سبأ
Saba
Saba'
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Lof zij God, aan wie toebehoort wat in de hemelen is en wat op de aarde is,
ٮسم الله الرحمں الرحٮم الحمد لله الدى له ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص
en Hem de lof in het laatste leven.
وله الحمد ڡى الاحره
Hij is de Wijze, de Intieme Kenner.
وهو الحكٮم الحٮٮر
Hij weet wat in de aarde binnendringt en wat eruit komt, wat uit de hemel neerdaalt en wat erin opstijgt.
ٮعلم ما ٮلح ڡى الارص وما ٮحرح مٮها وما ٮٮرل مں السما وما ٮعرح ڡٮها
Hij is de Welwillende, de Zeer Vergevensgezinde.
وهو الرحٮم العڡور
En zij die verloochenen, hebben gezegd: “Het Uur zal niet tot ons komen.”
وڡال الدٮں كڡروا لا ٮاٮٮٮا الساعه
Zeg: “Jawel, bij mijn Voogd, voorzeker zal het tot jullie komen,
ڡل ٮلى ورٮى لٮاٮٮٮكم
Hij die weet wat de zintuigen ontgaat – geen gewicht van een deeltje is buiten Zijn bereik, noch in de hemelen noch op de aarde,
علم العٮٮ لا ٮعرٮ عٮه مٮڡال دره ڡى السموٮ ولا ڡى الارص
noch iets kleiners noch groters dan dat, zonder dat het in een uitdrukkelijk register staat – opdat Hij vergeldt hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht.”
ولا اصعر مں دلك ولا اكٮر الا ڡى كٮٮ مٮٮں لٮحرى الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ
Dezen hebben vergeving en een edele leeftocht.
اولٮك لهم معڡره وررٯ كرٮم
En zij die zich tegen Onze tekenen hebben ingespannen om te trachten Ons tot mislukken te brengen, dezen hebben een pijn die bestaat uit een schrijnende bezoedeling.
والدٮں سعو ڡى اٮٮٮا معحرٮں اولٮك لهم عداٮ مں رحر الٮم
En zij aan wie het weten is gegeven zien dat wat aan jou van je Voogd is neergedaald de waarheid is en leidt naar het pad van de Almachtige, de Lofwaardige.
وٮرى الدٮں اوٮوا العلم الدى اٮرل الٮك مں رٮك هو الحٯ وٮهدى الى صرط العرٮر الحمٮد
En zij die verloochenen, hebben gezegd: “Willen jullie dat wij jullie een man aanwijzen die jullie zal berichten dat jullie, zodra jullie aan flarden zijn gescheurd en volledig ontbonden, voorzeker in een nieuwe schepping zullen zijn?
وڡال الدٮں كڡروا هل ٮدلكم على رحل ٮٮٮٮكم ادا مرڡٮم كل ممرٯ اٮكم لڡى حلٯ حدٮد
Heeft hij een leugen tegen God verzonnen, of verkeert hij in een verwardheid?”
اڡٮرى على الله كدٮا ام ٮه حٮه
Nee: zij die niet geloven in het laatste leven verkeren in de pijn en de verre dwaling.
ٮل الدٮں لا ٮومٮوں ٮالاحره ڡى العداٮ والصلل الٮعٮد
Hebben zij dan niet gezien wat voor hen is en wat achter hen is, van de hemel en de aarde?
اڡلم ٮروا الى ما ٮٮں اٮدٮهم وما حلڡهم مں السما والارص
Indien het Ons behaagde, zouden Wij hen in de aarde verzwelgen, of een fragment van de hemel op hen doen vallen.
اں ٮسا ٮحسڡ ٮهم الارص او ٮسڡط علٮهم كسڡا مں السما
Hierin is voorzeker een teken voor iedere gehoorzame die zich voortdurend tot Hem wendt.
اں ڡى دلك لاٮه لكل عٮد مٮٮٮ
En Wij hebben Dawoed gewis een gunst van Onze zijde gegeven: “O bergen, geef echo met hem, en ook de vogels.”
ولڡد اٮٮٮا داود مٮا ڡصلا ٮحٮال اوٮى معه والطٮر
En Wij hebben voor hem het ijzer week gemaakt: “Vervaardig ruime maliënkolders, en meet de samenvoeging van de mazen goed af,
والٮا له الحدٮد اں اعمل سٮعٮ وڡدر ڡى السرد
en verricht deugdelijke werken,
واعملوا صلحا
want Ik ben Alziend over wat jullie doen.”
اٮى ٮما ٮعملوں ٮصٮر
En aan Soelaiman, de wind: zijn heengaan was van een maand, en zijn avondtocht van een maand.
ولسلٮمں الرٮح عدوها سهر ورواحها سهر
En Wij hebben voor hem de bron van nafta doen uitvloeien.
واسلٮا له عٮں الڡطر
En onder de Verborgenen waren er die voor hem werkten, met de toestemming van zijn Voogd;
ومں الحں مں ٮعمل ٮٮں ٮدٮه ٮادں رٮه
en wie van hen van Ons bevel afweek, die deden Wij proeven van de pijn van de Brand.
ومں ٮرع مٮهم عں امرٮا ٮدڡه مں عداٮ السعٮر
Zij vervaardigden voor hem wat het hem behaagde: oratoria, standbeelden, bekkens als grote reservoirs, en stevig verankerde ketels.
ٮعملوں له ما ٮسا مں محرٮٮ وٮمٮٮل وحڡاں كالحواٮ وڡدور راسٮٮ
“Werk, clan van Dawoed,
اعملوا ال داود
uit dankbaarheid” –
سكرا
maar weinigen van Mijn gehoorzamen zijn dankbaar.
وڡلٮل مں عٮادى السكور
Toen Wij over hem de dood hadden bepaald, wees niets hun zijn dood aan, behalve een wezen van de aarde dat zich bewoog en aan zijn staf knaagde;
ڡلما ڡصٮٮا علٮه الموٮ ما دلهم على موٮه الا داٮه الارص ٮاكل مٮساٮه
en toen hij viel, werd het voor de Verborgenen duidelijk dat zij, indien zij geweten hadden wat de zintuigen ontgaat, hun tijd niet in de verlagende pijn zouden hebben doorgebracht.
ڡلما حر ٮٮٮٮٮ الحں اں لو كاٮوا ٮعلموں العٮٮ ما لٮٮوا ڡى العداٮ المهٮں
Er was gewis, voor Saba', een teken in hun leefgebied:
لڡد كاں لسٮا ڡى مسكٮهم اٮه
twee tuinen, rechts en links.
حٮٮاں عں ٮمٮں وسمال
“Eet van de leeftocht van jullie Voogd, en wees Hem dankbaar:
كلوا مں ررٯ رٮكم واسكروا له
een goede landstreek, en een Zeer Vergevensgezinde Voogd.”
ٮلده طٮٮه ورٮ عڡور
Maar zij onttrokken zich, en Wij zonden over hen de verwoestende vloed van de dam,
ڡاعرصوا ڡارسلٮا علٮهم سٮل العرم
en Wij vervingen hun twee tuinen door twee tuinen met bittere spijzen, tamarisken, en enkele jujubebomen.
وٮدلٮهم ٮحٮٮٮهم حٮٮٮں دواٮى اكل حمط واٮل وسى مں سدر ڡلٮل
Zo hebben Wij hen vergolden voor wat zij verloochend hebben:
دلك حرٮٮهم ٮما كڡروا
en vergelden Wij iemand, behalve de grote verloochenaar?
وهل ٮحرى الا الكڡور
En Wij hadden tussen hen en de steden die Wij hadden gezegend onbedekte steden geplaatst, en daarin het traject gemeten:
وحعلٮا ٮٮٮهم وٮٮں الڡرى الٮى ٮركٮا ڡٮها ڡرى طهره وڡدرٮا ڡٮها السٮر
“Doorkruis ze, nachten en dagen, in veiligheid.”
سٮروا ڡٮها لٮالى واٮاما امٮٮں
Maar zij zeiden: “Onze Voogd, verwijder de etappes van onze reizen” – en zij deden onrecht aan zichzelf; Wij maakten hen toen tot onderwerpen van rede, en Wij ontbonden hen volledig.
ڡڡالوا رٮٮا ٮعد ٮٮں اسڡارٮا وطلموا اٮڡسهم ڡحعلٮهم احادٮٮ ومرڡٮهم كل ممرٯ
Daarin zijn voorzeker tekenen voor ieder die zeer geduldig is, zeer dankbaar.
اں ڡى دلك لاٮٮ لكل صٮار سكور
En Iblis heeft gewis zijn vermoeden over hen bevestigd, en zij hebben hem gevolgd, behalve een fractie onder de gelovenden.
ولڡد صدٯ علٮهم اٮلٮس طٮه ڡاٮٮعوه الا ڡرٮڡا مں المومٮٮں
En hij had geen enkel gezag over hen, behalve opdat Wij hem die gelooft in het laatste leven zouden onderscheiden van hem die ten aanzien daarvan in verlegenheid verkeert.
وما كاں له علٮهم مں سلطں الا لٮعلم مں ٮومں ٮالاحره ممں هو مٮها ڡى سك
En jouw Voogd bewaart alles.
ورٮك على كل سى حڡٮط
Zeg: “Roep hen aan die jullie beweren, buiten God:
ڡل ادعوا الدٮں رعمٮم مں دوں الله
zij bezitten niet het gewicht van een deeltje, noch in de hemelen noch op de aarde,
لا ٮملكوں مٮڡال دره ڡى السموٮ ولا ڡى الارص
en zij hebben daarin geen enkel aandeel,
وما لهم ڡٮهما مں سرك
en Hij heeft, onder hen, geen enkele steun.”
وما له مٮهم مں طهٮر
En bij Hem baat de voorspraak slechts hem voor wie Hij haar toestaat,
ولا ٮٮڡع السڡعه عٮده الا لمں ادں له
totdat, nu de schrik uit hun kernen is weggenomen, zij zeggen: “Wat heeft jullie Voogd gezegd?” – zij zullen zeggen: “De waarheid.
حٮى ادا ڡرع عں ڡلوٮهم ڡالوا مادا ڡال رٮكم ڡالوا الحٯ
En Hij is de Allerhoogste, de Grote.”
وهو العلى الكٮٮر
Zeg: “Wie voorziet jullie, vanuit de hemelen en de aarde?” Zeg: “God.
ڡل مں ٮررڡكم مں السموٮ والارص ڡل الله
En voorzeker, wij of jullie zijn op een leiding, of in een klaarblijkelijke dwaling.”
واٮا او اٮاكم لعلى هدى او ڡى صلل مٮٮں
Zeg: “Jullie zullen niet ondervraagd worden over onze afzondering, en wij zullen niet ondervraagd worden over wat jullie doen.”
ڡل لا ٮسلوں عما احرمٮا ولا ٮسل عما ٮعملوں
Zeg: “Onze Voogd zal ons bijeenbrengen, vervolgens zal Hij tussen ons openen met de waarheid;
ڡل ٮحمع ٮٮٮٮا رٮٮا ٮم ٮڡٮح ٮٮٮٮا ٮالحٯ
en Hij is Hij die opent, de Alwetende.”
وهو الڡٮاح العلٮم
Zeg: “Toon mij hen die jullie als geassocieerden aan Hem hebben toegevoegd. Geenszins! –
ڡل اروٮى الدٮں الحڡٮم ٮه سركا كلا
Hij is veeleer God, de Almachtige, de Wijze.”
ٮل هو الله العرٮر الحكٮم
En Wij hebben jou slechts tot alle mensen gezonden, als aankondiger en waarschuwer,
وما ارسلٮك الا كاڡه للٮاس ٮسٮرا وٮدٮرا
maar de meeste mensen weten het niet.
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮعلموں
En zij zeggen: “Wanneer komt deze belofte, als jullie waarachtig zijn?”
وٮڡولوں مٮى هدا الوعد اں كٮٮم صدڡٮں
Zeg: “Jullie hebben de afspraak van een dag die jullie noch een uur kunnen vertragen noch vervroegen.”
ڡل لكم مٮعاد ٮوم لا ٮسٮحروں عٮه ساعه ولا ٮسٮڡدموں
En zij die verloochenen, hebben gezegd: “Wij zullen nooit in deze Lezing geloven, noch in wat haar is voorafgegaan.”
وڡال الدٮں كڡروا لں ٮومں ٮهدا الڡراں ولا ٮالدى ٮٮں ٮدٮه
En indien jij zag, wanneer de onrechtvaardigen voor hun Voogd zullen staan, aangehouden, elkaar de uitspraak terugkaatsend:
ولو ٮرى اد الطلموں موڡوڡوں عٮد رٮهم ٮرحع ٮعصهم الى ٮعص الڡول
zij die men zwak oordeelde zullen zeggen tot hen die van hoogmoed opzwollen: “Zonder jullie zouden wij gelovenden zijn geweest.”
ٮڡول الدٮں اسٮصعڡوا للدٮں اسٮكٮروا لولا اٮٮم لكٮا مومٮٮں
Zij die van hoogmoed opzwollen zullen zeggen tot hen die men zwak oordeelde: “Zijn wij het die jullie de weg van de leiding hebben versperd, nadat zij tot jullie was gekomen? Nee: jullie waren veeleer afgezonderden.”
ڡال الدٮں اسٮكٮروا للدٮں اسٮصعڡوا اٮحں صددٮكم عں الهدى ٮعد اد حاكم ٮل كٮٮم محرمٮں
En zij die men zwak oordeelde zullen zeggen tot hen die van hoogmoed opzwollen: “Het was veeleer een complot, nacht en dag, toen jullie ons bevalen God te verloochenen en Hem rivalen toe te wijzen.”
وڡال الدٮں اسٮصعڡوا للدٮں اسٮكٮروا ٮل مكر الٮل والٮهار اد ٮامروٮٮا اں ٮكڡر ٮالله وٮحعل له اٮدادا
En zij zullen hun spijt geheimhouden wanneer zij de pijn zien.
واسروا الٮدامه لما راوا العداٮ
En Wij zullen halsijzers om de halzen plaatsen van hen die verloochend hebben:
وحعلٮا الاعلل ڡى اعٮاٯ الدٮں كڡروا
zullen zij anders vergolden worden dan naar wat zij deden?
هل ٮحروں الا ما كاٮوا ٮعملوں
En Wij hebben nooit een waarschuwer gezonden naar een stad zonder dat haar weelderigen zeiden: “Wij verloochenen gewis datgene waarmee jullie gezonden zijn.”
وما ارسلٮا ڡى ڡرٮه مں ٮدٮر الا ڡال مٮرڡوها اٮا ٮما ارسلٮم ٮه كڡروں
En zij zeiden: “Wij hebben meer bezittingen en kinderen, en aan ons zal geen pijn worden opgelegd.”
وڡالوا ٮحں اكٮر امولا واولدا وما ٮحں ٮمعدٮٮں
Zeg: “Mijn Voogd breidt gewis de leeftocht uit voor wie het Hem behaagt, en meet haar af;
ڡل اں رٮى ٮٮسط الررٯ لمں ٮسا وٮڡدر
maar de meeste mensen weten het niet.”
ولكں اكٮر الٮاس لا ٮعلموں
En het zijn niet jullie bezittingen noch jullie kinderen die jullie dichter bij Ons zullen brengen, het dichtst bij – behalve wie geloofd heeft en deugdelijke werken heeft verricht: dezen hebben de verdubbelde vergelding voor wat zij hebben gedaan, en zij zullen in veiligheid zijn in de hoge kamers.
وما امولكم ولا اولدكم ٮالٮى ٮڡرٮكم عٮدٮا رلڡى الا مں امں وعمل صلحا ڡاولٮك لهم حرا الصعڡ ٮما عملوا وهم ڡى العرڡٮ امٮوں
En zij die zich tegen Onze tekenen hebben ingespannen om te trachten Ons tot mislukken te brengen, dezen zullen in de pijn worden aangevoerd.
والدٮں ٮسعوں ڡى اٮٮٮا معحرٮں اولٮك ڡى العداٮ محصروں
Zeg: “Mijn Voogd breidt gewis de leeftocht uit voor wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen, en meet haar hem af;
ڡل اں رٮى ٮٮسط الررٯ لمں ٮسا مں عٮاده وٮڡدر له
en alles wat jullie uitgeven, Hij vervangt het,
وما اٮڡڡٮم مں سى ڡهو ٮحلڡه
en Hij is de voortreffelijkste van de voorzieners.”
وهو حٮر الررڡٮں
En op de dag waarop Wij hen allen zullen verzamelen, vervolgens tot de Gemachtigden zullen zeggen: “Zijn jullie het aan wie dezen gehoorzaamden?”
وٮوم ٮحسرهم حمٮعا ٮم ٮڡول للملٮكه اهولا اٮاكم كاٮوا ٮعٮدوں
zullen zij zeggen: “Glorie zij U! U bent onze beschermer, niet zij:
ڡالوا سٮحٮك اٮٮ ولٮٮا مں دوٮهم
zij gehoorzaamden veeleer aan de Verborgenen;
ٮل كاٮوا ٮعٮدوں الحں
de meesten van hen geloofden daarin.”
اكٮرهم ٮهم مومٮوں
Vandaag zal niemand van jullie voor een ander noch voordeel noch schade bezitten, en Wij zullen zeggen tot hen die het onrecht hebben gepleegd: “Proef de pijn van het Vuur dat jullie ontkenden.”
ڡالٮوم لا ٮملك ٮعصكم لٮعص ٮڡعا ولا صرا وٮڡول للدٮں طلموا دوڡوا عداٮ الٮار الٮى كٮٮم ٮها ٮكدٮوں
En wanneer Onze tekenen hun worden voorgedragen, duidelijk, zeggen zij: “Dit is slechts een man die jullie de weg wil versperren van datgene waaraan jullie voorouders gehoorzaamden”; en zij zeggen: “Dit is slechts een verzonnen vermomming.”
وادا ٮٮلى علٮهم اٮٮٮا ٮٮٮٮ ڡالوا ما هدا الا رحل ٮرٮد اں ٮصدكم عما كاں ٮعٮد اٮاوكم وڡالوا ما هدا الا اڡك مڡٮرى
En zij die verloochenen zeggen over de waarheid, wanneer zij hun komt: “Dit is slechts een klaarblijkelijke begoocheling.”
وڡال الدٮں كڡروا للحٯ لما حاهم اں هدا الا سحر مٮٮں
En Wij hebben hun geen enkel geschrift gegeven dat zij zouden bestuderen,
وما اٮٮٮهم مں كٮٮ ٮدرسوٮها
en Wij hebben hun, vóór jou, geen enkele waarschuwer gezonden.
وما ارسلٮا الٮهم ڡٮلك مں ٮدٮر
En zij die vóór hen waren hebben ontkend – zij hebben niet het tiende bereikt van wat Wij hun hadden gegeven –
وكدٮ الدٮں مں ڡٮلهم وما ٮلعوا معسار ما اٮٮٮهم
en zij hebben Mijn gezanten ontkend.
ڡكدٮوا رسلى
En hoe was Mijn afkeuring!
ڡكٮڡ كاں ٮكٮر
Zeg: “Ik spoor jullie slechts aan tot één ding:
ڡل اٮما اعطكم ٮوحده
dat jullie opstaan voor God, twee aan twee of één voor één, vervolgens dat jullie nadenken –
اں ٮڡوموا لله مٮٮى وڡردى ٮم ٮٮڡكروا
jullie metgezel heeft geen enkele verwardheid;
ما ٮصاحٮكم مں حٮه
hij is voor jullie slechts een waarschuwer, tegenover een strenge pijn.”
اں هو الا ٮدٮر لكم ٮٮں ٮدى عداٮ سدٮد
Zeg: “Welke beloning ik jullie ook heb gevraagd, zij is voor jullie;
ڡل ما سالٮكم مں احر ڡهو لكم
mijn beloning ligt slechts bij God,
اں احرى الا على الله
en Hij is getuige van alles.”
وهو على كل سى سهٮد
Zeg: “Mijn Voogd slingert gewis de waarheid,
ڡل اں رٮى ٮڡدڡ ٮالحٯ
Hij is Hij die volledig weet wat de zintuigen ontgaat.”
علم العٮوٮ
Zeg: “De waarheid is gekomen, en het valse begint niet en maakt niet opnieuw.”
ڡل حا الحٯ وما ٮٮدى الٮطل وما ٮعٮد
Zeg: “Indien ik dwaal, dwaal ik slechts tegen mijn Zelf; en indien ik mij laat leiden, is het door wat mijn Voogd mij openbaart –
ڡل اں صللٮ ڡاٮما اصل على ٮڡسى واں اهٮدٮٮ ڡٮما ٮوحى الى رٮى
Hij hoort, Hij is nabij.”
اٮه سمٮع ڡرٮٮ
En indien jij zag, wanneer zij door schrik gegrepen zullen worden, zonder uitweg, en vanaf een nabije plaats gegrepen zullen worden –
ولو ٮرى اد ڡرعوا ڡلا ڡوٮ واحدوا مں مكاں ڡرٮٮ
en zij zullen zeggen: “Wij geloven erin!”
وڡالوا امٮا ٮه
Maar hoe zou voor hen, vanaf een zo verre plaats, bereikbaar zijn wat zij voordien verloochenden?
واٮى لهم الٮٮاوس مں مكاں ٮعٮد وڡد كڡروا ٮه مں ڡٮل
En zij slingeren gissingen over wat de zintuigen ontgaat vanaf een verre plaats.
وٮڡدڡوں ٮالعٮٮ مں مكاں ٮعٮد
En men zal zich zetten tussen hen en wat zij verlangen, zoals voordien is gedaan aan hen van hun soort: zij verkeerden gewis in een verontrustende verlegenheid.
وحٮل ٮٮٮهم وٮٮں ما ٮسٮهوں كما ڡعل ٮاسٮاعهم مں ڡٮل اٮهم كاٮوا ڡى سك مرٮٮ