ص
Sad
The One Who Keeps Turning Back
In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Ṣad.
ٮسم الله الرحمں الرحٮم ص
Bij de Lezing, houdster van de Herinnering,
والڡراں دى الدكر
nee! Zij die verloochenen bevinden zich in macht en breuk.
ٮل الدٮں كڡروا ڡى عره وسڡاٯ
Hoeveel generaties hebben Wij vóór hen vernietigd! Zij hebben geroepen, maar het was niet langer de tijd om te ontkomen.
كم اهلكٮا مں ڡٮلهم مں ڡرں ڡٮادوا ولاٮ حٮں مٮاص
En zij hebben zich verbaasd dat een waarschuwer uit henzelf hun is gekomen,
وعحٮوا اں حاهم مٮدر مٮهم
en de verloochenaars hebben gezegd: “Dit is een begoochelaar, een grote leugenaar. Heeft hij van de godheden één enige godheid gemaakt? Dat is voorzeker iets verbazingwekkends!”
وڡال الكڡروں هدا سحر كداٮ احعل الالهه الها وحدا اں هدا لسى عحاٮ
En het hof, onder hen, is heengegaan met de woorden: “Ga, en blijf standvastig tegenover jullie godheden! Dit is voorzeker iets dat gewild is. Wij hebben niets dergelijks gehoord in de laatste leer; het is slechts een verzinsel. Zou de Herinnering op hem zijn neergedaald, onder ons allen?”
واٮطلٯ الملا مٮهم اں امسوا واصٮروا على الهٮكم اں هدا لسى ٮراد ما سمعٮا ٮهدا ڡى المله الاحره اں هدا الا احٮلٯ اٮرل علٮه الدكر مں ٮٮٮٮا
Nee, zij bevinden zich in verlegenheid over Mijn Herinnering; nee, zij hebben Mijn pijn nog niet geproefd.
ٮل هم ڡى سك مں دكرى ٮل لما ٮدوڡوا عداٮ
Of hebben zij bij zich de voorraden van de welwillendheid van jouw Voogd, de Almachtige, de Schenker?
ام عٮدهم حراٮں رحمه رٮك العرٮر الوهاٮ
Of bezitten zij het koningschap van de hemelen, van de aarde, en van wat tussen hen is?
ام لهم ملك السموٮ والارص وما ٮٮٮهما
Laat hen zich dan verheffen door de middelen!
ڡلٮرٮڡوا ڡى الاسٮٮ
Dat is slechts een leger, onder de partijen, voorbestemd tot de nederlaag.
حٮد ما هٮالك مهروم مں الاحراٮ
Vóór hen hebben ontkend: het volk van Noeh, de Aad, Fir'aun met de pinnen, de Thamoed, het volk van Loet, en de metgezellen van het Struikgewas.
كدٮٮ ڡٮلهم ڡوم ٮوح وعاد وڡرعوں دو الاوٮاد وٮمود وڡوم لوط واصحٮ لٮكه
Dezen zijn de partijen.
اولٮك الاحراٮ
Ieder van hen heeft slechts de gezanten ontkend; Mijn sanctie heeft zich dus bewaarheid.
اں كل الا كدٮ الرسل ڡحٯ عڡاٮ
En dezen wachten slechts op één schreeuw, zonder enig respijt.
وما ٮٮطر هولا الا صٮحه وحده ما لها مں ڡواٯ
En zij hebben gezegd: “Onze Voogd, verhaast voor ons ons deel, vóór de Dag van de Rekening.”
وڡالوا رٮٮا عحل لٮا ڡطٮا ڡٮل ٮوم الحساٮ
Wees geduldig tegenover wat zij zeggen,
اصٮر على ما ٮڡولوں
en herinner je Onze Gehoorzame Dawoed, begaafd met kracht,
وادكر عٮدٮا داود دا الاٮد
want hij keerde onophoudelijk terug.
اٮه اواٮ
Wij hebben de bergen onderworpen om met hem te glorifiëren, 's avonds en bij het opkomen van de dag, evenals de vogels, verzameld:
اٮا سحرٮا الحٮال معه ٮسٮحں ٮالعسى والاسراٯ والطٮر محسوره
ieder van dezen keerde onophoudelijk terug tot Hem.
كل له اواٮ
En Wij hebben zijn koningschap verstevigd en hem de wijsheid gegeven en de vaardigheid die de scheiding maakt.
وسددٮا ملكه واٮٮٮه الحكمه وڡصل الحطاٮ
En is het bericht over de tegenpartijen jou bereikt, toen zij het oratorium beklommen, toen zij bij Dawoed binnentraden, die van hen schrok? Zij zeiden: “Vrees niet;
وهل اٮٮك ٮٮوا الحصم اد ٮسوروا المحراٮ اد دحلوا على داود ڡڡرع مٮهم ڡالوا لا ٮحڡ
wij zijn twee tegenpartijen, de een van ons heeft een afpersing tegen de ander begaan; oordeel dus tussen ons met de waarheid, zonder buitensporigheid,
حصماں ٮعى ٮعصٮا على ٮعص ڡاحكم ٮٮٮٮا ٮالحٯ ولا ٮسطط
en leid ons naar het juiste midden van het pad.”
واهدٮا الى سوا الصرط
“Deze is mijn broer; hij heeft negenennegentig ooien, en ik één enkele ooi. Hij heeft gezegd: ‘Vertrouw haar mij toe’, en hij heeft het op mij gewonnen in vaardigheid.”
اں هدا احى له ٮسع وٮسعوں ٮعحه ولى ٮعحه وحده ڡڡال اكڡلٮٮها وعرٮى ڡى الحطاٮ
Hij zei: “Hij heeft gewis onrecht aan jou gedaan door jouw ooi te eisen om haar toe te voegen aan zijn ooien;
ڡال لڡد طلمك ٮسوال ٮعحٮك الى ٮعاحه
en velen van hen die hun zaken vermengen, plegen voorzeker afpersingen tegen elkaar, behalve zij die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht –
واں كٮٮرا مں الحلطا لٮٮعى ٮعصهم على ٮعص الا الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ
en zij zijn zeer weinig talrijk.”
وڡلٮل ما هم
En Dawoed vermoedde dat Wij hem op de proef hadden gesteld; hij smeekte zijn Voogd om vergeving, viel knielend neer, en wendde zich tot Hem.
وطں داود اٮما ڡٮٮه ڡاسٮعڡر رٮه وحر راكعا واٮاٮ
Wij vergaven hem dat dus;
ڡعڡرٮا له دلك
en hij heeft voorzeker bij Ons een nabije rang en een schone plaats om terug te keren.
واں له عٮدٮا لرلڡى وحسں ماٮ
“O Dawoed, Wij hebben van jou een opvolger op aarde gemaakt; oordeel dus tussen de mensen met de waarheid, en volg de emotie niet, die jou van de weg van God zou doen dwalen,
ٮداود اٮا حعلٮك حلٮڡه ڡى الارص ڡاحكم ٮٮں الٮاس ٮالحٯ ولا ٮٮٮع الهوى ڡٮصلك عں سٮٮل الله
want zij die van de weg van God dwalen zullen een strenge pijn hebben, omdat zij de Dag van de Rekening vergeten zijn.”
اں الدٮں ٮصلوں عں سٮٮل الله لهم عداٮ سدٮد ٮما ٮسوا ٮوم الحساٮ
Wij hebben de hemel, de aarde en wat tussen hen is niet tevergeefs geschapen.
وما حلڡٮا السما والارص وما ٮٮٮهما ٮطلا
Zo is het vermoeden van hen die verloochenen;
دلك طں الدٮں كڡروا
wee dus hen die verloochenen, vanwege het Vuur!
ڡوٮل للدٮں كڡروا مں الٮار
Of zouden Wij hen die geloofd hebben en de deugdelijke werken hebben verricht behandelen als de bedervers op de aarde?
ام ٮحعل الدٮں امٮوا وعملوا الصلحٮ كالمڡسدٮں ڡى الارص
Of zouden Wij hen die zich behoeden behandelen als de verdorvenen?
ام ٮحعل المٮڡٮں كالڡحار
Dit is een gezegende Schrift die Wij naar jou hebben doen neerdalen, opdat zij haar tekenen overpeinzen en de houders van intelligentie zich herinneren.
كٮٮ اٮرلٮه الٮك مٮرك لٮدٮروا اٮٮه ولٮٮدكر اولوا الالٮٮ
En Wij hebben Dawoed Soelaiman geschonken –
ووهٮٮا لداود سلٮمں
wat een uitstekende gehoorzame,
ٮعم العٮد
want hij keerde onophoudelijk terug!
اٮه اواٮ
Toen hem 's avonds de rasechte paarden, stilstaand, werden voorgelegd, zei hij: “Ik heb gewis de liefde voor het goede meer bemind dan de herinnering aan mijn Voogd”, totdat zij achter de sluier verdwenen.
اد عرص علٮه ٮالعسى الصڡٮٮ الحٮاد ڡڡال اٮى احٮٮٮ حٮ الحٮر عں دكر رٮى حٮى ٮوارٮ ٮالححاٮ
“Breng ze mij terug!” En hij begon hun benen en nekken te strelen.
ردوها على ڡطڡٯ مسحا ٮالسوٯ والاعٮاٯ
En Wij hebben Soelaiman gewis op de proef gesteld: Wij hebben op zijn zetel een lichaam geworpen; daarna wendde hij zich tot Ons.
ولڡد ڡٮٮا سلٮمں والڡٮٮا على كرسٮه حسدا ٮم اٮاٮ
Hij zei: “Mijn Voogd, vergeef mij, en schenk mij een koningschap dat niemand na mij zal passen;
ڡال رٮ اعڡر لى وهٮ لى ملكا لا ٮٮٮعى لاحد مں ٮعدى
want U bent het, de Schenker.”
اٮك اٮٮ الوهاٮ
Wij hebben toen de wind aan hem onderworpen, rennend op zijn bevel, zachtjes, waarheen hij mikte; evenals de Afleiders, elke bouwer en duiker, en anderen, tezamen geketend in de boeien.
ڡسحرٮا له الرٮح ٮحرى ٮامره رحا حٮٮ اصاٮ والسٮطٮں كل ٮٮا وعواص واحرٮں مڡرٮٮں ڡى الاصڡاد
“Dit is Onze dotatie: begunstig ermee of houd haar, zonder rekenschap af te leggen.”
هدا عطاوٮا ڡامٮں او امسك ٮعٮر حساٮ
En hij heeft voorzeker bij Ons een nabije rang en een schone plaats om terug te keren.
واں له عٮدٮا لرلڡى وحسں ماٮ
En herinner je Onze Gehoorzame Ajjoeb, toen hij zijn Voogd riep: “De Afleider heeft mij geraakt met een vermoeidheid en een pijn.”
وادكر عٮدٮا اٮوٮ اد ٮادى رٮه اٮى مسٮى السٮطں ٮٮصٮ وعداٮ
“Ren met jouw voet:
اركص ٮرحلك
hier is een fris water om je te wassen en om te drinken.”
هدا معٮسل ٮارد وسراٮ
En Wij hebben hem de zijnen geschonken, en nog eens evenveel met hen, uit welwillendheid van Ons, en als herinnering voor de houders van intelligentie.
ووهٮٮا له اهله ومٮلهم معهم رحمه مٮا ودكرى لاولى الالٮٮ
“En neem in jouw hand een bundel, sla ermee, en wees jouw eed niet ontrouw.”
وحد ٮٮدك صعٮا ڡاصرٮ ٮه ولا ٮحٮٮ
Wij hebben hem geduldig bevonden,
اٮا وحدٮه صاٮرا
wat een uitstekende gehoorzame,
ٮعم العٮد
want hij keerde onophoudelijk terug!
اٮه اواٮ
En herinner je Onze Gehoorzamen Ibrahim, Ishaq en Ja'qoeb, begaafd met kracht en doorzicht.
وادكر عٮدٮا اٮرهٮم واسحٯ وٮعڡوٮ اولى الاٮدى والاٮصر
Wij hebben hen gelouterd door een gelouterde zaak: de herinnering aan het Verblijf.
اٮا احلصٮهم ٮحالصه دكرى الدار
En zij behoren voorzeker, bij Ons, tot de gekozenen, de voortreffelijksten.
واٮهم عٮدٮا لمں المصطڡٮں الاحٮار
En herinner je Isma'il, Al-Jasa', en Dhoel-Kifl,
وادكر اسمعٮل والٮسع ودا الكڡل
en ieder van hen onder de voortreffelijksten.
وكل مں الاحٮار
Dit is een herinnering.
هدا دكر
En zij die zich behoeden hebben voorzeker een schone plaats om terug te keren:
واں للمٮڡٮں لحسں ماٮ
de Tuinen van de bestendigheid, waarvan de poorten voor hen geopend zullen zijn, waar zij, leunend, overvloedige smaken en dranken zullen eisen.
حٮٮ عدں مڡٮحه لهم الاٮوٮ مٮكٮں ڡٮها ٮدعوں ڡٮها ٮڡكهه كٮٮره وسراٮ
En zij zullen, aan hun zijde, gezellinnen hebben met terughoudende oogleden, vruchtbaar en van dezelfde stam.
وعٮدهم ڡصرٮ الطرڡ اٮراٮ
Dit is wat hun beloofd wordt voor de Dag van de Rekening.
هدا ما ٮوعدوں لٮوم الحساٮ
Dit is voorzeker Onze leeftocht, die geen uitputting kent.
اں هدا لررڡٮا ما له مں ٮڡاد
Zo is het. En zij die alle maat te buiten gaan zullen voorzeker de ergste plaats hebben om terug te keren: Djahannam, waar zij zullen branden,
هدا واں للطعٮں لسر ماٮ حهٮم ٮصلوٮها
wat een afschuwelijke ligplaats!
ڡٮٮس المهاد
Dit is het: laat hen het proeven – een kokend water, een stinkende vloeistof, en andere van dezelfde soort, in paren.
هدا ڡلٮدوڡوه حمٮم وعساٯ واحر مں سكله اروح
“Dit is een menigte die met jullie binnenvalt.”
هدا ڡوح مڡٮحم معكم
“Geen welkom voor hen,
لا مرحٮا ٮهم
want zij zullen in het Vuur branden!”
اٮهم صالوا الٮار
Zij zullen zeggen: “Veeleer jullie! Geen welkom voor jullie! Jullie zijn het die het ons hebben vooruitgestuurd.
ڡالوا ٮل اٮٮم لا مرحٮا ٮكم اٮٮم ڡدمٮموه لٮا
Wat een verfoeilijke haven!”
ڡٮٮس الڡرار
Zij zullen zeggen: “Onze Voogd, wie ons dit heeft vooruitgestuurd, voeg hem een dubbele pijn toe in het Vuur.”
ڡالوا رٮٮا مں ڡدم لٮا هدا ڡرده عداٮا صعڡا ڡى الٮار
En zij zullen zeggen: “Wat is er met ons dat wij mannen niet zien die wij onder de slechten rekenden?
وڡالوا ما لٮا لا ٮرى رحالا كٮا ٮعدهم مں الاسرار
Hadden wij hen tot voorwerp van spot genomen, of is ons gezichtsvermogen van hen afgeweken?”
اٮحدٮهم سحرٮا ام راعٮ عٮهم الاٮصر
Dit is voorzeker waar: zo is de twist van de lieden van het Vuur.
اں دلك لحٯ ٮحاصم اهل الٮار
Zeg: “Ik ben slechts een waarschuwer,
ڡل اٮما اٮا مٮدر
en er is geen godheid behalve God, de Enige, de Overheerser,
وما مں اله الا الله الوحد الڡهار
de Voogd van de hemelen en de aarde en van wat tussen hen is,
رٮ السموٮ والارص وما ٮٮٮهما
de Almachtige, de Grote Vergever.”
العرٮر العڡر
Zeg: “Dit is een ontzaglijk Bericht, waaraan jullie je onttrekken:
ڡل هو ٮٮوا عطٮم اٮٮم عٮه معرصوں
ik had geen enkel weten van het sublieme hof, toen het twistte;
ما كاں لى مں علم ٮالملا الاعلى اد ٮحٮصموں
mij wordt slechts dit geopenbaard: ik ben een uitdrukkelijke waarschuwer.”
اں ٮوحى الى الا اٮما اٮا ٮدٮر مٮٮں
Toen jouw Voogd tot de Gemachtigden zei: “Ik zal een sterveling uit klei scheppen; wanneer Ik hem gevormd zal hebben en Ik daarin van Mijn Toestroom zal hebben geblazen, buig jullie voor hem, jullie neerwerpend.”
اد ڡال رٮك للملٮكه اٮى حلٯ ٮسرا مں طٮں ڡادا سوٮٮه وٮڡحٮ ڡٮه مں روحى ڡڡعوا له سحدٮں
De Gemachtigden wierpen zich toen neer, allen tezamen, behalve Iblis: hij zwol op van hoogmoed en behoorde tot hen die verloochenen.
ڡسحد الملٮكه كلهم احمعوں الا اٮلٮس اسٮكٮر وكاں مں الكڡرٮں
Hij zei: “O Iblis, wat heeft jou verhinderd je neer te werpen voor wat Ik met Mijn beide handen heb geschapen? Ben jij opgezwollen van hoogmoed, of behoorde jij tot de verhevenen?”
ڡال ٮاٮلٮس ما مٮعك اں ٮسحد لما حلڡٮ ٮٮدى اسٮكٮرٮ ام كٮٮ مں العالٮں
Hij zei: “Ik ben beter dan hij: U hebt mij uit vuur geschapen, en hem hebt U uit klei geschapen.”
ڡال اٮا حٮر مٮه حلڡٮٮى مں ٮار وحلڡٮه مں طٮں
Hij zei: “Ga hier dus uit, want zie, jij bent verbannen, en Mijn vervloeking is gewis over jou tot de Vervaldag.”
ڡال ڡاحرح مٮها ڡاٮك رحٮم واں علٮك لعٮٮى الى ٮوم الدٮں
Hij zei: “Mijn Voogd, verleen mij dan uitstel tot de dag waarop zij zullen worden opgewekt.”
ڡال رٮ ڡاٮطرٮى الى ٮوم ٮٮعٮوں
Hij zei: “Jij behoort tot hen aan wie uitstel wordt verleend, tot de dag van het bekende moment.”
ڡال ڡاٮك مں المٮطرٮں الى ٮوم الوڡٮ المعلوم
Hij zei: “Bij Uw macht, ik zal hen voorzeker allen doen dwalen, behalve Uw gelouterde gehoorzamen onder hen.”
ڡال ڡٮعرٮك لاعوٮٮهم احمعٮں الا عٮادك مٮهم المحلصٮں
Hij zei: “Dit is dus de waarheid – en Ik zeg de waarheid:
ڡال ڡالحٯ والحٯ اڡول
Ik zal Djahannam voorzeker vullen met jou en met allen onder hen die jou gevolgd zullen zijn.”
لاملاں حهٮم مٮك وممں ٮٮعك مٮهم احمعٮں
Zeg: “Ik vraag jullie hiervoor geen enkele beloning, en ik behoor niet tot hen die zich uitgeven voor wat zij niet zijn.
ڡل ما اسلكم علٮه مں احر وما اٮا مں المٮكلڡٮں
Het is slechts een herinnering voor alle wezens,
اں هو الا دكر للعلمٮں
en jullie zullen na een tijd voorzeker het bericht ervan te weten komen.”
ولٮعلمں ٮٮاه ٮعد حٮں