الروم
Ar-Rum
The Romans
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Mim.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم الم
De Romeinen zijn zegevierend geweest, in de dichtstbijzijnde aarde; maar na hun zege zullen zij overwonnen worden, binnen enkele jaren.
علٮٮ الروم ڡى ادٮى الارص وهم مں ٮعد علٮهم سٮعلٮوں ڡى ٮصع سٮٮں
Aan God behoort het bevel, ervoor en erna.
لله الامر مں ڡٮل ومں ٮعد
En die dag zullen de gelovenden zich verheugen over de hulp van God –
وٮومٮد ٮڡرح المومٮوں ٮٮصر الله
Hij helpt wie het Hem behaagt;
ٮٮصر مں ٮسا
en Hij is de Almachtige, de Welwillende.
وهو العرٮر الرحٮم
De belofte van God: God schiet niet tekort in Zijn belofte,
وعد الله لا ٮحلڡ الله وعده
maar de meeste mensen weten het niet.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮعلموں
Zij kennen slechts wat onbedekt is van het leven hienieden, terwijl zij, wat het laatste leven betreft, onbekommerd zijn.
ٮعلموں طهرا مں الحٮوه الدٮٮا وهم عں الاحره هم عڡلوں
Hebben zij dan niet nagedacht in zichzelf?
اولم ٮٮڡكروا ڡى اٮڡسهم
God heeft de hemelen en de aarde, en wat tussen hen is, slechts geschapen met de waarheid en voor een genoemde termijn;
ما حلٯ الله السموٮ والارص وما ٮٮٮهما الا ٮالحٯ واحل مسمى
en velen onder de mensen verloochenen voorzeker de ontmoeting met hun Voogd.
واں كٮٮرا مں الٮاس ٮلڡاى رٮهم لكڡروں
Hebben zij dan niet de aarde doorkruist om te kijken wat het einde was van hen die vóór hen waren? Zij waren superieur aan hen in kracht, zij hadden de aarde omhooggebracht
اولم ٮسٮروا ڡى الارص ڡٮٮطروا كٮڡ كاں عڡٮه الدٮں مں ڡٮلهم كاٮوا اسد مٮهم ڡوه واٮاروا الارص
en haar meer bevolkt dan zij haar hebben bevolkt; en hun gezanten kwamen bij hen met duidelijke bewijzen,
وعمروها اكٮر مما عمروها وحاٮهم رسلهم ٮالٮٮٮٮ
en God zou hun geen onrecht doen,
ڡما كاں الله لٮطلمهم
maar aan zichzelf deden zij onrecht.
ولكں كاٮوا اٮڡسهم ٮطلموں
Vervolgens was het einde van hen die slecht gehandeld hebben het slechtste, omdat zij de tekenen van God ontkend hebben en ze gehoond hebben.
ٮم كاں عڡٮه الدٮں اسوا السواى اں كدٮوا ٮاٮٮ الله وكاٮوا ٮها ٮسٮهروں
God begint de schepping, maakt haar vervolgens opnieuw, vervolgens zullen zij tot Hem teruggebracht worden.
الله ٮٮدوا الحلٯ ٮم ٮعٮده ٮم الٮه ٮرحعوں
En op de dag waarop het Uur zich zal verheffen, zullen de afgezonderden in wanhoop gedompeld worden, en zij zullen, onder hun geassocieerden, geen enkele voorspreker hebben; en zelfs hun eigen geassocieerden zullen zij verloochenen.
وٮوم ٮڡوم الساعه ٮٮلس المحرموں ولم ٮكں لهم مں سركاٮهم سڡعوا وكاٮوا ٮسركاٮهم كڡرٮں
En de dag waarop het Uur zich zal verheffen, die dag zullen zij uiteengaan:
وٮوم ٮڡوم الساعه ٮومٮد ٮٮڡرڡوں
wat betreft hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, zij zullen met vreugde overladen worden in een bloeiende tuin;
ڡاما الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ ڡهم ڡى روصه ٮحٮروں
en wat betreft hen die verloochend hebben en Onze tekenen en de ontmoeting met het laatste leven ontkend hebben, dezen zullen in de pijn gebracht worden.
واما الدٮں كڡروا وكدٮوا ٮاٮٮٮا ولڡاى الاحره ڡاولٮك ڡى العداٮ محصروں
Glorie zij dus God wanneer jullie de avond binnengaan en wanneer jullie de ochtend binnengaan!
ڡسٮحں الله حٮں ٮمسوں وحٮں ٮصٮحوں
En aan Hem de lof in de hemelen en op de aarde, en bij het vallen van de dag, en wanneer jullie de middag binnengaan.
وله الحمد ڡى السموٮ والارص وعسٮا وحٮں ٮطهروں
Hij laat de levende uit de dode uitgaan, en laat de dode uit de levende uitgaan, en geeft de aarde weer leven na haar dood;
ٮحرح الحى مں المٮٮ وٮحرح المٮٮ مں الحى وٮحى الارص ٮعد موٮها
en zo zullen jullie naar buiten gebracht worden.
وكدلك ٮحرحوں
En onder Zijn tekenen is dat Hij jullie uit aarde heeft geschapen; vervolgens, zie, zijn jullie stervelingen die zich ontvouwen.
ومں اٮٮه اں حلڡكم مں ٮراٮ ٮم ادا اٮٮم ٮسر ٮٮٮسروں
En onder Zijn tekenen is dat Hij jullie, uit jullie zelf, echtgenoten heeft geschapen, opdat jullie in hen de kalmte vinden, en Hij heeft tussen jullie genegenheid en welwillendheid geplaatst;
ومں اٮٮه اں حلٯ لكم مں اٮڡسكم اروحا لٮسكٮوا الٮها وحعل ٮٮٮكم موده ورحمه
daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat nadenkt.
اں ڡى دلك لاٮٮ لڡوم ٮٮڡكروں
En onder Zijn tekenen zijn de schepping van de hemelen en de aarde, en de verscheidenheid van jullie talen en van jullie kleuren;
ومں اٮٮه حلٯ السموٮ والارص واحٮلڡ السٮٮكم والوٮكم
daarin zijn voorzeker tekenen voor hen die weten.
اں ڡى دلك لاٮٮ للعلمٮں
En onder Zijn tekenen zijn jullie slaap in de nacht en overdag, en jullie zoektocht naar Zijn gunst;
ومں اٮٮه مٮامكم ٮالٮل والٮهار واٮٮعاوكم مں ڡصله
daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat hoort.
اں ڡى دلك لاٮٮ لڡوم ٮسمعوں
En onder Zijn tekenen is dat Hij jullie de bliksem toont, gevreesd en gehoopt, en uit de hemel een water doet neerdalen waardoor Hij de aarde weer leven geeft na haar dood;
ومں اٮٮه ٮرٮكم الٮرٯ حوڡا وطمعا وٮٮرل مں السما ما ڡٮحى ٮه الارص ٮعد موٮها
daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat redeneert.
اں ڡى دلك لاٮٮ لڡوم ٮعڡلوں
En onder Zijn tekenen is dat de hemel en de aarde zich handhaven door Zijn bevel;
ومں اٮٮه اں ٮڡوم السما والارص ٮامره
vervolgens, wanneer Hij jullie met één roep uit de aarde zal roepen, zie, dan zullen jullie daaruit uitgaan.
ٮم ادا دعاكم دعوه مں الارص ادا اٮٮم ٮحرحوں
En aan Hem behoort wie ook in de hemelen en op de aarde is;
وله مں ڡى السموٮ والارص
allen zijn Hem toegewijd.
كل له ڡٮٮوں
En Hij is het die de schepping begint, haar vervolgens opnieuw maakt – iets dat nog gemakkelijker is voor Hem;
وهو الدى ٮٮدوا الحلٯ ٮم ٮعٮده وهو اهوں علٮه
en aan Hem behoort het hoogste voorbeeld, in de hemelen en op de aarde;
وله المٮل الاعلى ڡى السموٮ والارص
en Hij is de Almachtige, de Wijze.
وهو العرٮر الحكٮم
Hij heeft voor jullie een voorbeeld vermenigvuldigd, ontleend aan jullie zelf: hebben jullie, onder de door eed gebondenen, geassocieerden in datgene waarvan Wij jullie voorzien hebben, zodat jullie daarin gelijk zouden zijn, hen vrezend zoals jullie elkaar vrezen?
صرٮ لكم مٮلا مں اٮڡسكم هل لكم مں ما ملكٮ اٮمٮكم مں سركا ڡى ما ررڡٮكم ڡاٮٮم ڡٮه سوا ٮحاڡوٮهم كحٮڡٮكم اٮڡسكم
Zo specificeren Wij de tekenen voor een volk dat redeneert.
كدلك ٮڡصل الاٮٮ لڡوم ٮعڡلوں
Zij die onrecht hebben begaan, hebben veeleer hun emoties gevolgd, zonder te weten.
ٮل اٮٮع الدٮں طلموا اهواهم ٮعٮر علم
Wie zal dan leiden wie God heeft doen dwalen?
ڡمں ٮهدى مں اصل الله
En zij zullen geen hulp hebben.
وما لهم مں ٮصرٮں
Onderhoud dus je richting naar de Wet, geheel op God gericht – de oorspronkelijke natuur die God aan de mensen gegeven heeft, zoals Hij hen oorspronkelijk geschapen heeft. Er is geen verandering in de schepping van God: dat is de rechte Wet, maar de meeste mensen weten het niet – zich voortdurend op Hem beroepend, behoed jullie voor Hem, onderhoud het Contact, en behoor niet tot hen die associëren, tot hen die hun Wet hebben verdeeld en facties zijn geworden,
ڡاڡم وحهك للدٮں حٮٮڡا ڡطرٮ الله الٮى ڡطر الٮاس علٮها لا ٮٮدٮل لحلٯ الله دلك الدٮں الڡٮم ولكں اكٮر الٮاس لا ٮعلموں مٮٮٮٮں الٮه واٮڡوه واڡٮموا الصلوه ولا ٮكوٮوا مں المسركٮں مں الدٮں ڡرڡوا دٮٮهم وكاٮوا سٮعا
elke partij verheugd over wat zij in handen heeft.
كل حرٮ ٮما لدٮهم ڡرحوں
En wanneer een schade de mensen treft, roepen zij hun Voogd aan, zich op Hem beroepend;
وادا مس الٮاس صر دعوا رٮهم مٮٮٮٮں الٮه
vervolgens, wanneer Hij hun een welwillendheid van Hem laat proeven, zie, dan associeert een deel van hen aan hun Voogd,
ٮم ادا اداڡهم مٮه رحمه ادا ڡرٮٯ مٮهم ٮرٮهم ٮسركوں
om te verloochenen wat Wij hun gegeven hebben.
لٮكڡروا ٮما اٮٮٮهم
Geniet dus: weldra zullen jullie het weten.
ڡٮمٮعوا ڡسوڡ ٮعلموں
Of hebben Wij op hen een gezag doen neerdalen dat zou spreken ten gunste van wat zij met Hem associëren?
ام اٮرلٮا علٮهم سلطٮا ڡهو ٮٮكلم ٮما كاٮوا ٮه ٮسركوں
En wanneer Wij de mensen een welwillendheid laten proeven, verheugen zij zich erover;
وادا ادڡٮا الٮاس رحمه ڡرحوا ٮها
en als hun een kwaad overkomt, door wat hun handen vooruitgestuurd hebben, zie, dan verliezen zij de moed.
واں ٮصٮهم سٮٮه ٮما ڡدمٮ اٮدٮهم ادا هم ٮڡٮطوں
Hebben zij dan niet gezien dat God de leeftocht verruimt voor wie het Hem behaagt, en haar toemeet?
اولم ٮروا اں الله ٮٮسط الررٯ لمں ٮسا وٮڡدر
Daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat gelooft.
اں ڡى دلك لاٮٮ لڡوم ٮومٮوں
Geef dus aan de verwant zijn recht, en ook aan de behoeftige en aan de doorreiziger;
ڡاٮ دا الڡرٮى حڡه والمسكٮں واٮں السٮٮل
dat is beter voor hen die de richting van God willen,
دلك حٮر للدٮں ٮرٮدوں وحه الله
en dat zijn zij die slagen.
واولٮك هم المڡلحوں
En wat jullie geven als een lening die doet aangroeien, opdat zij aangroeit in de bezittingen van de mensen, groeit niet aan bij God;
وما اٮٮٮم مں رٮا لٮرٮوا ڡى امول الٮاس ڡلا ٮرٮوا عٮد الله
maar wat jullie geven als zuivere vrijgevigheid, de richting van God willend – zij zijn het die verdubbelen.
وما اٮٮٮم مں ركوه ٮرٮدوں وحه الله ڡاولٮك هم المصعڡوں
God is Hij die jullie geschapen heeft, vervolgens jullie van leeftocht voorzien heeft, vervolgens jullie laat sterven, vervolgens jullie weer leven geeft.
الله الدى حلڡكم ٮم ررڡكم ٮم ٮمٮٮكم ٮم ٮحٮٮكم
Is er, onder jullie geassocieerden, iemand die iets van dat alles doet?
هل مں سركاٮكم مں ٮڡعل مں دلكم مں سى
Glorie zij Hem, en Hij staat ver boven wat jullie met Hem associëren.
سٮحٮه وٮعلى عما ٮسركوں
Het bederf is onbedekt geworden op het vaste land en op de zee, door wat de handen van de mensen verworven hebben, opdat Hij hen een deel laat proeven van wat zij gedaan hebben, misschien zullen zij terugkeren.
طهر الڡساد ڡى الٮر والٮحر ٮما كسٮٮ اٮدى الٮاس لٮدٮڡهم ٮعص الدى عملوا لعلهم ٮرحعوں
Zeg: “Doorkruis de aarde, en kijk wat het einde was van hen van voorheen.”
ڡل سٮروا ڡى الارص ڡاٮطروا كٮڡ كاں عڡٮه الدٮں مں ڡٮل
De meesten van hen waren associeerders.
كاں اكٮرهم مسركٮں
Onderhoud dus je richting naar de rechte Wet, voordat er, van de kant van God, een dag komt die niet herroepen kan worden:
ڡاڡم وحهك للدٮں الڡٮم مں ڡٮل اں ٮاٮى ٮوم لا مرد له مں الله
die dag zullen zij zich splijten.
ٮومٮد ٮصدعوں
Wie verloochent, zijn verloochening valt op hem terug;
مں كڡر ڡعلٮه كڡره
en wie een deugdelijk werk verricht, dezen richten voor zichzelf een bed in – opdat Hij hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, door Zijn gunst, vergeldt.
ومں عمل صلحا ڡلاٮڡسهم ٮمهدوں لٮحرى الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ مں ڡصله
Hij houdt niet van hen die verloochenen.
اٮه لا ٮحٮ الكڡرٮں
En onder Zijn tekenen is dat Hij de winden zendt, als aankondigers, om jullie van Zijn welwillendheid te laten proeven, opdat de vaartuigen varen door Zijn bevel, opdat jullie van Zijn gunst zoeken, en misschien zullen jullie dankbaar zijn.
ومں اٮٮه اں ٮرسل الرٮاح مٮسرٮ ولٮدٮڡكم مں رحمٮه ولٮحرى الڡلك ٮامره ولٮٮٮعوا مں ڡصله ولعلكم ٮسكروں
En Wij hebben gewis, vóór jou, gezanten gezonden naar hun volk; zij kwamen bij hen met duidelijke bewijzen, en Wij hebben Ons gewroken op de afgezonderden;
ولڡد ارسلٮا مں ڡٮلك رسلا الى ڡومهم ڡحاوهم ٮالٮٮٮٮ ڡاٮٮڡمٮا مں الدٮں احرموا
en het was voor Ons een plicht de gelovenden te helpen.
وكاں حڡا علٮٮا ٮصر المومٮٮں
God is Hij die de winden zendt; zij brengen wolken omhoog, die Hij uitspreidt in de hemel zoals het Hem behaagt, en Hij maakt er fragmenten van; dan zie je de regenbui uit hun boezem komen.
الله الدى ٮرسل الرٮح ڡٮٮٮر سحاٮا ڡٮٮسطه ڡى السما كٮڡ ٮسا وٮحعله كسڡا ڡٮرى الودٯ ٮحرح مں حلله
Vervolgens, wanneer Hij haar doet toekomen aan wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen, zie, dan juichen zij,
ڡادا اصاٮ ٮه مں ٮسا مں عٮاده ادا هم ٮسٮٮسروں
terwijl zij daarvoor, voordat zij op hen neerdaalde, gewis wanhopig waren.
واں كاٮوا مں ڡٮل اں ٮٮرل علٮهم مں ڡٮله لمٮلسٮں
Kijk dus naar het spoor van de welwillendheid van God: hoe Hij de aarde weer leven geeft na haar dood;
ڡاٮطر الى اٮر رحمٮ الله كٮڡ ٮحى الارص ٮعد موٮها
dat is Hij die de doden voorzeker weer leven zal geven,
اں دلك لمحى الموٮى
en Hij is tot alles in staat.
وهو على كل سى ڡدٮر
En als Wij een wind zouden zenden, en zij hem zagen vergelen, zouden zij daarna blijven verloochenen.
ولٮں ارسلٮا رٮحا ڡراوه مصڡرا لطلوا مں ٮعده ٮكڡروں
Jij laat dus de doden niet horen, en jij laat de doven de roep niet horen, wanneer zij de rug toekeren terwijl zij zich terugtrekken.
ڡاٮك لا ٮسمع الموٮى ولا ٮسمع الصم الدعا ادا ولوا مدٮرٮں
En jij bent niet degene die de blinden leidt uit hun dwaling;
وما اٮٮ ٮهد العمى عں صللٮهم
jij laat alleen horen wie gelooft in Onze tekenen, en dezen zijn integer tegenover God.
اں ٮسمع الا مں ٮومں ٮاٮٮٮا ڡهم مسلموں
God is Hij die jullie uit een zwakte geschapen heeft, vervolgens na de zwakte een kracht geplaatst heeft, vervolgens na de kracht een zwakte en witte haren geplaatst heeft;
الله الدى حلڡكم مں صعڡ ٮم حعل مں ٮعد صعڡ ڡوه ٮم حعل مں ٮعد ڡوه صعڡا وسٮٮه
Hij schept wat het Hem behaagt,
ٮحلٯ ما ٮسا
en Hij is de Alwetende, de In Staat Zijnde.
وهو العلٮم الڡدٮر
En op de dag waarop het Uur zich zal verheffen, zullen de afgezonderden zweren slechts één uur te hebben doorgebracht;
وٮوم ٮڡوم الساعه ٮڡسم المحرموں ما لٮٮوا عٮر ساعه
zo waren zij van het spoor gebracht.
كدلك كاٮوا ٮوڡكوں
En zij aan wie het weten en het geloof gegeven zijn, zullen zeggen: “Jullie hebben gewis jullie tijd doorgebracht, volgens de Codex van God, tot de Dag van de Opwekking;
وڡال الدٮں اوٮوا العلم والاٮمں لڡد لٮٮٮم ڡى كٮٮ الله الى ٮوم الٮعٮ
dit is dus de Dag van de Opwekking – maar jullie wisten het niet.”
ڡهدا ٮوم الٮعٮ ولكٮكم كٮٮم لا ٮعلموں
Die dag zal de verontschuldiging van de onrechtvaardigen hun niet baten, en men zal hun niet meer vragen genoegdoening te geven.
ڡٮومٮد لا ٮٮڡع الدٮں طلموا معدرٮهم ولا هم ٮسٮعٮٮوں
En Wij hebben gewis voor de mensen, in deze Lezing, allerlei voorbeelden vermenigvuldigd;
ولڡد صرٮٮا للٮاس ڡى هدا الڡراں مں كل مٮل
en als jij hun een teken brengt, zullen zij die verloochenen voorzeker zeggen: “Jullie zijn niets dan ambachtslieden van het valse.”
ولٮں حٮٮهم ٮاٮه لٮڡولں الدٮں كڡروا اں اٮٮم الا مٮطلوں
Zo drukt God een afdruk op de kernen van hen die niet weten.
كدلك ٮطٮع الله على ڡلوٮ الدٮں لا ٮعلموں
Wees dus geduldig:
ڡاصٮر
de belofte van God is gewis waarheid;
اں وعد الله حٯ
en laat hen die geen zekerheid hebben jou niet licht maken.
ولا ٮسٮحڡٮك الدٮں لا ٮوڡٮوں