Naar de inhoud
القرآنal-quran.fr
Menu
100%
القرآن

المائدة

Al-Ma'ida

Faithful to Contracts

Soera 5 · 120 verzen

5:1

In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. O jullie die geloofd hebben! Wees trouw aan jullie contracten.

ٮسم الله الرحمں الرحٮم ٮاٮها الدٮں امٮوا اوڡوا ٮالعڡود

5:1

De kuddedieren zijn voor jullie geoorloofd gemaakt, behalve wat jullie wordt voorgedragen – zonder de jacht als geoorloofd te beschouwen, gedurende de onschendbare maanden.

احلٮ لكم ٮهٮمه الاٮعم الا ما ٮٮلى علٮكم عٮر محلى الصٮد واٮٮم حرم

God oordeelt naar wat Hij wil.

اں الله ٮحكم ما ٮرٮد

5:2

O jullie die geloofd hebben! Beschouw niet als geoorloofd de waarneembare bakens van God, noch de onschendbare maand, noch de vrijwillige gaven, noch de krachtens gelofte verschuldigde giften, noch hen die zich richten naar het onschendbare Huis, een gunst van hun Voogd en een instemming zoekend.

ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮحلوا سعٮر الله ولا السهر الحرام ولا الهدى ولا الڡلٮد ولا امٮں الٮٮٮ الحرام ٮٮٮعوں ڡصلا مں رٮهم ورصوٮا

En zodra die maanden verstreken zijn, jaag.

وادا حللٮم ڡاصطادوا

En laat de wrok van een volk, omdat het jullie de toegang tot de onschendbare plaats van neerwerping heeft versperd, jullie niet meeslepen tot aanvallen.

ولا ٮحرمٮكم سٮاں ڡوم اں صدوكم عں المسحد الحرام اں ٮعٮدوا

Help elkaar in de deugd en de behoedzaamheid,

وٮعاوٮوا على الٮر والٮڡوى

en help elkaar niet in de overtreding en de vijandigheid.

ولا ٮعاوٮوا على الاٮم والعدوں

En behoed jullie voor God:

واٮڡوا الله

gewis is God streng in de sanctie.

اں الله سدٮد العڡاٮ

5:3

Jullie zijn ontzegd: het dode beest, het bloed, het varkensvlees, wat opgedragen is aan een ander dan God, het gewurgde dier, het stervende dier, het door ziekte uitgeteerde dier, het door stoten gedode dier, en wat een woest beest heeft verslonden – behalve wat jullie met vuur hebben uitgegloeid – evenals het gemeenschappelijk geslachte dier waarvan de delen vervolgens met pijlen worden verloot.

حرمٮ علٮكم المٮٮه والدم ولحم الحٮرٮر وما اهل لعٮر الله ٮه والمٮحٮڡه والموڡوده والمٮردٮه والٮطٮحه وما اكل السٮع الا ما دكٮٮم وما دٮح على الٮصٮ واں ٮسٮڡسموا ٮالارلم

5:3

Dat is een grensoverschrijding.

دلكم ڡسٯ

5:3

Heden hebben zij die verloochenen de hoop verloren ten aanzien van jullie Wet;

الٮوم ٮٮس الدٮں كڡروا مں دٮٮكم

5:3

ducht hen dus niet, maar ducht Mij.

ڡلا ٮحسوهم واحسوں

5:3

Heden heb Ik voor jullie jullie Wet vervolmaakt, heb Ik Mijn weldaad over jullie gecompleteerd, en heb Ik voor jullie de integriteit tegenover God als Wet goedgekeurd.

الٮوم اكملٮ لكم دٮٮكم واٮممٮ علٮكم ٮعمٮى ورصٮٮ لكم الاسلم دٮٮا

Maar wie daartoe in het nauw gedreven wordt door schaarste, zonder neiging tot overtreding – gewis is God Zeer Vergevensgezind, Welwillend.

ڡمں اصطر ڡى محمصه عٮر مٮحاٮڡ لاٮم ڡاں الله عڡور رحٮم

Zij ondervragen jou: wat is hun geoorloofd gemaakt?

ٮسلوٮك مادا احل لهم

Zeg: “Voor jullie zijn de goede dingen geoorloofd gemaakt, evenals de jachtdieren die jullie als africhters hebben onderricht, hun lerend van wat God jullie heeft geleerd.

ڡل احل لكم الطٮٮٮ وما علمٮم مں الحوارح مكلٮٮں ٮعلموٮهں مما علمكم الله

Eet dus van wat zij voor jullie vangen, en herinner de naam van God daarover.

ڡكلوا مما امسكں علٮكم وادكروا اسم الله علٮه

En behoed jullie voor God:

واٮڡوا الله

gewis is God snel in de rekening.”

اں الله سرٮع الحساٮ

5:5

Heden zijn voor jullie de goede dingen geoorloofd gemaakt. Het voedsel van hen aan wie de Schrift is gegeven is voor jullie geoorloofd, en jullie voedsel is voor hen geoorloofd. En de door de huwelijksband beschutte vrouwen onder de gelovende vrouwen, en de door de huwelijksband beschutte vrouwen onder hen aan wie de Schrift vóór jullie is gegeven, wanneer jullie hun hun beloningen geven, als mannen die zich in de huwelijksband verbinden, niet als losbandigen en niet als nemers van heimelijke minnaressen.

الٮوم احل لكم الطٮٮٮ وطعام الدٮں اوٮوا الكٮٮ حل لكم وطعامكم حل لهم والمحصٮٮ مں المومٮٮ والمحصٮٮ مں الدٮں اوٮوا الكٮٮ مں ڡٮلكم ادا اٮٮٮموهں احورهں محصٮٮں عٮر مسڡحٮں ولا مٮحدى احداں

En wie het geloof verloochent, zijn werk stort in, en hij zal in het laatste leven onder de verliezers zijn.

ومں ٮكڡر ٮالاٮمں ڡڡد حٮط عمله وهو ڡى الاحره مں الحسرٮں

O jullie die geloofd hebben! Wanneer jullie opstaan voor het Contact, was jullie gezichten en jullie handen tot de ellebogen, en haal de handen over jullie hoofden,

ٮاٮها الدٮں امٮوا ادا ڡمٮم الى الصلوه ڡاعسلوا وحوهكم واٮدٮكم الى المراڡٯ وامسحوا ٮروسكم

5:6

en was jullie voeten tot de knieën.

وارحلكم الى الكعٮٮں

5:6

En als jullie jullie hebben bevuild, was jullie.

واں كٮٮم حٮٮا ڡاطهروا

5:6

En als jullie ziek zijn, of op reis, of als een van jullie zojuist zijn natuurlijke behoefte heeft gedaan, of als jullie een vrouw in intimiteit hebben gekend, en jullie geen water vinden, richt jullie dan op een goede dagzoom, en strijk ervan over jullie gezichten en jullie handen.

واں كٮٮم مرصى او على سڡر او حا احد مٮكم مں العاٮط او لمسٮم الٮسا ڡلم ٮحدوا ما ڡٮٮمموا صعٮدا طٮٮا ڡامسحوا ٮوحوهكم واٮدٮكم مٮه

God wil jullie geen enkele hinder opleggen,

ما ٮرٮد الله لٮحعل علٮكم مں حرح

maar Hij wil jullie reinigen, en Zijn weldaad aan jullie completeren, misschien zullen jullie dankbaar zijn.

ولكں ٮرٮد لٮطهركم ولٮٮم ٮعمٮه علٮكم لعلكم ٮسكروں

En herinner jullie de weldaad van God over jullie, en Zijn plechtige verbintenis, die waarmee Hij jullie gebonden heeft, toen jullie zeiden: “Wij hebben gehoord en wij hebben ons gevoegd.”

وادكروا ٮعمه الله علٮكم ومٮٮڡه الدى واٮڡكم ٮه اد ڡلٮم سمعٮا واطعٮا

En behoed jullie voor God:

واٮڡوا الله

God is gewis Alwetend over de inhoud van de borsten.

اں الله علٮم ٮداٮ الصدور

5:8

O jullie die geloofd hebben! Behoor tot hen die zich standvastig handhaven voor God, getuigend met billijkheid,

ٮاٮها الدٮں امٮوا كوٮوا ڡومٮں لله سهدا ٮالڡسط

5:8

en laat de wrok van een volk jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn.

ولا ٮحرمٮكم سٮاں ڡوم على الا ٮعدلوا

5:8

Wees rechtvaardig: dat is dichter bij de behoedzaamheid.

اعدلوا هو اڡرٮ للٮڡوى

En behoed jullie voor God:

واٮڡوا الله

God is gewis Intiem Kenner van wat jullie doen.

اں الله حٮٮر ٮما ٮعملوں

God heeft beloofd aan hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht: zij zullen een vergeving en een ontzaglijke beloning hebben.

وعد الله الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ لهم معڡره واحر عطٮم

En zij die verloochend hebben en Onze tekenen ontkend hebben – dat zijn de metgezellen van de Gloeioven.

والدٮں كڡروا وكدٮوا ٮاٮٮٮا اولٮك اصحٮ الححٮم

O jullie die geloofd hebben! Herinner jullie de weldaad van God over jullie, toen een volk het voornemen had gehad de handen naar jullie uit te strekken, en Hij hun handen van jullie weerhield.

ٮاٮها الدٮں امٮوا ادكروا ٮعمٮ الله علٮكم اد هم ڡوم اں ٮٮسطوا الٮكم اٮدٮهم ڡكڡ اٮدٮهم عٮكم

En behoed jullie voor God:

واٮڡوا الله

en aan God moeten de gelovenden lastgeving verlenen.

وعلى الله ڡلٮٮوكل المومٮوں

God heeft gewis de plechtige verbintenis van de zonen van Israël afgenomen, en Wij hebben onder hen twaalf verantwoordelijken opgewekt.

ولڡد احد الله مٮٮٯ ٮٮى اسرٮل وٮعٮٮا مٮهم اٮٮى عسر ٮڡٮٮا

En God zei: “Ik ben gewis met jullie.

وڡال الله اٮى معكم

Als jullie het Contact onderhouden, de zuivere vrijgevigheid geven, in Mijn gezanten geloven, hen terzijde staan, en aan God een schone lening verstrekken, zal Ik voorzeker jullie slechte daden bedekken, en Ik zal jullie voorzeker doen binnengaan in tuinen waaronder de rivieren stromen.

لٮں اڡمٮم الصلوه واٮٮٮم الركوه وامٮٮم ٮرسلى وعررٮموهم واڡرصٮم الله ڡرصا حسٮا لاكڡرں عٮكم سٮاٮكم ولادحلٮكم حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر

Maar wie van jullie hierna verloochent, heeft gedwaald van de rechte weg.”

ڡمں كڡر ٮعد دلك مٮكم ڡڡد صل سوا السٮٮل

5:13

Omdat zij hun plechtige verbintenis verbroken hebben, hebben Wij hen vervloekt en hun kernen hard gemaakt: zij verwringen de woorden, buiten hun verband, en zijn een deel vergeten van waaraan men hen had doen herinneren.

ڡٮما ٮڡصهم مٮٮڡهم لعٮهم وحعلٮا ڡلوٮهم ڡسٮه ٮحرڡوں الكلم عں مواصعه وٮسوا حطا مما دكروا ٮه

En jij zult niet ophouden bij hen een verraad te doorzien, behalve weinigen onder hen.

ولا ٮرال ٮطلع على حاٮٮه مٮهم الا ڡلٮلا مٮهم

Scheld het hun dus kwijt, en sla de bladzijde om:

ڡاعڡ عٮهم واصڡح

God houdt van hen die het goede doen.

اں الله ٮحٮ المحسٮٮں

5:14

En onder hen die gezegd hebben: “Wij zijn gewis de Helpers”, hebben Wij hun plechtige verbintenis afgenomen, maar zij zijn een deel vergeten van waaraan men hen had doen herinneren; Wij hebben toen onder hen de vijandigheid en de haat geworpen, tot de Dag van het Verschijnen;

ومں الدٮں ڡالوا اٮا ٮصرى احدٮا مٮٮڡهم ڡٮسوا حطا مما دكروا ٮه ڡاعرٮٮا ٮٮٮهم العداوه والٮعصا الى ٮوم الڡٮمه

en God zal hen weldra berichten over wat zij deden.

وسوڡ ٮٮٮٮهم الله ٮما كاٮوا ٮصٮعوں

5:15

O lieden van de Schrift! Onze gezant is gewis tot jullie gekomen, jullie veel blootleggend van wat jullie van de Schrift verborgen, en veel dingen kwijtscheldend.

ٮاهل الكٮٮ ڡد حاكم رسولٮا ٮٮٮں لكم كٮٮرا مما كٮٮم ٮحڡوں مں الكٮٮ وٮعڡوا عں كٮٮر

5:16

Een licht is gewis tot jullie gekomen van God, alsook een uitdrukkelijke Schrift, waardoor God wie Zijn instemming volgt leidt naar de wegen van vrede,

ڡد حاكم مں الله ٮور وكٮٮ مٮٮں ٮهدى ٮه الله مں اٮٮع رصوٮه سٮل السلم

en hen uit de duisternissen naar het licht naar buiten brengt, met Zijn toestemming,

وٮحرحهم مں الطلمٮ الى الٮور ٮادٮه

en hen leidt naar een rechtlijnig pad.

وٮهدٮهم الى صرط مسٮڡٮم

5:17

Zij hebben gewis verloochend, zij die gezegd hebben: “God, dat is Al-Masih, zoon van Marjam.”

لڡد كڡر الدٮں ڡالوا اں الله هو المسٮح اٮں مرٮم

5:17

Zeg: “Wie zou dan enige macht bezitten tegen God, als Hij Al-Masih, zoon van Marjam, zou willen vernietigen, evenals zijn moeder, en allen die op aarde zijn?”

ڡل ڡمں ٮملك مں الله سٮا اں اراد اں ٮهلك المسٮح اٮں مرٮم وامه ومں ڡى الارص حمٮعا

En aan God behoort het koningschap van de hemelen en de aarde, en van wat tussen hen is.

ولله ملك السموٮ والارص وما ٮٮٮهما

Hij schept wat het Hem behaagt.

ٮحلٯ ما ٮسا

En God is tot alles in staat.

والله على كل سى ڡدٮر

5:18

En de Geheroriënteerden en de Helpers hebben gezegd: “Wij zijn de zonen van God en Zijn geliefden.”

وڡالٮ الٮهود والٮصرى ٮحں اٮٮوا الله واحٮوه

5:18

Zeg: “Waarom legt Hij jullie dan pijn op voor jullie vergrijpen?

ڡل ڡلم ٮعدٮكم ٮدٮوٮكم

5:18

Jullie zijn veeleer stervelingen, onder hen die Hij geschapen heeft.

ٮل اٮٮم ٮسر ممں حلٯ

5:18

Hij vergeeft aan wie het Hem behaagt, en Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt.”

ٮعڡر لمں ٮسا وٮعدٮ مں ٮسا

En aan God behoort het koningschap van de hemelen en de aarde, en van wat tussen hen is,

ولله ملك السموٮ والارص وما ٮٮٮهما

en tot Hem is de bestemming.

والٮه المصٮر

5:19

O lieden van de Schrift! Onze gezant is gewis tot jullie gekomen, jullie verhelderend na een onderbreking van de gezanten, uit vrees dat jullie zeggen: “Geen aankondiger en geen waarschuwer is tot ons gekomen” – een aankondiger en een waarschuwer is dus wel tot jullie gekomen.

ٮاهل الكٮٮ ڡد حاكم رسولٮا ٮٮٮں لكم على ڡٮره مں الرسل اں ٮڡولوا ما حاٮا مں ٮسٮر ولا ٮدٮر ڡڡد حاكم ٮسٮر وٮدٮر

En God is tot alles in staat.

والله على كل سى ڡدٮر

5:20

En toen Moesa tot zijn volk zei: “O mijn volk! Herinner jullie de weldaad van God over jullie, toen Hij onder jullie berichtgevers plaatste, en koningen van jullie maakte,

واد ڡال موسى لڡومه ٮڡوم ادكروا ٮعمه الله علٮكم اد حعل ڡٮكم اٮٮٮا وحعلكم ملوكا

5:20

en jullie gegeven heeft wat Hij aan niemand anders onder alle wezens gegeven heeft.

واٮٮكم ما لم ٮوٮ احدا مں العلمٮں

O mijn volk! Treed binnen in het geheiligde land dat God jullie voorgeschreven heeft,

ٮڡوم ادحلوا الارص المڡدسه الٮى كٮٮ الله لكم

en wijk niet terug, anders zouden jullie als verliezers terugkeren.”

ولا ٮرٮدوا على ادٮاركم ڡٮٮڡلٮوا حسرٮں

5:22

Zij zeiden: “O Moesa! Er is daar gewis een volk van tirannen,

ڡالوا ٮموسى اں ڡٮها ڡوما حٮارٮں

en wij zullen er gewis niet binnengaan zolang zij er niet uit gegaan zijn;

واٮا لں ٮدحلها حٮى ٮحرحوا مٮها

als zij eruit gaan, dan zullen wij er binnengaan.”

ڡاں ٮحرحوا مٮها ڡاٮا دحلوں

Twee mannen, onder hen die vreesden, aan wie God Zijn weldaad had toegekend, zeiden: “Treed bij hen binnen door de poort;

ڡال رحلاں مں الدٮں ٮحاڡوں اٮعم الله علٮهما ادحلوا علٮهم الٮاٮ

zodra jullie daar binnengegaan zijn, zullen jullie gewis de overwinnaars zijn.

ڡادا دحلٮموه ڡاٮكم علٮوں

En het is aan God dat men lastgeving moet verlenen, als jullie gelovenden zijn.”

وعلى الله ڡٮوكلوا اں كٮٮم مومٮٮں

5:24

Zij zeiden: “O Moesa! Wij zullen er gewis nooit binnengaan, zolang zij daar zijn; ga dus, jij en je Voogd, vechten, jullie beiden; wij, wij blijven hier, zittend.”

ڡالوا ٮموسى اٮا لں ٮدحلها اٮدا ما داموا ڡٮها ڡادهٮ اٮٮ ورٮك ڡڡٮلا اٮا ههٮا ڡعدوں

5:25

Hij zei: “Mijn Voogd, ik bezit gewis geen macht dan over mijn eigen Zelf

ڡال رٮ اٮى لا املك الا ٮڡسى

en mijn broer;

واحى

scheid ons dus van het volk van de grensoverschrijders.”

ڡاڡرٯ ٮٮٮٮا وٮٮں الڡوم الڡسڡٮں

5:26

Hij zei: “Zij is hun dus voor altijd ontzegd,

ڡال ڡاٮها محرمه علٮهم

veertig jaar lang zullen zij verloren zijn op aarde.

ارٮعٮں سٮه ٮٮٮهوں ڡى الارص

Treur dus niet om het volk van de grensoverschrijders.”

ڡلا ٮاس على الڡوم الڡسڡٮں

5:27

En draag hun in alle waarheid het bericht van de twee zonen van Adam voor, toen zij elk een gave aanboden: zij werd aanvaard van de een, en niet aanvaard van de ander.

واٮل علٮهم ٮٮا اٮٮى ادم ٮالحٯ اد ڡرٮا ڡرٮاٮا ڡٮڡٮل مں احدهما ولم ٮٮڡٮل مں الاحر

5:27

Deze zei: “Ik zal je voorzeker doden.”

ڡال لاڡٮلٮك

5:27

De ander zei: “God aanvaardt slechts van hen die zich behoeden.

ڡال اٮما ٮٮڡٮل الله مں المٮڡٮں

5:28

Als jij je hand naar mij uitstrekt om mij te doden, zal ik mijn hand niet naar jou uitstrekken om jou te doden;

لٮں ٮسطٮ الى ٮدك لٮڡٮلٮى ما اٮا ٮٮاسط ٮدى الٮك لاڡٮلك

ik vrees gewis God, Voogd van alle wezens.

اٮى احاڡ الله رٮ العلمٮں

Ik wil dat jij terugkeert, beladen met mijn overtreding en de jouwe, en dat jij behoort tot de metgezellen van het Vuur:

اٮى ارٮد اں ٮٮوا ٮاٮمى واٮمك ڡٮكوں مں اصحٮ الٮار

dat is de vergelding van de onrechtvaardigen.”

ودلك حروا الطلمٮں

Maar zijn eigen Zelf stemde hem bereid tot de moord op zijn broer; hij doodde hem, en bevond zich zo onder de verliezers.

ڡطوعٮ له ٮڡسه ڡٮل احٮه ڡڡٮله ڡاصٮح مں الحسرٮں

God wekte toen een raaf op, die de aarde krabde, om hem te tonen hoe hij de naaktheid van zijn broer kon verhullen.

ڡٮعٮ الله عراٮا ٮٮحٮ ڡى الارص لٮرٮه كٮڡ ٮورى سوه احٮه

5:32

Hij zei: “Wee mij! Ben ik niet in staat te zijn zoals deze raaf, en de naaktheid van mijn broer te verhullen?” En hij bevond zich toen onder hen die spijt hebben.

ڡال ٮوٮلٮى اعحرٮ اں اكوں مٮل هدا العراٮ ڡاورى سوه احى ڡاصٮح مں الٮدمٮں مں احل دلك

5:32

Daarom hebben Wij de zonen van Israël voorgeschreven dat wie een Zelf doodt zonder dat het voor een ander Zelf is, of voor een bederf op aarde, het is alsof hij de mensen allen tezamen gedood heeft,

كٮٮٮا على ٮٮى اسرٮل اٮه مں ڡٮل ٮڡسا ٮعٮر ٮڡس او ڡساد ڡى الارص ڡكاٮما ڡٮل الٮاس حمٮعا

5:32

en wie er een laat leven, het is alsof hij de mensen allen tezamen heeft laten leven.

ومں احٮاها ڡكاٮما احٮا الٮاس حمٮعا

Onze gezanten zijn gewis tot hen gekomen met de duidelijke bewijzen; daarna zijn velen van hen, hierna, voorzeker buitensporigen op aarde.

ولڡد حاٮهم رسلٮا ٮالٮٮٮٮ ٮم اں كٮٮرا مٮهم ٮعد دلك ڡى الارص لمسرڡوں

De enige vergelding voor hen die oorlog voeren tegen God en Zijn gezant, en zich beijveren bederf op aarde te zaaien, is dat zij uitgemoord of gekruisigd worden, of dat hun handen en hun voeten afwisselend afgesneden worden, of dat zij van de aarde verjaagd worden.

اٮما حروا الدٮں ٮحارٮوں الله ورسوله وٮسعوں ڡى الارص ڡسادا اں ٮڡٮلوا او ٮصلٮوا او ٮڡطع اٮدٮهم وارحلهم مں حلڡ او ٮٮڡوا مں الارص

Dat is voor hen een schande hienieden,

دلك لهم حرى ڡى الدٮٮا

en zij zullen, in het laatste leven, een ontzaglijke pijn hebben – behalve zij die terugkeren voordat jullie macht over hen hebben; weet dan dat God Zeer Vergevensgezind, Welwillend is.

ولهم ڡى الاحره عداٮ عطٮم الا الدٮں ٮاٮوا مں ڡٮل اں ٮڡدروا علٮهم ڡاعلموا اں الله عڡور رحٮم

5:35

O jullie die geloofd hebben! Behoed jullie voor God, zoek tot Hem het middel tot nadering, en strijd op Zijn weg, misschien zullen jullie slagen.

ٮاٮها الدٮں امٮوا اٮڡوا الله واٮٮعوا الٮه الوسٮله وحهدوا ڡى سٮٮله لعلكم ٮڡلحوں

Gewis, zij die verloochenen, ook als zij alles bezaten wat op aarde is, en het equivalent ervan daarbij, om zich daarmee vrij te kopen van de pijn van de Dag van het Verschijnen, het zou niet van hen aanvaard worden,

اں الدٮں كڡروا لو اں لهم ما ڡى الارص حمٮعا ومٮله معه لٮڡٮدوا ٮه مں عداٮ ٮوم الڡٮمه ما ٮڡٮل مٮهم

en zij zullen een schrijnende pijn hebben.

ولهم عداٮ الٮم

Zij zullen uit het Vuur willen gaan, maar zij zullen er niet uit gaan,

ٮرٮدوں اں ٮحرحوا مں الٮار وما هم ٮحرحٮں مٮها

en zij zullen een pijn hebben die zich handhaaft.

ولهم عداٮ مڡٮم

5:38

En wat de dief en de dievegge betreft, onderbreek hun steunen, ter vergelding van wat zij verworven hebben, als afschrikwekkend voorbeeld van God.

والسارٯ والسارڡه ڡاڡطعوا اٮدٮهما حرا ٮما كسٮا ٮكلا مں الله

God is Almachtig, Wijs.

والله عرٮر حكٮم

Maar wie terugkeert na zijn onrecht, en zich saneert, tot hem keert God met mildheid terug.

ڡمں ٮاٮ مں ٮعد طلمه واصلح ڡاں الله ٮٮوٮ علٮه

God is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.

اں الله عڡور رحٮم

Weet jij niet dat aan God het koningschap van de hemelen en de aarde behoort?

الم ٮعلم اں الله له ملك السموٮ والارص

Hij legt pijn op aan wie het Hem behaagt, en Hij vergeeft aan wie het Hem behaagt.

ٮعدٮ مں ٮسا وٮعڡر لمں ٮسا

En God is tot alles in staat.

والله على كل سى ڡدٮر

5:41

O gezant! Laten zij die zich haasten in de verloochening jou niet bedroeven, onder hen die zeggen: “Wij hebben geloofd” met hun monden, zonder dat hun kernen geloofd hebben,

ٮاٮها الرسول لا ٮحرٮك الدٮں ٮسرعوں ڡى الكڡر مں الدٮں ڡالوا امٮا ٮاڡوههم ولم ٮومں ڡلوٮهم

noch onder de Geheroriënteerden, luisterend naar de leugen, luisterend ten behoeve van een ander volk dat niet tot jou gekomen is.

ومں الدٮں هادوا سمعوں للكدٮ سمعوں لڡوم احرٮں لم ٮاٮوك

Zij verwringen de woorden nadat deze op hun plaats gesteld zijn, zeggend: “Als men jullie dit geeft, neem het; en als men het jullie niet geeft, wees op jullie hoede.”

ٮحرڡوں الكلم مں ٮعد مواصعه ٮڡولوں اں اوٮٮٮم هدا ڡحدوه واں لم ٮوٮوه ڡاحدروا

En wie God op de proef wil stellen, voor hem bezit jij niets tegenover God.

ومں ٮرد الله ڡٮٮٮه ڡلں ٮملك له مں الله سٮا

Dat zijn zij van wie God de kernen niet heeft willen reinigen.

اولٮك الدٮں لم ٮرد الله اں ٮطهر ڡلوٮهم

Zij hebben, hienieden, een schande,

لهم ڡى الدٮٮا حرى

en zij zullen, in het laatste leven, een ontzaglijke pijn hebben.

ولهم ڡى الاحره عداٮ عطٮم

5:42

Luisterend naar de leugen, verslinders van verboden gewin –

سمعوں للكدٮ اكلوں للسحٮ

als zij tot jou komen, oordeel dan tussen hen, of onttrek je aan hen;

ڡاں حاوك ڡاحكم ٮٮٮهم او اعرص عٮهم

en als jij je aan hen onttrekt, zullen zij jou in niets kunnen schaden.

واں ٮعرص عٮهم ڡلں ٮصروك سٮا

En als jij oordeelt, oordeel dan tussen hen met billijkheid:

واں حكمٮ ڡاحكم ٮٮٮهم ٮالڡسط

God houdt gewis van de billijken.

اں الله ٮحٮ المڡسطٮں

En hoe zouden zij jou tot rechter nemen, terwijl zij de Taurah hebben, waarin het oordeel van God staat, en zij daarna de rug toekeren?

وكٮڡ ٮحكموٮك وعٮدهم الٮورٮه ڡٮها حكم الله ٮم ٮٮولوں مں ٮعد دلك

Dat zijn geen gelovenden.

وما اولٮك ٮالمومٮٮں

5:44

Wij hebben de Taurah doen neerdalen, waarin leiding en licht zijn; de berichtgevers, die integer waren tegenover God, oordeelden erdoor over de Geheroriënteerden, zoals de geestelijke meesters en de rabbijnen deden, volgens wat zij van de Schrift van God te bewaren hadden, en zij waren er getuigen van.

اٮا اٮرلٮا الٮورٮه ڡٮها هدى وٮور ٮحكم ٮها الٮٮٮوں الدٮں اسلموا للدٮں هادوا والرٮٮٮوں والاحٮار ٮما اسٮحڡطوا مں كٮٮ الله وكاٮوا علٮه سهدا

Ducht de mensen dus niet, maar ducht Mij,

ڡلا ٮحسوا الٮاس واحسوں

5:44

en koop niet, met Mijn tekenen, een schamele prijs.

ولا ٮسٮروا ٮاٮٮى ٮمٮا ڡلٮلا

5:44

En zij die niet oordelen naar wat God heeft doen neerdalen – dat zijn zij die verloochenen.

ومں لم ٮحكم ٮما اٮرل الله ڡاولٮك هم الكڡروں

5:45

En Wij hebben voor hen daarin voorgeschreven: het Zelf in ruil voor het Zelf, het oog in ruil voor het oog, de neus in ruil voor de neus, het oor in ruil voor het oor, de tand in ruil voor de tand, en voor de wonden, een onderzoek.

وكٮٮٮا علٮهم ڡٮها اں الٮڡس ٮالٮڡس والعٮں ٮالعٮں والاٮڡ ٮالاٮڡ والادں ٮالادں والسں ٮالسں والحروح ڡصاص

Maar wie er uit liefdadigheid afstand van doet, dat geldt voor hem als boetedoening.

ڡمں ٮصدٯ ٮه ڡهو كڡاره له

5:45

En zij die niet oordelen naar wat God heeft doen neerdalen – dat zijn de onrechtvaardigen.

ومں لم ٮحكم ٮما اٮرل الله ڡاولٮك هم الطلموں

5:46

En Wij hebben Isa, zoon van Marjam, op hun sporen laten volgen, bevestigend wat van de Taurah hem voorafging,

وڡڡٮٮا على اٮرهم ٮعٮسى اٮں مرٮم مصدڡا لما ٮٮں ٮدٮه مں الٮورٮه

en Wij gaven hem de Indjil, waarin leiding en licht zijn, bevestigend wat van de Taurah hem voorafging, en leiding en vermaning voor hen die zich behoeden.

واٮٮٮه الاٮحٮل ڡٮه هدى وٮور ومصدڡا لما ٮٮں ٮدٮه مں الٮورٮه وهدى وموعطه للمٮڡٮں

5:47

En opdat de lieden van de Indjil oordelen naar wat God daarin heeft doen neerdalen.

ولٮحكم اهل الاٮحٮل ٮما اٮرل الله ڡٮه

5:47

En zij die niet oordelen naar wat God heeft doen neerdalen – dat zijn de grensoverschrijders.

ومں لم ٮحكم ٮما اٮرل الله ڡاولٮك هم الڡسڡوں

5:48

En Wij hebben de Schrift naar jou doen neerdalen, in alle waarheid, bevestigend wat van de Schrift haar voorafging, en overheersend over haar.

واٮرلٮا الٮك الكٮٮ ٮالحٯ مصدڡا لما ٮٮں ٮدٮه مں الكٮٮ ومهٮمٮا علٮه

Oordeel dus tussen hen naar wat God heeft doen neerdalen,

ڡاحكم ٮٮٮهم ٮما اٮرل الله

en volg hun emoties niet, weg van wat tot jou gekomen is van de waarheid.

ولا ٮٮٮع اهواهم عما حاك مں الحٯ

5:48

Aan ieder van jullie hebben Wij een wet en een weg toegewezen.

لكل حعلٮا مٮكم سرعه ومٮهاحا

5:48

En als het God behaagd had, had Hij van jullie één enkele gemeenschap gemaakt;

ولو سا الله لحعلكم امه وحده

5:48

maar om jullie te beproeven in wat Hij jullie gegeven heeft.

ولكں لٮٮلوكم ڡى ما اٮٮكم

5:48

Wedijver dus met elkaar in het voortreffelijkste.

ڡاسٮٮڡوا الحٮرٮ

Naar God zal de terugkeer van jullie allen zijn, en Hij zal jullie berichten over waarin jullie uiteenliepen.

الى الله مرحعكم حمٮعا ڡٮٮٮٮكم ٮما كٮٮم ڡٮه ٮحٮلڡوں

En: oordeel tussen hen naar wat God heeft doen neerdalen,

واں احكم ٮٮٮهم ٮما اٮرل الله

en volg hun emoties niet,

ولا ٮٮٮع اهواهم

en wees waakzaam tegenover hen, uit vrees dat zij jou, door de beproeving, afbrengen van een deel van wat God naar jou heeft doen neerdalen.

واحدرهم اں ٮڡٮٮوك عں ٮعص ما اٮرل الله الٮك

En als zij de rug toekeren, weet dan dat God slechts het gevolg van een deel van hun vergrijpen over hen wil laten komen.

ڡاں ٮولوا ڡاعلم اٮما ٮرٮد الله اں ٮصٮٮهم ٮٮعص دٮوٮهم

En velen van de mensen zijn voorzeker grensoverschrijders.

واں كٮٮرا مں الٮاس لڡسڡوں

Zoeken zij dan het oordeel van het tijdperk van de onwetendheid?

اڡحكم الحهلٮه ٮٮعوں

En wie oordeelt beter dan God, voor een volk dat zekerheid heeft?

ومں احسں مں الله حكما لڡوم ٮوڡٮوں

O jullie die geloofd hebben! Neem de Geheroriënteerden en de Helpers niet tot bondgenoten:

ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮٮحدوا الٮهود والٮصرى اولٮا

5:51

zij zijn elkaars bondgenoten.

ٮعصهم اولٮا ٮعص

En wie van jullie hen tot bondgenoten neemt, is dan een van hen.

ومں ٮٮولهم مٮكم ڡاٮه مٮهم

God leidt gewis het onrechtvaardige volk niet.

اں الله لا ٮهدى الڡوم الطلمٮں

Jij ziet hen van wie de kernen een ziekte dragen zich onder hen haasten, zeggend: “Wij duchten dat een tegenslag ons overkomt”;

ڡٮرى الدٮں ڡى ڡلوٮهم مرص ٮسرعوں ڡٮهم ٮڡولوں ٮحسى اں ٮصٮٮٮا داٮره

het kan dan zijn dat God de opening laat komen, of een bevel van Zijn kant, en dat zij zich, om wat zij in zichzelf geheimhielden, vol spijt bevinden.

ڡعسى الله اں ٮاٮى ٮالڡٮح او امر مں عٮده ڡٮصٮحوا على ما اسروا ڡى اٮڡسهم ٮدمٮں

En zij die geloofd hebben zullen zeggen: “Zijn dit degenen die bij God zwoeren, met alle kracht van hun eden, voorzeker met jullie te zijn?” Hun werken zijn ingestort, en zij hebben zich als verliezers bevonden.

وٮڡول الدٮں امٮوا اهولا الدٮں اڡسموا ٮالله حهد اٮمٮهم اٮهم لمعكم حٮطٮ اعملهم ڡاصٮحوا حسرٮں

5:54

O jullie die geloofd hebben! Wie van jullie afstand doet van zijn Wet – God zal een volk doen komen waarvan Hij houdt en dat van Hem houdt, zich vernederend tegenover de gelovenden, machtig tegenover hen die verloochenen, strijdend op de weg van God, en niet vrezend gelaakt te worden door wie ook laakt.

ٮاٮها الدٮں امٮوا مں ٮرٮد مٮكم عں دٮٮه ڡسوڡ ٮاٮى الله ٮڡوم ٮحٮهم وٮحٮوٮه ادله على المومٮٮں اعره على الكڡرٮں ٮحهدوں ڡى سٮٮل الله ولا ٮحاڡوں لومه لاٮم

Dat is de gunst van God, die Hij verleent aan wie het Hem behaagt.

دلك ڡصل الله ٮوٮٮه مں ٮسا

God is Veelomvattend, Alwetend.

والله وسع علٮم

Jullie beschermer is slechts God, en Zijn gezant, en zij die geloofd hebben, zij die het Contact onderhouden en de zuivere vrijgevigheid geven, terwijl zij knielen.

اٮما ولٮكم الله ورسوله والدٮں امٮوا الدٮں ٮڡٮموں الصلوه وٮوٮوں الركوه وهم ركعوں

En wie God, Zijn gezant, en hen die geloofd hebben tot bondgenoot neemt – de partij van God, dat zijn de overwinnaars.

ومں ٮٮول الله ورسوله والدٮں امٮوا ڡاں حرٮ الله هم العلٮوں

5:57

O jullie die geloofd hebben! Neem niet tot bondgenoten hen die van jullie Wet een voorwerp van hoon en een spel gemaakt hebben, onder hen aan wie vóór jullie de Schrift gegeven is, en hen die verloochenen.

ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮٮحدوا الدٮں اٮحدوا دٮٮكم هروا ولعٮا مں الدٮں اوٮوا الكٮٮ مں ڡٮلكم والكڡار اولٮا

En behoed jullie voor God, als jullie gelovenden zijn.

واٮڡوا الله اں كٮٮم مومٮٮں

En wanneer jullie tot het Contact roepen, nemen zij het tot voorwerp van hoon en spel:

وادا ٮادٮٮم الى الصلوه اٮحدوها هروا ولعٮا

dat, omdat zij een volk zijn dat niet redeneert.

دلك ٮاٮهم ڡوم لا ٮعڡلوں

5:59

Zeg: “O lieden van de Schrift! Nemen jullie ons iets anders kwalijk dan dat wij in God geloofd hebben, in wat naar ons neergedaald is, en in wat eerder neergedaald is, en dat de meesten van jullie grensoverschrijders zijn?”

ڡل ٮاهل الكٮٮ هل ٮٮڡموں مٮا الا اں امٮا ٮالله وما اٮرل الٮٮا وما اٮرل مں ڡٮل واں اكٮركم ڡسڡوں

5:60

Zeg: “Zal ik jullie berichten over een tegenprestatie die erger is dan dat, bij God? Wie God vervloekt heeft, tegen wie Hij Zich in toorn ontstoken heeft, en van wie Hij apen en zwijnen gemaakt heeft, en hij die de Mateloze gehoorzaamd heeft –

ڡل هل اٮٮٮكم ٮسر مں دلك مٮوٮه عٮد الله مں لعٮه الله وعصٮ علٮه وحعل مٮهم الڡرده والحٮارٮر وعٮد الطعوٮ

dezen hebben de ergste plaats, en zijn het meest gedwaald van de rechte weg.”

اولٮك سر مكاٮا واصل عں سوا السٮٮل

En wanneer zij tot jullie komen, zeggen zij: “Wij hebben geloofd” – terwijl zij binnengekomen zijn met de verloochening, en ermee uitgegaan zijn.

وادا حاوكم ڡالوا امٮا وڡد دحلوا ٮالكڡر وهم ڡد حرحوا ٮه

God weet het best wat zij verzwegen.

والله اعلم ٮما كاٮوا ٮكٮموں

5:62

En jij ziet velen van hen zich haasten in de overtreding, de vijandigheid, en het verbruik van het verboden gewin.

وٮرى كٮٮرا مٮهم ٮسرعوں ڡى الاٮم والعدوں واكلهم السحٮ

Hoe afschuwelijk is wat zij deden!

لٮٮس ما كاٮوا ٮعملوں

5:63

Waarom verbieden de geestelijke meesters en de rabbijnen hun niet overtredende uitspraken te doen en het verboden gewin te verbruiken!

لولا ٮٮهٮهم الرٮٮٮوں والاحٮار عں ڡولهم الاٮم واكلهم السحٮ

Hoe afschuwelijk is wat zij deden!

لٮٮس ما كاٮوا ٮصٮعوں

5:64

En de Geheroriënteerden hebben gezegd: “De hand van God is geboeid.”

وڡالٮ الٮهود ٮد الله معلوله

5:64

Laten hun handen geboeid zijn, en laten zij vervloekt zijn om wat zij gezegd hebben!

علٮ اٮدٮهم ولعٮوا ٮما ڡالوا

5:64

Nee, Zijn beide handen zijn wijd open: Hij geeft uit zoals het Hem behaagt.

ٮل ٮداه مٮسوطٮاں ٮٮڡٯ كٮڡ ٮسا

En wat naar jou neergedaald is van je Voogd, zal bij velen van hen voorzeker de mateloosheid en de verloochening doen toenemen.

ولٮرٮدں كٮٮرا مٮهم ما اٮرل الٮك مں رٮك طعٮٮا وكڡرا

En Wij hebben tussen hen de vijandigheid en de haat geworpen, tot de Dag van het Verschijnen.

والڡٮٮا ٮٮٮهم العدوه والٮعصا الى ٮوم الڡٮمه

Telkens wanneer zij een vuur voor de oorlog ontsteken, dooft God het,

كلما اوڡدوا ٮارا للحرٮ اطڡاها الله

en zij beijveren zich bederf op aarde te zaaien.

وٮسعوں ڡى الارص ڡسادا

God houdt niet van de bedervers.

والله لا ٮحٮ المڡسدٮں

5:65

En als de lieden van de Schrift geloofd hadden en zich behoed hadden, zouden Wij gewis hun slechte daden bedekt hebben, en Wij zouden hen gewis hebben doen binnengaan in de tuinen van de weldaad.

ولو اں اهل الكٮٮ امٮوا واٮڡوا لكڡرٮا عٮهم سٮاٮهم ولادحلٮهم حٮٮ الٮعٮم

5:66

En als zij de Taurah, de Indjil, en wat hun van hun Voogd neergedaald is onderhouden hadden, zouden zij gewis gegeten hebben van wat boven hen is en van wat onder hun voeten is.

ولو اٮهم اڡاموا الٮورٮه والاٮحٮل وما اٮرل الٮهم مں رٮهم لاكلوا مں ڡوڡهم ومں ٮحٮ ارحلهم

5:66

Onder hen is er een gematigde gemeenschap,

مٮهم امه مڡٮصده

5:66

maar velen van hen, hoe slecht is wat zij doen!

وكٮٮر مٮهم سا ما ٮعملوں

5:67

O gezant! Breng over wat naar jou neergedaald is van je Voogd,

ٮاٮها الرسول ٮلع ما اٮرل الٮك مں رٮك

5:67

en als jij het niet doet, zul jij Zijn boodschap niet hebben overgebracht.

واں لم ٮڡعل ڡما ٮلعٮ رسالٮه

5:67

God vrijwaart jou van de mensen.

والله ٮعصمك مں الٮاس

God leidt gewis het volk dat verloochent niet.

اں الله لا ٮهدى الڡوم الكڡرٮں

5:68

Zeg: “O lieden van de Schrift! Jullie steunen op niets, zolang jullie de Taurah, de Indjil, en wat naar jullie neergedaald is van jullie Voogd niet onderhouden.”

ڡل ٮاهل الكٮٮ لسٮم على سى حٮى ٮڡٮموا الٮورٮه والاٮحٮل وما اٮرل الٮكم مں رٮكم

En wat naar jou neergedaald is van je Voogd, zal bij velen van hen voorzeker de mateloosheid en de verloochening doen toenemen.

ولٮرٮدں كٮٮرا مٮهم ما اٮرل الٮك مں رٮك طعٮٮا وكڡرا

Treur dus niet om het volk dat verloochent.

ڡلا ٮاس على الڡوم الكڡرٮں

5:69

Gewis, zij die geloofd hebben, de Geheroriënteerden, de Aspiranten en de Helpers – wie in God geloofd heeft en in de Laatste Dag, en het deugdelijke werk verricht heeft, geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.

اں الدٮں امٮوا والدٮں هادوا والصٮوں والٮصرى مں امں ٮالله والٮوم الاحر وعمل صلحا ڡلا حوڡ علٮهم ولا هم ٮحرٮوں

Wij hebben gewis de plechtige verbintenis van de zonen van Israël afgenomen, en Wij hebben hun gezanten gezonden.

لڡد احدٮا مٮٮٯ ٮٮى اسرٮل وارسلٮا الٮهم رسلا

Telkens wanneer een gezant hun bracht waartoe hun Zelf niet neigde, ontkenden zij een deel ervan, en een ander deel doodden zij.

كلما حاهم رسول ٮما لا ٮهوى اٮڡسهم ڡرٮڡا كدٮوا وڡرٮڡا ٮڡٮلوں

En zij dachten dat er geen beproeving zou zijn; zij werden toen blind en doof; daarna keerde God met mildheid tot hen terug; daarna, opnieuw, werden zij blind en doof,

وحسٮوا الا ٮكوں ڡٮٮه ڡعموا وصموا ٮم ٮاٮ الله علٮهم ٮم عموا وصموا

velen van hen.

كٮٮر مٮهم

God is Alziend over wat zij doen.

والله ٮصٮر ٮما ٮعملوں

5:72

Zij hebben gewis verloochend, zij die gezegd hebben: “God, dat is Al-Masih, zoon van Marjam.”

لڡد كڡر الدٮں ڡالوا اں الله هو المسٮح اٮں مرٮم

En Al-Masih zei: “O zonen van Israël! Gehoorzaam God, mijn Voogd en jullie Voogd.

وڡال المسٮح ٮٮٮى اسرٮل اعٮدوا الله رٮى ورٮكم

Wie met God associeert, God ontzegt hem gewis de Tuin, en zijn toevlucht zal het Vuur zijn.”

اٮه مں ٮسرك ٮالله ڡڡد حرم الله علٮه الحٮه وماوٮه الٮار

En de onrechtvaardigen hebben geen enkele hulp.

وما للطلمٮں مں اٮصار

Zij hebben gewis verloochend, zij die gezegd hebben: “God is de derde van drie.”

لڡد كڡر الدٮں ڡالوا اں الله ٮالٮ ٮلٮه

Terwijl er geen godheid is behalve een enige godheid.

وما مں اله الا اله وحد

En als zij niet ophouden met wat zij zeggen, zal een schrijnende pijn voorzeker hen treffen die onder hen verloochend hebben.

واں لم ٮٮٮهوا عما ٮڡولوں لٮمسں الدٮں كڡروا مٮهم عداٮ الٮم

Zullen zij dan niet tot God terugkeren, en Zijn vergeving niet afsmeken?

اڡلا ٮٮوٮوں الى الله وٮسٮعڡروٮه

En God is Zeer Vergevensgezind, Welwillend.

والله عڡور رحٮم

5:75

Al-Masih, zoon van Marjam, is slechts een gezant; gezanten zijn gewis vóór hem voorbijgegaan,

ما المسٮح اٮں مرٮم الا رسول ڡد حلٮ مں ڡٮله الرسل

5:75

en zijn moeder was een waarachtige vrouw;

وامه صدٮڡه

5:75

beiden aten voedsel.

كاٮا ٮاكلاں الطعام

5:75

Kijk hoe Wij hun de tekenen detailleren, en kijk dan hoe zij van het spoor gebracht worden!

اٮطر كٮڡ ٮٮٮں لهم الاٮٮ ٮم اٮطر اٮى ٮوڡكوں

Zeg: “Gehoorzamen jullie, buiten God, aan wat voor jullie noch schade noch baat bezit?

ڡل اٮعٮدوں مں دوں الله ما لا ٮملك لكم صرا ولا ٮڡعا

Terwijl God de Alhorende, de Alwetende is.”

والله هو السمٮع العلٮم

5:77

Zeg: “O lieden van de Schrift! Overdrijf niet in jullie Wet, voorbij de waarheid,

ڡل ٮاهل الكٮٮ لا ٮعلوا ڡى دٮٮكم عٮر الحٯ

en volg de emoties niet van een volk dat reeds gedwaald heeft, velen heeft doen dwalen, en gedwaald heeft van de rechte weg.”

ولا ٮٮٮعوا اهوا ڡوم ڡد صلوا مں ڡٮل واصلوا كٮٮرا وصلوا عں سوا السٮٮل

5:78

Vervloekt zijn zij van de zonen van Israël die verloochend hebben, door de tong van Dawoed en van Isa, zoon van Marjam.

لعں الدٮں كڡروا مں ٮٮى اسرٮل على لساں داود وعٮسى اٮں مرٮم

Dat is omdat zij ongehoorzaam zijn geweest en de grenzen overschreden hebben.

دلك ٮما عصوا وكاٮوا ٮعٮدوں

Zij verboden elkaar niet een afgekeurde daad die zij pleegden:

كاٮوا لا ٮٮٮاهوں عں مٮكر ڡعلوه

hoe afschuwelijk is wat zij deden!

لٮٮس ما كاٮوا ٮڡعلوں

Jij ziet velen van hen zich als bondgenoot verbinden met hen die verloochenen:

ٮرى كٮٮرا مٮهم ٮٮولوں الدٮں كڡروا

hoe afschuwelijk is wat hun Zelf voor hen vooruitgestuurd heeft! God heeft Zich tegen hen vertoornd, en zij blijven eeuwig in de pijn.

لٮٮس ما ڡدمٮ لهم اٮڡسهم اں سحط الله علٮهم وڡى العداٮ هم حلدوں

En als zij in God geloofden, in de Berichtgever, en in wat naar hem neergedaald is, zouden zij hen niet tot bondgenoten genomen hebben;

ولو كاٮوا ٮومٮوں ٮالله والٮٮى وما اٮرل الٮه ما اٮحدوهم اولٮا

maar velen van hen zijn grensoverschrijders.

ولكں كٮٮرا مٮهم ڡسڡوں

5:82

Jij zult voorzeker vinden dat, onder de mensen, de meest vijandige jegens hen die geloofd hebben de Geheroriënteerden zijn en zij die geassocieerd hebben,

لٮحدں اسد الٮاس عدوه للدٮں امٮوا الٮهود والدٮں اسركوا

5:82

en jij zult voorzeker vinden dat de naaste in genegenheid jegens hen die geloofd hebben zij zijn die zeggen: “Wij zijn gewis de Helpers.”

ولٮحدں اڡرٮهم موده للدٮں امٮوا الدٮں ڡالوا اٮا ٮصرى

5:82

Dat is omdat er onder hen priesters en monniken zijn, en omdat zij niet opzwellen van hoogmoed.

دلك ٮاں مٮهم ڡسٮسٮں ورهٮاٮا واٮهم لا ٮسٮكٮروں

5:83

En wanneer zij horen wat naar de gezant neergedaald is, zie jij hun ogen overlopen van tranen, omdat zij de waarheid erkend hebben; zij zeggen: “Onze Voogd, wij hebben geloofd; schrijf ons dus in onder de getuigen.

وادا سمعوا ما اٮرل الى الرسول ٮرى اعٮٮهم ٮڡٮص مں الدمع مما عرڡوا مں الحٯ ٮڡولوں رٮٮا امٮا ڡاكٮٮٮا مع السهدٮں

En wat hebben wij dat wij niet in God zouden geloven, en in wat tot ons gekomen is van de waarheid, terwijl wij ernaar streven dat onze Voogd ons doet binnengaan met het deugdelijke volk?”

وما لٮا لا ٮومں ٮالله وما حاٮا مں الحٯ وٮطمع اں ٮدحلٮا رٮٮا مع الڡوم الصلحٮں

God heeft hun toen als tegenprestatie, voor wat zij gezegd hebben, tuinen gegeven waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven.

ڡاٮٮهم الله ٮما ڡالوا حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها

En dat is de vergelding van hen die het goede doen.

ودلك حرا المحسٮٮں

En zij die verloochend hebben en Onze tekenen ontkend hebben – dat zijn de metgezellen van de Gloeioven.

والدٮں كڡروا وكدٮوا ٮاٮٮٮا اولٮك اصحٮ الححٮم

5:87

O jullie die geloofd hebben! Beschouw de goede dingen die God jullie geoorloofd heeft gemaakt niet als ontzegd, en overschrijd de grenzen niet:

ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮحرموا طٮٮٮ ما احل الله لكم ولا ٮعٮدوا

5:87

God houdt gewis niet van hen die de grenzen overschrijden.

اں الله لا ٮحٮ المعٮدٮں

5:88

En eet van datgene waarvan God jullie voorzien heeft, van wat geoorloofd en goed is,

وكلوا مما ررڡكم الله حللا طٮٮا

en behoed jullie voor God, in wie jullie geloven.

واٮڡوا الله الدى اٮٮم ٮه مومٮوں

God zal jullie niet grijpen om de nietigheid in jullie eden,

لا ٮواحدكم الله ٮاللعو ڡى اٮمٮكم

maar Hij zal jullie grijpen voor de eden die jullie stevig gesloten hebben.

ولكں ٮواحدكم ٮما عڡدٮم الاٮمں

5:89

De boetedoening ervoor is tien behoeftigen te voeden, van het voortreffelijkste voedsel waarmee jullie jullie families voeden, of hen te kleden, of een door een schuld gebonden persoon zijn onafhankelijkheid terug te geven;

ڡكڡرٮه اطعام عسره مسكٮں مں اوسط ما ٮطعموں اهلٮكم او كسوٮهم او ٮحرٮر رڡٮه

en wie er de middelen niet voor vindt, dan een onthouding van drie dagen.

ڡمں لم ٮحد ڡصٮام ٮلٮه اٮام

Dat is de boetedoening voor jullie eden, wanneer jullie een eed zweren.

دلك كڡره اٮمٮكم ادا حلڡٮم

En bewaar jullie eden.

واحڡطوا اٮمٮكم

Zo maakt God voor jullie Zijn tekenen duidelijk, misschien zullen jullie dankbaar zijn.

كدلك ٮٮٮں الله لكم اٮٮه لعلكم ٮسكروں

5:90

O jullie die geloofd hebben! De combinatie van wijn en kansspel, alsook de verdeling van gemeenschappelijke goederen door het lot, zijn niets dan slijk, werk van de Afleider; mijd ze dus, misschien zullen jullie slagen.

ٮاٮها الدٮں امٮوا اٮما الحمر والمٮسر والاٮصاٮ والارلم رحس مں عمل السٮطں ڡاحٮٮٮوه لعلكم ٮڡلحوں

5:91

De Afleider wil slechts, onder jullie, door wijn en kansspel, de vijandigheid en de haat werpen, en jullie de toegang tot de herinnering aan God en tot het Contact versperren.

اٮما ٮرٮد السٮطں اں ٮوڡع ٮٮٮكم العدوه والٮعصا ڡى الحمر والمٮسر وٮصدكم عں دكر الله وعں الصلوه

Zullen jullie dus ophouden?

ڡهل اٮٮم مٮٮهوں

En voeg jullie naar God, en voeg jullie naar de gezant, en wees waakzaam.

واطٮعوا الله واطٮعوا الرسول واحدروا

Maar als jullie de rug toekeren, weet dan dat op Onze gezant slechts de uitdrukkelijke overbrenging rust.

ڡاں ٮولٮٮم ڡاعلموا اٮما على رسولٮا الٮلع المٮٮں

5:93

Geen verwijt tegen hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken verricht hebben, om wat zij gegeten hebben, voor zover zij zich behoed hebben, geloofd hebben, en de deugdelijke werken verricht hebben, daarna zich behoed hebben en geloofd hebben, daarna zich behoed hebben en goed gehandeld hebben.

لٮس على الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ حٮاح ڡٮما طعموا ادا ما اٮڡوا وامٮوا وعملوا الصلحٮ ٮم اٮڡوا وامٮوا ٮم اٮڡوا واحسٮوا

God houdt van hen die het goede doen.

والله ٮحٮ المحسٮٮں

5:94

O jullie die geloofd hebben! God zal jullie voorzeker beproeven met enig wild dat in jullie handen en op jullie speren valt, opdat God onderscheidt wie Hem vreest hoewel Hij zijn zintuigen ontgaat.

ٮاٮها الدٮں امٮوا لٮٮلوٮكم الله ٮسى مں الصٮد ٮٮاله اٮدٮكم ورماحكم لٮعلم الله مں ٮحاڡه ٮالعٮٮ

Wie hierna de grenzen overschrijdt, zal een schrijnende pijn hebben.

ڡمں اعٮدى ٮعد دلك ڡله عداٮ الٮم

O jullie die geloofd hebben! Dood geen wild tijdens de onschendbare maanden.

ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮڡٮلوا الصٮد واٮٮم حرم

5:95

En wie van jullie het opzettelijk doodt, een gelijkwaardige vergelding in vee, waarover twee rechtvaardigen onder jullie zullen oordelen, als gave die de Ka'ba bereikt, of een boetedoening bestaande uit het voeden van behoeftigen, of het equivalent daarvan in onthouding, opdat hij de funeste gevolgen van zijn gedrag proeft.

ومں ڡٮله مٮكم مٮعمدا ڡحرا مٮل ما ڡٮل مں الٮعم ٮحكم ٮه دوا عدل مٮكم هدٮا ٮلع الكعٮه او كڡره طعام مسكٮں او عدل دلك صٮاما لٮدوٯ وٮال امره

God heeft wat voorbij is kwijtgescholden;

عڡا الله عما سلڡ

maar wie recidiveert, God zal Zich op hem wreken.

ومں عاد ڡٮٮٮڡم الله مٮه

God is Almachtig, houder van de wraak.

والله عرٮر دو اٮٮڡام

Geoorloofd gemaakt is voor jullie de jacht van de zee en haar voedsel,

احل لكم صٮد الٮحر وطعامه

als genieting voor jullie en voor de konvooien;

مٮعا لكم وللسٮاره

maar de jacht van het vasteland is jullie ontzegd zolang de onschendbare maanden duren.

وحرم علٮكم صٮد الٮر ما دمٮم حرما

En behoed jullie voor God, naar wie jullie verzameld zullen worden.

واٮڡوا الله الدى الٮه ٮحسروں

5:97

God heeft van de Ka'ba, het onschendbare Huis, een onderhoud voor de mensen gemaakt, alsook van de onschendbare maand, de vrijwillige gaven, en de krachtens gelofte verschuldigde giften.

حعل الله الكعٮه الٮٮٮ الحرام ڡٮما للٮاس والسهر الحرام والهدى والڡلٮد

Dit, opdat jullie weten dat God weet wat in de hemelen is en wat op aarde is, en dat God Alwetend is over alles.

دلك لٮعلموا اں الله ٮعلم ما ڡى السموٮ وما ڡى الارص واں الله ٮكل سى علٮم

Weet dat God streng is in de sanctie, en dat God Zeer Vergevensgezind, Welwillend is.

اعلموا اں الله سدٮد العڡاٮ واں الله عڡور رحٮم

Op de gezant rust slechts de overbrenging.

ما على الرسول الا الٮلع

God weet wat jullie zichtbaar maken en wat jullie verzwijgen.

والله ٮعلم ما ٮٮدوں وما ٮكٮموں

5:100

Zeg: “Het snode en het goede zijn niet gelijk, ook al verblindt de overvloed van het snode jou.”

ڡل لا ٮسٮوى الحٮٮٮ والطٮٮ ولو اعحٮك كٮره الحٮٮٮ

Behoed jullie dus voor God, o houders van intelligentie, misschien zullen jullie slagen.

ڡاٮڡوا الله ٮاولى الالٮٮ لعلكم ٮڡلحوں

5:101

O jullie die geloofd hebben! Stel geen vragen over dingen die jullie zouden mishagen als zij jullie verschenen.

ٮاٮها الدٮں امٮوا لا ٮسلوا عں اسٮا اں ٮٮد لكم ٮسوكم

5:101

En als jullie ze stellen terwijl deze Lezing neerdaalt, zullen zij jullie verschijnen. God heeft dat kwijtgescholden.

واں ٮسلوا عٮها حٮں ٮٮرل الڡراں ٮٮد لكم عڡا الله عٮها

5:101

God is Zeer Vergevensgezind, Lankmoedig.

والله عڡور حلٮم

5:102

Een volk vóór jullie heeft ze gesteld, en is er daarna een volk door geworden dat verloochent.

ڡد سالها ڡوم مں ڡٮلكم ٮم اصٮحوا ٮها كڡرٮں

5:103

God heeft geen bahira ingesteld, geen sa'iba, geen wasila, geen ham,

ما حعل الله مں ٮحٮره ولا ساٮٮه ولا وصٮله ولا حام

maar zij die verloochenen verzinnen de leugen tegen God, en de meesten van hen redeneren niet.

ولكں الدٮں كڡروا ٮڡٮروں على الله الكدٮ واكٮرهم لا ٮعڡلوں

En wanneer tot hen gezegd wordt: “Kom tot wat God heeft doen neerdalen, en tot de gezant”, zeggen zij: “Ons volstaat datgene waarbij wij onze voorouders aangetroffen hebben.”

وادا ڡٮل لهم ٮعالوا الى ما اٮرل الله والى الرسول ڡالوا حسٮٮا ما وحدٮا علٮه اٮاٮا

Wat! Zelfs als hun voorouders niets wisten en zich niet lieten leiden?

اولو كاں اٮاوهم لا ٮعلموں سٮا ولا ٮهٮدوں

5:105

O jullie die geloofd hebben! Zorg voor jullie zelf:

ٮاٮها الدٮں امٮوا علٮكم اٮڡسكم

5:105

wie dwaalt kan jullie niet schaden, zolang jullie je laten leiden.

لا ٮصركم مں صل ادا اهٮدٮٮم

Naar God zal de terugkeer van jullie allen zijn, en Hij zal jullie berichten over wat jullie deden.

الى الله مرحعكم حمٮعا ڡٮٮٮٮكم ٮما كٮٮم ٮعملوں

5:106

O jullie die geloofd hebben! De getuigenis onder jullie, wanneer de dood zich aandient bij een van jullie, op het moment van het testament: twee rechtvaardigen onder jullie, of twee anderen, buiten jullie, als jullie rondtrekken over de aarde en het ongeluk van de dood jullie overkomt.

ٮاٮها الدٮں امٮوا سهده ٮٮٮكم ادا حصر احدكم الموٮ حٮں الوصٮه اٮٮاں دوا عدل مٮكم او احراں مں عٮركم اں اٮٮم صرٮٮم ڡى الارص ڡاصٮٮكم مصٮٮه الموٮ

Jullie zullen hen beiden in afwachting houden na het Contact, en zij zullen beiden zweren bij God, als jullie twijfel hebben: “Wij zullen er niets door kopen, voor geen enkele prijs, al is het jegens een verwant,

ٮحٮسوٮهما مں ٮعد الصلوه ڡٮڡسماں ٮالله اں ارٮٮٮم لا ٮسٮرى ٮه ٮمٮا ولو كاں دا ڡرٮى

en wij zullen de getuigenis van God niet verzwijgen; wij zouden dan voorzeker tot de overtreders behoren.”

ولا ٮكٮم سهده الله اٮا ادا لمں الاٮمٮں

Maar als men erachter komt dat die twee zich schuldig hebben gemaakt aan een overtreding, zullen twee anderen hun plaats innemen, onder hen wier recht met voeten getreden is, de twee naasten, en zij zullen beiden zweren

ڡاں عٮر على اٮهما اسٮحڡا اٮما ڡاحراں ٮڡوماں مڡامهما مں الدٮں اسٮحٯ علٮهم الاولٮں ڡٮڡسماں

bij God: “Onze getuigenis is gewis beter gegrond in het recht dan de hunne, en wij hebben de grenzen niet overschreden;

ٮالله لسهدٮٮا احٯ مں سهدٮهما وما اعٮدٮٮا

wij zouden dan voorzeker behoren tot de onrechtvaardigen.”

اٮا ادا لمں الطلمٮں

Dat is dichter bij de getuigenis die in haar juiste vorm wordt afgelegd, of bij hun vrees dat andere eden na hun eden teruggegeven worden.

دلك ادٮى اں ٮاٮوا ٮالسهده على وحهها او ٮحاڡوا اں ٮرد اٮمں ٮعد اٮمٮهم

En behoed jullie voor God,

واٮڡوا الله

en luister.

واسمعوا

En God leidt het volk van de grensoverschrijders niet.

والله لا ٮهدى الڡوم الڡسڡٮں

De dag waarop God de gezanten bijeenbrengt, en zegt: “Welk antwoord hebben jullie ontvangen?”

ٮوم ٮحمع الله الرسل ڡٮڡول مادا احٮٮم

5:109

Zij zullen zeggen: “Wij hebben daarvan geen enkel weten; gewis bent U het die volkomen weet wat de zintuigen ontgaat.”

ڡالوا لا علم لٮا اٮك اٮٮ علم العٮوٮ

5:110

Wanneer God zal zeggen: “O Isa, zoon van Marjam! Herinner je Mijn weldaad over jou en over je moeder, toen Ik jou versterkt heb met de heilige Toestroom, jij sprak tot de mensen in de wieg en op rijpe leeftijd,

اد ڡال الله ٮعٮسى اٮں مرٮم ادكر ٮعمٮى علٮك وعلى ولدٮك اد اٮدٮك ٮروح الڡدس ٮكلم الٮاس ڡى المهد وكهلا

5:110

en toen Ik jou de Codex, de wijsheid, de Taurah en de Indjil onderwezen heb;

واد علمٮك الكٮٮ والحكمه والٮورٮه والاٮحٮل

en toen jij in de klei de vorm van een vogel schiep, met Mijn toestemming, daarna erin blies, en zij een vogel werd, met Mijn toestemming;

واد ٮحلٯ مں الطٮں كهٮه الطٮر ٮادٮى ڡٮٮڡح ڡٮها ڡٮكوں طٮرا ٮادٮى

en jij de blindgeborene en de melaatse herstelde, met Mijn toestemming;

وٮٮرى الاكمه والاٮرص ٮادٮى

en toen jij de doden deed uitgaan, met Mijn toestemming;

واد ٮحرح الموٮى ٮادٮى

en toen Ik de zonen van Israël van jou weerhield, toen jij tot hen kwam met de duidelijke bewijzen, en zij onder hen die verloochenden zeiden: ‘Dit is niets dan een klaarblijkelijke begoocheling.’”

واد كڡڡٮ ٮٮى اسرٮل عٮك اد حٮٮهم ٮالٮٮٮٮ ڡڡال الدٮں كڡروا مٮهم اں هدا الا سحر مٮٮں

5:111

En toen Ik aan de leerlingen openbaarde: “Geloof in Mij en in Mijn gezant”;

واد اوحٮٮ الى الحوارٮں اں امٮوا ٮى وٮرسولى

zeiden zij: “Wij geloven, en wees getuige dat wij integer zijn tegenover God.”

ڡالوا امٮا واسهد ٮاٮٮا مسلموں

5:112

Toen de leerlingen zeiden: “O Isa, zoon van Marjam! Kun jij aan je Voogd vragen een tafel uit de hemel op ons te doen neerdalen?”

اد ڡال الحوارٮوں ٮعٮسى اٮں مرٮم هل ٮسٮطٮع رٮك اں ٮٮرل علٮٮا ماٮده مں السما

5:112

Hij zei: “Behoed jullie voor God, als jullie gelovenden zijn.”

ڡال اٮڡوا الله اں كٮٮم مومٮٮں

5:113

Zij zeiden: “Wij willen ervan eten, opdat onze kernen gerustheid vinden, wij weten dat jij ons de waarheid gezegd hebt, en wij er getuigen van zijn.”

ڡالوا ٮرٮد اں ٮاكل مٮها وٮطمٮں ڡلوٮٮا وٮعلم اں ڡد صدڡٮٮا وٮكوں علٮها مں السهدٮں

5:114

Isa, zoon van Marjam, zei: “O God, onze Voogd! Doe op ons een tafel uit de hemel neerdalen, die voor ons een feest zij, voor de eerste van ons zowel als voor de laatste, en een teken van U;

ڡال عٮسى اٮں مرٮم اللهم رٮٮا اٮرل علٮٮا ماٮده مں السما ٮكوں لٮا عٮدا لاولٮا واحرٮا واٮه مٮك

en voorzie ons;

واررڡٮا

U bent de voortreffelijkste der voorzieners.”

واٮٮ حٮر الررڡٮں

5:115

God zei: “Ik doe haar op jullie neerdalen; maar wie van jullie daarna verloochent, hem zal Ik gewis pijn opleggen met een pijn waarmee Ik niemand anders onder alle wezens pijn zal opleggen.”

ڡال الله اٮى مٮرلها علٮكم ڡمں ٮكڡر ٮعد مٮكم ڡاٮى اعدٮه عداٮا لا اعدٮه احدا مں العلمٮں

5:116

En wanneer God zal zeggen: “O Isa, zoon van Marjam! Ben jij het die tot de mensen gezegd hebt: Neem mij, evenals mijn moeder, tot twee godheden buiten God?”

واد ڡال الله ٮعٮسى اٮں مرٮم اٮٮ ڡلٮ للٮاس اٮحدوٮى وامى الهٮں مں دوں الله

5:116

Hij zal zeggen: “Glorie zij U! Het kwam mij niet toe te zeggen wat niet mijn recht is.

ڡال سٮحٮك ما ٮكوں لى اں اڡول ما لٮس لى ٮحٯ

Als ik het gezegd had, zou U het geweten hebben.

اں كٮٮ ڡلٮه ڡڡد علمٮه

5:116

U weet wat in mijn Zelf is, en ik weet niet wat in Uw Zelf is.

ٮعلم ما ڡى ٮڡسى ولا اعلم ما ڡى ٮڡسك

5:116

Gewis bent U het die volkomen weet wat de zintuigen ontgaat.

اٮك اٮٮ علم العٮوٮ

5:117

Ik heb hun slechts gezegd wat U mij bevolen hebt: Gehoorzaam God, mijn Voogd en jullie Voogd;

ما ڡلٮ لهم الا ما امرٮٮى ٮه اں اعٮدوا الله رٮى ورٮكم

5:117

en ik was getuige over hen, zolang ik onder hen was;

وكٮٮ علٮهم سهٮدا ما دمٮ ڡٮهم

5:117

daarna, toen U mij getrouw in bewaring hield, was U het die de Waarnemer over hen was.

ڡلما ٮوڡٮٮٮى كٮٮ اٮٮ الرڡٮٮ علٮهم

En U bent getuige van alles.

واٮٮ على كل سى سهٮد

Als U hen pijn oplegt, zijn zij Uw gehoorzamen;

اں ٮعدٮهم ڡاٮهم عٮادك

en als U hen vergeeft, dan bent U het gewis, de Almachtige, de Wijze.”

واں ٮعڡر لهم ڡاٮك اٮٮ العرٮر الحكٮم

5:119

God zal zeggen: “Dit is de dag waarop de waarachtigheid de waarachtigen zal baten.

ڡال الله هدا ٮوم ٮٮڡع الصدڡٮں صدڡهم

5:119

Zij hebben tuinen waaronder de rivieren stromen, waarin zij eeuwig zullen blijven, voor altijd.”

لهم حٮٮ ٮحرى مں ٮحٮها الاٮهر حلدٮں ڡٮها اٮدا

5:119

God is tevreden over hen, en zij zijn tevreden over Hem.

رصى الله عٮهم ورصوا عٮه

Dat is de ontzaglijke triomf.

دلك الڡور العطٮم

Aan God behoort het koningschap van de hemelen en de aarde, en van wat zich daarin bevindt.

لله ملك السموٮ والارص وما ڡٮهں

En Hij is tot alles in staat.

وهو على كل سى ڡدٮر

← Index van de soera's