Naar de inhoud
القرآنal-quran.fr
Menu
100%
القرآن

ال عمران

Al-Imran

The Rope of God

Soera 3 · 200 verzen

بسم ٱلله ٱلرحمن ٱلرحيم

In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.

3:1

Alif. Lam. Mim.

الم

3:2

God, geen godheid behalve Hij,

ٱلله لآ إله إلا هو

3:3

de Levende, Hij die door Zichzelf bestaat. Hij heeft op jou de Schrift doen neerdalen, in alle waarheid, bevestigend wat eraan voorafgaat,

ٱلحى ٱلقيوم نزل عليك ٱلكتب بٱلحق مصدقا لما بين يديه

3:4

en Hij heeft tevoren de Taurah en de Indjil doen neerdalen, een leiding voor de mensen, en Hij heeft het Onderscheid doen neerdalen.

وأنزل ٱلتورىة وٱلإنجيل من قبل هدى للناس وأنزل ٱلفرقان

Gewis zullen zij die de tekenen van God hebben verloochend, een strenge pijn hebben.

إن ٱلذين كفروا بايت ٱلله لهم عذاب شديد

God is Almachtig, houder van de wraak.

وٱلله عزيز ذو ٱنتقام

Gewis is niets voor God verborgen, noch op de aarde noch in de hemel.

إن ٱلله لا يخفى عليه شىء في ٱلأرض ولا في ٱلسمآء

Hij is het die jullie vorm geeft in de baarmoeders zoals het Hem behaagt.

هو ٱلذي يصوركم في ٱلأرحام كيف يشآء

Geen godheid behalve Hij,

لآ إله إلا هو

de Almachtige, de Wijze.

ٱلعزيز ٱلحكيم

3:7

Hij is het die op jou de Schrift heeft doen neerdalen;

هو ٱلذي أنزل عليك ٱلكتب منه

3:7

daarvan zijn er eenduidige tekenen, die de Matrix van de Schrift zijn, en andere, onderhevig aan gelijkenis.

ءايت محكمت هن أم ٱلكتب وأخر متشبهت

3:7

Wat hen betreft wier kernen een afwijking dragen, zij volgen wat in de Schrift tot gelijkenis aanleiding geeft, op zoek naar de beproeving en op zoek naar de interpretatie ervan;

فأما ٱلذين في قلوبهم زيغ فيتبعون ما تشبه منه ٱبتغآء ٱلفتنة وٱبتغآء تأويله

3:7

doch niemand kent de interpretatie ervan, behalve God.

وما يعلم تأويله إلا ٱلله

3:7

En zij die in het weten geworteld zijn, zeggen: “Wij geloven erin; alles komt van onze Voogd”;

وٱلرسخون في ٱلعلم يقولون ءامنا به كل من عند ربنا

3:7

en alleen de houders van intelligentie herinneren het zich.

وما يذكر إلآ أولوا ٱلألبب

“Onze Voogd, laat onze kernen niet afwijken nadat U ons geleid hebt, en schenk ons, van Uw zijde, een welwillendheid;

ربنا لا تزغ قلوبنا بعد إذ هديتنا وهب لنا من لدنك رحمة

gewis bent U het, de Schenker.

إنك أنت ٱلوهاب

Onze Voogd, U bent Hij die de mensen bijeenbrengt voor een dag waarover geen twijfel is.

ربنآ إنك جامع ٱلناس ليوم لا ريب فيه

God schiet gewis niet tekort in Zijn belofte.”

إن ٱلله لا يخلف ٱلميعاد

Gewis, zij die verloochenen, noch hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun iets baten tegenover God.

إن ٱلذين كفروا لن تغني عنهم أمولهم ولآ أولدهم من ٱلله شيا

3:11

En dat zijn zij die de brandstof van het Vuur zijn, naar het beeld van het gedrag van de clan van Fir'aun,

وأولئك هم وقود ٱلنار كدأب ءال فرعون

3:11

en van hen die vóór hen waren, die Onze tekenen ontkend hebben; God heeft hen toen gegrepen wegens hun vergrijpen.

وٱلذين من قبلهم كذبوا بايتنا فأخذهم ٱلله بذنوبهم

God is streng in de sanctie.

وٱلله شديد ٱلعقاب

Zeg tegen hen die verloochenen: “Jullie zullen overwonnen en verzameld worden naar Djahannam.”

قل للذين كفروا ستغلبون وتحشرون إلى جهنم

En wat een afschuwelijke ligplaats!

وبئس ٱلمهاد

3:13

Voor jullie was er een teken in die twee bataljons die elkaar ontmoetten:

قد كان لكم ءاية في فئتين ٱلتقتا

3:13

de een streed op de weg van God, en de ander verloochende; jullie zagen hen, met het blote oog, tweemaal wat zij waren.

فئة تقتل في سبيل ٱلله وأخرى كافرة يرونهم مثليهم رأي ٱلعين

3:13

God versterkt, door Zijn hulp, wie het Hem behaagt.

وٱلله يؤيد بنصره من يشآء

3:13

Voorzeker is daarin een les voor de houders van gezichtsvermogen.

إن في ذلك لعبرة لأولي ٱلأبصر

3:14

De liefde voor de passies is voor de mensen verfraaid: de vrouwen, de zonen, de opgestapelde kwintalen goud en zilver, de gemerkte paarden, het vee en de akker.

زين للناس حب ٱلشهوت من ٱلنسآء وٱلبنين وٱلقنطير ٱلمقنطرة من ٱلذهب وٱلفضة وٱلخيل ٱلمسومة وٱلأنعم وٱلحرث

3:14

Dat is de genieting van het leven hienieden;

ذلك متع ٱلحيوة ٱلدنيا

3:14

doch bij God bevindt zich de schone plaats om terug te keren.

وٱلله عنده حسن ٱلماب

3:15

Zeg: “Zal ik jullie berichten over iets beters dan dat?

قل أؤنبئكم بخير من ذلكم

3:15

Voor hen die zich behoeden, bij hun Voogd, tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, gereinigde echtgenoten, en een instemming van God.”

للذين ٱتقوا عند ربهم جنت تجري من تحتها ٱلأنهر خلدين فيها وأزوج مطهرة ورضون من ٱلله

God is Alziend over Zijn gehoorzamen,

وٱلله بصير بٱلعباد

zij die zeggen: “Onze Voogd, wij hebben gewis geloofd; vergeef ons dan onze vergrijpen, en behoed ons voor de pijn van het Vuur”,

ٱلذين يقولون ربنآ إننآ ءامنا فٱغفر لنا ذنوبنا وقنا عذاب ٱلنار

de geduldigen, de waarachtigen, de toegewijden, zij die uitgeven, en zij die om vergeving smeken in de laatste uren van de nacht.

ٱلصبرين وٱلصدقين وٱلقنتين وٱلمنفقين وٱلمستغفرين بٱلأسحار

3:18

God betuigt, evenals de Gemachtigden en de houders van het weten, dat er geen godheid is behalve Hij, de billijkheid onderhoudend.

شهد ٱلله أنه لآ إله إلا هو وٱلملئكة وأولوا ٱلعلم قآئما بٱلقسط

3:18

Geen godheid behalve Hij,

لآ إله إلا هو

3:18

de Almachtige, de Wijze.

ٱلعزيز ٱلحكيم

3:19

Gewis is de Wet, bij God, de integriteit tegenover Hem.

إن ٱلدين عند ٱلله ٱلإسلم

3:19

En zij aan wie de Schrift gegeven is, zijn pas uiteengelopen nadat het weten hun was gekomen,

وما ٱختلف ٱلذين أوتوا ٱلكتب إلا من بعد ما جآءهم ٱلعلم

3:19

door afpersing onder elkaar.

بغيا بينهم

3:19

En wie de tekenen van God verloochent – God is gewis snel in de rekening.

ومن يكفر بايت ٱلله فإن ٱلله سريع ٱلحساب

3:20

Als zij met jou een geschil voeren, zeg dan: “Ik maak mijn richting integer tegenover God, evenals zij die mij gevolgd hebben.”

فإن حآجوك فقل أسلمت وجهي لله ومن ٱتبعن

3:20

En zeg tegen hen aan wie de Schrift gegeven is, en tegen de lieden zonder voorafgaande Schrift: “Zijn jullie integer geworden tegenover God?”

وقل للذين أوتوا ٱلكتب وٱلأمين ءأسلمتم

Als zij het worden, laten zij zich dan leiden;

فإن أسلموا فقد ٱهتدوا

en als zij de rug toekeren, rust op jou slechts de overdracht.

وإن تولوا فإنما عليك ٱلبلغ

God is Alziend over Zijn gehoorzamen.

وٱلله بصير بٱلعباد

Gewis, zij die de tekenen van God verloochenen, de berichtgevers zonder recht doden, en hen doden die onder de mensen de billijkheid bevelen – kondig hun een schrijnende pijn aan.

إن ٱلذين يكفرون بايت ٱلله ويقتلون ٱلنبين بغير حق ويقتلون ٱلذين يأمرون بٱلقسط من ٱلناس فبشرهم بعذاب أليم

Dat zijn zij wier werken ingestort zijn, hienieden en in het laatste leven,

أولئك ٱلذين حبطت أعملهم في ٱلدنيا وٱلءاخرة

en zij zullen geen hulp hebben.

وما لهم من نصرين

3:23

Heb je hen niet gezien aan wie een gedeelte van de Schrift gegeven is, geroepen tot de Schrift van God opdat zij tussen hen oordeelt, en dan een fractie van hen de rug toekeert, zich onttrekkend?

ألم تر إلى ٱلذين أوتوا نصيبا من ٱلكتب يدعون إلى كتب ٱلله ليحكم بينهم ثم يتولى فريق منهم وهم معرضون

Dat komt doordat zij hebben gezegd: “Het Vuur zal ons slechts aanraken gedurende getelde dagen”; en wat zij verzonnen heeft hen bedrogen in hun Wet.

ذلك بأنهم قالوا لن تمسنا ٱلنار إلآ أياما معدودت وغرهم في دينهم ما كانوا يفترون

Hoe dan, wanneer Wij hen bijeengebracht zullen hebben voor een dag waarover geen twijfel is, en elk Zelf getrouw zal hebben ontvangen wat het heeft verworven, zonder onrecht te ondergaan?

فكيف إذا جمعنهم ليوم لا ريب فيه ووفيت كل نفس ما كسبت وهم لا يظلمون

3:26

Zeg: “O God, Soeverein van het koningschap! U geeft het koningschap aan wie het U behaagt, en U ontrukt het koningschap aan wie het U behaagt; U maakt machtig wie het U behaagt, en U vernedert wie het U behaagt; het goede is in Uw hand.

قل ٱللهم ملك ٱلملك تؤتي ٱلملك من تشآء وتنزع ٱلملك ممن تشآء وتعز من تشآء وتذل من تشآء بيدك ٱلخير

3:26

Gewis bent U tot alles in staat.

إنك على كل شىء قدير

3:27

U doet de nacht in de dag doordringen, en U doet de dag in de nacht doordringen; U brengt het levende uit het dode naar buiten, en U brengt het dode uit het levende naar buiten; en U voorziet wie het U behaagt, zonder te tellen.”

تولج ٱليل في ٱلنهار وتولج ٱلنهار في ٱليل وتخرج ٱلحى من ٱلميت وتخرج ٱلميت من ٱلحى وترزق من تشآء بغير حساب

Laat de gelovenden hen die verloochenen niet tot bondgenoten nemen, buiten de gelovenden;

لا يتخذ ٱلمؤمنون ٱلكفرين أوليآء من دون ٱلمؤمنين

en wie dat doet, heeft niets meer met God te maken – behalve als jullie je voor hen behoeden uit voorzorg.

ومن يفعل ذلك فليس من ٱلله في شىء إلآ أن تتقوا منهم تقىة

En God maakt jullie waakzaam jegens Zichzelf,

ويحذركم ٱلله نفسه

en tot God is de bestemming.

وإلى ٱلله ٱلمصير

Zeg: “Of jullie verbergen wat in jullie borst is, of het zichtbaar maken, God kent het.

قل إن تخفوا ما في صدوركم أو تبدوه يعلمه ٱلله

En Hij weet wat in de hemelen is en wat op de aarde is.

ويعلم ما في ٱلسموت وما في ٱلأرض

En God is tot alles in staat.”

وٱلله على كل شىء قدير

De dag waarop elk Zelf aanwezig zal vinden wat het aan goeds heeft gedaan,

يوم تجد كل نفس ما عملت من خير محضرا

en wat het aan kwaads heeft gedaan, het zou willen dat er tussen dat en zichzelf een verre tussenruimte was.

وما عملت من سوء تود لو أن بينها وبينه أمدا بعيدا

En God maakt jullie waakzaam jegens Zichzelf.

ويحذركم ٱلله نفسه

God is vol goedheid jegens Zijn gehoorzamen.

وٱلله رءوف بٱلعباد

3:31

Zeg: “Als jullie van God houden, volg mij: God zal van jullie houden en jullie vergrijpen vergeven.

قل إن كنتم تحبون ٱلله فٱتبعوني يحببكم ٱلله ويغفر لكم ذنوبكم

3:31

En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”

وٱلله غفور رحيم

3:32

Zeg: “Voeg jullie naar God en naar de gezant”;

قل أطيعوا ٱلله وٱلرسول

3:32

en als zij de rug toekeren, houdt God gewis niet van hen die verloochenen.

فإن تولوا فإن ٱلله لا يحب ٱلكفرين

3:33–34

God heeft Adam, Noeh, de clan van Ibrahim en de clan van Imran uitgekozen, boven alle wezens, een nageslacht de een van de ander.

إن ٱلله ٱصطفى ءادم ونوحا وءال إبرهيم وءال عمرن على ٱلعلمين ذرية بعضها من بعض

God is de Alhorende, de Alwetende.

وٱلله سميع عليم

3:35

Toen de vrouw van Imran zei: “Mijn Voogd, ik doe U gelofte van wat in mijn buik is, onafhankelijk gemaakt van alles; aanvaard het dan van mij.

إذ قالت ٱمرأت عمرن رب إني نذرت لك ما في بطني محررا فتقبل مني

3:35

Gewis bent U het, de Alhorende, de Alwetende.”

إنك أنت ٱلسميع ٱلعليم

3:36

Vervolgens, toen zij haar ter wereld had gebracht, zei zij: “Mijn Voogd, ik heb haar gewis ter wereld gebracht, een dochter” – God kende nochtans het best wat zij ter wereld had gebracht –

فلما وضعتها قالت رب إني وضعتهآ أنثى وٱلله أعلم بما وضعت

3:36

“en het mannetje is niet als het vrouwtje;

وليس ٱلذكر كٱلأنثى

3:36

ik heb haar Marjam tot eigenschap gegeven,

وإني سميتها مريم

3:36

en ik plaats haar, haar en haar nageslacht, onder Uw egide, tegen de verbannen Afleider.”

وإني أعيذها بك وذريتها من ٱلشيطن ٱلرجيم

3:37

Haar Voogd onthaalde haar met een schoon onthaal, en deed haar groeien met een schone groei,

فتقبلها ربها بقبول حسن وأنبتها نباتا حسنا

3:37

en vertrouwde de zorg voor haar toe aan Zakarija.

وكفلها زكريا

3:37

Telkens wanneer Zakarija bij haar binnenkwam in het oratorium, vond hij bij haar een leeftocht.

كلما دخل عليها زكريا ٱلمحراب وجد عندها رزقا

3:37

Hij zei: “O Marjam! Vanwaar komt jou dit?”

قال يمريم أنى لك هذا

Zij zei: “Dat komt van God.

قالت هو من عند ٱلله

God voorziet wie het Hem behaagt, zonder te tellen.”

إن ٱلله يرزق من يشآء بغير حساب

3:38

Ter plekke riep Zakarija zijn Voogd aan.

هنالك دعا زكريا ربه

3:38

Hij zei: “Mijn Voogd, schenk mij, van Uw zijde, een goed nageslacht; gewis bent U Hij die de aanroeping hoort.”

قال رب هب لي من لدنك ذرية طيبة إنك سميع ٱلدعآء

3:39

De Gemachtigden riepen hem toe terwijl hij het contact aanknoopte in het oratorium: “God kondigt jou Jahja aan, bevestigend een woord afkomstig van God, een aanvoerder, een man van volledige continentie, en een berichtgever, behorend tot hen die deugdelijk zijn.”

فنادته ٱلملئكة وهو قآئم يصلي في ٱلمحراب أن ٱلله يبشرك بيحيى مصدقا بكلمة من ٱلله وسيدا وحصورا ونبيا من ٱلصلحين

3:40

Hij zei: “Mijn Voogd, hoe zou ik een jongen hebben, terwijl de grote ouderdom mij reeds heeft bereikt, en mijn vrouw onvruchtbaar is?”

قال رب أنى يكون لي غلم وقد بلغني ٱلكبر وٱمرأتي عاقر

3:40

Hij zei: “Zo is het:

قال كذلك

3:40

God doet wat het Hem behaagt.”

ٱلله يفعل ما يشآء

3:41

Hij zei: “Mijn Voogd, wijs mij een teken aan.”

قال رب ٱجعل لي ءاية

3:41

Hij zei: “Jouw teken zal zijn dat je tot de mensen slechts met gebaren zult spreken, gedurende drie dagen.

قال ءايتك ألا تكلم ٱلناس ثلثة أيام إلا رمزا

3:41

En herinner je jouw Voogd overvloedig, en glorifieer bij avond en bij dageraad.”

وٱذكر ربك كثيرا وسبح بٱلعشي وٱلإبكر

3:42

En toen de Gemachtigden zeiden: “O Marjam! God heeft jou uitgekozen, heeft jou gereinigd, en heeft jou uitgekozen boven de vrouwen van alle wezens.

وإذ قالت ٱلملئكة يمريم إن ٱلله ٱصطفىك وطهرك وٱصطفىك على نسآء ٱلعلمين

3:43

O Marjam! Wees toegewijd jegens jouw Voogd, werp je neer, en kniel met hen die knielen.”

يمريم ٱقنتي لربك وٱسجدي وٱركعي مع ٱلركعين

3:44

Dat maakt deel uit van de berichten over wat de zintuigen ontgaat, die Wij jou openbaren.

ذلك من أنبآء ٱلغيب نوحيه إليك

3:44

Jij was niet bij hen toen zij hun rietstengels wierpen: wie van hen de zorg voor Marjam zou hebben,

وما كنت لديهم إذ يلقون أقلمهم أيهم يكفل مريم

3:45

en jij was niet bij hen toen zij twistten. Toen de Gemachtigden zeiden: “O Marjam! God kondigt jou een woord aan afkomstig van Hem,

وما كنت لديهم إذ يختصمون إذ قالت ٱلملئكة يمريم إن ٱلله يبشرك بكلمة منه

3:45

wiens eigenschap Al-Masih zal zijn, Isa, zoon van Marjam, van hoge achting hienieden en in het laatste leven, en behorend tot de naderbijgebrachten.

ٱسمه ٱلمسيح عيسى ٱبن مريم وجيها في ٱلدنيا وٱلءاخرة ومن ٱلمقربين

En hij zal tot de mensen spreken in de wieg en op rijpe leeftijd,

ويكلم ٱلناس في ٱلمهد وكهلا

en zal behoren tot hen die deugdelijk zijn.”

ومن ٱلصلحين

Zij zei: “Mijn Voogd, hoe zou ik een kind hebben, terwijl geen enkele sterveling mij heeft aangeraakt?”

قالت رب أنى يكون لي ولد ولم يمسسني بشر

Hij zei: “Zo is het:

قال كذلك

God schept wat het Hem behaagt.

ٱلله يخلق ما يشآء

Wanneer Hij een ding decreteert, zegt Hij er slechts tegen: ‘Wees’,

إذا قضى أمرا فإنما يقول له كن

en het is.”

فيكون

3:48–49

“En Hij zal hem de Codex, de wijsheid, de Taurah en de Indjil onderwijzen, en gezant aan de zonen van Israël: ik breng jullie een teken van jullie Voogd:

ويعلمه ٱلكتب وٱلحكمة وٱلتورىة وٱلإنجيل ورسولا إلى بني إسرءيل أني قد جئتكم باية من ربكم

ik schep voor jullie, uit klei, een vorm van een vogel, vervolgens blaas ik erin, en het wordt een vogel, met de toestemming van God.

أني أخلق لكم من ٱلطين كهية ٱلطير فأنفخ فيه فيكون طيرا بإذن ٱلله

En ik herstel de blindgeborene en de lepralijder, en ik geef de doden het leven terug, met de toestemming van God.

وأبرئ ٱلأكمه وٱلأبرص وأحي ٱلموتى بإذن ٱلله

En ik bericht jullie over wat jullie eten en over wat jullie opslaan in jullie huizen.

وأنبئكم بما تأكلون وما تدخرون في بيوتكم

Voorzeker is daarin een teken voor jullie, indien jullie gelovenden zijn.

إن في ذلك لءاية لكم إن كنتم مؤمنين

En bevestigend wat, van de Taurah, mij voorafgaat, en om voor jullie geoorloofd te maken een deel van wat jullie ontzegd was.

ومصدقا لما بين يدى من ٱلتورىة ولأحل لكم بعض ٱلذي حرم عليكم

En ik breng jullie een teken van jullie Voogd;

وجئتكم باية من ربكم

behoed jullie dus voor God en voeg jullie naar mij.

فٱتقوا ٱلله وأطيعون

Gewis is God mijn Voogd en jullie Voogd; gehoorzaam Hem dan.

إن ٱلله ربي وربكم فٱعبدوه

Dit is een rechtlijnig pad.”

هذا صرط مستقيم

3:52

Toen Isa van hen de verloochening bespeurde, zei hij: “Wie zijn mijn helpers naar God?”

فلمآ أحس عيسى منهم ٱلكفر قال من أنصاري إلى ٱلله

3:52

De leerlingen zeiden: “Wij zijn de helpers van God.

قال ٱلحواريون نحن أنصار ٱلله

Wij geloven in God, en wees getuige dat wij integer zijn tegenover Hem.

ءامنا بٱلله وٱشهد بأنا مسلمون

Onze Voogd, wij hebben geloofd in wat U hebt doen neerdalen, en wij hebben de gezant gevolgd; schrijf ons dan in onder de getuigen.”

ربنآ ءامنا بمآ أنزلت وٱتبعنا ٱلرسول فٱكتبنا مع ٱلشهدين

3:54

En zij complotteerden, en God complotteerde,

ومكروا ومكر ٱلله

3:54

en God is de voortreffelijkste van hen die complotteren.

وٱلله خير ٱلمكرين

3:55

Toen God zei: “O Isa! Ik zal jou gewis getrouw in bewaring houden, jou tot Mij verheffen, en jou reinigen van hen die verloochend hebben,

إذ قال ٱلله يعيسى إني متوفيك ورافعك إلى ومطهرك من ٱلذين كفروا

3:55

en hen die jou gevolgd zijn boven hen die verloochend hebben plaatsen, tot de Dag van het Verschijnen.

وجاعل ٱلذين ٱتبعوك فوق ٱلذين كفروا إلى يوم ٱلقيمة

3:55

Vervolgens is het tot Mij dat jullie terugkeer zal zijn, en Ik zal tussen jullie oordelen over datgene waarin jullie uiteenliepen.

ثم إلى مرجعكم فأحكم بينكم فيما كنتم فيه تختلفون

3:56

Wat hen betreft die verloochend hebben, Ik zal hun een strenge pijn opleggen, hienieden en in het laatste leven,

فأما ٱلذين كفروا فأعذبهم عذابا شديدا في ٱلدنيا وٱلءاخرة

3:56

en zij zullen geen hulp hebben.

وما لهم من نصرين

3:57

En wat hen betreft die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, Hij zal hun getrouw hun beloningen teruggeven.

وأما ٱلذين ءامنوا وعملوا ٱلصلحت فيوفيهم أجورهم

3:57

God houdt niet van de onrechtvaardigen.”

وٱلله لا يحب ٱلظلمين

Dat is wat Wij jou voordragen van de tekenen en van de Herinnering vol wijsheid.

ذلك نتلوه عليك من ٱلءايت وٱلذكر ٱلحكيم

3:59

Gewis is het voorbeeld van Isa, bij God, gelijkend aan dat van Adam:

إن مثل عيسى عند ٱلله كمثل ءادم

3:59

Hij schiep hem uit aarde, en zei vervolgens tegen hem: “Wees”,

خلقه من تراب ثم قال له كن

3:59

en hij was.

فيكون

3:60

De waarheid komt van jouw Voogd;

ٱلحق من ربك

3:60

behoor dan niet tot hen die in controverse treden.

فلا تكن من ٱلممترين

3:61

Tegen wie met jou hierover een geschil zou voeren, nadat het weten tot jou was gekomen, zeg: “Kom, laten wij onze zonen en jullie zonen roepen, onze vrouwen en jullie vrouwen, onszelf en jullie zelf, en laten wij vervolgens dringend verzoeken, en laten wij de vloek van God over de leugenaars afroepen.”

فمن حآجك فيه من بعد ما جآءك من ٱلعلم فقل تعالوا ندع أبنآءنا وأبنآءكم ونسآءنا ونسآءكم وأنفسنا وأنفسكم ثم نبتهل فنجعل لعنت ٱلله على ٱلكذبين

3:62

Voorzeker is dit het ware verhaal,

إن هذا لهو ٱلقصص ٱلحق

en er is geen godheid dan God.

وما من إله إلا ٱلله

En voorzeker is God de Almachtige, de Wijze.

وإن ٱلله لهو ٱلعزيز ٱلحكيم

Als zij de rug toekeren, is God gewis Alwetend over de bedervers.

فإن تولوا فإن ٱلله عليم بٱلمفسدين

3:64

Zeg: “O lieden van de Schrift! Kom tot een billijk woord tussen ons en jullie: dat wij alleen God gehoorzamen, dat wij niets met Hem associëren, en dat niemand van ons de anderen tot meesters neemt buiten God.”

قل يأهل ٱلكتب تعالوا إلى كلمة سوآء بيننا وبينكم ألا نعبد إلا ٱلله ولا نشرك به شيا ولا يتخذ بعضنا بعضا أربابا من دون ٱلله

3:64

Als zij de rug toekeren, zeg dan: “Wees getuigen dat wij integer zijn tegenover God.”

فإن تولوا فقولوا ٱشهدوا بأنا مسلمون

3:65

O lieden van de Schrift! Waarom voeren jullie een geschil over Ibrahim,

يأهل ٱلكتب لم تحآجون في إبرهيم

terwijl de Taurah en de Indjil pas na hem zijn neergedaald?

ومآ أنزلت ٱلتورىة وٱلإنجيل إلا من بعده

Redeneren jullie dan niet?

أفلا تعقلون

Daar zijn jullie, een geschil voerend over iets waarvan jullie enig weten hebben; maar waarom voeren jullie een geschil over iets waarvan jullie geen enkel weten hebben?

هأنتم هؤلآء حججتم فيما لكم به علم فلم تحآجون فيما ليس لكم به علم

God weet,

وٱلله يعلم

en jullie weten niet.

وأنتم لا تعلمون

3:67

Ibrahim was noch een Geheroriënteerde noch een Helper, maar hij was geheel op God gericht, integer tegenover Hem,

ما كان إبرهيم يهوديا ولا نصرانيا ولكن كان حنيفا مسلما

en hij behoorde niet tot hen die associëren.

وما كان من ٱلمشركين

3:68

Voorzeker zijn de meest nabije mensen van Ibrahim zij die hem gevolgd zijn, evenals deze berichtgever en zij die geloofd hebben.

إن أولى ٱلناس بإبرهيم للذين ٱتبعوه وهذا ٱلنبي وٱلذين ءامنوا

God is de beschermer van de gelovenden.

وٱلله ولي ٱلمؤمنين

3:69

Een groep onder de lieden van de Schrift zou jullie hebben willen doen dwalen;

ودت طآئفة من أهل ٱلكتب لو يضلونكم

maar zij doen slechts zichzelf dwalen, zonder het te voelen.

وما يضلون إلآ أنفسهم وما يشعرون

3:70

O lieden van de Schrift! Waarom verloochenen jullie de tekenen van God, terwijl jullie er getuigen van zijn?

يأهل ٱلكتب لم تكفرون بايت ٱلله وأنتم تشهدون

3:71

O lieden van de Schrift! Waarom bekleden jullie de waarheid met het valse, en verzwijgen jullie de waarheid, terwijl jullie weten?

يأهل ٱلكتب لم تلبسون ٱلحق بٱلبطل وتكتمون ٱلحق وأنتم تعلمون

3:72

En een groep onder de lieden van de Schrift zei: “Geloof in wat is neergedaald aan hen die geloofd hebben, aan het begin van de dag, en verloochen het aan het einde ervan, misschien zullen zij terugkeren.”

وقالت طآئفة من أهل ٱلكتب ءامنوا بٱلذي أنزل على ٱلذين ءامنوا وجه ٱلنهار وٱكفروا ءاخره لعلهم يرجعون

“En verleen alleen krediet aan wie jullie Wet volgt.”

ولا تؤمنوا إلا لمن تبع دينكم

Zeg: “De leiding is gewis de leiding van God” – uit angst dat aan iemand iets wordt gegeven dat gelijk is aan wat jullie is gegeven, of dat zij een geschil met jullie voeren bij jullie Voogd.

قل إن ٱلهدى هدى ٱلله أن يؤتى أحد مثل مآ أوتيتم أو يحآجوكم عند ربكم

Zeg: “De gunst is in de hand van God,

قل إن ٱلفضل بيد ٱلله

Hij geeft haar aan wie het Hem behaagt.

يؤتيه من يشآء

God is Veelomvattend, Alwetend.”

وٱلله وسع عليم

Hij behoudt Zijn welwillendheid voor wie het Hem behaagt.

يختص برحمته من يشآء

En God bezit de ontzaglijke gunst.

وٱلله ذو ٱلفضل ٱلعظيم

3:75

En onder de lieden van de Schrift zijn er die, als jij hun een kwintaal toevertrouwt, het jou restitueren;

ومن أهل ٱلكتب من إن تأمنه بقنطار يؤده إليك

3:75

en er zijn er die, als jij hun een dinar toevertrouwt, het jou slechts restitueren zolang jij je handhaaft in het opeisen ervan bij hen.

ومنهم من إن تأمنه بدينار لا يؤده إليك إلا ما دمت عليه قآئما

3:75

Dat komt doordat zij zeggen: “Wij hebben, jegens de lieden zonder voorafgaande Schrift, geen enkele verplichting”,

ذلك بأنهم قالوا ليس علينا في ٱلأمين سبيل

3:75

en zij zeggen de leugen tegen God, terwijl zij weten.

ويقولون على ٱلله ٱلكذب وهم يعلمون

3:76

Maar jawel: wie trouw is aan zijn pact en zich behoedt – God houdt gewis van hen die zich behoeden.

بلى من أوفى بعهده وٱتقى فإن ٱلله يحب ٱلمتقين

Gewis, zij die kopen, met het pact van God en hun eden, een schamele prijs – dat zijn zij die geen enkel lot zullen hebben in het laatste leven; God zal het woord niet tot hen richten, hen niet aankijken op de Dag van het Verschijnen, en hen niet zuiveren.

إن ٱلذين يشترون بعهد ٱلله وأيمنهم ثمنا قليلا أولئك لا خلق لهم في ٱلءاخرة ولا يكلمهم ٱلله ولا ينظر إليهم يوم ٱلقيمة ولا يزكيهم

En zij zullen een schrijnende pijn hebben.

ولهم عذاب أليم

3:78

En onder hen is er voorzeker een fractie die haar tongen verdraait met de Schrift, opdat jullie het voor een uittreksel uit de Schrift houden, terwijl het er geen deel van uitmaakt,

وإن منهم لفريقا يلون ألسنتهم بٱلكتب لتحسبوه من ٱلكتب وما هو من ٱلكتب

en zij zeggen: “Dat komt van God”,

ويقولون هو من عند ٱلله

3:78

terwijl het niet van God komt,

وما هو من عند ٱلله

en zij zeggen de leugen tegen God, terwijl zij weten.

ويقولون على ٱلله ٱلكذب وهم يعلمون

3:79

Het komt aan geen enkele sterveling toe, aan wie God de Schrift, het oordeel en de berichtgeving heeft gegeven, vervolgens tot de mensen te zeggen: “Wees voor mij gehoorzaam, buiten God”; maar eerder: “Wees geestelijke meesters, wegens wat jullie onderwijzen van de Schrift en wat jullie bestuderen.”

ما كان لبشر أن يؤتيه ٱلله ٱلكتب وٱلحكم وٱلنبوة ثم يقول للناس كونوا عبادا لي من دون ٱلله ولكن كونوا ربنين بما كنتم تعلمون ٱلكتب وبما كنتم تدرسون

3:80

En hij zou jullie niet bevelen de Gemachtigden en de berichtgevers tot meesters te nemen.

ولا يأمركم أن تتخذوا ٱلملئكة وٱلنبين أربابا

3:80

Zou hij jullie de verloochening bevelen, nadat jullie integer zijn geworden tegenover God?

أيأمركم بٱلكفر بعد إذ أنتم مسلمون

3:81

En toen God de plechtige verbintenis van de berichtgevers afnam: “Wat Ik jullie gegeven heb aan Schrift en wijsheid, en dat dan een gezant tot jullie komt, bevestigend wat bij jullie is, jullie moeten voorzeker in hem geloven, en hem voorzeker helpen.”

وإذ أخذ ٱلله ميثق ٱلنبين لمآ ءاتيتكم من كتب وحكمة ثم جآءكم رسول مصدق لما معكم لتؤمنن به ولتنصرنه

3:81

Hij zei: “Hebben jullie ingestemd, en onder deze voorwaarde Mijn juk op jullie genomen?”

قال ءأقررتم وأخذتم على ذلكم إصري

3:81

Zij zeiden: “Wij hebben ingestemd.”

قالوا أقررنا

3:81

Hij zei: “Wees er dan getuigen van, en Ik behoor, met jullie, tot de getuigen.”

قال فٱشهدوا وأنا معكم من ٱلشهدين

3:82

Wie hierna de rug toekeert – dat zijn de grensoverschrijders.

فمن تولى بعد ذلك فأولئك هم ٱلفسقون

3:83

Zouden zij dan een andere Wet zoeken dan die van God, terwijl het tegenover Hem is dat zich integer maakt wie in de hemelen en op de aarde is, gewillig of gedwongen,

أفغير دين ٱلله يبغون وله أسلم من في ٱلسموت وٱلأرض طوعا وكرها

3:83

en dat het tot Hem is dat zij teruggebracht zullen worden?

وإليه يرجعون

3:84

Zeg: “Wij geloven in God, in wat ons is neergedaald, in wat aan Ibrahim, Isma'il, Ishaq, Ja'qoeb en de afstammingslijnen is neergedaald, en in wat aan Moesa, aan Isa en aan de berichtgevers is gegeven, van de zijde van hun Voogd; wij maken geen enkel verschil tussen hen, en het is tegenover Hem dat wij integer zijn.”

قل ءامنا بٱلله ومآ أنزل علينا ومآ أنزل على إبرهيم وإسمعيل وإسحق ويعقوب وٱلأسباط ومآ أوتي موسى وعيسى وٱلنبيون من ربهم لا نفرق بين أحد منهم ونحن له مسلمون

En wie een andere Wet zoekt dan de integriteit tegenover God, zij zal nooit van hem aanvaard worden,

ومن يبتغ غير ٱلإسلم دينا فلن يقبل منه

en hij zal, in het laatste leven, tot de verliezers behoren.

وهو في ٱلءاخرة من ٱلخسرين

Hoe zou God een volk leiden dat verloochend heeft nadat het geloofd had, en nadat het getuigd had dat de gezant waar is, terwijl de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen?

كيف يهدي ٱلله قوما كفروا بعد إيمنهم وشهدوا أن ٱلرسول حق وجآءهم ٱلبينت

En God leidt het onrechtvaardige volk niet.

وٱلله لا يهدي ٱلقوم ٱلظلمين

Dat zijn zij wier vergelding is dat over hen de vloek van God zal drukken, van de Gemachtigden, en van de mensen, allen tezamen, waarin zij eeuwig zullen blijven; de pijn zal hun niet verlicht worden, en er zal hun geen uitstel verleend worden – behalve zij die hierna terugkeren, en zich saneren: God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.

أولئك جزآؤهم أن عليهم لعنة ٱلله وٱلملئكة وٱلناس أجمعين خلدين فيها لا يخفف عنهم ٱلعذاب ولا هم ينظرون إلا ٱلذين تابوا من بعد ذلك وأصلحوا فإن ٱلله غفور رحيم

Gewis, zij die verloochenen nadat zij geloofd hebben, en vervolgens toenemen in verloochening, hun berouw zal nooit aanvaard worden,

إن ٱلذين كفروا بعد إيمنهم ثم ٱزدادوا كفرا لن تقبل توبتهم

en dat zijn de dwalenden.

وأولئك هم ٱلضآلون

Gewis, zij die verloochenen en sterven terwijl zij verloochenen, van een van hen zal nooit de gehele aarde gevuld met goud aanvaard worden, ook al zou hij haar als losgeld aanbieden.

إن ٱلذين كفروا وماتوا وهم كفار فلن يقبل من أحدهم ملء ٱلأرض ذهبا ولو ٱفتدى به

Dat zijn zij die een schrijnende pijn zullen hebben,

أولئك لهم عذاب أليم

en zij zullen geen hulp hebben.

وما لهم من نصرين

3:92

De deugd zal jullie slechts toevallen als jullie uitgeven van datgene waarvan jullie houden.

لن تنالوا ٱلبر حتى تنفقوا مما تحبون

3:92

En wat jullie ook uitgeven, God is er gewis Alwetend over.

وما تنفقوا من شىء فإن ٱلله به عليم

Al het voedsel was geoorloofd voor de zonen van Israël, behalve wat Israël zichzelf had ontzegd, voordat de Taurah was neergedaald.

كل ٱلطعام كان حلا لبني إسرءيل إلا ما حرم إسرءيل على نفسه من قبل أن تنزل ٱلتورىة

Zeg: “Breng dan de Taurah, en draag haar voor, als jullie waarachtig zijn.”

قل فأتوا بٱلتورىة فٱتلوهآ إن كنتم صدقين

Wie dan, hierna, de leugen tegen God verzint – dat zijn de onrechtvaardigen.

فمن ٱفترى على ٱلله ٱلكذب من بعد ذلك فأولئك هم ٱلظلمون

Zeg: “God heeft waar gezegd.

قل صدق ٱلله

3:95

Volg dan de leer van Ibrahim, geheel op God gericht,

فٱتبعوا ملة إبرهيم حنيفا

en hij behoorde niet tot hen die associëren.”

وما كان من ٱلمشركين

Voorzeker is het eerste Huis dat voor de mensen is neergezet dat van de plaats van de toeloop, gezegend en een leiding voor alle wezens; daarin zijn duidelijke tekenen.

إن أول بيت وضع للناس للذي ببكة مباركا وهدى للعلمين فيه ءايت بينت

De standplaats van Ibrahim,

مقام إبرهيم

en wie erin binnengaat is in veiligheid.

ومن دخله كان ءامنا

En de hadj van het Huis is een plicht jegens God voor de mensen, voor wie het vermogen heeft de weg ernaartoe te nemen;

ولله على ٱلناس حج ٱلبيت من ٱستطاع إليه سبيلا

en wie verloochent – God is gewis Rijk, zonder afhankelijk te zijn van ook maar één van de wezens.

ومن كفر فإن ٱلله غني عن ٱلعلمين

3:98

Zeg: “O lieden van de Schrift! Waarom verloochenen jullie de tekenen van God, terwijl God getuige is van wat jullie doen?”

قل يأهل ٱلكتب لم تكفرون بايت ٱلله وٱلله شهيد على ما تعملون

3:99

Zeg: “O lieden van de Schrift! Waarom versperren jullie de weg van God voor hem die geloofd heeft, zoekend haar kronkelig te maken, terwijl jullie er getuigen van zijn?”

قل يأهل ٱلكتب لم تصدون عن سبيل ٱلله من ءامن تبغونها عوجا وأنتم شهدآء

En God is niet onbekommerd over wat jullie doen.

وما ٱلله بغفل عما تعملون

3:100

O jullie die geloofd hebben! Als jullie je voegen naar een fractie onder hen aan wie de Schrift gegeven is, zullen zij jullie, na jullie geloof, terugbrengen tot een verloochening.

يأيها ٱلذين ءامنوا إن تطيعوا فريقا من ٱلذين أوتوا ٱلكتب يردوكم بعد إيمنكم كفرين

En hoe zouden jullie verloochenen, terwijl de tekenen van God jullie worden voorgedragen, en Zijn gezant onder jullie is?

وكيف تكفرون وأنتم تتلى عليكم ءايت ٱلله وفيكم رسوله

En wie zich stevig hecht aan God, is reeds geleid naar een rechtlijnig pad.

ومن يعتصم بٱلله فقد هدي إلى صرط مستقيم

O jullie die geloofd hebben! Behoed jullie voor God zoals het betaamt zich voor Hem te behoeden,

يأيها ٱلذين ءامنوا ٱتقوا ٱلله حق تقاته

en sterf slechts terwijl jullie integer zijn tegenover Hem.

ولا تموتن إلا وأنتم مسلمون

3:103

En hecht jullie allen, stevig, aan het koord van God,

وٱعتصموا بحبل ٱلله جميعا

3:103

en scheur jullie niet.

ولا تفرقوا

3:103

En herinner jullie de weldaad van God over jullie, toen jullie vijanden waren, en Hij jullie kernen verzoende, zodat jullie, door Zijn weldaad, broers zijn geworden;

وٱذكروا نعمت ٱلله عليكم إذ كنتم أعدآء فألف بين قلوبكم فأصبحتم بنعمته إخونا

3:103

en jullie waren aan de rand van een kuil van vuur, en Hij heeft jullie ervan gered.

وكنتم على شفا حفرة من ٱلنار فأنقذكم منها

3:103

Zo maakt God voor jullie Zijn tekenen duidelijk, misschien zullen jullie je laten leiden.

كذلك يبين ٱلله لكم ءايته لعلكم تهتدون

En laat uit jullie een gemeenschap voortkomen die tot het goede roept, beveelt wat erkend is, en verbiedt wat afgekeurd is.

ولتكن منكم أمة يدعون إلى ٱلخير ويأمرون بٱلمعروف وينهون عن ٱلمنكر

En dat zijn zij die slagen.

وأولئك هم ٱلمفلحون

En wees niet zoals zij die zich gescheurd hebben en uiteengelopen zijn nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen.

ولا تكونوا كٱلذين تفرقوا وٱختلفوا من بعد ما جآءهم ٱلبينت

3:106

En dat zijn zij die een ontzaglijke pijn zullen hebben, de dag waarop gezichten zullen opklaren en gezichten zullen versomberen.

وأولئك لهم عذاب عظيم يوم تبيض وجوه وتسود وجوه

3:106

Wat betreft zij wier gezichten versomberd zullen zijn: “Hebben jullie verloochend na jullie geloof? Proef dan de pijn, omdat jullie verloochend hebben.”

فأما ٱلذين ٱسودت وجوههم أكفرتم بعد إيمنكم فذوقوا ٱلعذاب بما كنتم تكفرون

3:107

En wat betreft zij wier gezichten opgeklaard zullen zijn, zij zullen in de welwillendheid van God zijn,

وأما ٱلذين ٱبيضت وجوههم ففي رحمة ٱلله

waarin zij eeuwig zullen blijven.

هم فيها خلدون

Dat zijn de tekenen van God, die Wij jou voordragen in alle waarheid.

تلك ءايت ٱلله نتلوها عليك بٱلحق

En God wil geen enkel onrecht voor alle wezens.

وما ٱلله يريد ظلما للعلمين

En aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is,

ولله ما في ٱلسموت وما في ٱلأرض

en tot God keren alle zaken terug.

وإلى ٱلله ترجع ٱلأمور

Jullie zijn de voortreffelijkste gemeenschap die naar buiten is gebracht voor de mensen: jullie bevelen wat erkend is, jullie verbieden wat afgekeurd is, en jullie geloven in God.

كنتم خير أمة أخرجت للناس تأمرون بٱلمعروف وتنهون عن ٱلمنكر وتؤمنون بٱلله

3:110

En als de lieden van de Schrift geloofd hadden, zou dat beter voor hen zijn geweest.

ولو ءامن أهل ٱلكتب لكان خيرا لهم

Onder hen zijn er gelovenden,

منهم ٱلمؤمنون

maar de meesten van hen zijn grensoverschrijders.

وأكثرهم ٱلفسقون

Zij zullen jullie nooit kunnen schaden,

لن يضروكم

behalve door hinder.

إلآ أذى

En als zij jullie bevechten, zullen zij jullie de rug toekeren;

وإن يقتلوكم يولوكم ٱلأدبار

daarna zullen zij niet geholpen worden.

ثم لا ينصرون

De vernedering is hun opgedrukt, waar zij ook betrapt worden,

ضربت عليهم ٱلذلة أين ما ثقفوا

behalve door een koord van God en een koord van de mensen; zij halen zich de woede van God op de hals,

إلا بحبل من ٱلله وحبل من ٱلناس وبآءو بغضب من ٱلله

en de behoeftigheid is hun opgedrukt.

وضربت عليهم ٱلمسكنة

Dat is omdat zij de tekenen van God verloochenden, en de berichtgevers zonder recht doodden.

ذلك بأنهم كانوا يكفرون بايت ٱلله ويقتلون ٱلأنبيآء بغير حق

Dat is omdat zij ongehoorzaam zijn geweest en de grenzen overschreden hebben.

ذلك بما عصوا وكانوا يعتدون

3:113

Zij zijn niet allen gelijk:

ليسوا سوآء

3:113

onder de lieden van de Schrift is er een rechtschapen gemeenschap, die de tekenen van God voordraagt in de uren van de nacht, zich neerwerpend.

من أهل ٱلكتب أمة قآئمة يتلون ءايت ٱلله ءانآء ٱليل وهم يسجدون

3:114

Zij geloven in God en in de Laatste Dag, bevelen wat erkend is, verbieden wat afgekeurd is, en haasten zich naar het voortreffelijkste.

يؤمنون بٱلله وٱليوم ٱلءاخر ويأمرون بٱلمعروف وينهون عن ٱلمنكر ويسرعون في ٱلخيرت

3:114

En die behoren tot hen die deugdelijk zijn.

وأولئك من ٱلصلحين

3:115

En welk goed zij ook doen, het zal hun nooit verloochend worden.

وما يفعلوا من خير فلن يكفروه

3:115

God is Alwetend over hen die zich behoeden.

وٱلله عليم بٱلمتقين

Gewis, zij die verloochenen, noch hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun iets baten tegenover God,

إن ٱلذين كفروا لن تغني عنهم أمولهم ولآ أولدهم من ٱلله شيا

en dat zijn de metgezellen van het Vuur, zij blijven daar eeuwig.

وأولئك أصحب ٱلنار هم فيها خلدون

Het voorbeeld van wat zij uitgeven in dit leven hienieden is dat van een ijskoude wind, die de akker overkomt van een volk dat onrechtvaardig is geweest jegens zichzelf, en het vernietigt.

مثل ما ينفقون في هذه ٱلحيوة ٱلدنيا كمثل ريح فيها صر أصابت حرث قوم ظلموا أنفسهم فأهلكته

En God is niet onrechtvaardig geweest jegens hen,

وما ظلمهم ٱلله

maar het is jegens zichzelf dat zij onrechtvaardig zijn.

ولكن أنفسهم يظلمون

O jullie die geloofd hebben! Neem geen intieme vertrouwelingen buiten die van jullie: zij houden niet op jullie ontreddering te bezorgen, en zouden willen dat jullie verpletterd zijn.

يأيها ٱلذين ءامنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم لا يألونكم خبالا ودوا ما عنتم

De haat is reeds zichtbaar geworden in hun monden, en wat hun borst verbergt is nog veel ernstiger.

قد بدت ٱلبغضآء من أفوههم وما تخفي صدورهم أكبر

Wij hebben voor jullie de tekenen reeds duidelijk gemaakt, als jullie redeneren.

قد بينا لكم ٱلءايت إن كنتم تعقلون

3:119

Daar zijn jullie, jullie die van hen houden, terwijl zij niet van jullie houden, en jullie geloven in de gehele Schrift.

هأنتم أولآء تحبونهم ولا يحبونكم وتؤمنون بٱلكتب كله

En wanneer zij jullie ontmoeten, zeggen zij: “Wij hebben geloofd”;

وإذا لقوكم قالوا ءامنا

maar wanneer zij alleen zijn, bijten zij zich in de vingertoppen, van woede tegen jullie.

وإذا خلوا عضوا عليكم ٱلأنامل من ٱلغيظ

Zeg: “Sterf van jullie woede.”

قل موتوا بغيظكم

God is gewis Alwetend over de inhoud van de borsten.

إن ٱلله عليم بذات ٱلصدور

3:120

Als een goed jullie treft, mishaagt het hun,

إن تمسسكم حسنة تسؤهم

3:120

en als een kwaad jullie overkomt, verheugen zij zich erover.

وإن تصبكم سيئة يفرحوا بها

3:120

Maar als jullie geduldig zijn en je behoeden, zal hun list jullie in niets schaden.

وإن تصبروا وتتقوا لا يضركم كيدهم شيا

3:120

God omvat gewis volkomen wat zij doen.

إن ٱلله بما يعملون محيط

3:121

En toen jij de jouwen vroeg verliet, om de gelovenden op gevechtsposten te installeren.

وإذ غدوت من أهلك تبوئ ٱلمؤمنين مقعد للقتال

3:121

God is de Alhorende, de Alwetende.

وٱلله سميع عليم

3:122

Toen twee van jullie groepen op het punt stonden te wijken, terwijl God hun beider beschermer was –

إذ همت طآئفتان منكم أن تفشلا وٱلله وليهما

3:122

en aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.

وعلى ٱلله فليتوكل ٱلمؤمنون

3:123

God heeft jullie gewis geholpen bij Badr, terwijl jullie vernederd waren.

ولقد نصركم ٱلله ببدر وأنتم أذلة

3:123

Behoed jullie dus voor God, misschien zullen jullie dankbaar zijn.

فٱتقوا ٱلله لعلكم تشكرون

3:124

Toen jij tegen de gelovenden zei: “Volstaat het niet voor jullie dat jullie Voogd jullie versterkt met drieduizend neergedaalde Gemachtigden?”

إذ تقول للمؤمنين ألن يكفيكم أن يمدكم ربكم بثلثة ءالف من ٱلملئكة منزلين

3:125

Maar jawel: als jullie geduldig zijn en je behoeden, en zij tot jullie komen, daar, ogenblikkelijk, zal jullie Voogd jullie versterken met vijfduizend duidelijk gemerkte Gemachtigden.

بلى إن تصبروا وتتقوا ويأتوكم من فورهم هذا يمددكم ربكم بخمسة ءالف من ٱلملئكة مسومين

En God maakte er slechts een blijde aankondiging van voor jullie, en opdat jullie kernen daarin gerustheid vinden.

وما جعله ٱلله إلا بشرى لكم ولتطمئن قلوبكم به

Nu komt de hulp slechts bij God vandaan, de Almachtige, de Wijze, opdat Hij een deel afsnijdt van hen die verloochenen, of hen terneerslaat, en zij teleurgesteld vertrekken. Jij hebt, in deze zaak, geen enkele macht: of Hij keert met mildheid tot hen terug, of Hij legt hun pijn op, want zij zijn onrechtvaardig.

وما ٱلنصر إلا من عند ٱلله ٱلعزيز ٱلحكيم ليقطع طرفا من ٱلذين كفروا أو يكبتهم فينقلبوا خآئبين ليس لك من ٱلأمر شىء أو يتوب عليهم أو يعذبهم فإنهم ظلمون

3:129

En aan God behoort toe wat in de hemelen is en wat op de aarde is.

ولله ما في ٱلسموت وما في ٱلأرض

3:129

Hij vergeeft aan wie het Hem behaagt, en Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt.

يغفر لمن يشآء ويعذب من يشآء

3:129

En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.

وٱلله غفور رحيم

3:130

O jullie die geloofd hebben! Verslind de woeker niet, dubbel verdubbeld.

يأيها ٱلذين ءامنوا لا تأكلوا ٱلربوا أضعفا مضعفة

3:130

En behoed jullie voor God, misschien zullen jullie slagen.

وٱتقوا ٱلله لعلكم تفلحون

3:131

En behoed jullie voor het Vuur, dat bereid is voor hen die verloochenen.

وٱتقوا ٱلنار ٱلتي أعدت للكفرين

3:132

En voeg jullie naar God en de gezant, misschien wordt jullie welwillendheid betoond.

وأطيعوا ٱلله وٱلرسول لعلكم ترحمون

En haast jullie naar een vergeving van jullie Voogd, en een Tuin waarvan de uitgestrektheid die van de hemelen en de aarde is, bereid voor de behoedzamen, die uitgeven in de welstand en de schade, hun woede bedwingen, en het de mensen kwijtschelden.

وسارعوا إلى مغفرة من ربكم وجنة عرضها ٱلسموت وٱلأرض أعدت للمتقين ٱلذين ينفقون في ٱلسرآء وٱلضرآء وٱلكظمين ٱلغيظ وٱلعافين عن ٱلناس

God houdt van hen die het goede doen.

وٱلله يحب ٱلمحسنين

3:135

En zij die, wanneer zij een schanddaad plegen of onrecht doen aan zichzelf, zich God herinneren en om vergeving smeken voor hun vergrijpen –

وٱلذين إذا فعلوا فحشة أو ظلموا أنفسهم ذكروا ٱلله فٱستغفروا لذنوبهم

3:135

en wie vergeeft de vergrijpen, behalve God? –

ومن يغفر ٱلذنوب إلا ٱلله

3:135

en die niet volharden in wat zij gedaan hebben, terwijl zij weten.

ولم يصروا على ما فعلوا وهم يعلمون

Dat zijn zij wier vergelding een vergeving van hun Voogd is, en tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven.

أولئك جزآؤهم مغفرة من ربهم وجنت تجري من تحتها ٱلأنهر خلدين فيها

En wat een uitstekende beloning voor hen die werken!

ونعم أجر ٱلعملين

Normen zijn gewis voorbijgegaan vóór jullie;

قد خلت من قبلكم سنن

doorkruis dus de aarde en kijk wat het einde was van hen die ontkenden.

فسيروا في ٱلأرض فٱنظروا كيف كان عقبة ٱلمكذبين

Dit is een duidelijke uiteenzetting voor de mensen, een leiding en een vermaning voor de behoedzamen.

هذا بيان للناس وهدى وموعظة للمتقين

En verslap niet, en wees niet bedroefd: jullie zijn de hoogsten, als jullie gelovenden zijn.

ولا تهنوا ولا تحزنوا وأنتم ٱلأعلون إن كنتم مؤمنين

Als een wond jullie treft, heeft een soortgelijke wond dat volk reeds getroffen.

إن يمسسكم قرح فقد مس ٱلقوم قرح مثله

3:140

Zo gaan de dagen: Wij laten ze van de een naar de ander gaan onder de mensen,

وتلك ٱلأيام نداولها بين ٱلناس

opdat God hen onderscheidt die geloofd hebben, en uit jullie midden getuigen neemt –

وليعلم ٱلله ٱلذين ءامنوا ويتخذ منكم شهدآء

God houdt niet van de onrechtvaardigen –

وٱلله لا يحب ٱلظلمين

en opdat God hen loutert die geloofd hebben, en hen die verloochenen tot niets herleidt.

وليمحص ٱلله ٱلذين ءامنوا ويمحق ٱلكفرين

Of dachten jullie de Tuin binnen te gaan zonder dat God nog hen onder jullie onderscheiden heeft die gestreden hebben, en de geduldigen onderscheiden heeft?

أم حسبتم أن تدخلوا ٱلجنة ولما يعلم ٱلله ٱلذين جهدوا منكم ويعلم ٱلصبرين

Jullie wensten gewis de dood voordat jullie hem ontmoetten; jullie hebben hem dus gezien, en jullie keken ernaar.

ولقد كنتم تمنون ٱلموت من قبل أن تلقوه فقد رأيتموه وأنتم تنظرون

3:144

Moehammad is slechts een gezant; gezanten zijn gewis voorbijgegaan vóór hem.

وما محمد إلا رسول قد خلت من قبله ٱلرسل

3:144

Als hij dus stierf, of gedood werd, zouden jullie je dan omdraaien op jullie hielen?

أفإين مات أو قتل ٱنقلبتم على أعقبكم

3:144

En wie zich omdraait op zijn hielen, schaadt God in niets,

ومن ينقلب على عقبيه فلن يضر ٱلله شيا

3:144

en God zal de dankbaren vergelden.

وسيجزي ٱلله ٱلشكرين

En het komt geen enkel Zelf toe te sterven, behalve met de toestemming van God,

وما كان لنفس أن تموت إلا بإذن ٱلله

3:145

volgens een register met een vastgestelde termijn.

كتبا مؤجلا

En wie de tegenprestatie van hienieden wil, die geven Wij hem;

ومن يرد ثواب ٱلدنيا نؤته منها

en wie de tegenprestatie van het laatste leven wil, die geven Wij hem.

ومن يرد ثواب ٱلءاخرة نؤته منها

En Wij zullen de dankbaren vergelden.

وسنجزي ٱلشكرين

3:146

Hoeveel berichtgevers zijn er gedood, met aan hun zijde talrijke aan de Voogd verbondenen!

وكأين من نبي قتل معه ربيون كثير

3:146

Zij verslapten niet door wat hun overkwam op de weg van God, werden niet zwak, en bogen niet.

فما وهنوا لمآ أصابهم في سبيل ٱلله وما ضعفوا وما ٱستكانوا

3:146

God houdt van de geduldigen.

وٱلله يحب ٱلصبرين

3:147

En hun enige uitspraak was te zeggen: “Onze Voogd, vergeef ons onze vergrijpen en onze buitensporigheden in ons gedrag, maak onze passen vast, en help ons tegen het volk dat verloochent.”

وما كان قولهم إلآ أن قالوا ربنا ٱغفر لنا ذنوبنا وإسرافنا في أمرنا وثبت أقدامنا وٱنصرنا على ٱلقوم ٱلكفرين

3:148

God gaf hun toen de tegenprestatie van hienieden, en de schone tegenprestatie van het laatste leven.

فاتىهم ٱلله ثواب ٱلدنيا وحسن ثواب ٱلءاخرة

3:148

God houdt van hen die het goede doen.

وٱلله يحب ٱلمحسنين

O jullie die geloofd hebben! Als jullie je voegen naar hen die verloochenen, zullen zij jullie terugbrengen op jullie hielen, en zullen jullie als verliezers vertrekken.

يأيها ٱلذين ءامنوا إن تطيعوا ٱلذين كفروا يردوكم على أعقبكم فتنقلبوا خسرين

God is, integendeel, jullie naaste Garant,

بل ٱلله مولىكم

en Hij is de beste der helpers.

وهو خير ٱلنصرين

Wij zullen schrik werpen in de kernen van hen die verloochenen, omdat zij met God hebben geassocieerd wat Hij geen enkel gezag heeft doen neerdalen.

سنلقي في قلوب ٱلذين كفروا ٱلرعب بمآ أشركوا بٱلله ما لم ينزل به سلطنا

En hun toevlucht zal het Vuur zijn,

ومأوىهم ٱلنار

en wat een verwerpelijke onderkomen is die van de onrechtvaardigen!

وبئس مثوى ٱلظلمين

3:152

God heeft jullie gewis Zijn belofte gehouden, toen jullie hen decimeerden met Zijn toestemming,

ولقد صدقكم ٱلله وعده إذ تحسونهم بإذنه

3:152

totdat jullie, na te zijn geweken, in betwisting raakten over de zaak, en ongehoorzaam zijn geweest, nadat Hij jullie had doen zien datgene waarvan jullie hielden.

حتى إذا فشلتم وتنزعتم في ٱلأمر وعصيتم من بعد مآ أرىكم ما تحبون

3:152

Onder jullie zijn er die het hienieden wilden, en onder jullie zijn er die het laatste leven wilden;

منكم من يريد ٱلدنيا ومنكم من يريد ٱلءاخرة

3:152

vervolgens verwijderde Hij jullie van hen, om jullie op de proef te stellen.

ثم صرفكم عنهم ليبتليكم

3:152

Hij heeft het jullie gewis al kwijtgescholden.

ولقد عفا عنكم

3:152

God bezit een gunst jegens de gelovenden.

وٱلله ذو فضل على ٱلمؤمنين

3:153

Toen jullie omhoogklommen, zonder naar iemand om te kijken, terwijl de gezant jullie riep, achter in jullie gelederen; toen gaf Hij jullie als tegenprestatie een angst na een angst, opdat jullie je niet zouden bedroeven om wat jullie verlaten had, noch om wat jullie was overkomen.

إذ تصعدون ولا تلون على أحد وٱلرسول يدعوكم في أخرىكم فأثبكم غما بغم لكيلا تحزنوا على ما فاتكم ولا مآ أصبكم

3:153

En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.

وٱلله خبير بما تعملون

3:154

Vervolgens deed Hij over jullie, na de angst, een veiligheid neerdalen, een sluimering die een groep onder jullie overviel,

ثم أنزل عليكم من بعد ٱلغم أمنة نعاسا يغشى طآئفة منكم

3:154

terwijl een groep, bekommerd om zijn eigen Zelf, over God, in strijd met de waarheid, een vermoeden van het tijdperk van de onwetendheid vormde,

وطآئفة قد أهمتهم أنفسهم يظنون بٱلله غير ٱلحق ظن ٱلجهلية

3:154

zeggend: “Hebben wij ook maar enig aandeel in de zaak?”

يقولون هل لنا من ٱلأمر من شىء

3:154

Zeg: “De zaak, in haar geheel, behoort gewis aan God toe.”

قل إن ٱلأمر كله لله

3:154

Zij verbergen, in zichzelf, wat zij jou niet doen blijken,

يخفون في أنفسهم ما لا يبدون لك

3:154

zeggend: “Als wij in deze zaak enige macht hadden gehad, waren wij hier niet gedood.”

يقولون لو كان لنا من ٱلأمر شىء ما قتلنا ههنا

3:154

Zeg: “Waren jullie in jullie huizen geweest, dan zouden zij voor wie de moord was voorgeschreven zich zeker begeven hebben naar de plaatsen waar zij zich moesten uitstrekken” – en opdat God op de proef stelt wat in jullie borsten is, en loutert wat in jullie kernen is.

قل لو كنتم في بيوتكم لبرز ٱلذين كتب عليهم ٱلقتل إلى مضاجعهم وليبتلي ٱلله ما في صدوركم وليمحص ما في قلوبكم

3:154

En God is Alwetend over de inhoud van de borsten.

وٱلله عليم بذات ٱلصدور

3:155

Zij onder jullie die de rug toekeerden op de dag dat de twee troepen elkaar ontmoetten, het was slechts de Afleider die hen deed uitglijden, om een deel van wat zij verworven hadden.

إن ٱلذين تولوا منكم يوم ٱلتقى ٱلجمعان إنما ٱستزلهم ٱلشيطن ببعض ما كسبوا

God heeft het hun gewis al kwijtgescholden.

ولقد عفا ٱلله عنهم

God is Zeer Vergevensgezind, Lankmoedig.

إن ٱلله غفور حليم

O jullie die geloofd hebben! Wees niet als zij die verloochend hebben, en die van hun broers zeggen, wanneer zij de aarde afstruinen of op expeditie gaan: “Als zij bij ons waren gebleven, zouden zij niet gestorven zijn, en niet gedood zijn” – opdat God er een ontreddering van maakt in hun kernen.

يأيها ٱلذين ءامنوا لا تكونوا كٱلذين كفروا وقالوا لإخونهم إذا ضربوا في ٱلأرض أو كانوا غزى لو كانوا عندنا ما ماتوا وما قتلوا ليجعل ٱلله ذلك حسرة في قلوبهم

God doet leven en doet sterven.

وٱلله يحي ويميت

En God is Alziend over wat jullie doen.

وٱلله بما تعملون بصير

En als jullie gedood worden op de weg van God, of sterven, zijn een vergeving van God en een welwillendheid gewis beter dan wat zij vergaren.

ولئن قتلتم في سبيل ٱلله أو متم لمغفرة من ٱلله ورحمة خير مما يجمعون

En of jullie sterven, of gedood worden, het is naar God dat jullie verzameld zullen worden.

ولئن متم أو قتلتم لإلى ٱلله تحشرون

3:159

Het is door een welwillendheid van God dat jij je zacht jegens hen hebt getoond;

فبما رحمة من ٱلله لنت لهم

3:159

en als jij nors was geweest, met een harde kern, zouden zij zich zeker weg van jou verspreid hebben.

ولو كنت فظا غليظ ٱلقلب لٱنفضوا من حولك

3:159

Scheld het hun dus kwijt, smeek om vergeving voor hen, en pleeg overleg met hen over de zaak;

فٱعف عنهم وٱستغفر لهم وشاورهم في ٱلأمر

3:159

en wanneer jij je besluit hebt genomen, verleen lastgeving aan God.

فإذا عزمت فتوكل على ٱلله

3:159

God houdt van hen die lastgeving verlenen.

إن ٱلله يحب ٱلمتوكلين

Als God jullie helpt, kan niemand jullie overwinnen;

إن ينصركم ٱلله فلا غالب لكم

en als Hij jullie in de steek laat, wie zou jullie dan na Hem kunnen helpen?

وإن يخذلكم فمن ذا ٱلذي ينصركم من بعده

En aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.

وعلى ٱلله فليتوكل ٱلمؤمنون

3:161

Het komt een berichtgever niet toe een malversatie te plegen;

وما كان لنبي أن يغل

3:161

en wie een malversatie pleegt, zal komen, op de Dag van het Verschijnen, met wat hij door malversatie zal hebben ontfutseld,

ومن يغلل يأت بما غل يوم ٱلقيمة

3:161

vervolgens zal ieder Zelf getrouw ontvangen wat het verworven heeft, zonder onrecht te ondergaan.

ثم توفى كل نفس ما كسبت وهم لا يظلمون

Is hij die de instemming van God volgt dan als hij die de toorn van God oploopt, en wiens toevlucht Djahannam zal zijn?

أفمن ٱتبع رضون ٱلله كمن بآء بسخط من ٱلله ومأوىه جهنم

En wat een afschuwelijke bestemming!

وبئس ٱلمصير

Zij hebben graden bij God.

هم درجت عند ٱلله

God is Alziend over wat zij doen.

وٱلله بصير بما يعملون

3:164

God heeft de gelovenden gewis begunstigd, door onder hen een gezant op te wekken, uit hunzelf voortgekomen, die hun Zijn tekenen voordraagt, hen zuivert, en hun de Schrift en de wijsheid onderwijst, terwijl zij voorheen in een klaarblijkelijke dwaling waren.

لقد من ٱلله على ٱلمؤمنين إذ بعث فيهم رسولا من أنفسهم يتلوا عليهم ءايته ويزكيهم ويعلمهم ٱلكتب وٱلحكمة وإن كانوا من قبل لفي ضلل مبين

3:165

Hoe dan, wanneer een tegenslag jullie overkomt, terwijl jullie er het dubbele hadden doen overkomen, zeggen jullie: “Vanwaar komt dit dan?”

أولمآ أصبتكم مصيبة قد أصبتم مثليها قلتم أنى هذا

3:165

Zeg: “Dit komt van jullie zelf.”

قل هو من عند أنفسكم

3:165

God is gewis tot alles in staat.

إن ٱلله على كل شىء قدير

En wat jullie is overkomen, op de dag dat de twee troepen elkaar ontmoetten, was met de toestemming van God, en opdat Hij de gelovenden onderscheidt, en hen onderscheidt die de huichelarij beoefenden,

ومآ أصبكم يوم ٱلتقى ٱلجمعان فبإذن ٱلله وليعلم ٱلمؤمنين وليعلم ٱلذين نافقوا

en tot wie gezegd werd: “Kom vechten op de weg van God, of sla terug”;

وقيل لهم تعالوا قتلوا في سبيل ٱلله أو ٱدفعوا

zij zeiden: “Als wij wisten te vechten, zouden wij jullie zeker gevolgd zijn.”

قالوا لو نعلم قتالا لٱتبعنكم

Op die dag waren zij dichter bij de verloochening dan bij het geloof,

هم للكفر يومئذ أقرب منهم للإيمن

zeggend met hun monden wat niet in hun kernen was.

يقولون بأفوههم ما ليس في قلوبهم

God weet het best wat zij verzwijgen.

وٱلله أعلم بما يكتمون

Zij die, zittend gebleven, van hun broers zeiden: “Als zij zich naar ons hadden gevoegd, zouden zij niet gedood zijn.”

ٱلذين قالوا لإخونهم وقعدوا لو أطاعونا ما قتلوا

Zeg: “Wend de dood dan van jullie zelf af, als jullie waarachtig zijn.”

قل فٱدرءوا عن أنفسكم ٱلموت إن كنتم صدقين

3:169

En denk vooral niet dat zij die gedood zijn op de weg van God dood zijn.

ولا تحسبن ٱلذين قتلوا في سبيل ٱلله أموتا

3:170

Nee, zij zijn levend, bij hun Voogd, van leeftocht voorzien, zich verheugend over wat God hun van Zijn gunst gegeven heeft, en jubelend om hen die, achter hen achtergebleven, hen nog niet hebben bereikt: geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.

بل أحيآء عند ربهم يرزقون فرحين بمآ ءاتىهم ٱلله من فضله ويستبشرون بٱلذين لم يلحقوا بهم من خلفهم ألا خوف عليهم ولا هم يحزنون

Zij jubelen om een weldaad van God en een gunst, en omdat God de beloning van de gelovenden niet laat vervliegen, zij die God en de gezant hebben geantwoord nadat de wond hun was overkomen.

يستبشرون بنعمة من ٱلله وفضل وأن ٱلله لا يضيع أجر ٱلمؤمنين ٱلذين ٱستجابوا لله وٱلرسول من بعد مآ أصابهم ٱلقرح

Aan hen onder hen die het goede gedaan hebben en zich behoed hebben, komt een ontzaglijke beloning toe.

للذين أحسنوا منهم وٱتقوا أجر عظيم

3:173

Zij tot wie de mensen zeiden: “De mensen zijn gewis tegen jullie bijeengekomen, ducht hen dus” – dat deed hun geloof toenemen.

ٱلذين قال لهم ٱلناس إن ٱلناس قد جمعوا لكم فٱخشوهم فزادهم إيمنا

3:173

En zij zeiden: “God volstaat voor ons; wat een uitstekende lasthebber!”

وقالوا حسبنا ٱلله ونعم ٱلوكيل

3:174

Zij vertrokken toen met een weldaad van God en een gunst, zonder dat enig kwaad hen had getroffen, en zij volgden de instemming van God.

فٱنقلبوا بنعمة من ٱلله وفضل لم يمسسهم سوء وٱتبعوا رضون ٱلله

3:174

God bezit een ontzaglijke gunst.

وٱلله ذو فضل عظيم

3:175

Het is slechts die Afleider die jullie zijn bondgenoten doet vrezen; vrees hen dus niet,

إنما ذلكم ٱلشيطن يخوف أوليآءه فلا تخافوهم

3:175

maar vrees Mij, als jullie gelovenden zijn.

وخافون إن كنتم مؤمنين

En laat hen die zich haasten in de verloochening jou niet bedroeven:

ولا يحزنك ٱلذين يسرعون في ٱلكفر

zij zullen God in niets schaden.

إنهم لن يضروا ٱلله شيا

God wil hun geen enkel aandeel toewijzen in het laatste leven,

يريد ٱلله ألا يجعل لهم حظا في ٱلءاخرة

en zij zullen een ontzaglijke pijn hebben.

ولهم عذاب عظيم

Gewis zullen zij die de verloochening gekocht hebben tegen de prijs van het geloof, God in niets schaden, en zij zullen een schrijnende pijn hebben.

إن ٱلذين ٱشتروا ٱلكفر بٱلإيمن لن يضروا ٱلله شيا ولهم عذاب أليم

En laat hen die verloochenen vooral niet denken dat het respijt dat Wij hun verlenen een goed voor henzelf is:

ولا يحسبن ٱلذين كفروا أنما نملي لهم خير لأنفسهم

Wij verlenen het hun slechts opdat zij toenemen in overtreding,

إنما نملي لهم ليزدادوا إثما

en zij zullen een verlagende pijn hebben.

ولهم عذاب مهين

Het past God niet de gelovenden achter te laten in de toestand waarin jullie zijn, zonder het snode van het goede te onderscheiden,

ما كان ٱلله ليذر ٱلمؤمنين على مآ أنتم عليه حتى يميز ٱلخبيث من ٱلطيب

3:179

en het past God niet jullie te laten doordringen tot wat de zintuigen ontgaat,

وما كان ٱلله ليطلعكم على ٱلغيب

maar God kiest, uit Zijn gezanten, wie het Hem behaagt.

ولكن ٱلله يجتبي من رسله من يشآء

Geloof dus in God en in Zijn gezanten;

فامنوا بٱلله ورسله

en als jullie geloven en je behoeden, zullen jullie een ontzaglijke beloning hebben.

وإن تؤمنوا وتتقوا فلكم أجر عظيم

En laat hen die gierig zijn met wat God hun van Zijn gunst gegeven heeft vooral niet denken dat het een goed voor hen is;

ولا يحسبن ٱلذين يبخلون بمآ ءاتىهم ٱلله من فضله هو خيرا لهم

het is integendeel een kwaad voor hen.

بل هو شر لهم

Zij zullen omcirkeld worden door datgene waarmee zij gierig zijn geweest, op de Dag van het Verschijnen.

سيطوقون ما بخلوا به يوم ٱلقيمة

En aan God komt de erfenis van de hemelen en de aarde toe.

ولله ميرث ٱلسموت وٱلأرض

En God is Intiem Kenner van wat jullie doen.

وٱلله بما تعملون خبير

3:181

God heeft zeker de uitspraak gehoord van hen die gezegd hebben: “God is arm, en wij zijn rijk.”

لقد سمع ٱلله قول ٱلذين قالوا إن ٱلله فقير ونحن أغنيآء

3:181

Wij zullen optekenen wat zij gezegd hebben, alsook hun moord op de berichtgevers zonder recht, en Wij zullen zeggen: “Proef de pijn van de verbranding.

سنكتب ما قالوا وقتلهم ٱلأنبيآء بغير حق ونقول ذوقوا عذاب ٱلحريق

Dat is voor wat jullie handen vooruitgestuurd hebben; en God is in niets onrechtvaardig jegens de onder dwang gehoorzamenden.”

ذلك بما قدمت أيديكم وأن ٱلله ليس بظلام للعبيد

Zij die gezegd hebben: “God heeft ons door een pact verbonden om aan geen enkele gezant krediet te geven, voordat hij ons een gave brengt die het vuur verteert”,

ٱلذين قالوا إن ٱلله عهد إلينآ ألا نؤمن لرسول حتى يأتينا بقربان تأكله ٱلنار

zeg: “Gezanten vóór mij zijn gewis tot jullie gekomen met de duidelijke bewijzen, en met wat jullie gezegd hebben; waarom hebben jullie hen dan gedood, als jullie waarachtig zijn?”

قل قد جآءكم رسل من قبلي بٱلبينت وبٱلذي قلتم فلم قتلتموهم إن كنتم صدقين

3:184

Als zij jou ontkennen, zijn er vóór jou reeds gezanten ontkend, die gekomen waren met de duidelijke bewijzen, de Formularia en de lichtgevende Schrift.

فإن كذبوك فقد كذب رسل من قبلك جآءو بٱلبينت وٱلزبر وٱلكتب ٱلمنير

3:185

Ieder Zelf zal de dood proeven,

كل نفس ذآئقة ٱلموت

3:185

en het is slechts op de Dag van het Verschijnen dat jullie getrouw jullie beloningen zullen ontvangen.

وإنما توفون أجوركم يوم ٱلقيمة

3:185

Wie dus van het Vuur is vrijgemaakt en in de Tuin is binnengeleid, heeft getriomfeerd.

فمن زحزح عن ٱلنار وأدخل ٱلجنة فقد فاز

3:185

En het leven hienieden is slechts een genieting die bedriegt.

وما ٱلحيوة ٱلدنيآ إلا متع ٱلغرور

3:186

Jullie zullen voorzeker op de proef gesteld worden in jullie bezittingen en in jullie Zelf, en jullie zullen voorzeker horen, van hen aan wie de Schrift vóór jullie gegeven is, en van hen die geassocieerd hebben, veel hinder.

لتبلون في أمولكم وأنفسكم ولتسمعن من ٱلذين أوتوا ٱلكتب من قبلكم ومن ٱلذين أشركوا أذى كثيرا

Maar als jullie geduldig zijn en je behoeden, behoort dat gewis tot de zaken die vastberadenheid vereisen.

وإن تصبروا وتتقوا فإن ذلك من عزم ٱلأمور

3:187

En toen God de plechtige verbintenis afnam van hen aan wie de Schrift gegeven is: “Jullie zullen haar voorzeker duidelijk maken voor de mensen, en jullie zullen haar niet verzwijgen”; maar zij hebben haar achter hun rug geworpen, en daarmee een schamele prijs gekocht.

وإذ أخذ ٱلله ميثق ٱلذين أوتوا ٱلكتب لتبيننه للناس ولا تكتمونه فنبذوه ورآء ظهورهم وٱشتروا به ثمنا قليلا

Hoe afschuwelijk is wat zij kopen!

فبئس ما يشترون

Denk vooral niet dat zij die zich verheugen over wat zij volbracht hebben, en ervan houden geloofd te worden voor wat zij niet gedaan hebben – denk vooral niet dat zij de pijn zullen ontwijken.

لا تحسبن ٱلذين يفرحون بمآ أتوا ويحبون أن يحمدوا بما لم يفعلوا فلا تحسبنهم بمفازة من ٱلعذاب

En zij zullen een schrijnende pijn hebben.

ولهم عذاب أليم

En aan God behoort het koningschap van de hemelen en de aarde toe.

ولله ملك ٱلسموت وٱلأرض

En God is tot alles in staat.

وٱلله على كل شىء قدير

Er zijn voorzeker, in de schepping van de hemelen en de aarde, en in de afwisseling van de nacht en de dag, tekenen voor de houders van intelligentie, zij die zich God herinneren, staand, zittend, of liggend op de zij, en nadenken over de schepping van de hemelen en de aarde:

إن في خلق ٱلسموت وٱلأرض وٱختلف ٱليل وٱلنهار لءايت لأولي ٱلألبب ٱلذين يذكرون ٱلله قيما وقعودا وعلى جنوبهم ويتفكرون في خلق ٱلسموت وٱلأرض

“Onze Voogd, U hebt dit niet tevergeefs geschapen. Glorie zij U!

ربنا ما خلقت هذا بطلا سبحنك

Behoed ons dus voor de pijn van het Vuur.

فقنا عذاب ٱلنار

3:192

Onze Voogd, hem die U in het Vuur doet binnengaan, hebt U gewis met schande bedekt,

ربنآ إنك من تدخل ٱلنار فقد أخزيته

3:192

en de onrechtvaardigen hebben geen enkele hulp.

وما للظلمين من أنصار

3:193

Onze Voogd, wij hebben een heraut horen oproepen tot het geloof: Geloof in jullie Voogd – en wij hebben geloofd.

ربنآ إننا سمعنا مناديا ينادي للإيمن أن ءامنوا بربكم فامنا

3:193

Onze Voogd, vergeef ons dus onze vergrijpen, bedek voor ons onze slechte daden, en houd ons getrouw in bewaring samen met de deugdzamen.

ربنا فٱغفر لنا ذنوبنا وكفر عنا سياتنا وتوفنا مع ٱلأبرار

3:194

Onze Voogd, en verleen ons wat U ons beloofd hebt door Uw gezanten, en bedek ons niet met schande op de Dag van het Verschijnen:

ربنا وءاتنا ما وعدتنا على رسلك ولا تخزنا يوم ٱلقيمة

3:194

U schiet gewis niet tekort in Uw belofte.”

إنك لا تخلف ٱلميعاد

3:195

Hun Voogd antwoordde hun dus: “Ik laat het werk van wie onder jullie werkt niet vervliegen, man of vrouw –

فٱستجاب لهم ربهم أني لآ أضيع عمل عمل منكم من ذكر أو أنثى

3:195

jullie zijn van elkaar.

بعضكم من بعض

3:195

Zij die geëmigreerd zijn, uit hun woningen verdreven zijn, op Mijn weg lastiggevallen zijn, gevochten hebben en gedood zijn, Ik zal voorzeker hun slechte daden bedekken, en Ik zal hen voorzeker doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen” – een tegenprestatie afkomstig van God.

فٱلذين هاجروا وأخرجوا من ديرهم وأوذوا في سبيلي وقتلوا وقتلوا لأكفرن عنهم سياتهم ولأدخلنهم جنت تجري من تحتها ٱلأنهر ثوابا من عند ٱلله

3:195

En het is bij God dat de schone tegenprestatie zich bevindt.

وٱلله عنده حسن ٱلثواب

Laat het heen en weer gaan van hen die verloochenen door de landstreken jou niet bedriegen.

لا يغرنك تقلب ٱلذين كفروا في ٱلبلد

Het is een genieting van weinig waarde,

متع قليل

vervolgens zal hun toevlucht Djahannam zijn,

ثم مأوىهم جهنم

en wat een afschuwelijke ligplaats!

وبئس ٱلمهاد

Maar zij die zich behoed hebben voor hun Voogd, zullen tuinen hebben waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, als onthaal afkomstig van God.

لكن ٱلذين ٱتقوا ربهم لهم جنت تجري من تحتها ٱلأنهر خلدين فيها نزلا من عند ٱلله

3:198

En wat bij God is, is beter voor de deugdzamen.

وما عند ٱلله خير للأبرار

3:199

En onder de lieden van de Schrift zijn er voorzeker die geloven in God, in wat aan jullie is neergedaald, en in wat aan hen is neergedaald, nederig tegenover God,

وإن من أهل ٱلكتب لمن يؤمن بٱلله ومآ أنزل إليكم ومآ أنزل إليهم خشعين لله

zonder met de tekenen van God een schamele prijs te kopen.

لا يشترون بايت ٱلله ثمنا قليلا

Dat zijn zij die hun beloning bij hun Voogd hebben.

أولئك لهم أجرهم عند ربهم

God is gewis snel in de rekening.

إن ٱلله سريع ٱلحساب

3:200

O jullie die geloofd hebben! Wees geduldig, overtref in geduld, houd jullie gereed met standvastigheid, en behoed jullie voor God, misschien zullen jullie slagen.

يأيها ٱلذين ءامنوا ٱصبروا وصابروا ورابطوا وٱتقوا ٱلله لعلكم تفلحون

← Index van de soera's