المائدة
Al-Ma'ida
Faithful to Contracts
بسم ٱلله ٱلرحمن ٱلرحيم
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende.
O jullie die geloofd hebben! Wees trouw aan jullie contracten.
يأيها ٱلذين ءامنوا أوفوا بٱلعقود
De kuddedieren zijn voor jullie geoorloofd gemaakt, behalve wat jullie wordt voorgedragen – zonder de jacht als geoorloofd te beschouwen, gedurende de onschendbare maanden;
أحلت لكم بهيمة ٱلأنعم إلا ما يتلى عليكم غير محلي ٱلصيد وأنتم حرم
want God oordeelt naar wat Hij wil.
إن ٱلله يحكم ما يريد
O jullie die geloofd hebben! Beschouw niet als geoorloofd de waarneembare bakens van God, noch de onschendbare maand, noch de vrijwillige gaven, noch de krachtens gelofte verschuldigde giften, noch hen die zich richten naar het onschendbare Huis, een gunst van hun Voogd en een instemming zoekend.
يأيها ٱلذين ءامنوا لا تحلوا شعئر ٱلله ولا ٱلشهر ٱلحرام ولا ٱلهدي ولا ٱلقلئد ولآ ءآمين ٱلبيت ٱلحرام يبتغون فضلا من ربهم ورضونا
En zodra die maanden verstreken zijn, jaag.
وإذا حللتم فٱصطادوا
En laat de wrok van een volk, omdat het jullie de toegang tot de onschendbare plaats van neerwerping heeft versperd, jullie niet meeslepen tot aanvallen.
ولا يجرمنكم شنان قوم أن صدوكم عن ٱلمسجد ٱلحرام أن تعتدوا
Help elkaar in de deugd en de behoedzaamheid,
وتعاونوا على ٱلبر وٱلتقوى
en help elkaar niet in de overtreding en de vijandigheid.
ولا تعاونوا على ٱلإثم وٱلعدون
En behoed jullie voor God,
وٱتقوا ٱلله
want God is streng in de sanctie.
إن ٱلله شديد ٱلعقاب
Jullie zijn ontzegd: het dode beest, het bloed, het varkensvlees, wat opgedragen is aan een ander dan God, het gewurgde dier, het stervende dier, het door ziekte uitgeteerde dier, het door stoten gedode dier, en wat een woest beest heeft verslonden – behalve wat jullie met vuur hebben uitgegloeid – evenals het gemeenschappelijk geslachte dier waarvan de delen vervolgens met pijlen worden verloot.
حرمت عليكم ٱلميتة وٱلدم ولحم ٱلخنزير ومآ أهل لغير ٱلله به وٱلمنخنقة وٱلموقوذة وٱلمتردية وٱلنطيحة ومآ أكل ٱلسبع إلا ما ذكيتم وما ذبح على ٱلنصب وأن تستقسموا بٱلأزلم
Dat is een grensoverschrijding.
ذلكم فسق
Heden hebben zij die verloochenen de hoop verloren ten aanzien van jullie Wet;
ٱليوم يئس ٱلذين كفروا من دينكم
ducht hen dus niet, maar ducht Mij.
فلا تخشوهم وٱخشون
Heden heb Ik voor jullie jullie Wet vervolmaakt, heb Ik Mijn weldaad over jullie gecompleteerd, en heb Ik voor jullie de integriteit tegenover God als Wet goedgekeurd.
ٱليوم أكملت لكم دينكم وأتممت عليكم نعمتي ورضيت لكم ٱلإسلم دينا
Maar wie daartoe in het nauw gedreven wordt door schaarste, zonder neiging tot overtreding – gewis is God Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
فمن ٱضطر في مخمصة غير متجانف لإثم فإن ٱلله غفور رحيم
Zij ondervragen jou: wat is hun geoorloofd gemaakt?
يسلونك ماذآ أحل لهم
Zeg: “Voor jullie zijn de goede dingen geoorloofd gemaakt, evenals de jachtdieren die jullie als africhters hebben onderricht, hun lerend van wat God jullie heeft geleerd.
قل أحل لكم ٱلطيبت وما علمتم من ٱلجوارح مكلبين تعلمونهن مما علمكم ٱلله
Eet dus van wat zij voor jullie vangen, en herinner de naam van God daarover.
فكلوا ممآ أمسكن عليكم وٱذكروا ٱسم ٱلله عليه
En behoed jullie voor God,
وٱتقوا ٱلله
want God is snel in de rekening.”
إن ٱلله سريع ٱلحساب
Heden zijn voor jullie de goede dingen geoorloofd gemaakt. Het voedsel van hen aan wie de Schrift is gegeven is voor jullie geoorloofd, en jullie voedsel is voor hen geoorloofd. En de door de huwelijksband beschutte vrouwen onder de gelovende vrouwen, en de door de huwelijksband beschutte vrouwen onder hen aan wie de Schrift vóór jullie is gegeven, wanneer jullie hun hun beloningen geven, als mannen die zich in de huwelijksband verbinden, niet als losbandigen en niet als nemers van heimelijke minnaressen.
ٱليوم أحل لكم ٱلطيبت وطعام ٱلذين أوتوا ٱلكتب حل لكم وطعامكم حل لهم وٱلمحصنت من ٱلمؤمنت وٱلمحصنت من ٱلذين أوتوا ٱلكتب من قبلكم إذآ ءاتيتموهن أجورهن محصنين غير مسفحين ولا متخذي أخدان
En wie het geloof verloochent, zijn werk stort in, en hij zal in het laatste leven onder de verliezers zijn.
ومن يكفر بٱلإيمن فقد حبط عمله وهو في ٱلءاخرة من ٱلخسرين
O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie opstaan voor het Contact, was jullie gezichten en jullie handen tot de ellebogen, en haal de handen over jullie hoofden,
يأيها ٱلذين ءامنوا إذا قمتم إلى ٱلصلوة فٱغسلوا وجوهكم وأيديكم إلى ٱلمرافق وٱمسحوا برءوسكم
en was jullie voeten tot de knieën.
وأرجلكم إلى ٱلكعبين
En als jullie jullie hebben bevuild, was jullie.
وإن كنتم جنبا فٱطهروا
En als jullie ziek zijn, of op reis, of als een van jullie zojuist zijn natuurlijke behoefte heeft gedaan, of als jullie een vrouw in intimiteit hebben gekend, en jullie geen water vinden, richt jullie dan op een goede dagzoom, en strijk ervan over jullie gezichten en jullie handen.
وإن كنتم مرضى أو على سفر أو جآء أحد منكم من ٱلغآئط أو لمستم ٱلنسآء فلم تجدوا مآء فتيمموا صعيدا طيبا فٱمسحوا بوجوهكم وأيديكم منه
God wil jullie geen enkele hinder opleggen,
ما يريد ٱلله ليجعل عليكم من حرج
maar Hij wil jullie reinigen, en Zijn weldaad aan jullie completeren, misschien zullen jullie dankbaar zijn.
ولكن يريد ليطهركم وليتم نعمته عليكم لعلكم تشكرون
En herinner jullie de weldaad van God over jullie, en Zijn plechtige verbintenis, die waarmee Hij jullie gebonden heeft, toen jullie zeiden: “Wij hebben gehoord en wij hebben ons gevoegd.”
وٱذكروا نعمة ٱلله عليكم وميثقه ٱلذي واثقكم به إذ قلتم سمعنا وأطعنا
En behoed jullie voor God,
وٱتقوا ٱلله
want God is Alwetend over de inhoud van de borsten.
إن ٱلله عليم بذات ٱلصدور
O jullie die geloofd hebben! Behoor tot hen die zich standvastig handhaven voor God, getuigend met billijkheid,
يأيها ٱلذين ءامنوا كونوا قومين لله شهدآء بٱلقسط
en laat de wrok van een volk jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn.
ولا يجرمنكم شنان قوم على ألا تعدلوا
Wees rechtvaardig: dat is dichter bij de behoedzaamheid.
ٱعدلوا هو أقرب للتقوى
En behoed jullie voor God,
وٱتقوا ٱلله
want God is Intiem Kenner van wat jullie doen.
إن ٱلله خبير بما تعملون
God heeft beloofd aan hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht: zij zullen een vergeving en een ontzaglijke beloning hebben.
وعد ٱلله ٱلذين ءامنوا وعملوا ٱلصلحت لهم مغفرة وأجر عظيم
En zij die verloochend hebben en Onze tekenen ontkend hebben – dat zijn de metgezellen van de Gloeioven.
وٱلذين كفروا وكذبوا بايتنآ أولئك أصحب ٱلجحيم
O jullie die geloofd hebben! Herinner jullie de weldaad van God over jullie, toen een volk het voornemen had gehad de handen naar jullie uit te strekken, en Hij hun handen van jullie weerhield.
يأيها ٱلذين ءامنوا ٱذكروا نعمت ٱلله عليكم إذ هم قوم أن يبسطوا إليكم أيديهم فكف أيديهم عنكم
En behoed jullie voor God:
وٱتقوا ٱلله
en aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.
وعلى ٱلله فليتوكل ٱلمؤمنون
God heeft gewis de plechtige verbintenis van de zonen van Israël afgenomen, en Wij hebben onder hen twaalf verantwoordelijken opgewekt.
ولقد أخذ ٱلله ميثق بني إسرءيل وبعثنا منهم ٱثنى عشر نقيبا
En God zei: “Ik ben gewis met jullie.
وقال ٱلله إني معكم
Als jullie het Contact onderhouden, de zuivere vrijgevigheid geven, in Mijn gezanten geloven, hen terzijde staan, en aan God een schone lening verstrekken, zal Ik voorzeker jullie slechte daden bedekken, en Ik zal jullie voorzeker doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen.
لئن أقمتم ٱلصلوة وءاتيتم ٱلزكوة وءامنتم برسلي وعزرتموهم وأقرضتم ٱلله قرضا حسنا لأكفرن عنكم سياتكم ولأدخلنكم جنت تجري من تحتها ٱلأنهر
Maar wie van jullie hierna verloochent, heeft gedwaald van de rechte weg.”
فمن كفر بعد ذلك منكم فقد ضل سوآء ٱلسبيل
Omdat zij hun plechtige verbintenis verbroken hebben, hebben Wij hen vervloekt en hun kernen hard gemaakt: zij verwringen de woorden, buiten hun verband, en zijn een deel vergeten van waaraan men hen had doen herinneren.
فبما نقضهم ميثقهم لعنهم وجعلنا قلوبهم قسية يحرفون ٱلكلم عن مواضعه ونسوا حظا مما ذكروا به
En jij zult niet ophouden bij hen een verraad te doorzien, behalve weinigen onder hen.
ولا تزال تطلع على خآئنة منهم إلا قليلا منهم
Scheld het hun dus kwijt, en sla de bladzijde om,
فٱعف عنهم وٱصفح
want God houdt van hen die het goede doen.
إن ٱلله يحب ٱلمحسنين
En onder hen die gezegd hebben: “Wij zijn gewis de Helpers”, hebben Wij hun plechtige verbintenis afgenomen, maar zij zijn een deel vergeten van waaraan men hen had doen herinneren; Wij hebben toen onder hen de vijandigheid en de haat geworpen, tot de Dag van het Verschijnen;
ومن ٱلذين قالوا إنا نصرى أخذنا ميثقهم فنسوا حظا مما ذكروا به فأغرينا بينهم ٱلعداوة وٱلبغضآء إلى يوم ٱلقيمة
en God zal hen weldra berichten over wat zij deden.
وسوف ينبئهم ٱلله بما كانوا يصنعون
O lieden van de Schrift! Onze gezant is tot jullie gekomen, jullie veel blootleggend van wat jullie van de Schrift verborgen, en veel dingen kwijtscheldend.
يأهل ٱلكتب قد جآءكم رسولنا يبين لكم كثيرا مما كنتم تخفون من ٱلكتب ويعفوا عن كثير
Een licht is tot jullie gekomen van God, alsook een uitdrukkelijke Schrift, waardoor God wie Zijn instemming volgt leidt naar de wegen van vrede,
قد جآءكم من ٱلله نور وكتب مبين يهدي به ٱلله من ٱتبع رضونه سبل ٱلسلم
en hen uit de duisternissen naar het licht naar buiten brengt, met Zijn toestemming,
ويخرجهم من ٱلظلمت إلى ٱلنور بإذنه
en hen leidt naar een rechtlijnig pad.
ويهديهم إلى صرط مستقيم
Zij hebben gewis verloochend, zij die gezegd hebben: “God, dat is Al-Masih, zoon van Marjam.”
لقد كفر ٱلذين قالوا إن ٱلله هو ٱلمسيح ٱبن مريم
Zeg: “Wie zou dan enige macht bezitten tegen God, als Hij Al-Masih, zoon van Marjam, zou willen vernietigen, evenals zijn moeder, en allen die op aarde zijn?”
قل فمن يملك من ٱلله شيا إن أراد أن يهلك ٱلمسيح ٱبن مريم وأمه ومن في ٱلأرض جميعا
En aan God behoort het koningschap van de hemelen en de aarde, en van wat tussen hen is.
ولله ملك ٱلسموت وٱلأرض وما بينهما
Hij schept wat het Hem behaagt.
يخلق ما يشآء
En God is tot alles in staat.
وٱلله على كل شىء قدير
En de Geheroriënteerden en de Helpers hebben gezegd: “Wij zijn de zonen van God en Zijn geliefden.”
وقالت ٱليهود وٱلنصرى نحن أبنؤا ٱلله وأحبؤه
Zeg: “Waarom legt Hij jullie dan pijn op voor jullie vergrijpen?
قل فلم يعذبكم بذنوبكم
Jullie zijn veeleer stervelingen, onder hen die Hij geschapen heeft.
بل أنتم بشر ممن خلق
Hij vergeeft aan wie het Hem behaagt, en Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt.”
يغفر لمن يشآء ويعذب من يشآء
En aan God behoort het koningschap van de hemelen en de aarde, en van wat tussen hen is,
ولله ملك ٱلسموت وٱلأرض وما بينهما
en tot Hem is de bestemming.
وإليه ٱلمصير
O lieden van de Schrift! Onze gezant is gewis tot jullie gekomen, jullie verhelderend na een onderbreking van de gezanten, uit vrees dat jullie zeggen: “Geen aankondiger en geen waarschuwer is tot ons gekomen” – een aankondiger en een waarschuwer is dus wel tot jullie gekomen.
يأهل ٱلكتب قد جآءكم رسولنا يبين لكم على فترة من ٱلرسل أن تقولوا ما جآءنا من بشير ولا نذير فقد جآءكم بشير ونذير
En God is tot alles in staat.
وٱلله على كل شىء قدير
En toen Moesa tot zijn volk zei: “O mijn volk! Herinner jullie de weldaad van God over jullie, toen Hij onder jullie berichtgevers plaatste, en koningen van jullie maakte,
وإذ قال موسى لقومه يقوم ٱذكروا نعمة ٱلله عليكم إذ جعل فيكم أنبيآء وجعلكم ملوكا
en jullie gegeven heeft wat Hij aan niemand anders onder alle wezens gegeven heeft.
وءاتىكم ما لم يؤت أحدا من ٱلعلمين
O mijn volk! Treed binnen in het geheiligde land dat God jullie voorgeschreven heeft,
يقوم ٱدخلوا ٱلأرض ٱلمقدسة ٱلتي كتب ٱلله لكم
en wijk niet terug, anders zouden jullie als verliezers terugkeren.”
ولا ترتدوا على أدباركم فتنقلبوا خسرين
Zij zeiden: “O Moesa! Er is daar gewis een volk van tirannen,
قالوا يموسى إن فيها قوما جبارين
en wij zullen er gewis niet binnengaan zolang zij er niet uit gegaan zijn;
وإنا لن ندخلها حتى يخرجوا منها
als zij eruit gaan, dan zullen wij er binnengaan.”
فإن يخرجوا منها فإنا دخلون
Twee mannen, onder hen die vreesden, aan wie God Zijn weldaad had toegekend, zeiden: “Treed bij hen binnen door de poort;
قال رجلان من ٱلذين يخافون أنعم ٱلله عليهما ٱدخلوا عليهم ٱلباب
zodra jullie daar binnengegaan zijn, zullen jullie gewis de overwinnaars zijn.
فإذا دخلتموه فإنكم غلبون
En het is aan God dat men lastgeving moet verlenen, als jullie gelovenden zijn.”
وعلى ٱلله فتوكلوا إن كنتم مؤمنين
Zij zeiden: “O Moesa! Wij zullen er gewis nooit binnengaan, zolang zij daar zijn; ga dus, jij en je Voogd, vechten, jullie beiden; wij, wij blijven hier, zittend.”
قالوا يموسى إنا لن ندخلهآ أبدا ما داموا فيها فٱذهب أنت وربك فقتلآ إنا ههنا قعدون
Hij zei: “Mijn Voogd, ik bezit gewis geen macht dan over mijn eigen Zelf
قال رب إني لآ أملك إلا نفسي
en mijn broer;
وأخي
scheid ons dus van het volk van de grensoverschrijders.”
فٱفرق بيننا وبين ٱلقوم ٱلفسقين
Hij zei: “Zij is hun dus voor altijd ontzegd,
قال فإنها محرمة عليهم
veertig jaar lang zullen zij verloren zijn op aarde.
أربعين سنة يتيهون في ٱلأرض
Treur dus niet om het volk van de grensoverschrijders.”
فلا تأس على ٱلقوم ٱلفسقين
En draag hun in alle waarheid het bericht van de twee zonen van Adam voor, toen zij elk een gave aanboden: zij werd aanvaard van de een, en niet aanvaard van de ander.
وٱتل عليهم نبأ ٱبنى ءادم بٱلحق إذ قربا قربانا فتقبل من أحدهما ولم يتقبل من ٱلءاخر
Deze zei: “Ik zal je voorzeker doden.”
قال لأقتلنك
De ander zei: “God aanvaardt slechts van hen die zich behoeden.
قال إنما يتقبل ٱلله من ٱلمتقين
Als jij je hand naar mij uitstrekt om mij te doden, zal ik mijn hand niet naar jou uitstrekken om jou te doden;
لئن بسطت إلى يدك لتقتلني مآ أنا بباسط يدي إليك لأقتلك
want ik vrees God, Voogd van alle wezens.
إني أخاف ٱلله رب ٱلعلمين
Ik wil dat jij terugkeert, beladen met mijn overtreding en de jouwe, en dat jij behoort tot de metgezellen van het Vuur:
إني أريد أن تبوأ بإثمي وإثمك فتكون من أصحب ٱلنار
dat is de vergelding van de onrechtvaardigen.”
وذلك جزؤا ٱلظلمين
Maar zijn eigen Zelf stemde hem bereid tot de moord op zijn broer; hij doodde hem, en bevond zich zo onder de verliezers.
فطوعت له نفسه قتل أخيه فقتله فأصبح من ٱلخسرين
God wekte toen een raaf op, die de aarde krabde, om hem te tonen hoe hij de naaktheid van zijn broer kon verhullen.
فبعث ٱلله غرابا يبحث في ٱلأرض ليريه كيف يوري سوءة أخيه
Hij zei: “Wee mij! Ben ik niet in staat te zijn zoals deze raaf, en de naaktheid van mijn broer te verhullen?” En hij bevond zich toen onder hen die spijt hebben.
قال يويلتى أعجزت أن أكون مثل هذا ٱلغراب فأوري سوءة أخي فأصبح من ٱلندمين من أجل ذلك
Daarom hebben Wij de zonen van Israël voorgeschreven dat wie een Zelf doodt zonder dat het voor een ander Zelf is, of voor een bederf op aarde, het is alsof hij de mensen allen tezamen gedood heeft,
كتبنا على بني إسرءيل أنه من قتل نفسا بغير نفس أو فساد في ٱلأرض فكأنما قتل ٱلناس جميعا
en wie er een laat leven, het is alsof hij de mensen allen tezamen heeft laten leven.
ومن أحياها فكأنمآ أحيا ٱلناس جميعا
Onze gezanten zijn gewis tot hen gekomen met de duidelijke bewijzen; daarna zijn velen van hen, hierna, voorzeker buitensporigen op aarde.
ولقد جآءتهم رسلنا بٱلبينت ثم إن كثيرا منهم بعد ذلك في ٱلأرض لمسرفون
De enige vergelding voor hen die oorlog voeren tegen God en Zijn gezant, en zich beijveren bederf op aarde te zaaien, is dat zij uitgemoord of gekruisigd worden, of dat hun handen en hun voeten afwisselend afgesneden worden, of dat zij van de aarde verjaagd worden.
إنما جزؤا ٱلذين يحاربون ٱلله ورسوله ويسعون في ٱلأرض فسادا أن يقتلوا أو يصلبوا أو تقطع أيديهم وأرجلهم من خلف أو ينفوا من ٱلأرض
Dat is voor hen een schande hienieden,
ذلك لهم خزي في ٱلدنيا
en zij zullen, in het laatste leven, een ontzaglijke pijn hebben – behalve zij die terugkeren voordat jullie macht over hen hebben; weet dan dat God Zeer Vergevensgezind, Welwillend is.
ولهم في ٱلءاخرة عذاب عظيم إلا ٱلذين تابوا من قبل أن تقدروا عليهم فٱعلموا أن ٱلله غفور رحيم
O jullie die geloofd hebben! Behoed jullie voor God, zoek tot Hem het middel tot nadering, en strijd op Zijn weg, misschien zullen jullie slagen.
يأيها ٱلذين ءامنوا ٱتقوا ٱلله وٱبتغوا إليه ٱلوسيلة وجهدوا في سبيله لعلكم تفلحون
Gewis, zij die verloochenen, ook als zij alles bezaten wat op aarde is, en het equivalent ervan daarbij, om zich daarmee vrij te kopen van de pijn van de Dag van het Verschijnen, het zou niet van hen aanvaard worden,
إن ٱلذين كفروا لو أن لهم ما في ٱلأرض جميعا ومثله معه ليفتدوا به من عذاب يوم ٱلقيمة ما تقبل منهم
en zij zullen een schrijnende pijn hebben.
ولهم عذاب أليم
Zij zullen uit het Vuur willen gaan, maar zij zullen er niet uit gaan,
يريدون أن يخرجوا من ٱلنار وما هم بخرجين منها
en zij zullen een pijn hebben die zich handhaaft.
ولهم عذاب مقيم
En wat de dief en de dievegge betreft, onderbreek hun steunen, ter vergelding van wat zij verworven hebben, als afschrikwekkend voorbeeld van God.
وٱلسارق وٱلسارقة فٱقطعوا أيديهما جزآء بما كسبا نكلا من ٱلله
God is Almachtig, Wijs.
وٱلله عزيز حكيم
Maar wie terugkeert na zijn onrecht, en zich saneert, tot hem keert God met mildheid terug,
فمن تاب من بعد ظلمه وأصلح فإن ٱلله يتوب عليه
want God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
إن ٱلله غفور رحيم
Weet jij niet dat aan God het koningschap van de hemelen en de aarde behoort?
ألم تعلم أن ٱلله له ملك ٱلسموت وٱلأرض
Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt, en Hij vergeeft aan wie het Hem behaagt.
يعذب من يشآء ويغفر لمن يشآء
En God is tot alles in staat.
وٱلله على كل شىء قدير
O gezant! Laten zij die zich haasten in de verloochening jou niet bedroeven, onder hen die zeggen: “Wij hebben geloofd” met hun monden, zonder dat hun kernen geloofd hebben,
يأيها ٱلرسول لا يحزنك ٱلذين يسرعون في ٱلكفر من ٱلذين قالوا ءامنا بأفوههم ولم تؤمن قلوبهم
noch onder de Geheroriënteerden, luisterend naar de leugen, luisterend ten behoeve van een ander volk dat niet tot jou gekomen is.
ومن ٱلذين هادوا سمعون للكذب سمعون لقوم ءاخرين لم يأتوك
Zij verwringen de woorden nadat deze op hun plaats gesteld zijn, zeggend: “Als men jullie dit geeft, neem het; en als men het jullie niet geeft, wees op jullie hoede.”
يحرفون ٱلكلم من بعد مواضعه يقولون إن أوتيتم هذا فخذوه وإن لم تؤتوه فٱحذروا
En wie God op de proef wil stellen, voor hem bezit jij niets tegenover God.
ومن يرد ٱلله فتنته فلن تملك له من ٱلله شيا
Dat zijn zij van wie God de kernen niet heeft willen reinigen.
أولئك ٱلذين لم يرد ٱلله أن يطهر قلوبهم
Zij hebben, hienieden, een schande,
لهم في ٱلدنيا خزي
en zij zullen, in het laatste leven, een ontzaglijke pijn hebben.
ولهم في ٱلءاخرة عذاب عظيم
Luisterend naar de leugen, verslinders van verboden gewin –
سمعون للكذب أكلون للسحت
als zij tot jou komen, oordeel dan tussen hen, of onttrek je aan hen;
فإن جآءوك فٱحكم بينهم أو أعرض عنهم
en als jij je aan hen onttrekt, zullen zij jou in niets kunnen schaden.
وإن تعرض عنهم فلن يضروك شيا
En als jij oordeelt, oordeel dan tussen hen met billijkheid,
وإن حكمت فٱحكم بينهم بٱلقسط
want God houdt van de billijken.
إن ٱلله يحب ٱلمقسطين
En hoe zouden zij jou tot rechter nemen, terwijl zij de Taurah hebben, waarin het oordeel van God staat, en zij daarna de rug toekeren?
وكيف يحكمونك وعندهم ٱلتورىة فيها حكم ٱلله ثم يتولون من بعد ذلك
Dat zijn geen gelovenden.
ومآ أولئك بٱلمؤمنين
Wij hebben de Taurah doen neerdalen, waarin leiding en licht zijn; de berichtgevers, die integer waren tegenover God, oordeelden erdoor over de Geheroriënteerden, zoals de geestelijke meesters en de rabbijnen deden, volgens wat zij van de Schrift van God te bewaren hadden, en zij waren er getuigen van.
إنآ أنزلنا ٱلتورىة فيها هدى ونور يحكم بها ٱلنبيون ٱلذين أسلموا للذين هادوا وٱلربنيون وٱلأحبار بما ٱستحفظوا من كتب ٱلله وكانوا عليه شهدآء
Ducht de mensen dus niet, maar ducht Mij,
فلا تخشوا ٱلناس وٱخشون
en koop niet, met Mijn tekenen, een schamele prijs.
ولا تشتروا بايتي ثمنا قليلا
En zij die niet oordelen naar wat God heeft doen neerdalen – dat zijn zij die verloochenen.
ومن لم يحكم بمآ أنزل ٱلله فأولئك هم ٱلكفرون
En Wij hebben voor hen daarin voorgeschreven: het Zelf in ruil voor het Zelf, het oog in ruil voor het oog, de neus in ruil voor de neus, het oor in ruil voor het oor, de tand in ruil voor de tand, en voor de wonden, een onderzoek.
وكتبنا عليهم فيهآ أن ٱلنفس بٱلنفس وٱلعين بٱلعين وٱلأنف بٱلأنف وٱلأذن بٱلأذن وٱلسن بٱلسن وٱلجروح قصاص
Maar wie er uit liefdadigheid afstand van doet, dat geldt voor hem als boetedoening.
فمن تصدق به فهو كفارة له
En zij die niet oordelen naar wat God heeft doen neerdalen – dat zijn de onrechtvaardigen.
ومن لم يحكم بمآ أنزل ٱلله فأولئك هم ٱلظلمون
En Wij hebben Isa, zoon van Marjam, op hun sporen laten volgen, bevestigend wat van de Taurah hem voorafging,
وقفينا على ءاثرهم بعيسى ٱبن مريم مصدقا لما بين يديه من ٱلتورىة
en Wij gaven hem de Indjil, waarin leiding en licht zijn, bevestigend wat van de Taurah hem voorafging, en leiding en vermaning voor hen die zich behoeden.
وءاتينه ٱلإنجيل فيه هدى ونور ومصدقا لما بين يديه من ٱلتورىة وهدى وموعظة للمتقين
En opdat de lieden van de Indjil oordelen naar wat God daarin heeft doen neerdalen.
وليحكم أهل ٱلإنجيل بمآ أنزل ٱلله فيه
En zij die niet oordelen naar wat God heeft doen neerdalen – dat zijn de grensoverschrijders.
ومن لم يحكم بمآ أنزل ٱلله فأولئك هم ٱلفسقون
En Wij hebben de Schrift naar jou doen neerdalen, in alle waarheid, bevestigend wat van de Schrift haar voorafging, en overheersend over haar.
وأنزلنآ إليك ٱلكتب بٱلحق مصدقا لما بين يديه من ٱلكتب ومهيمنا عليه
Oordeel dus tussen hen naar wat God heeft doen neerdalen,
فٱحكم بينهم بمآ أنزل ٱلله
en volg hun emoties niet, weg van wat tot jou gekomen is van de waarheid.
ولا تتبع أهوآءهم عما جآءك من ٱلحق
Aan ieder van jullie hebben Wij een wet en een weg toegewezen.
لكل جعلنا منكم شرعة ومنهاجا
En als het God behaagd had, had Hij van jullie één enkele gemeenschap gemaakt;
ولو شآء ٱلله لجعلكم أمة وحدة
maar om jullie te beproeven in wat Hij jullie gegeven heeft.
ولكن ليبلوكم في مآ ءاتىكم
Wedijver dus met elkaar in het voortreffelijkste.
فٱستبقوا ٱلخيرت
Naar God zal de terugkeer van jullie allen zijn, en Hij zal jullie berichten over waarin jullie uiteenliepen.
إلى ٱلله مرجعكم جميعا فينبئكم بما كنتم فيه تختلفون
En: oordeel tussen hen naar wat God heeft doen neerdalen,
وأن ٱحكم بينهم بمآ أنزل ٱلله
en volg hun emoties niet,
ولا تتبع أهوآءهم
en wees waakzaam tegenover hen, uit vrees dat zij jou, door de beproeving, afbrengen van een deel van wat God naar jou heeft doen neerdalen.
وٱحذرهم أن يفتنوك عن بعض مآ أنزل ٱلله إليك
En als zij de rug toekeren, weet dan dat God slechts het gevolg van een deel van hun vergrijpen over hen wil laten komen.
فإن تولوا فٱعلم أنما يريد ٱلله أن يصيبهم ببعض ذنوبهم
En velen van de mensen zijn voorzeker grensoverschrijders.
وإن كثيرا من ٱلناس لفسقون
Zoeken zij dan het oordeel van het tijdperk van de onwetendheid?
أفحكم ٱلجهلية يبغون
En wie oordeelt beter dan God, voor een volk dat zekerheid heeft?
ومن أحسن من ٱلله حكما لقوم يوقنون
O jullie die geloofd hebben! Neem de Geheroriënteerden en de Helpers niet tot bondgenoten:
يأيها ٱلذين ءامنوا لا تتخذوا ٱليهود وٱلنصرى أوليآء
zij zijn elkaars bondgenoten.
بعضهم أوليآء بعض
En wie van jullie hen tot bondgenoten neemt, is dan een van hen,
ومن يتولهم منكم فإنه منهم
want God leidt het onrechtvaardige volk niet.
إن ٱلله لا يهدي ٱلقوم ٱلظلمين
Jij ziet hen van wie de kernen een ziekte dragen zich onder hen haasten, zeggend: “Wij duchten dat een tegenslag ons overkomt”;
فترى ٱلذين في قلوبهم مرض يسرعون فيهم يقولون نخشى أن تصيبنا دآئرة
het kan dan zijn dat God de opening laat komen, of een bevel van Zijn kant, en dat zij zich, om wat zij in zichzelf geheimhielden, vol spijt bevinden.
فعسى ٱلله أن يأتي بٱلفتح أو أمر من عنده فيصبحوا على مآ أسروا في أنفسهم ندمين
En zij die geloofd hebben zullen zeggen: “Zijn dit degenen die bij God zwoeren, met alle kracht van hun eden, voorzeker met jullie te zijn?” Hun werken zijn ingestort, en zij hebben zich als verliezers bevonden.
ويقول ٱلذين ءامنوا أهؤلآء ٱلذين أقسموا بٱلله جهد أيمنهم إنهم لمعكم حبطت أعملهم فأصبحوا خسرين
O jullie die geloofd hebben! Wie van jullie afstand doet van zijn Wet – God zal een volk doen komen waarvan Hij houdt en dat van Hem houdt, zich vernederend tegenover de gelovenden, machtig tegenover hen die verloochenen, strijdend op de weg van God, en niet vrezend gelaakt te worden door wie ook laakt.
يأيها ٱلذين ءامنوا من يرتد منكم عن دينه فسوف يأتي ٱلله بقوم يحبهم ويحبونه أذلة على ٱلمؤمنين أعزة على ٱلكفرين يجهدون في سبيل ٱلله ولا يخافون لومة لآئم
Dat is de gunst van God, die Hij verleent aan wie het Hem behaagt.
ذلك فضل ٱلله يؤتيه من يشآء
God is Veelomvattend, Alwetend.
وٱلله وسع عليم
Jullie beschermer is slechts God, en Zijn gezant, en zij die geloofd hebben, zij die het Contact onderhouden en de zuivere vrijgevigheid geven, terwijl zij knielen.
إنما وليكم ٱلله ورسوله وٱلذين ءامنوا ٱلذين يقيمون ٱلصلوة ويؤتون ٱلزكوة وهم ركعون
En wie God, Zijn gezant, en hen die geloofd hebben tot bondgenoot neemt – de partij van God, dat zijn de overwinnaars.
ومن يتول ٱلله ورسوله وٱلذين ءامنوا فإن حزب ٱلله هم ٱلغلبون
O jullie die geloofd hebben! Neem niet tot bondgenoten hen die van jullie Wet een voorwerp van hoon en een spel gemaakt hebben, onder hen aan wie vóór jullie de Schrift gegeven is, en hen die verloochenen.
يأيها ٱلذين ءامنوا لا تتخذوا ٱلذين ٱتخذوا دينكم هزوا ولعبا من ٱلذين أوتوا ٱلكتب من قبلكم وٱلكفار أوليآء
En behoed jullie voor God, als jullie gelovenden zijn.
وٱتقوا ٱلله إن كنتم مؤمنين
En wanneer jullie tot het Contact roepen, nemen zij het tot voorwerp van hoon en spel:
وإذا ناديتم إلى ٱلصلوة ٱتخذوها هزوا ولعبا
dat, omdat zij een volk zijn dat niet redeneert.
ذلك بأنهم قوم لا يعقلون
Zeg: “O lieden van de Schrift! Nemen jullie ons iets anders kwalijk dan dat wij in God geloofd hebben, in wat naar ons neergedaald is, en in wat eerder neergedaald is, en dat de meesten van jullie grensoverschrijders zijn?”
قل يأهل ٱلكتب هل تنقمون منآ إلآ أن ءامنا بٱلله ومآ أنزل إلينا ومآ أنزل من قبل وأن أكثركم فسقون
Zeg: “Zal ik jullie berichten over een tegenprestatie die erger is dan dat, bij God? Wie God vervloekt heeft, tegen wie Hij Zich in toorn ontstoken heeft, en van wie Hij apen en zwijnen gemaakt heeft, en hij die de Mateloze gehoorzaamd heeft –
قل هل أنبئكم بشر من ذلك مثوبة عند ٱلله من لعنه ٱلله وغضب عليه وجعل منهم ٱلقردة وٱلخنازير وعبد ٱلطغوت
dezen hebben de ergste plaats, en zijn het meest gedwaald van de rechte weg.”
أولئك شر مكانا وأضل عن سوآء ٱلسبيل
En wanneer zij tot jullie komen, zeggen zij: “Wij hebben geloofd” – terwijl zij binnengekomen zijn met de verloochening, en ermee uitgegaan zijn.
وإذا جآءوكم قالوا ءامنا وقد دخلوا بٱلكفر وهم قد خرجوا به
God weet het best wat zij verzwegen.
وٱلله أعلم بما كانوا يكتمون
En jij ziet velen van hen zich haasten in de overtreding, de vijandigheid, en het verbruik van het verboden gewin.
وترى كثيرا منهم يسرعون في ٱلإثم وٱلعدون وأكلهم ٱلسحت
Hoe afschuwelijk is wat zij deden!
لبئس ما كانوا يعملون
Waarom verbieden de geestelijke meesters en de rabbijnen hun niet overtredende uitspraken te doen en het verboden gewin te verbruiken!
لولا ينهىهم ٱلربنيون وٱلأحبار عن قولهم ٱلإثم وأكلهم ٱلسحت
Hoe afschuwelijk is wat zij deden!
لبئس ما كانوا يصنعون
En de Geheroriënteerden hebben gezegd: “De hand van God is geboeid.”
وقالت ٱليهود يد ٱلله مغلولة
Laten hun handen geboeid zijn, en laten zij vervloekt zijn om wat zij gezegd hebben!
غلت أيديهم ولعنوا بما قالوا
Nee, Zijn beide handen zijn wijd open: Hij geeft uit zoals het Hem behaagt.
بل يداه مبسوطتان ينفق كيف يشآء
En wat naar jou neergedaald is van je Voogd, zal bij velen van hen voorzeker de mateloosheid en de verloochening doen toenemen.
وليزيدن كثيرا منهم مآ أنزل إليك من ربك طغينا وكفرا
En Wij hebben tussen hen de vijandigheid en de haat geworpen, tot de Dag van het Verschijnen.
وألقينا بينهم ٱلعدوة وٱلبغضآء إلى يوم ٱلقيمة
Telkens wanneer zij een vuur voor de oorlog ontsteken, dooft God het,
كلمآ أوقدوا نارا للحرب أطفأها ٱلله
en zij beijveren zich bederf op aarde te zaaien.
ويسعون في ٱلأرض فسادا
God houdt niet van de bedervers.
وٱلله لا يحب ٱلمفسدين
En als de lieden van de Schrift geloofd hadden en zich behoed hadden, zouden Wij gewis hun slechte daden bedekt hebben, en Wij zouden hen gewis hebben doen binnengaan in de tuinen van de weldaad.
ولو أن أهل ٱلكتب ءامنوا وٱتقوا لكفرنا عنهم سياتهم ولأدخلنهم جنت ٱلنعيم
En als zij de Taurah, de Indjil, en wat hun van hun Voogd neergedaald is onderhouden hadden, zouden zij gewis gegeten hebben van wat boven hen is en van wat onder hun voeten is.
ولو أنهم أقاموا ٱلتورىة وٱلإنجيل ومآ أنزل إليهم من ربهم لأكلوا من فوقهم ومن تحت أرجلهم
Onder hen is er een gematigde gemeenschap,
منهم أمة مقتصدة
maar velen van hen, hoe slecht is wat zij doen!
وكثير منهم سآء ما يعملون
O gezant! Breng over wat naar jou neergedaald is van je Voogd,
يأيها ٱلرسول بلغ مآ أنزل إليك من ربك
en als jij het niet doet, zul jij Zijn boodschap niet hebben overgebracht.
وإن لم تفعل فما بلغت رسالته
God vrijwaart jou van de mensen,
وٱلله يعصمك من ٱلناس
want God leidt het volk dat verloochent niet.
إن ٱلله لا يهدي ٱلقوم ٱلكفرين
Zeg: “O lieden van de Schrift! Jullie steunen op niets, zolang jullie de Taurah, de Indjil, en wat naar jullie neergedaald is van jullie Voogd niet onderhouden.”
قل يأهل ٱلكتب لستم على شىء حتى تقيموا ٱلتورىة وٱلإنجيل ومآ أنزل إليكم من ربكم
En wat naar jou neergedaald is van je Voogd, zal bij velen van hen voorzeker de mateloosheid en de verloochening doen toenemen.
وليزيدن كثيرا منهم مآ أنزل إليك من ربك طغينا وكفرا
Treur dus niet om het volk dat verloochent.
فلا تأس على ٱلقوم ٱلكفرين
Gewis, zij die geloofd hebben, de Geheroriënteerden, de Aspiranten en de Helpers – wie in God geloofd heeft en in de Laatste Dag, en het deugdelijke werk verricht heeft, geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.
إن ٱلذين ءامنوا وٱلذين هادوا وٱلصبون وٱلنصرى من ءامن بٱلله وٱليوم ٱلءاخر وعمل صلحا فلا خوف عليهم ولا هم يحزنون
Wij hebben gewis de plechtige verbintenis van de zonen van Israël afgenomen, en Wij hebben hun gezanten gezonden.
لقد أخذنا ميثق بني إسرءيل وأرسلنآ إليهم رسلا
Telkens wanneer een gezant hun bracht waartoe hun Zelf niet neigde, ontkenden zij een deel ervan, en een ander deel doodden zij.
كلما جآءهم رسول بما لا تهوى أنفسهم فريقا كذبوا وفريقا يقتلون
En zij dachten dat er geen beproeving zou zijn; zij werden toen blind en doof; daarna keerde God met mildheid tot hen terug; daarna, opnieuw, werden zij blind en doof,
وحسبوا ألا تكون فتنة فعموا وصموا ثم تاب ٱلله عليهم ثم عموا وصموا
velen van hen.
كثير منهم
God is Alziend over wat zij doen.
وٱلله بصير بما يعملون
Zij hebben gewis verloochend, zij die gezegd hebben: “God, dat is Al-Masih, zoon van Marjam.”
لقد كفر ٱلذين قالوا إن ٱلله هو ٱلمسيح ٱبن مريم
En Al-Masih zei: “O zonen van Israël! Gehoorzaam God, mijn Voogd en jullie Voogd.
وقال ٱلمسيح يبني إسرءيل ٱعبدوا ٱلله ربي وربكم
Wie met God associeert, God ontzegt hem gewis de Tuin, en zijn toevlucht zal het Vuur zijn.”
إنه من يشرك بٱلله فقد حرم ٱلله عليه ٱلجنة ومأوىه ٱلنار
En de onrechtvaardigen hebben geen enkele hulp.
وما للظلمين من أنصار
Zij hebben gewis verloochend, zij die gezegd hebben: “God is de derde van drie.”
لقد كفر ٱلذين قالوا إن ٱلله ثالث ثلثة
Terwijl er geen godheid is behalve een enige godheid.
وما من إله إلآ إله وحد
En als zij niet ophouden met wat zij zeggen, zal een schrijnende pijn voorzeker hen treffen die onder hen verloochend hebben.
وإن لم ينتهوا عما يقولون ليمسن ٱلذين كفروا منهم عذاب أليم
Zullen zij dan niet tot God terugkeren, en Zijn vergeving niet afsmeken?
أفلا يتوبون إلى ٱلله ويستغفرونه
En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.
وٱلله غفور رحيم
Al-Masih, zoon van Marjam, is slechts een gezant; gezanten zijn reeds vóór hem voorbijgegaan,
ما ٱلمسيح ٱبن مريم إلا رسول قد خلت من قبله ٱلرسل
en zijn moeder was een waarachtige vrouw;
وأمه صديقة
beiden aten voedsel.
كانا يأكلان ٱلطعام
Kijk hoe Wij hun de tekenen detailleren, en kijk dan hoe zij van het spoor gebracht worden!
ٱنظر كيف نبين لهم ٱلءايت ثم ٱنظر أنى يؤفكون
Zeg: “Gehoorzamen jullie, buiten God, aan wat voor jullie noch schade noch baat bezit?
قل أتعبدون من دون ٱلله ما لا يملك لكم ضرا ولا نفعا
Terwijl God de Alhorende, de Alwetende is.”
وٱلله هو ٱلسميع ٱلعليم
Zeg: “O lieden van de Schrift! Overdrijf niet in jullie Wet, voorbij de waarheid,
قل يأهل ٱلكتب لا تغلوا في دينكم غير ٱلحق
en volg de emoties niet van een volk dat reeds gedwaald heeft, velen heeft doen dwalen, en gedwaald heeft van de rechte weg.”
ولا تتبعوا أهوآء قوم قد ضلوا من قبل وأضلوا كثيرا وضلوا عن سوآء ٱلسبيل
Vervloekt zijn zij van de zonen van Israël die verloochend hebben, door de tong van Dawoed en van Isa, zoon van Marjam.
لعن ٱلذين كفروا من بني إسرءيل على لسان داود وعيسى ٱبن مريم
Dat is omdat zij ongehoorzaam zijn geweest en de grenzen overschreden hebben.
ذلك بما عصوا وكانوا يعتدون
Zij verboden elkaar niet een afgekeurde daad die zij pleegden:
كانوا لا يتناهون عن منكر فعلوه
hoe afschuwelijk is wat zij deden!
لبئس ما كانوا يفعلون
Jij ziet velen van hen zich als bondgenoot verbinden met hen die verloochenen:
ترى كثيرا منهم يتولون ٱلذين كفروا
hoe afschuwelijk is wat hun Zelf voor hen vooruitgestuurd heeft! God heeft Zich tegen hen vertoornd, en zij blijven eeuwig in de pijn.
لبئس ما قدمت لهم أنفسهم أن سخط ٱلله عليهم وفي ٱلعذاب هم خلدون
En als zij in God geloofden, in de Berichtgever, en in wat naar hem neergedaald is, zouden zij hen niet tot bondgenoten genomen hebben;
ولو كانوا يؤمنون بٱلله وٱلنبي ومآ أنزل إليه ما ٱتخذوهم أوليآء
maar velen van hen zijn grensoverschrijders.
ولكن كثيرا منهم فسقون
Jij zult voorzeker vinden dat, onder de mensen, de meest vijandige jegens hen die geloofd hebben de Geheroriënteerden zijn en zij die geassocieerd hebben,
لتجدن أشد ٱلناس عدوة للذين ءامنوا ٱليهود وٱلذين أشركوا
en jij zult voorzeker vinden dat de naaste in genegenheid jegens hen die geloofd hebben zij zijn die zeggen: “Wij zijn gewis de Helpers.”
ولتجدن أقربهم مودة للذين ءامنوا ٱلذين قالوا إنا نصرى
Dat is omdat er onder hen priesters en monniken zijn, en omdat zij niet opzwellen van hoogmoed.
ذلك بأن منهم قسيسين ورهبانا وأنهم لا يستكبرون
En wanneer zij horen wat naar de gezant neergedaald is, zie jij hun ogen overlopen van tranen, omdat zij de waarheid erkend hebben; zij zeggen: “Onze Voogd, wij hebben geloofd; schrijf ons dus in onder de getuigen.
وإذا سمعوا مآ أنزل إلى ٱلرسول ترى أعينهم تفيض من ٱلدمع مما عرفوا من ٱلحق يقولون ربنآ ءامنا فٱكتبنا مع ٱلشهدين
En wat hebben wij dat wij niet in God zouden geloven, en in wat tot ons gekomen is van de waarheid, terwijl wij ernaar streven dat onze Voogd ons doet binnengaan met het deugdelijke volk?”
وما لنا لا نؤمن بٱلله وما جآءنا من ٱلحق ونطمع أن يدخلنا ربنا مع ٱلقوم ٱلصلحين
God heeft hun toen als tegenprestatie, voor wat zij gezegd hebben, tuinen gegeven waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven.
فأثبهم ٱلله بما قالوا جنت تجري من تحتها ٱلأنهر خلدين فيها
En dat is de vergelding van hen die het goede doen.
وذلك جزآء ٱلمحسنين
En zij die verloochend hebben en Onze tekenen ontkend hebben – dat zijn de metgezellen van de Gloeioven.
وٱلذين كفروا وكذبوا بايتنآ أولئك أصحب ٱلجحيم
O jullie die geloofd hebben! Beschouw de goede dingen die God jullie geoorloofd heeft gemaakt niet als ontzegd, en overschrijd de grenzen niet,
يأيها ٱلذين ءامنوا لا تحرموا طيبت مآ أحل ٱلله لكم ولا تعتدوا
want God houdt niet van hen die de grenzen overschrijden.
إن ٱلله لا يحب ٱلمعتدين
En eet van datgene waarvan God jullie voorzien heeft, van wat geoorloofd en goed is,
وكلوا مما رزقكم ٱلله حللا طيبا
en behoed jullie voor God, in wie jullie geloven.
وٱتقوا ٱلله ٱلذي أنتم به مؤمنون
God zal jullie niet grijpen om de nietigheid in jullie eden,
لا يؤاخذكم ٱلله بٱللغو في أيمنكم
maar Hij zal jullie grijpen voor de eden die jullie stevig gesloten hebben.
ولكن يؤاخذكم بما عقدتم ٱلأيمن
De boetedoening ervoor is tien behoeftigen te voeden, van het voortreffelijkste voedsel waarmee jullie jullie families voeden, of hen te kleden, of een door een schuld gebonden persoon zijn onafhankelijkheid terug te geven;
فكفرته إطعام عشرة مسكين من أوسط ما تطعمون أهليكم أو كسوتهم أو تحرير رقبة
en wie er de middelen niet voor vindt, dan een onthouding van drie dagen.
فمن لم يجد فصيام ثلثة أيام
Dat is de boetedoening voor jullie eden, wanneer jullie een eed zweren.
ذلك كفرة أيمنكم إذا حلفتم
En bewaar jullie eden.
وٱحفظوا أيمنكم
Zo maakt God voor jullie Zijn tekenen duidelijk, misschien zullen jullie dankbaar zijn.
كذلك يبين ٱلله لكم ءايته لعلكم تشكرون
O jullie die geloofd hebben! De combinatie van wijn en kansspel, alsook de verdeling van gemeenschappelijke goederen door het lot, zijn niets dan slijk, werk van de Afleider; mijd ze dus, misschien zullen jullie slagen.
يأيها ٱلذين ءامنوا إنما ٱلخمر وٱلميسر وٱلأنصاب وٱلأزلم رجس من عمل ٱلشيطن فٱجتنبوه لعلكم تفلحون
De Afleider wil slechts, onder jullie, door wijn en kansspel, de vijandigheid en de haat werpen, en jullie de toegang tot de herinnering aan God en tot het Contact versperren.
إنما يريد ٱلشيطن أن يوقع بينكم ٱلعدوة وٱلبغضآء في ٱلخمر وٱلميسر ويصدكم عن ذكر ٱلله وعن ٱلصلوة
Zullen jullie dus ophouden?
فهل أنتم منتهون
En voeg jullie naar God, en voeg jullie naar de gezant, en wees waakzaam.
وأطيعوا ٱلله وأطيعوا ٱلرسول وٱحذروا
Maar als jullie de rug toekeren, weet dan dat op Onze gezant slechts de uitdrukkelijke overbrenging rust.
فإن توليتم فٱعلموا أنما على رسولنا ٱلبلغ ٱلمبين
Geen verwijt tegen hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken verricht hebben, om wat zij gegeten hebben, voor zover zij zich behoed hebben, geloofd hebben, en de deugdelijke werken verricht hebben, daarna zich behoed hebben en geloofd hebben, daarna zich behoed hebben en goed gehandeld hebben.
ليس على ٱلذين ءامنوا وعملوا ٱلصلحت جناح فيما طعموا إذا ما ٱتقوا وءامنوا وعملوا ٱلصلحت ثم ٱتقوا وءامنوا ثم ٱتقوا وأحسنوا
God houdt van hen die het goede doen.
وٱلله يحب ٱلمحسنين
O jullie die geloofd hebben! God zal jullie voorzeker beproeven met enig wild dat in jullie handen en op jullie speren valt, opdat God onderscheidt wie Hem vreest hoewel Hij zijn zintuigen ontgaat.
يأيها ٱلذين ءامنوا ليبلونكم ٱلله بشىء من ٱلصيد تناله أيديكم ورماحكم ليعلم ٱلله من يخافه بٱلغيب
Wie hierna de grenzen overschrijdt, zal een schrijnende pijn hebben.
فمن ٱعتدى بعد ذلك فله عذاب أليم
O jullie die geloofd hebben! Dood geen wild tijdens de onschendbare maanden.
يأيها ٱلذين ءامنوا لا تقتلوا ٱلصيد وأنتم حرم
En wie van jullie het opzettelijk doodt, een gelijkwaardige vergelding in vee, waarover twee rechtvaardigen onder jullie zullen oordelen, als gave die de Ka'ba bereikt, of een boetedoening bestaande uit het voeden van behoeftigen, of het equivalent daarvan in onthouding, opdat hij de funeste gevolgen van zijn gedrag proeft.
ومن قتله منكم متعمدا فجزآء مثل ما قتل من ٱلنعم يحكم به ذوا عدل منكم هديا بلغ ٱلكعبة أو كفرة طعام مسكين أو عدل ذلك صياما ليذوق وبال أمره
God heeft wat voorbij is kwijtgescholden;
عفا ٱلله عما سلف
maar wie recidiveert, God zal Zich op hem wreken.
ومن عاد فينتقم ٱلله منه
God is Almachtig, houder van de wraak.
وٱلله عزيز ذو ٱنتقام
Geoorloofd gemaakt is voor jullie de jacht van de zee en haar voedsel,
أحل لكم صيد ٱلبحر وطعامه
als genieting voor jullie en voor de konvooien;
متعا لكم وللسيارة
maar de jacht van het vasteland is jullie ontzegd zolang de onschendbare maanden duren.
وحرم عليكم صيد ٱلبر ما دمتم حرما
En behoed jullie voor God, naar wie jullie verzameld zullen worden.
وٱتقوا ٱلله ٱلذي إليه تحشرون
God heeft van de Ka'ba, het onschendbare Huis, een onderhoud voor de mensen gemaakt, alsook van de onschendbare maand, de vrijwillige gaven, en de krachtens gelofte verschuldigde giften.
جعل ٱلله ٱلكعبة ٱلبيت ٱلحرام قيما للناس وٱلشهر ٱلحرام وٱلهدي وٱلقلئد
Dit, opdat jullie weten dat God weet wat in de hemelen is en wat op aarde is, en dat God Alwetend is over alles.
ذلك لتعلموا أن ٱلله يعلم ما في ٱلسموت وما في ٱلأرض وأن ٱلله بكل شىء عليم
Weet dat God streng is in de sanctie, en dat God Zeer Vergevensgezind, Welwillend is.
ٱعلموا أن ٱلله شديد ٱلعقاب وأن ٱلله غفور رحيم
Op de gezant rust slechts de overbrenging.
ما على ٱلرسول إلا ٱلبلغ
God weet wat jullie zichtbaar maken en wat jullie verzwijgen.
وٱلله يعلم ما تبدون وما تكتمون
Zeg: “Het snode en het goede zijn niet gelijk, ook al verblindt de overvloed van het snode jou.”
قل لا يستوي ٱلخبيث وٱلطيب ولو أعجبك كثرة ٱلخبيث
Behoed jullie dus voor God, o houders van intelligentie, misschien zullen jullie slagen.
فٱتقوا ٱلله يأولي ٱلألبب لعلكم تفلحون
O jullie die geloofd hebben! Stel geen vragen over dingen die jullie zouden mishagen als zij jullie verschenen.
يأيها ٱلذين ءامنوا لا تسلوا عن أشيآء إن تبد لكم تسؤكم
En als jullie ze stellen terwijl deze Lezing neerdaalt, zullen zij jullie verschijnen. God heeft dat kwijtgescholden.
وإن تسلوا عنها حين ينزل ٱلقرءان تبد لكم عفا ٱلله عنها
God is Zeer Vergevensgezind, Lankmoedig.
وٱلله غفور حليم
Een volk vóór jullie heeft ze gesteld, en is er daarna een volk door geworden dat verloochent.
قد سألها قوم من قبلكم ثم أصبحوا بها كفرين
God heeft geen bahira ingesteld, geen sa'iba, geen wasila, geen ham,
ما جعل ٱلله من بحيرة ولا سآئبة ولا وصيلة ولا حام
maar zij die verloochenen verzinnen de leugen tegen God, en de meesten van hen redeneren niet.
ولكن ٱلذين كفروا يفترون على ٱلله ٱلكذب وأكثرهم لا يعقلون
En wanneer tot hen gezegd wordt: “Kom tot wat God heeft doen neerdalen, en tot de gezant”, zeggen zij: “Ons volstaat datgene waarbij wij onze voorouders aangetroffen hebben.”
وإذا قيل لهم تعالوا إلى مآ أنزل ٱلله وإلى ٱلرسول قالوا حسبنا ما وجدنا عليه ءابآءنآ
Wat! Zelfs als hun voorouders niets wisten en zich niet lieten leiden?
أولو كان ءابآؤهم لا يعلمون شيا ولا يهتدون
O jullie die geloofd hebben! Zorg voor jullie zelf:
يأيها ٱلذين ءامنوا عليكم أنفسكم
wie dwaalt kan jullie niet schaden, zolang jullie je laten leiden.
لا يضركم من ضل إذا ٱهتديتم
Naar God zal de terugkeer van jullie allen zijn, en Hij zal jullie berichten over wat jullie deden.
إلى ٱلله مرجعكم جميعا فينبئكم بما كنتم تعملون
O jullie die geloofd hebben! De getuigenis onder jullie, wanneer de dood zich aandient bij een van jullie, op het moment van het testament: twee rechtvaardigen onder jullie, of twee anderen, buiten jullie, als jullie rondtrekken over de aarde en het ongeluk van de dood jullie overkomt.
يأيها ٱلذين ءامنوا شهدة بينكم إذا حضر أحدكم ٱلموت حين ٱلوصية ٱثنان ذوا عدل منكم أو ءاخران من غيركم إن أنتم ضربتم في ٱلأرض فأصبتكم مصيبة ٱلموت
Jullie zullen hen beiden in afwachting houden na het Contact, en zij zullen beiden zweren bij God, als jullie twijfel hebben: “Wij zullen er niets door kopen, voor geen enkele prijs, al is het jegens een verwant,
تحبسونهما من بعد ٱلصلوة فيقسمان بٱلله إن ٱرتبتم لا نشتري به ثمنا ولو كان ذا قربى
en wij zullen de getuigenis van God niet verzwijgen; wij zouden dan voorzeker tot de overtreders behoren.”
ولا نكتم شهدة ٱلله إنآ إذا لمن ٱلءاثمين
Maar als men erachter komt dat die twee zich schuldig hebben gemaakt aan een overtreding, zullen twee anderen hun plaats innemen, onder hen wier recht met voeten getreden is, de twee naasten, en zij zullen beiden zweren
فإن عثر على أنهما ٱستحقآ إثما فاخران يقومان مقامهما من ٱلذين ٱستحق عليهم ٱلأولين فيقسمان
bij God: “Onze getuigenis is gewis beter gegrond in het recht dan de hunne, en wij hebben de grenzen niet overschreden;
بٱلله لشهدتنآ أحق من شهدتهما وما ٱعتدينآ
wij zouden dan voorzeker behoren tot de onrechtvaardigen.”
إنآ إذا لمن ٱلظلمين
Dat is dichter bij de getuigenis die in haar juiste vorm wordt afgelegd, of bij hun vrees dat andere eden na hun eden teruggegeven worden.
ذلك أدنى أن يأتوا بٱلشهدة على وجههآ أو يخافوا أن ترد أيمن بعد أيمنهم
En behoed jullie voor God,
وٱتقوا ٱلله
en luister.
وٱسمعوا
En God leidt het volk van de grensoverschrijders niet.
وٱلله لا يهدي ٱلقوم ٱلفسقين
De dag waarop God de gezanten bijeenbrengt, en zegt: “Welk antwoord hebben jullie ontvangen?”
يوم يجمع ٱلله ٱلرسل فيقول ماذآ أجبتم
Zij zullen zeggen: “Wij hebben daarvan geen enkel weten; gewis bent U het die volkomen weet wat de zintuigen ontgaat.”
قالوا لا علم لنآ إنك أنت علم ٱلغيوب
Wanneer God zal zeggen: “O Isa, zoon van Marjam! Herinner je Mijn weldaad over jou en over je moeder, toen Ik jou versterkt heb met de heilige Toestroom, jij sprak tot de mensen in de wieg en op rijpe leeftijd,
إذ قال ٱلله يعيسى ٱبن مريم ٱذكر نعمتي عليك وعلى ولدتك إذ أيدتك بروح ٱلقدس تكلم ٱلناس في ٱلمهد وكهلا
en toen Ik jou de Codex, de wijsheid, de Taurah en de Indjil onderwezen heb;
وإذ علمتك ٱلكتب وٱلحكمة وٱلتورىة وٱلإنجيل
en toen jij in de klei de vorm van een vogel schiep, met Mijn toestemming, daarna erin blies, en zij een vogel werd, met Mijn toestemming;
وإذ تخلق من ٱلطين كهية ٱلطير بإذني فتنفخ فيها فتكون طيرا بإذني
en jij de blindgeborene en de melaatse herstelde, met Mijn toestemming;
وتبرئ ٱلأكمه وٱلأبرص بإذني
en toen jij de doden deed uitgaan, met Mijn toestemming;
وإذ تخرج ٱلموتى بإذني
en toen Ik de zonen van Israël van jou weerhield, toen jij tot hen kwam met de duidelijke bewijzen, en zij onder hen die verloochenden zeiden: ‘Dit is niets dan een klaarblijkelijke begoocheling.’”
وإذ كففت بني إسرءيل عنك إذ جئتهم بٱلبينت فقال ٱلذين كفروا منهم إن هذآ إلا سحر مبين
En toen Ik aan de leerlingen openbaarde: “Geloof in Mij en in Mijn gezant”;
وإذ أوحيت إلى ٱلحوارين أن ءامنوا بي وبرسولي
zeiden zij: “Wij geloven, en wees getuige dat wij integer zijn tegenover God.”
قالوا ءامنا وٱشهد بأننا مسلمون
Toen de leerlingen zeiden: “O Isa, zoon van Marjam! Kun jij aan je Voogd vragen een tafel uit de hemel op ons te doen neerdalen?”
إذ قال ٱلحواريون يعيسى ٱبن مريم هل يستطيع ربك أن ينزل علينا مآئدة من ٱلسمآء
Hij zei: “Behoed jullie voor God, als jullie gelovenden zijn.”
قال ٱتقوا ٱلله إن كنتم مؤمنين
Zij zeiden: “Wij willen ervan eten, opdat onze kernen gerustheid vinden, wij weten dat jij ons de waarheid gezegd hebt, en wij er getuigen van zijn.”
قالوا نريد أن نأكل منها وتطمئن قلوبنا ونعلم أن قد صدقتنا ونكون عليها من ٱلشهدين
Isa, zoon van Marjam, zei: “O God, onze Voogd! Doe op ons een tafel uit de hemel neerdalen, die voor ons een feest zij, voor de eerste van ons zowel als voor de laatste, en een teken van U;
قال عيسى ٱبن مريم ٱللهم ربنآ أنزل علينا مآئدة من ٱلسمآء تكون لنا عيدا لأولنا وءاخرنا وءاية منك
en voorzie ons;
وٱرزقنا
U bent de voortreffelijkste der voorzieners.”
وأنت خير ٱلرزقين
God zei: “Ik doe haar op jullie neerdalen; maar wie van jullie daarna verloochent, hem zal Ik gewis pijn opleggen met een pijn waarmee Ik niemand anders onder alle wezens pijn zal opleggen.”
قال ٱلله إني منزلها عليكم فمن يكفر بعد منكم فإني أعذبه عذابا لآ أعذبه أحدا من ٱلعلمين
En wanneer God zal zeggen: “O Isa, zoon van Marjam! Ben jij het die tot de mensen gezegd hebt: Neem mij, evenals mijn moeder, tot twee godheden buiten God?”
وإذ قال ٱلله يعيسى ٱبن مريم ءأنت قلت للناس ٱتخذوني وأمي إلهين من دون ٱلله
Hij zal zeggen: “Glorie zij U! Het kwam mij niet toe te zeggen wat niet mijn recht is.
قال سبحنك ما يكون لي أن أقول ما ليس لي بحق
Als ik het gezegd had, zou U het geweten hebben.
إن كنت قلته فقد علمته
U weet wat in mijn Zelf is, en ik weet niet wat in Uw Zelf is,
تعلم ما في نفسي ولآ أعلم ما في نفسك
want U bent het die volkomen weet wat de zintuigen ontgaat.
إنك أنت علم ٱلغيوب
Ik heb hun slechts gezegd wat U mij bevolen hebt: Gehoorzaam God, mijn Voogd en jullie Voogd;
ما قلت لهم إلا مآ أمرتني به أن ٱعبدوا ٱلله ربي وربكم
en ik was getuige over hen, zolang ik onder hen was;
وكنت عليهم شهيدا ما دمت فيهم
daarna, toen U mij getrouw in bewaring hield, was U het die de Waarnemer over hen was.
فلما توفيتني كنت أنت ٱلرقيب عليهم
En U bent getuige van alles.
وأنت على كل شىء شهيد
Als U hen pijn oplegt, zijn zij Uw gehoorzamen;
إن تعذبهم فإنهم عبادك
en als U hen vergeeft, dan bent U het gewis, de Almachtige, de Wijze.”
وإن تغفر لهم فإنك أنت ٱلعزيز ٱلحكيم
God zal zeggen: “Dit is de dag waarop de waarachtigheid de waarachtigen zal baten.
قال ٱلله هذا يوم ينفع ٱلصدقين صدقهم
Zij hebben tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, voor altijd.”
لهم جنت تجري من تحتها ٱلأنهر خلدين فيهآ أبدا
God is tevreden over hen, en zij zijn tevreden over Hem.
رضي ٱلله عنهم ورضوا عنه
Dat is de ontzaglijke triomf.
ذلك ٱلفوز ٱلعظيم
Aan God behoort het koningschap van de hemelen en de aarde, en van wat zich daarin bevindt.
لله ملك ٱلسموت وٱلأرض وما فيهن
En Hij is tot alles in staat.
وهو على كل شىء قدير