنَّۚ
En God weet wat er in jullie kernen is;
وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ مَا فِي قُلُوبِكُمۡۚ
en God is Alwetend, Lankmoedig.
وَكَانَ ٱللَّهُ عَلِيمًا حَلِيمٗا
Voortaan zijn de vrouwen jou niet meer geoorloofd, noch is het geoorloofd hen te ruilen voor andere echtgenoten, ook al verblindt hun schoonheid jou – behalve degene die door een eed aan jou gebonden is.
لَّا يَحِلُّ لَكَ ٱلنِّسَآءُ مِنۢ بَعۡدُ وَلَآ أَن تَبَدَّلَ بِهِنَّ مِنۡ أَزۡوَٰجٖ وَلَوۡ أَعۡجَبَكَ حُسۡنُهُنَّ إِلَّا مَا مَلَكَتۡ يَمِينُكَۗ
En God is, over alles, Waarnemer.
وَكَانَ ٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ رَّقِيبٗا
O jullie die geloofd hebben! Treed niet binnen in de huizen van de Berichtgever, tenzij het jullie wordt toegestaan voor voedsel, zonder op de gaarwording ervan te wachten;
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَدۡخُلُواْ بِيُوتَ ٱلنَّبِيِّ إِلَّآ أَن يُؤۡذَنَ لَكُمۡ إِلَىٰ طَعَامٍ غَيۡرَ نَٰظِرِينَ إِنَىٰهُ
maar wanneer jullie uitgenodigd worden, treed binnen; en wanneer jullie gevoed zijn, ontvouw jullie, zonder jullie te vergeten in het keuvelen,
وَلَٰكِنۡ إِذَا دُعِيتُمۡ فَٱدۡخُلُواْ فَإِذَا طَعِمۡتُمۡ فَٱنتَشِرُواْ وَلَا مُسۡتَـٔۡنِسِينَ لِحَدِيثٍۚ
want dat viel de Berichtgever lastig, maar hij voelde schroom jegens jullie,
إِنَّ ذَٰلِكُمۡ كَانَ يُؤۡذِي ٱلنَّبِيَّ فَيَسۡتَحۡيِۦ مِنكُمۡۖ
terwijl God geen schroom voelt voor de waarheid.
وَٱللَّهُ لَا يَسۡتَحۡيِۦ مِنَ ٱلۡحَقِّۚ
En wanneer jullie hun een voorwerp vragen, vraag het hun van achter een sluier:
وَإِذَا سَأَلۡتُمُوهُنَّ مَتَٰعٗا فَسۡـَٔلُوهُنَّ مِن وَرَآءِ حِجَابٖۚ
dat is reiner voor jullie kernen en hun kernen.
ذَٰلِكُمۡ أَطۡهَرُ لِقُلُوبِكُمۡ وَقُلُوبِهِنَّۚ
En het komt jullie niet toe de gezant van God lastig te vallen, noch na hem met zijn echtgenoten te huwen, nooit;
وَمَا كَانَ لَكُمۡ أَن تُؤۡذُواْ رَسُولَ ٱللَّهِ وَلَآ أَن تَنكِحُوٓاْ أَزۡوَٰجَهُۥ مِنۢ بَعۡدِهِۦٓ أَبَدًاۚ
want dat is, bij God, ontzaglijk.
إِنَّ ذَٰلِكُمۡ كَانَ عِندَ ٱللَّهِ عَظِيمًا
Of jullie iets zichtbaar maken of het verbergen, gewis is God Alwetend over alles.
إِن تُبۡدُواْ شَيۡـًٔا أَوۡ تُخۡفُوهُ فَإِنَّ ٱللَّهَ كَانَ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٗا
Geen verwijt tegen hen aangaande hun vaders, noch hun zonen, noch hun broers, noch de zonen van hun broers, noch de zonen van hun zussen, noch de vrouwen uit hun omgeving, noch hen die door een eed aan hen gebonden zijn.
لَّا جُنَاحَ عَلَيۡهِنَّ فِيٓ ءَابَآئِهِنَّ وَلَآ أَبۡنَآئِهِنَّ وَلَآ إِخۡوَٰنِهِنَّ وَلَآ أَبۡنَآءِ إِخۡوَٰنِهِنَّ وَلَآ أَبۡنَآءِ أَخَوَٰتِهِنَّ وَلَا نِسَآئِهِنَّ وَلَا مَا مَلَكَتۡ أَيۡمَٰنُهُنَّۗ
En behoed jullie voor God,
وَٱتَّقِينَ ٱللَّهَۚ
want God is getuige van alles.
إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ شَهِيدًا
God en Zijn Gemachtigden zijn voortdurend in contact met de Berichtgever.
إِنَّ ٱللَّهَ وَمَلَٰٓئِكَتَهُۥ يُصَلُّونَ عَلَى ٱلنَّبِيِّۚ
O jullie die geloofd hebben! Wees in contact met hem, en groet hem met een groet.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ صَلُّواْ عَلَيۡهِ وَسَلِّمُواْ تَسۡلِيمًا
Zij die God en Zijn gezant lastigvallen, God heeft hen gewis vervloekt hienieden en in het laatste leven, en Hij heeft hun een verlagende pijn bereid.
إِنَّ ٱلَّذِينَ يُؤۡذُونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ لَعَنَهُمُ ٱللَّهُ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِ وَأَعَدَّ لَهُمۡ عَذَابٗا مُّهِينٗا
En zij die de gelovenden en de gelovende vrouwen lastigvallen zonder dat zij iets hebben gepleegd, laden op zich een laster en een klaarblijkelijke overtreding.
وَٱلَّذِينَ يُؤۡذُونَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ بِغَيۡرِ مَا ٱكۡتَسَبُواْ فَقَدِ ٱحۡتَمَلُواْ بُهۡتَٰنٗا وَإِثۡمٗا مُّبِينٗا
O Berichtgever, zeg tot je echtgenoten, je dochters, en tot de vrouwen van de gelovenden, een slip van hun mantels over zich heen te halen:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ قُل لِّأَزۡوَٰجِكَ وَبَنَاتِكَ وَنِسَآءِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ يُدۡنِينَ عَلَيۡهِنَّ مِن جَلَٰبِيبِهِنَّۚ
dat is dichterbij opdat zij herkend worden, en zij niet lastiggevallen worden.
ذَٰلِكَ أَدۡنَىٰٓ أَن يُعۡرَفۡنَ فَلَا يُؤۡذَيۡنَۗ
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا
Indien de huichelaars, zij wier kernen een ziekte dragen, en de zaaiers van geruchten in de Hoofdstad niet ophouden, zullen Wij jou voorzeker tegen hen lanceren; dan zullen zij daar slechts weinig tijd jouw buren blijven, vervloekt.
۞ لَّئِن لَّمۡ يَنتَهِ ٱلۡمُنَٰفِقُونَ وَٱلَّذِينَ فِي قُلُوبِهِم مَّرَضٞ وَٱلۡمُرۡجِفُونَ فِي ٱلۡمَدِينَةِ لَنُغۡرِيَنَّكَ بِهِمۡ ثُمَّ لَا يُجَاوِرُونَكَ فِيهَآ إِلَّا قَلِيلٗا مَّلۡعُونِينَۖ
Waar zij ook worden betrapt, zullen zij gegrepen en uitgemoord worden, met een totale uitmoording.
أَيۡنَمَا ثُقِفُوٓاْ أُخِذُواْ وَقُتِّلُواْ تَقۡتِيلٗا
Dat is de norm van God jegens hen die voordien voorbijgegaan zijn,
سُنَّةَ ٱللَّهِ فِي ٱلَّذِينَ خَلَوۡاْ مِن قَبۡلُۖ
en nooit zul jij een verandering in de norm van God vinden.
وَلَن تَجِدَ لِسُنَّةِ ٱللَّهِ تَبۡدِيلٗا
De mensen vragen je naar het Uur.
يَسۡـَٔلُكَ ٱلنَّاسُ عَنِ ٱلسَّاعَةِۖ
Zeg: “Het weten daarvan is slechts bij God,
قُلۡ إِنَّمَا عِلۡمُهَا عِندَ ٱللَّهِۚ
en wat geeft jou er een idee van?
وَمَا يُدۡرِيكَ
Het kan zijn dat het Uur nabij is.”
لَعَلَّ ٱلسَّاعَةَ تَكُونُ قَرِيبًا
God heeft gewis hen vervloekt die verloochenen, en hun een brand bereid, waarin zij eeuwig zullen blijven, voorgoed, zonder beschermer noch hulp te vinden –
إِنَّ ٱللَّهَ لَعَنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ وَأَعَدَّ لَهُمۡ سَعِيرًا خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدٗاۖ لَّا يَجِدُونَ وَلِيّٗا وَلَا نَصِيرٗا
op de dag waarop hun gezichten in het Vuur omgekeerd worden, zullen zij zeggen: “Helaas, hadden wij ons maar gevoegd naar God en ons gevoegd naar de gezant!”
يَوۡمَ تُقَلَّبُ وُجُوهُهُمۡ فِي ٱلنَّارِ يَقُولُونَ يَٰلَيۡتَنَآ أَطَعۡنَا ٱللَّهَ وَأَطَعۡنَا ٱلرَّسُولَا
En zij zullen zeggen: “Onze Voogd, wij hebben ons gewis gevoegd naar onze leiders en onze groten, en zij hebben ons van de weg doen dwalen.
وَقَالُواْ رَبَّنَآ إِنَّآ أَطَعۡنَا سَادَتَنَا وَكُبَرَآءَنَا فَأَضَلُّونَا ٱلسَّبِيلَا
Onze Voogd, geef hun dubbele pijn, en vervloek hen met een overvloedige vervloeking.”
رَبَّنَآ ءَاتِهِمۡ ضِعۡفَيۡنِ مِنَ ٱلۡعَذَابِ وَٱلۡعَنۡهُمۡ لَعۡنٗا كَبِيرٗا
O jullie die geloofd hebben! Wees niet als zij die Moesa lastiggevallen hebben; God kweet hem van wat zij zeiden,
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَكُونُواْ كَٱلَّذِينَ ءَاذَوۡاْ مُوسَىٰ فَبَرَّأَهُ ٱللَّهُ مِمَّا قَالُواْۚ
en hij was, bij God, van hoge achting.
وَكَانَ عِندَ ٱللَّهِ وَجِيهٗا
O jullie die geloofd hebben! Behoed jullie voor God, en doe een rechte uitspraak: Hij zal jullie werken deugdelijk maken, en jullie jullie vergrijpen vergeven.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَقُولُواْ قَوۡلٗا سَدِيدٗا يُصۡلِحۡ لَكُمۡ أَعۡمَٰلَكُمۡ وَيَغۡفِرۡ لَكُمۡ ذُنُوبَكُمۡۗ
En wie zich voegt naar God en Zijn gezant, heeft een ontzaglijke triomf behaald.
وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَقَدۡ فَازَ فَوۡزًا عَظِيمًا
Wij hebben het depot van vertrouwen aan de hemelen, de aarde en de bergen voorgelegd; zij weigerden het te dragen, en voelden daarvoor bezorgdheid,
إِنَّا عَرَضۡنَا ٱلۡأَمَانَةَ عَلَى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَٱلۡجِبَالِ فَأَبَيۡنَ أَن يَحۡمِلۡنَهَا وَأَشۡفَقۡنَ مِنۡهَا
en de mens droeg het: hij was gewis zeer onrechtvaardig en zeer onwetend – opdat God pijn oplegt aan de huichelaars, mannen en vrouwen, de associeerders en de associeersters, en God met mildheid tot de gelovenden en de gelovende vrouwen terugkeert.
وَحَمَلَهَا ٱلۡإِنسَٰنُۖ إِنَّهُۥ كَانَ ظَلُومٗا جَهُولٗا لِّيُعَذِّبَ ٱللَّهُ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ وَٱلۡمُنَٰفِقَٰتِ وَٱلۡمُشۡرِكِينَ وَٱلۡمُشۡرِكَٰتِ وَيَتُوبَ ٱللَّهُ عَلَى ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِۗ
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمَۢا