السجدة
As-Sajda
The Prostration
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Alif. Lam. Mim.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم الم
De neerdaling van de Schrift – geen twijfel mogelijk – komt van de Voogd van alle wezens.
ٮٮرٮل الكٮٮ لا رٮٮ ڡٮه مں رٮ العلمٮں
Of zullen zij zeggen: “Hij heeft haar verzonnen”?
ام ٮڡولوں اڡٮرٮه
Het is veeleer de waarheid van jouw Voogd, opdat jij een volk waarschuwt tot wie vóór jou geen waarschuwer was gekomen, in de hoop dat zij zich zullen laten leiden.
ٮل هو الحٯ مں رٮك لٮٮدر ڡوما ما اٮٮهم مں ٮدٮر مں ڡٮلك لعلهم ٮهٮدوں
God is Hij die de hemelen en de aarde, en wat tussen hen is, geschapen heeft in zes dagen, vervolgens Zich op het Bouwwerk gevestigd heeft;
الله الدى حلٯ السموٮ والارص وما ٮٮٮهما ڡى سٮه اٮام ٮم اسٮوى على العرس
jullie hebben, buiten Hem, geen verantwoordelijke en geen bemiddelaar.
ما لكم مں دوٮه مں ولى ولا سڡٮع
Herinneren jullie je dan niet?
اڡلا ٮٮدكروں
Hij bestuurt het Bevel vanaf de hemel tot aan de aarde, vervolgens stijgt het weer op tot Hem in een dag waarvan de maat duizend jaren is van die welke jullie tellen.
ٮدٮر الامر مں السما الى الارص ٮم ٮعرح الٮه ڡى ٮوم كاں مڡداره الڡ سٮه مما ٮعدوں
Dat is Hij die weet wat de zintuigen ontgaat en wat getuigd is, de Almachtige, de Welwillende,
دلك علم العٮٮ والسهده العرٮر الرحٮم
die de schepping van alles schoon gemaakt heeft, en die de schepping van de mens uit klei begonnen heeft,
الدى احسں كل سى حلڡه وٮدا حلٯ الاٮسں مں طٮں
vervolgens zijn nageslacht gemaakt heeft uit een extract van een veracht water,
ٮم حعل ٮسله مں سلله مں ما مهٮں
vervolgens hem gevormd heeft, en in hem van Zijn Toestroom ingeblazen heeft,
ٮم سوٮه وٮڡح ڡٮه مں روحه
en Hij heeft voor jullie het gehoor, het gezichtsvermogen en de Bewustzijnen geplaatst –
وحعل لكم السمع والاٮصر والاڡده
hoe weinig zijn jullie dankbaar!
ڡلٮلا ما ٮسكروں
En zij zeiden: “Wanneer wij in de aarde gedwaald zijn, zullen wij dan waarlijk in een nieuwe schepping zijn?”
وڡالوا ادا صللٮا ڡى الارص اٮا لڡى حلٯ حدٮد
Zij verloochenen veeleer de ontmoeting met hun Voogd.
ٮل هم ٮلڡا رٮهم كڡروں
Zeg: “De Gemachtigde van de dood, die voor jullie tot lasthebber gesteld is, zal jullie getrouw in bewaring houden; vervolgens zullen jullie tot jullie Voogd teruggebracht worden.”
ڡل ٮٮوڡٮكم ملك الموٮ الدى وكل ٮكم ٮم الى رٮكم ٮرحعوں
En als jij zag, wanneer de afgezonderden met neergeslagen hoofden voor hun Voogd zullen staan: “Onze Voogd, wij hebben helder gezien en gehoord; laat ons dus terugkeren, wij zullen deugdelijke werken verrichten, want wij zijn nu overtuigd.”
ولو ٮرى اد المحرموں ٮاكسوا روسهم عٮد رٮهم رٮٮا اٮصرٮا وسمعٮا ڡارحعٮا ٮعمل صلحا اٮا موڡٮوں
En als het Ons had behaagd, hadden Wij aan ieder Zelf zijn leiding gegeven;
ولو سٮٮا لاٮٮٮا كل ٮڡس هدٮها
maar Mijn uitspraak is bewaarheid: “Ik zal Djahannam voorzeker vullen met de Verborgenen en de mensen, allen tezamen.”
ولكں حٯ الڡول مٮى لاملاں حهٮم مں الحٮه والٮاس احمعٮں
Proef dus, omdat jullie de ontmoeting met deze dag van jullie vergeten zijn – want Wij hebben jullie vergeten –
ڡدوڡوا ٮما ٮسٮٮم لڡا ٮومكم هدا اٮا ٮسٮٮكم
en proef de pijn van de eeuwigheid voor wat jullie deden.
ودوڡوا عداٮ الحلد ٮما كٮٮم ٮعملوں
Slechts zij geloven in Onze tekenen die, wanneer men hun die in herinnering brengt, neervallen, zich neerwerpend, en hun Voogd glorifiëren door Hem te loven, zonder zich op te blazen van hoogmoed.
اٮما ٮومں ٮاٮٮٮا الدٮں ادا دكروا ٮها حروا سحدا وسٮحوا ٮحمد رٮهم وهم لا ٮسٮكٮروں
Hun flanken komen los van hun bedden, hun Voogd aanroepend uit vrees en uit hoop, en zij geven uit van datgene waarvan Wij hen voorzien hebben.
ٮٮحاڡى حٮوٮهم عں المصاحع ٮدعوں رٮهم حوڡا وطمعا ومما ررڡٮهم ٮٮڡڡوں
En geen Zelf weet wat voor hen verborgen is gehouden als bedaring van de blik, als vergelding voor wat zij deden.
ڡلا ٮعلم ٮڡس ما احڡى لهم مں ڡره اعٮں حرا ٮما كاٮوا ٮعملوں
Is wie een gelovende is dan als wie een grensoverschrijder is?
اڡمں كاں مومٮا كمں كاں ڡاسڡا
Zij zijn niet gelijk.
لا ٮسٮوں
Wat betreft hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht, zij hebben de tuinen van de toevlucht, als onthaal, voor wat zij deden;
اما الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ ڡلهم حٮٮ الماوى ٮرلا ٮما كاٮوا ٮعملوں
en wat betreft hen die de grenzen hebben overschreden, hun toevlucht is het Vuur:
واما الدٮں ڡسڡوا ڡماوٮهم الٮار
telkens wanneer zij eruit willen komen, zullen zij erin teruggebracht worden, en men zal tot hen zeggen: “Proef de pijn van het Vuur dat jullie ontkenden.”
كلما ارادوا اں ٮحرحوا مٮها اعٮدوا ڡٮها وڡٮل لهم دوڡوا عداٮ الٮار الدى كٮٮم ٮه ٮكدٮوں
En Wij zullen hun voorzeker van de dichtstbijzijnde pijn laten proeven, aan deze zijde van de grootste pijn, misschien zullen zij terugkeren.
ولٮدٮڡٮهم مں العداٮ الادٮى دوں العداٮ الاكٮر لعلهم ٮرحعوں
En wie is dan onrechtvaardiger dan hij aan wie men de tekenen van zijn Voogd in herinnering brengt, en die zich daarna eraan onttrekt?
ومں اطلم ممں دكر ٮاٮٮ رٮه ٮم اعرص عٮها
Wij zullen Ons gewis wreken op de afgezonderden.
اٮا مں المحرمٮں مٮٮڡموں
En Wij hebben gewis aan Moesa de Schrift gegeven –
ولڡد اٮٮٮا موسى الكٮٮ
wees dus niet in controverse over zijn ontmoeting –
ڡلا ٮكں ڡى مرٮه مں لڡاٮه
en Wij hebben er een leiding van gemaakt voor de zonen van Israël.
وحعلٮه هدى لٮٮى اسرٮل
En Wij hebben onder hen leidslieden geplaatst die door Ons bevel stuurden, omdat zij geduldig waren geweest,
وحعلٮا مٮهم اٮمه ٮهدوں ٮامرٮا لما صٮروا
en omdat zij van Onze tekenen zekerheid hadden.
وكاٮوا ٮاٮٮٮا ٮوڡٮوں
Jouw Voogd is Degene die de scheiding tussen hen zal maken, op de Dag van het Verschijnen, over datgene waarin zij uiteenliepen.
اں رٮك هو ٮڡصل ٮٮٮهم ٮوم الڡٮمه ڡٮما كاٮوا ڡٮه ٮحٮلڡوں
Worden zij dan niet geleid door het aantal generaties dat Wij vóór hen hebben vernietigd, in wier woningen zij lopen?
اولم ٮهد لهم كم اهلكٮا مں ڡٮلهم مں الڡروں ٮمسوں ڡى مسكٮهم
Daarin zijn voorzeker tekenen.
اں ڡى دلك لاٮٮ
Horen zij dan niet?
اڡلا ٮسمعوں
Hebben zij dan niet gezien dat Wij het water naar de dorre aarde voeren, en zo een teelt laten uitgaan waarvan hun vee en zijzelf eten?
اولم ٮروا اٮا ٮسوٯ الما الى الارص الحرر ڡٮحرح ٮه ررعا ٮاكل مٮه اٮعمهم واٮڡسهم
Zien zij dan niet helder?
اڡلا ٮٮصروں
En zij zeggen: “Wanneer komt deze opening, als jullie waarachtig zijn?”
وٮڡولوں مٮى هدا الڡٮح اں كٮٮم صدڡٮں
Zeg: “Op de dag van de opening zal het geloof hen die verloochend hebben niet meer baten, en zij zullen geen enkel uitstel hebben.”
ڡل ٮوم الڡٮح لا ٮٮڡع الدٮں كڡروا اٮمٮهم ولا هم ٮٮطروں
Onttrek je dus aan hen, en wacht,
ڡاعرص عٮهم واٮٮطر
want zij zijn in afwachting.
اٮهم مٮٮطروں