يس
Ya-Sin
Who Will Give Life to the Bones?
بسم ٱلله ٱلرحمن ٱلرحيم
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
Ya. Sin.
يس
Bij de Lezing vol wijsheid, voorzeker behoor jij tot de gezondenen, op een rechtlijnig pad,
وٱلقرءان ٱلحكيم إنك لمن ٱلمرسلين على صرط مستقيم
een neerdaling van de Almachtige, de Welwillende, opdat jij een volk waarschuwt wier voorouders niet gewaarschuwd zijn, en dat dus onbekommerd is.
تنزيل ٱلعزيز ٱلرحيم لتنذر قوما مآ أنذر ءابآؤهم فهم غفلون
De uitspraak is gewis bewaarheid tegen de meesten van hen: zij geloven niet.
لقد حق ٱلقول على أكثرهم فهم لا يؤمنون
Wij hebben gewis halsijzers om hun halzen geplaatst, die tot aan de kinnen reiken, zodat zij het hoofd achterovergeworpen hebben.
إنا جعلنا في أعنقهم أغللا فهي إلى ٱلأذقان فهم مقمحون
En Wij hebben een barrière voor hen en een barrière achter hen geplaatst, en hen vervolgens bedekt: zij zien dus niet helder.
وجعلنا من بين أيديهم سدا ومن خلفهم سدا فأغشينهم فهم لا يبصرون
En het is voor hen gelijk of jij hen waarschuwt of jij hen niet waarschuwt: zij geloven niet.
وسوآء عليهم ءأنذرتهم أم لم تنذرهم لا يؤمنون
Jij waarschuwt slechts hem die de Herinnering volgt en de Alwelwillende ducht hoewel Hij zijn zintuigen ontgaat: kondig hem vergeving en een edele beloning aan.
إنما تنذر من ٱتبع ٱلذكر وخشي ٱلرحمن بٱلغيب فبشره بمغفرة وأجر كريم
Wij zijn het, Wij alleen, die de doden opnieuw leven geven, en Wij tekenen op wat zij vooruitgestuurd hebben en de sporen die zij nalaten.
إنا نحن نحي ٱلموتى ونكتب ما قدموا وءاثرهم
En alles, Wij hebben het geteld in een uitdrukkelijke referentie.
وكل شىء أحصينه في إمام مبين
En vermenigvuldig voor hen als voorbeeld de metgezellen van de stad, toen de gezondenen tot haar kwamen: toen Wij hun twee zonden, ontkenden zij hen; Wij maakten hen toen machtig door een derde, en zij zeiden: “Wij zijn gewis tot jullie gezonden.”
وٱضرب لهم مثلا أصحب ٱلقرية إذ جآءها ٱلمرسلون إذ أرسلنآ إليهم ٱثنين فكذبوهما فعززنا بثالث فقالوا إنآ إليكم مرسلون
Zij zeiden: “Jullie zijn slechts stervelingen zoals wij; de Alwelwillende heeft niets doen neerdalen; jullie liegen slechts.”
قالوا مآ أنتم إلا بشر مثلنا ومآ أنزل ٱلرحمن من شىء إن أنتم إلا تكذبون
Zij zeiden: “Onze Voogd weet dat wij voorzeker tot jullie gezonden zijn; voor ons ligt slechts de uitdrukkelijke overbrenging.”
قالوا ربنا يعلم إنآ إليكم لمرسلون وما علينآ إلا ٱلبلغ ٱلمبين
Zij zeiden: “Wij zien in jullie een slecht voorteken. Indien jullie niet ophouden, zullen wij jullie voorzeker verbannen, en een schrijnende pijn van ons zal jullie voorzeker treffen.”
قالوا إنا تطيرنا بكم لئن لم تنتهوا لنرجمنكم وليمسنكم منا عذاب أليم
Zij zeiden: “Jullie voorteken is met jullie zelf. Is het omdat men jullie herinnert?
قالوا طئركم معكم أئن ذكرتم
Jullie zijn eerder een volk van buitensporigen.”
بل أنتم قوم مسرفون
En een man kwam met haastige pas van het uiteinde van de Hoofdstad.
وجآء من أقصا ٱلمدينة رجل يسعى
Hij zei: “O mijn volk, volg de gezondenen; volg hen die jullie geen beloning vragen, en die zich laten leiden.
قال يقوم ٱتبعوا ٱلمرسلين ٱتبعوا من لا يسلكم أجرا وهم مهتدون
En wat zou ik hebben, dat ik Hem niet zou gehoorzamen die mij oorspronkelijk heeft geschapen, en tot wie jullie zullen terugkeren?
وما لي لآ أعبد ٱلذي فطرني وإليه ترجعون
Zou ik, buiten Hem, godheden nemen? Als de Alwelwillende mij met schade wilde treffen, zou hun voorspraak mij niets baten, en zij zouden mij niet kunnen redden.
ءأتخذ من دونه ءالهة إن يردن ٱلرحمن بضر لا تغن عني شفعتهم شيا ولا ينقذون
Ik zou dan voorzeker in een klaarblijkelijke dwaling zijn.
إني إذا لفي ضلل مبين
Ikzelf heb geloofd in jullie Voogd: luister dus naar mij.”
إني ءامنت بربكم فٱسمعون
Er werd gezegd: “Treed binnen in de Tuin.”
قيل ٱدخل ٱلجنة
Hij zei: “Mocht mijn volk maar weten waarom mijn Voogd mij vergeven heeft, en mij tot de geëerden heeft gerekend!”
قال يليت قومي يعلمون بما غفر لي ربي وجعلني من ٱلمكرمين
En Wij deden op zijn volk, na hem, geen enkel leger uit de hemel neerdalen; Wij hoefden er geen te doen neerdalen.
ومآ أنزلنا على قومه من بعده من جند من ٱلسمآء وما كنا منزلين
Het was slechts één schreeuw, en daar waren zij gedoofd.
إن كانت إلا صيحة وحدة فإذا هم خمدون
Wat een troosteloosheid voor de gehoorzamen!
يحسرة على ٱلعباد
Geen gezant kwam hun zonder dat zij hem hoonden.
ما يأتيهم من رسول إلا كانوا به يستهزءون
Zien zij niet hoeveel generaties Wij vóór hen hebben vernietigd, en dat zij niet tot hen zullen terugkeren?
ألم يروا كم أهلكنا قبلهم من ٱلقرون أنهم إليهم لا يرجعون
En allen, absoluut allen, zullen gezamenlijk voor Ons gebracht worden.
وإن كل لما جميع لدينا محضرون
En een teken voor hen: de dode aarde, aan welke Wij opnieuw leven hebben gegeven, en waaruit Wij graan hebben laten voortkomen, en daarvan eten zij.
وءاية لهم ٱلأرض ٱلميتة أحيينها وأخرجنا منها حبا فمنه يأكلون
En Wij hebben daarin tuinen van palmen en wijnstokken geplaatst, en Wij hebben daarin bronnen doen opwellen, opdat zij van hun vrucht eten – en hun handen hebben die niet voortgebracht.
وجعلنا فيها جنت من نخيل وأعنب وفجرنا فيها من ٱلعيون ليأكلوا من ثمره وما عملته أيديهم
Zullen zij dan niet dankbaar zijn?
أفلا يشكرون
Glorie zij Hem die alle paren heeft geschapen, van wat de aarde doet groeien, van henzelf, en van wat zij niet weten.
سبحن ٱلذي خلق ٱلأزوج كلها مما تنبت ٱلأرض ومن أنفسهم ومما لا يعلمون
En een teken voor hen: de nacht, waaraan Wij de dag ontnemen, en daar zijn zij in de donkerte gedompeld.
وءاية لهم ٱليل نسلخ منه ٱلنهار فإذا هم مظلمون
En de zon rent naar een stabiele plaats die haar eigen is.
وٱلشمس تجري لمستقر لها
Dat is de maat die vastgelegd is door de Almachtige, de Alwetende.
ذلك تقدير ٱلعزيز ٱلعليم
En de maan, voor haar hebben Wij standen vastgesteld, totdat zij weer wordt als een oude, gebogen palmtak.
وٱلقمر قدرنه منازل حتى عاد كٱلعرجون ٱلقديم
Het past de zon niet de maan in te halen, noch de nacht de dag voor te zijn.
لا ٱلشمس ينبغي لهآ أن تدرك ٱلقمر ولا ٱليل سابق ٱلنهار
En ieder zwemt in een baan.
وكل في فلك يسبحون
En een teken voor hen: Wij hebben hun nakomelingschappen gedragen in het beladen vaartuig, en Wij hebben voor hen, van zijn gelijke, geschapen wat zij bestijgen.
وءاية لهم أنا حملنا ذريتهم في ٱلفلك ٱلمشحون وخلقنا لهم من مثله ما يركبون
En als het Ons behaagde, zouden Wij hen laten verdrinken; niemand zou hun schreeuw beantwoorden, en zij zouden niet gered worden, behalve door een welwillendheid van Ons, en een genieting voor een tijd.
وإن نشأ نغرقهم فلا صريخ لهم ولا هم ينقذون إلا رحمة منا ومتعا إلى حين
En wanneer hun gezegd wordt: “Behoed jullie voor wat voor jullie ligt en voor wat achter jullie ligt, misschien wordt jullie welwillendheid bewezen”,
وإذا قيل لهم ٱتقوا ما بين أيديكم وما خلفكم لعلكم ترحمون
geen teken, onder de tekenen van hun Voogd, komt hun zonder dat zij zich eraan onttrekken.
وما تأتيهم من ءاية من ءايت ربهم إلا كانوا عنها معرضين
En wanneer hun gezegd wordt: “Geef uit van datgene waarvan God jullie voorzien heeft”, zeggen zij die verloochenen tegen hen die geloofd hebben: “Zouden wij hem voeden die God Zelf, als het Hem behaagde, zou voeden? Jullie zijn slechts in een klaarblijkelijke dwaling.”
وإذا قيل لهم أنفقوا مما رزقكم ٱلله قال ٱلذين كفروا للذين ءامنوا أنطعم من لو يشآء ٱلله أطعمه إن أنتم إلا في ضلل مبين
En zij zeggen: “Wanneer komt deze belofte, als jullie waarachtig zijn?”
ويقولون متى هذا ٱلوعد إن كنتم صدقين
Zij wachten slechts op één schreeuw die hen zal grijpen terwijl zij midden in twist zijn.
ما ينظرون إلا صيحة وحدة تأخذهم وهم يخصمون
Dan zullen zij noch een testament kunnen maken, noch tot de hunnen terugkeren.
فلا يستطيعون توصية ولآ إلى أهلهم يرجعون
En er zal in de Hoorn geblazen worden, en daar snellen zij, uit hun grafkelders, toe naar hun Voogd.
ونفخ في ٱلصور فإذا هم من ٱلأجداث إلى ربهم ينسلون
Zij zullen zeggen: “Wee ons! Wie heeft ons opgewekt van de plaats waar wij sliepen?
قالوا يويلنا من بعثنا من مرقدنا
Dit is wat de Alwelwillende had beloofd, en de gezondenen hadden de waarheid gesproken.”
هذا ما وعد ٱلرحمن وصدق ٱلمرسلون
Het zal slechts één schreeuw zijn, en daar zijn zij, allen tezamen, voor Ons gebracht.
إن كانت إلا صيحة وحدة فإذا هم جميع لدينا محضرون
Vandaag zal geen enkel Zelf het minste onrecht ondergaan, en jullie zullen slechts vergolden worden naar wat jullie deden.
فٱليوم لا تظلم نفس شيا ولا تجزون إلا ما كنتم تعملون
De metgezellen van de Tuin zullen vandaag bezig zijn met het vermaak, zijzelf en hun echtgenoten, onder schaduwen, leunend op praalbedden.
إن أصحب ٱلجنة ٱليوم في شغل فكهون هم وأزوجهم في ظلل على ٱلأرآئك متكون
Zij zullen daar smaken hebben.
لهم فيها فكهة
En zij zullen alles hebben wat zij eisen. Vrede!
ولهم ما يدعون سلم
Een uitspraak van een Welwillende Voogd.
قولا من رب رحيم
“En houd jullie vandaag apart, o afgezonderden!
وٱمتزوا ٱليوم أيها ٱلمجرمون
Had Ik jullie niet door een pact gebonden, o zonen van Adam: de Afleider niet te gehoorzamen – want hij is voor jullie een klaarblijkelijke vijand – en Mij te gehoorzamen?
ألم أعهد إليكم يبني ءادم أن لا تعبدوا ٱلشيطن إنه لكم عدو مبين وأن ٱعبدوني
Dit is een rechtlijnig pad.
هذا صرط مستقيم
Hij heeft onder jullie echter een talrijke menigte doen dwalen.
ولقد أضل منكم جبلا كثيرا
Redeneerden jullie dan niet?
أفلم تكونوا تعقلون
Dit is Djahannam, die jullie beloofd was. Brand daarin vandaag, omdat jullie verloochend hebben.”
هذه جهنم ٱلتي كنتم توعدون ٱصلوها ٱليوم بما كنتم تكفرون
Vandaag verzegelen Wij hun monden; hun handen zullen tot Ons spreken, en hun voeten zullen getuigen van wat zij verwierven.
ٱليوم نختم على أفوههم وتكلمنآ أيديهم وتشهد أرجلهم بما كانوا يكسبون
En als het Ons behaagde, zouden Wij hun ogen uitwissen; dan zouden zij proberen elkaar voor te zijn naar het pad, maar hoe zouden zij helder zien?
ولو نشآء لطمسنا على أعينهم فٱستبقوا ٱلصرط فأنى يبصرون
En als het Ons behaagde, zouden Wij hen ter plaatse doen verstarren, en zij zouden noch kunnen gaan, noch terugkeren.
ولو نشآء لمسخنهم على مكانتهم فما ٱستطعوا مضيا ولا يرجعون
En wie Wij in leeftijd verlengen, hem brengen Wij terug, achterwaarts, in de schepping.
ومن نعمره ننكسه في ٱلخلق
Zullen zij dan niet redeneren?
أفلا يعقلون
Wij hebben hem de verleidingskunst niet geleerd; dat past hem niet.
وما علمنه ٱلشعر وما ينبغي له
Het is slechts een Herinnering en een uitdrukkelijke Lezing, opdat jij waarschuwt wie levend is, en opdat de uitspraak zich bewaarheidt tegen hen die verloochenen.
إن هو إلا ذكر وقرءان مبين لينذر من كان حيا ويحق ٱلقول على ٱلكفرين
Zien zij niet dat Wij voor hen, van wat Onze handen gemaakt hebben, vee hebben geschapen, waarvan zij eigenaar zijn?
أولم يروا أنا خلقنا لهم مما عملت أيدينآ أنعما فهم لها ملكون
En Wij hebben die hun gedwee gemaakt: sommige dienen hun als rijdier, en andere eten zij.
وذللنها لهم فمنها ركوبهم ومنها يأكلون
En zij trekken daaruit nuttigheden en dranken.
ولهم فيها منفع ومشارب
Zullen zij dan niet dankbaar zijn?
أفلا يشكرون
En zij hebben, buiten God, godheden genomen, in de hoop geholpen te worden. Zij kunnen hun geen hulp brengen, en zijzelf zullen voor hen een gebracht leger zijn.
وٱتخذوا من دون ٱلله ءالهة لعلهم ينصرون لا يستطيعون نصرهم وهم لهم جند محضرون
Laat hun uitspraak jou dus niet bedroeven.
فلا يحزنك قولهم
Wij weten gewis wat zij geheimhouden en wat zij bekendmaken.
إنا نعلم ما يسرون وما يعلنون
Ziet de mens niet dat Wij hem uit een druppel hebben geschapen, en daar is hij, een openlijke twister?
أولم ير ٱلإنسن أنا خلقنه من نطفة فإذا هو خصيم مبين
En hij vermenigvuldigt voor Ons een voorbeeld, zijn eigen schepping vergetend.
وضرب لنا مثلا ونسي خلقه
Hij zegt: “Wie zal de beenderen opnieuw leven geven wanneer zij stof zijn?”
قال من يحي ٱلعظم وهي رميم
Zeg: “Hij die hen een eerste maal heeft doen ontstaan, zal hun opnieuw leven geven; Hij is, van elke schepping, Alwetend.”
قل يحييها ٱلذي أنشأهآ أول مرة وهو بكل خلق عليم
Hij die voor jullie, uit de groene boom, vuur heeft gemaakt, en daar ontsteken jullie vanuit hem.
ٱلذي جعل لكم من ٱلشجر ٱلأخضر نارا فإذآ أنتم منه توقدون
Is Hij die de hemelen en de aarde heeft geschapen niet in staat hun gelijke te scheppen?
أوليس ٱلذي خلق ٱلسموت وٱلأرض بقدر على أن يخلق مثلهم
Jawel! En Hij is de Schepper, de Alwetende.
بلى وهو ٱلخلق ٱلعليم
Zijn bevel, wanneer Hij iets wil, is slechts het te zeggen: “Wees”,
إنمآ أمره إذآ أراد شيا أن يقول له كن
en het is.
فيكون
Glorie zij dus Hem die in Zijn hand het soevereine koningschap van alles houdt, en tot Hem zullen jullie teruggebracht worden.
فسبحن ٱلذي بيده ملكوت كل شىء وإليه ترجعون