Naar de inhoud
القرآنal-quran.fr
Menu
100%
القرآن

الانعام

Al-An'am

The Guardian of Every Thing

Soera 6 · 165 verzen

6:1

In de naam van God, de Alwelwillende, de Welwillende. Lof zij God, die de hemelen en de aarde geschapen heeft, en de duisternissen en het licht gemaakt heeft; toch stellen zij die verloochenen tegenwichten tegenover hun Voogd.

ٮسم الله الرحمں الرحٮم الحمد لله الدى حلٯ السموٮ والارص وحعل الطلمٮ والٮور ٮم الدٮں كڡروا ٮرٮهم ٮعدلوں

6:2

Hij is het die jullie uit klei geschapen heeft, en daarna een termijn bepaald heeft –

هو الدى حلڡكم مں طٮں ٮم ڡصى احلا

6:2

en een genoemde termijn, bij Hem.

واحل مسمى عٮده

6:2

Toch treden jullie nog in controverse.

ٮم اٮٮم ٮمٮروں

En Hij is God,

وهو الله

in de hemelen en op aarde; Hij kent jullie geheim en wat jullie hardop zeggen, en Hij weet wat jullie verwerven.

ڡى السموٮ وڡى الارص ٮعلم سركم وحهركم وٮعلم ما ٮكسٮوں

Geen enkel teken, van de tekenen van hun Voogd, komt tot hen zonder dat zij zich eraan onttrekken.

وما ٮاٮٮهم مں اٮه مں اٮٮ رٮهم الا كاٮوا عٮها معرصٮں

Zij hebben dus de waarheid ontkend, toen zij tot hen kwam;

ڡڡد كدٮوا ٮالحٯ لما حاهم

de berichten over wat zij hoonden zullen hen weldra bereiken.

ڡسوڡ ٮاٮٮهم اٮٮوا ما كاٮوا ٮه ٮسٮهروں

Zien zij niet hoeveel generaties Wij vóór hen vernietigd hebben, die Wij op aarde gevestigd hadden zoals Wij jullie niet gevestigd hebben,

الم ٮروا كم اهلكٮا مں ڡٮلهم مں ڡرں مكٮهم ڡى الارص ما لم ٮمكں لكم

en aan wie Wij de hemel, stromend, gezonden hebben,

وارسلٮا السما علٮهم مدرارا

en Wij hebben de rivieren onder hen doen stromen; daarna hebben Wij hen vernietigd voor hun vergrijpen,

وحعلٮا الاٮهر ٮحرى مں ٮحٮهم ڡاهلكٮهم ٮدٮوٮهم

en Wij hebben na hen een andere generatie doen ontstaan.

واٮساٮا مں ٮعدهم ڡرٮا احرٮں

6:7

En als Wij een schrift op een perkament naar jou hadden doen neerdalen, en zij het met hun handen hadden aangeraakt, zouden zij die verloochenen zeker gezegd hebben: “Dit is niets dan een klaarblijkelijke begoocheling.”

ولو ٮرلٮا علٮك كٮٮا ڡى ڡرطاس ڡلمسوه ٮاٮدٮهم لڡال الدٮں كڡروا اں هدا الا سحر مٮٮں

6:8

En zij zeggen: “Waarom heeft men geen Gemachtigde op hem doen neerdalen!”

وڡالوا لولا اٮرل علٮه ملك

6:8

En als Wij een Gemachtigde hadden doen neerdalen, zou de zaak reeds beslist zijn, en hun zou geen uitstel verleend worden.

ولو اٮرلٮا ملكا لڡصى الامر ٮم لا ٮٮطروں

6:9

En als Wij er een Gemachtigde van gemaakt hadden, zouden Wij er een man van gemaakt hebben, en Wij zouden voor hen door elkaar gehaald hebben wat zijzelf door elkaar halen.

ولو حعلٮه ملكا لحعلٮه رحلا وللٮسٮا علٮهم ما ٮلٮسوں

Gezanten zijn gewis vóór jou gehoond; wat zij hoonden, omhulde toen degenen onder hen die spotten.

ولڡد اسٮهرى ٮرسل مں ڡٮلك ڡحاٯ ٮالدٮں سحروا مٮهم ما كاٮوا ٮه ٮسٮهروں

Zeg: “Doorkruis de aarde, en kijk dan wat het einde was van hen die ontkenden.”

ڡل سٮروا ڡى الارص ٮم اٮطروا كٮڡ كاں عڡٮه المكدٮٮں

6:12

Zeg: “Aan wie behoort wat in de hemelen en op aarde is?” Zeg: “Aan God.

ڡل لمں ما ڡى السموٮ والارص ڡل لله

6:12

Hij heeft Zichzelf de welwillendheid voorgeschreven.

كٮٮ على ٮڡسه الرحمه

6:12

Voorzeker zal Hij jullie bijeenbrengen op de Dag van het Verschijnen, waaraan geen twijfel is.

لٮحمعٮكم الى ٮوم الڡٮمه لا رٮٮ ڡٮه

Zij die het verlies van hun Zelf veroorzaakt zullen hebben, dat zijn zij die niet geloven.”

الدٮں حسروا اٮڡسهم ڡهم لا ٮومٮوں

En aan Hem behoort toe wat rust in de nacht en de dag;

وله ما سكں ڡى الٮل والٮهار

en Hij is de Alhorende, de Alwetende.

وهو السمٮع العلٮم

6:14

Zeg: “Zou ik een beschermer nemen buiten God, de Oorsprong van de hemelen en de aarde,

ڡل اعٮر الله اٮحد ولٮا ڡاطر السموٮ والارص

6:14

Hij is het die voedt en niet gevoed wordt.”

وهو ٮطعم ولا ٮطعم

Zeg: “Mij is bevolen de eerste te zijn van hen die integer zijn tegenover God”,

ڡل اٮى امرٮ اں اكوں اول مں اسلم

en behoor nooit tot hen die associëren.

ولا ٮكوٮں مں المسركٮں

Zeg: “Ik vrees gewis, als ik ongehoorzaam ben aan mijn Voogd, de pijn van een ontzaglijke dag.”

ڡل اٮى احاڡ اں عصٮٮ رٮى عداٮ ٮوم عطٮم

Wie er die dag van afgewend is, aan hem zal Hij welwillendheid betoond hebben,

مں ٮصرڡ عٮه ٮومٮد ڡڡد رحمه

en dat is de klaarblijkelijke triomf.

ودلك الڡور المٮٮں

En als God je met schade raakt, kan niemand je ervan verlichten dan Hij;

واں ٮمسسك الله ٮصر ڡلا كاسڡ له الا هو

en als Hij je met een goed raakt, is Hij tot alles in staat.

واں ٮمسسك ٮحٮر ڡهو على كل سى ڡدٮر

Hij heerst boven Zijn gehoorzamen,

وهو الڡاهر ڡوٯ عٮاده

en Hij is de Wijze, de Intieme Kenner.

وهو الحكٮم الحٮٮر

6:19

Zeg: “Welk ding is het grootst in getuigenis?” Zeg: “God,

ڡل اى سى اكٮر سهده ڡل الله

6:19

getuige tussen mij en jullie.

سهٮد ٮٮٮى وٮٮٮكم

6:19

En deze Lezing is mij geopenbaard opdat ik jullie erdoor waarschuw, alsook wie zij ook bereikt.

واوحى الى هدا الڡراں لاٮدركم ٮه ومں ٮلع

Getuigen jullie werkelijk dat er, met God, andere godheden zijn?” Zeg: “Ik getuig niet.”

اٮٮكم لٮسهدوں اں مع الله الهه احرى ڡل لا اسهد

Zeg: “Hij is slechts één enige godheid,

ڡل اٮما هو اله وحد

en ik ben gewis vrij van wat jullie associëren.”

واٮٮى ٮرى مما ٮسركوں

6:20

Zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben, herkennen het zoals zij hun eigen zonen herkennen;

الدٮں اٮٮٮهم الكٮٮ ٮعرڡوٮه كما ٮعرڡوں اٮٮاهم

zij die het verlies van hun Zelf veroorzaakt zullen hebben, dat zijn zij die niet geloven.

الدٮں حسروا اٮڡسهم ڡهم لا ٮومٮوں

En wie is dan onrechtvaardiger dan wie een leugen tegen God verzint, of Zijn tekenen ontkent?

ومں اطلم ممں اڡٮرى على الله كدٮا او كدٮ ٮاٮٮه

De onrechtvaardigen slagen gewis niet.

اٮه لا ٮڡلح الطلموں

En de dag waarop Wij hen allen zullen verzamelen, en daarna zullen zeggen tegen hen die geassocieerd hebben: “Waar zijn jullie geassocieerden, die jullie beweerden?”

وٮوم ٮحسرهم حمٮعا ٮم ٮڡول للدٮں اسركوا اٮں سركاوكم الدٮں كٮٮم ٮرعموں

Daarna zal hun enige beproeving geweest zijn te zeggen: “Bij God, onze Voogd, wij behoorden niet tot hen die associëren.”

ٮم لم ٮكں ڡٮٮٮهم الا اں ڡالوا والله رٮٮا ما كٮا مسركٮں

Kijk hoe zij liegen tegen zichzelf! En wat zij verzonnen, zal ver van hen gedwaald hebben.

اٮطر كٮڡ كدٮوا على اٮڡسهم وصل عٮهم ما كاٮوا ٮڡٮروں

En onder hen zijn er die naar je luisteren,

ومٮهم مں ٮسٮمع الٮك

6:25

maar Wij hebben over hun kernen omhulsels geplaatst, opdat zij het niet begrijpen, en in hun oren een doofheid.

وحعلٮا على ڡلوٮهم اكٮه اں ٮڡڡهوه وڡى اداٮهم وڡرا

En zelfs al zagen zij elk teken, zij zouden er niet in geloven,

واں ٮروا كل اٮه لا ٮومٮوا ٮها

zozeer dat, wanneer zij bij je komen om te debatteren, zij die verloochenen zeggen: “Dit zijn slechts legenden van de ouden.”

حٮى ادا حاوك ٮحدلوٮك ٮڡول الدٮں كڡروا اں هدا الا اسطٮر الاولٮں

En zij verbieden het, en zij verwijderen zich ervan;

وهم ٮٮهوں عٮه وٮٮوں عٮه

en zij vernietigen slechts zichzelf, zonder het te voelen.

واں ٮهلكوں الا اٮڡسهم وما ٮسعروں

6:27

En als je zag, wanneer zij voor het Vuur geplaatst zullen worden, en zullen zeggen: “Ach, werden wij maar teruggebracht,

ولو ٮرى اد وڡڡوا على الٮار ڡڡالوا ٮلٮٮٮا ٮرد

6:27

en wij zullen de tekenen van onze Voogd niet meer ontkennen, en wij zullen tot de gelovenden behoren!”

ولا ٮكدٮ ٮاٮٮ رٮٮا وٮكوں مں المومٮٮں

6:28

Nee! Wat zij voordien verhulden, is hun gebleken.

ٮل ٮدا لهم ما كاٮوا ٮحڡوں مں ڡٮل

6:28

En als zij teruggebracht werden, zouden zij zeker herhalen wat hun verboden was,

ولو ردوا لعادوا لما ٮهوا عٮه

6:28

en zij zijn voorzeker leugenaars.

واٮهم لكدٮوں

En zij zeggen: “Er is slechts ons leven hienieden, en wij zullen niet opgewekt worden.”

وڡالوا اں هى الا حٮاٮٮا الدٮٮا وما ٮحں ٮمٮعوٮٮں

En als je zag, wanneer zij voor hun Voogd geplaatst zullen worden! Hij zal zeggen: “Is dit niet de waarheid?”

ولو ٮرى اد وڡڡوا على رٮهم ڡال الٮس هدا ٮالحٯ

Zij zullen zeggen: “Jawel, bij onze Voogd!”

ڡالوا ٮلى ورٮٮا

Hij zal zeggen: “Proef dus de pijn, omdat jullie verloochend hebben.”

ڡال ڡدوڡوا العداٮ ٮما كٮٮم ٮكڡروں

Zij zijn gewis verliezers, zij die de ontmoeting met God ontkend hebben, zozeer dat, wanneer het Uur onverhoeds tot hen komt, zij zeggen: “Wat een troosteloosheid voor ons, om wat wij erin verwaarloosd hebben!” Zij zullen hun lasten op hun rug dragen.

ڡد حسر الدٮں كدٮوا ٮلڡا الله حٮى ادا حاٮهم الساعه ٮعٮه ڡالوا ٮحسرٮٮا على ما ڡرطٮا ڡٮها وهم ٮحملوں اورارهم على طهورهم

Hoe slecht is de last die zij dragen!

الا سا ما ٮرروں

Het leven hienieden is slechts spel en verstrooiing;

وما الحٮوه الدٮٮا الا لعٮ ولهو

en het laatste verblijf is gewis beter voor hen die zich behoeden.

وللدار الاحره حٮر للدٮں ٮٮڡوں

Redeneren jullie dan niet?

اڡلا ٮعڡلوں

6:33

Wij zullen gewis weten dat wat zij zeggen je voorzeker bedroeft;

ڡد ٮعلم اٮه لٮحرٮك الدى ٮڡولوں

6:33

doch niet jou ontkennen zij,

ڡاٮهم لا ٮكدٮوٮك

6:33

maar het zijn de tekenen van God die de onrechtvaardigen halsstarrig betwisten.

ولكں الطلمٮں ٮاٮٮ الله ٮححدوں

Gezanten zijn gewis ontkend vóór jou; ontkend en lastiggevallen hebben zij geduld gehad totdat Onze hulp tot hen kwam.

ولڡد كدٮٮ رسل مں ڡٮلك ڡصٮروا على ما كدٮوا واودوا حٮى اٮٮهم ٮصرٮا

En niemand kan de woorden van God veranderen.

ولا مٮدل لكلمٮ الله

Een deel van het bericht van de gezondenen heeft je gewis reeds bereikt.

ولڡد حاك مں ٮٮاى المرسلٮں

6:35

En als hun ontwijking op je weegt, zoek dan, als je daartoe het vermogen hebt, een tunnel in de aarde, of een ladder in de hemel, om hun een teken te brengen.

واں كاں كٮر علٮك اعراصهم ڡاں اسٮطعٮ اں ٮٮٮعى ٮڡڡا ڡى الارص او سلما ڡى السما ڡٮاٮٮهم ٮاٮه

6:35

En als het God behaagd had, zou Hij hen op de leiding bijeengebracht hebben;

ولو سا الله لحمعهم على الهدى

6:35

behoor dus nooit tot de onwetenden.

ڡلا ٮكوٮں مں الحهلٮں

Slechts zij die horen, antwoorden.

اٮما ٮسٮحٮٮ الدٮں ٮسمعوں

Wat de doden betreft, God zal hen opwekken,

والموٮى ٮٮعٮهم الله

daarna is het tot Hem dat zij teruggebracht zullen worden.

ٮم الٮه ٮرحعوں

En zij zeggen: “Waarom heeft men geen teken van zijn Voogd op hem doen neerdalen!”

وڡالوا لولا ٮرل علٮه اٮه مں رٮه

Zeg: “God is gewis in staat een teken te doen neerdalen”,

ڡل اں الله ڡادر على اں ٮٮرل اٮه

maar de meesten van hen weten het niet.

ولكں اكٮرهم لا ٮعلموں

6:38

Er is geen wezen dat zich beweegt op de aarde, noch een vogel die met zijn twee vleugels vliegt, die geen gemeenschappen vormt soortgelijk aan jullie.

وما مں داٮه ڡى الارص ولا طٮر ٮطٮر ٮحٮاحٮه الا امم امٮالكم

6:38

Wij hebben niets verwaarloosd van de Codex.

ما ڡرطٮا ڡى الكٮٮ مں سى

Daarna worden zij tot hun Voogd verzameld.

ٮم الى رٮهم ٮحسروں

En zij die Onze tekenen ontkend hebben, zijn doof en stom, in de duisternissen.

والدٮں كدٮوا ٮاٮٮٮا صم وٮكم ڡى الطلمٮ

Wie het God behaagt te doen dwalen, die doet Hij dwalen;

مں ٮسا الله ٮصلله

en wie het Hem behaagt, die plaatst Hij op een rechtlijnig pad.

ومں ٮسا ٮحعله على صرط مسٮڡٮم

Zeg: “Zien jullie het? Als de pijn van God tot jullie kwam, of als het Uur tot jullie kwam, zouden jullie dan een ander dan God aanroepen, als jullie waarachtig zijn?”

ڡل ارٮٮكم اں اٮٮكم عداٮ الله او اٮٮكم الساعه اعٮر الله ٮدعوں اں كٮٮم صدڡٮں

In werkelijkheid is het Hem die jullie zouden aanroepen; Hij zou jullie dan verlichten, als het Hem behaagde, van datgene waarvoor jullie Hem aanriepen, en jullie zouden vergeten wat jullie associëren.

ٮل اٮاه ٮدعوں ڡٮكسڡ ما ٮدعوں الٮه اں سا وٮٮسوں ما ٮسركوں

Wij hebben gewis gezonden naar gemeenschappen vóór jou, en Wij hebben hen gegrepen door tegenspoed en schade, misschien zouden zij smeken.

ولڡد ارسلٮا الى امم مں ڡٮلك ڡاحدٮهم ٮالٮاسا والصرا لعلهم ٮٮصرعوں

Hadden zij maar gesmeekt, toen Onze strengheid tot hen kwam!

ڡلولا اد حاهم ٮاسٮا ٮصرعوا

6:43

Maar hun kernen verhardden, en de Afleider verfraaide hun wat zij deden.

ولكں ڡسٮ ڡلوٮهم ورٮں لهم السٮطں ما كاٮوا ٮعملوں

Daarna, toen zij vergaten waaraan men hen herinnerd had, openden Wij over hen de poorten van alles,

ڡلما ٮسوا ما دكروا ٮه ڡٮحٮا علٮهم اٮوٮ كل سى

zozeer dat, toen zij zich verheugden over wat hun gegeven was, Wij hen onverhoeds grepen, en daar zijn zij, wanhopig.

حٮى ادا ڡرحوا ٮما اوٮوا احدٮهم ٮعٮه ڡادا هم مٮلسوں

6:45

Zo werd het laatste overblijfsel van het volk dat onrechtvaardig was geweest, afgesneden.

ڡڡطع داٮر الڡوم الدٮں طلموا

6:45

En lof zij God, Voogd van alle wezens.

والحمد لله رٮ العلمٮں

Zeg: “Zien jullie het? Als God jullie gehoor en jullie gezichtsvermogen nam, en jullie kernen verzegelde, welke godheid, anders dan God, zou ze jullie teruggeven?”

ڡل ارٮٮم اں احد الله سمعكم واٮصركم وحٮم على ڡلوٮكم مں اله عٮر الله ٮاٮٮكم ٮه

Kijk hoe Wij de tekenen diversifiëren, en toch onttrekken zij zich eraan.

اٮطر كٮڡ ٮصرڡ الاٮٮ ٮم هم ٮصدڡوں

Zeg: “Zien jullie het? Als de pijn van God tot jullie kwam, onverhoeds of openlijk, wie zou vernietigd worden dan het onrechtvaardige volk?”

ڡل ارٮٮكم اں اٮٮكم عداٮ الله ٮعٮه او حهره هل ٮهلك الا الڡوم الطلموں

Wij zenden de gezondenen slechts als aankondigers en waarschuwers.

وما ٮرسل المرسلٮں الا مٮسرٮں ومٮدرٮں

Wie gelooft en zich saneert, geen vrees over hen, en zij zullen niet bedroefd zijn.

ڡمں امں واصلح ڡلا حوڡ علٮهم ولا هم ٮحرٮوں

En zij die Onze tekenen ontkend hebben, hen zal de pijn raken, omdat zij de grenzen overschreden hebben.

والدٮں كدٮوا ٮاٮٮٮا ٮمسهم العداٮ ٮما كاٮوا ٮڡسڡوں

6:50

Zeg: “Ik zeg jullie niet dat ik bij mij de reserves van God heb, noch dat ik ken wat de zintuigen ontgaat, noch zeg ik jullie dat ik een Gemachtigde ben;

ڡل لا اڡول لكم عٮدى حراٮں الله ولا اعلم العٮٮ ولا اڡول لكم اٮى ملك

ik volg slechts wat mij geopenbaard wordt.”

اں اٮٮع الا ما ٮوحى الى

Zeg: “Zijn de blinde en de ziende gelijk?”

ڡل هل ٮسٮوى الاعمى والٮصٮر

Denken jullie dus niet na?

اڡلا ٮٮڡكروں

En waarschuw erdoor hen die vrezen tot hun Voogd verzameld te worden – zij hebben, buiten Hem, geen beschermer noch voorspreker – misschien zullen zij zich behoeden.

واٮدر ٮه الدٮں ٮحاڡوں اں ٮحسروا الى رٮهم لٮس لهم مں دوٮه ولى ولا سڡٮع لعلهم ٮٮڡوں

6:52

En wijs hen niet af die hun Voogd aanroepen, ochtend en avond, Zijn richting beogend. Er rust op jou niets van hun rekening, en er rust op jou niets van jouw rekening ten aanzien van hen, opdat jij hen afwijst en dan tot de onrechtvaardigen behoort.

ولا ٮطرد الدٮں ٮدعوں رٮهم ٮالعدوه والعسى ٮرٮدوں وحهه ما علٮك مں حساٮهم مں سى وما مں حساٮك علٮهم مں سى ڡٮطردهم ڡٮكوں مں الطلمٮں

6:53

En zo hebben Wij de enen door de anderen beproefd, opdat zij zeggen: “Zijn dit zij die God onder ons begunstigd heeft?”

وكدلك ڡٮٮا ٮعصهم ٮٮعص لٮڡولوا اهولا مں الله علٮهم مں ٮٮٮٮا

6:53

Weet God niet het best wie dankbaar zijn?

الٮس الله ٮاعلم ٮالسكرٮں

En wanneer zij die in Onze tekenen geloven bij je komen, zeg: “Vrede over jullie.

وادا حاك الدٮں ٮومٮوں ٮاٮٮٮا ڡڡل سلم علٮكم

Jullie Voogd heeft Zichzelf de welwillendheid voorgeschreven: wie onder jullie een kwaad begaat uit onwetendheid, daarna, na die daad, berouw heeft en zich saneert – Hij is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”

كٮٮ رٮكم على ٮڡسه الرحمه اٮه مں عمل مٮكم سوا ٮحهله ٮم ٮاٮ مں ٮعده واصلح ڡاٮه عڡور رحٮم

6:55

Zo detailleren Wij de tekenen, opdat de weg van de afgezonderden duidelijk wordt.

وكدلك ٮڡصل الاٮٮ ولٮسٮٮٮں سٮٮل المحرمٮں

Zeg: “Het is mij gewis verboden te gehoorzamen aan hen die jullie aanroepen buiten God.”

ڡل اٮى ٮهٮٮ اں اعٮد الدٮں ٮدعوں مں دوں الله

6:56

Zeg: “Ik volg jullie emoties niet;

ڡل لا اٮٮع اهواكم

dan zou ik dwalend zijn, en ik zou niet behoren tot hen die zich laten leiden.”

ڡد صللٮ ادا وما اٮا مں المهٮدٮں

Zeg: “Ik steun gewis op een duidelijk bewijs van mijn Voogd, en jullie hebben het ontkend.

ڡل اٮى على ٮٮٮه مں رٮى وكدٮٮم ٮه

Ik heb niet bij mij wat jullie zoeken te verhaasten.

ما عٮدى ما ٮسٮعحلوں ٮه

Het oordeel behoort alleen aan God toe.

اں الحكم الا لله

6:57

Hij decreteert de waarheid,

ٮڡص الحٯ

en Hij is de voortreffelijkste van hen die de scheiding maken.”

وهو حٮر الڡصلٮں

Zeg: “Als ik bij mij had wat jullie zoeken te verhaasten, zou de zaak reeds beslist zijn tussen mij en jullie.”

ڡل لو اں عٮدى ما ٮسٮعحلوں ٮه لڡصى الامر ٮٮٮى وٮٮٮكم

God kent de onrechtvaardigen het best.

والله اعلم ٮالطلمٮں

6:59

En Hij heeft bij Zich de sleutels van wat de zintuigen ontgaat: niemand kent ze, uitgezonderd Hij.

وعٮده مڡاٮح العٮٮ لا ٮعلمها الا هو

6:59

En Hij weet wat op het vasteland en in de zee is.

وٮعلم ما ڡى الٮر والٮحر

6:59

Geen blad valt of Hij weet het; geen korrel, in de duisternissen van de aarde, niets vochtigs of droogs, dat niet in een uitdrukkelijk register is.

وما ٮسڡط مں ورڡه الا ٮعلمها ولا حٮه ڡى طلمٮ الارص ولا رطٮ ولا ٮاٮس الا ڡى كٮٮ مٮٮں

Hij is het die jullie getrouw in bewaring houdt, 's nachts, en weet wat jullie overdag bedreven hebben, daarna wekt Hij jullie erin op, opdat een genoemde termijn ten einde loopt;

وهو الدى ٮٮوڡٮكم ٮالٮل وٮعلم ما حرحٮم ٮالٮهار ٮم ٮٮعٮكم ڡٮه لٮڡصى احل مسمى

daarna is het tot Hem dat jullie terugkeer zal zijn, en Hij zal jullie berichten over wat jullie deden.

ٮم الٮه مرحعكم ٮم ٮٮٮٮكم ٮما كٮٮم ٮعملوں

Hij heerst boven Zijn gehoorzamen,

وهو الڡاهر ڡوٯ عٮاده

en Hij zendt over jullie bewaarders,

وٮرسل علٮكم حڡطه

zozeer dat, wanneer de dood bij een van jullie komt, Onze gezondenen hem getrouw in bewaring houden, zonder nalatigheid.

حٮى ادا حا احدكم الموٮ ٮوڡٮه رسلٮا وهم لا ٮڡرطوں

Daarna worden zij tot God teruggebracht, hun ware naaste Garant.

ٮم ردوا الى الله مولٮهم الحٯ

Is het niet aan Hem dat het oordeel toebehoort?

الا له الحكم

Hij is de vlugste van hen die de rekeningen bijhouden.

وهو اسرع الحسٮٮں

6:63

Zeg: “Wie redt jullie uit de duisternissen van het vasteland en van de zee?” – jullie roepen Hem aan smekend en in het geheim: “Als U ons hiervan redt, zullen wij voorzeker tot de dankbaren behoren.”

ڡل مں ٮٮحٮكم مں طلمٮ الٮر والٮحر ٮدعوٮه ٮصرعا وحڡٮه لٮں اٮحٮٮا مں هده لٮكوٮں مں السكرٮں

Zeg: “God redt jullie ervan, alsook van elke nood; toch associëren jullie.”

ڡل الله ٮٮحٮكم مٮها ومں كل كرٮ ٮم اٮٮم ٮسركوں

Zeg: “Hij is in staat over jullie een pijn op te wekken, van boven jullie of van onder jullie voeten, of jullie in facties te verwarren, en de enen het geweld van de anderen te doen proeven.”

ڡل هو الڡادر على اں ٮٮعٮ علٮكم عداٮا مں ڡوڡكم او مں ٮحٮ ارحلكم او ٮلٮسكم سٮعا وٮدٮٯ ٮعصكم ٮاس ٮعص

Kijk hoe Wij de tekenen diversifiëren, misschien zullen zij begrijpen.

اٮطر كٮڡ ٮصرڡ الاٮٮ لعلهم ٮڡڡهوں

Doch jouw volk heeft haar ontkend, terwijl zij de waarheid is.

وكدٮ ٮه ڡومك وهو الحٯ

6:66

Zeg: “Ik ben voor jullie geen lasthebber.

ڡل لسٮ علٮكم ٮوكٮل

Elk bericht heeft zijn stabiele plaats,

لكل ٮٮا مسٮڡر

en jullie zullen weldra weten.”

وسوڡ ٮعلموں

En wanneer je hen ziet die zich onderdompelen in Onze tekenen, ontwijk hen, totdat zij zich onderdompelen in een andere rede.

وادا راٮٮ الدٮں ٮحوصوں ڡى اٮٮٮا ڡاعرص عٮهم حٮى ٮحوصوا ڡى حدٮٮ عٮره

6:68

En als de Afleider je doet vergeten, blijf dan niet zitten, na deze herinnering, bij het onrechtvaardige volk.

واما ٮٮسٮٮك السٮطں ڡلا ٮڡعد ٮعد الدكرى مع الڡوم الطلمٮں

En er rust niets van hun rekening op hen die zich behoeden,

وما على الدٮں ٮٮڡوں مں حساٮهم مں سى

behalve een herinnering, misschien zullen zij zich behoeden.

ولكں دكرى لعلهم ٮٮڡوں

En laat hen achter die hun Wet tot verstrooiing en tot spel genomen hebben, en die het leven hienieden bedrogen heeft.

ودر الدٮں اٮحدوا دٮٮهم لعٮا ولهوا وعرٮهم الحٮوه الدٮٮا

En herinner erdoor, uit vrees dat een Zelf wordt uitgeleverd voor wat het verworven heeft, zonder buiten God een beschermer noch voorspreker te hebben;

ودكر ٮه اں ٮٮسل ٮڡس ٮما كسٮٮ لٮس لها مں دوں الله ولى ولا سڡٮع

en zelfs al bood het elke compensatie aan, zij zou niet van hem genomen worden.

واں ٮعدل كل عدل لا ٮوحد مٮها

Dat zijn zij die uitgeleverd zullen zijn voor wat zij verworven hebben; zij zullen een drank van kokend water hebben en een schrijnende pijn, omdat zij verloochend hebben.

اولٮك الدٮں اٮسلوا ٮما كسٮوا لهم سراٮ مں حمٮم وعداٮ الٮم ٮما كاٮوا ٮكڡروں

6:71

Zeg: “Zouden wij buiten God aanroepen wat ons niet baat noch schaadt, en zouden wij op onze hielen teruggebracht worden nadat God ons geleid heeft, zoals hij die de Afleiders op aarde hebben aangetrokken, verdwaasd,

ڡل اٮدعوا مں دوں الله ما لا ٮٮڡعٮا ولا ٮصرٮا وٮرد على اعڡاٮٮا ٮعد اد هدٮٮا الله كالدى اسٮهوٮه السٮطٮں ڡى الارص حٮراں

terwijl hij metgezellen heeft die hem naar de leiding roepen: ‘Kom naar ons’?”

له اصحٮ ٮدعوٮه الى الهدى اٮٮٮا

Zeg: “De leiding van God, dat is de leiding; en het is ons bevolen integer te zijn tegenover de Voogd van alle wezens, en het Contact te onderhouden, en ons voor Hem te behoeden.”

ڡل اں هدى الله هو الهدى وامرٮا لٮسلم لرٮ العلمٮں واں اڡٮموا الصلوه واٮڡوه

En het is tot Hem dat jullie verzameld zullen worden.

وهو الدى الٮه ٮحسروں

Hij is het die de hemelen en de aarde geschapen heeft in alle waarheid,

وهو الدى حلٯ السموٮ والارص ٮالحٯ

en de dag waarop Hij zegt: “Wees”,

وٮوم ٮڡول كں

dat is.

ڡٮكوں

Zijn uitspraak is de waarheid,

ڡوله الحٯ

6:73

en aan Hem behoort het koningschap toe,

وله الملك

6:73

op de dag waarop men in de Hoorn zal blazen.

ٮوم ٮٮڡح ڡى الصور

6:73

Hij die weet wat de zintuigen ontgaat en wat geattesteerd is,

علم العٮٮ والسهده

Hij is de Wijze, de Intieme Kenner.

وهو الحكٮم الحٮٮر

6:74

En toen Ibrahim tot zijn vader Azar zei: “Neem jij idolen tot godheden?

واد ڡال اٮرهٮم لاٮٮه ارر اٮٮحد اصٮاما الهه

Ik zie jou gewis, jou en jouw volk, in een klaarblijkelijke dwaling.”

اٮى ارٮك وڡومك ڡى صلل مٮٮں

6:75

Zo toonden Wij Ibrahim het soevereine koningschap van de hemelen en de aarde, opdat hij behoort tot hen die de zekerheid bezitten.

وكدلك ٮرى اٮرهٮم ملكوٮ السموٮ والارص ولٮكوں مں الموڡٮٮں

6:76

Toen de nacht hem verborg, zag hij een hemellichaam; hij zei: “Dit is mijn voogd”;

ڡلما حں علٮه الٮل را كوكٮا ڡال هدا رٮى

6:76

maar toen het verdween, zei hij: “Ik hou niet van hen die verdwijnen.”

ڡلما اڡل ڡال لا احٮ الاڡلٮں

6:77

Daarna, toen hij de maan zag opkomen, zei hij: “Dit is mijn voogd”;

ڡلما را الڡمر ٮارعا ڡال هدا رٮى

6:77

maar toen zij verdween, zei hij: “Als mijn Voogd mij niet leidt, zal ik voorzeker van het dwalende volk zijn.”

ڡلما اڡل ڡال لٮں لم ٮهدٮى رٮى لاكوٮں مں الڡوم الصالٮں

6:78

Daarna, toen hij de zon zag opkomen, zei hij: “Dit is mijn voogd, deze is groter”;

ڡلما را السمس ٮارعه ڡال هدا رٮى هدا اكٮر

6:78

maar toen hij verdween, zei hij: “O mijn volk! Ik ben gewis vrij van wat jullie associëren.

ڡلما اڡلٮ ڡال ٮڡوم اٮى ٮرى مما ٮسركوں

6:79

Ik heb mijn richting georiënteerd naar Hem die de hemelen en de aarde oorspronkelijk geschapen heeft, geheel naar Hem toegekeerd,

اٮى وحهٮ وحهى للدى ڡطر السموٮ والارص حٮٮڡا

en ik behoor niet tot hen die associëren.”

وما اٮا مں المسركٮں

6:80

En zijn volk disputeerde met hem.

وحاحه ڡومه

Hij zei: “Disputeren jullie met mij over God, terwijl Hij mij geleid heeft?

ڡال اٮححوٮى ڡى الله وڡد هدٮں

En ik vrees niet wat jullie met Hem associëren, tenzij het mijn Voogd behaagt dat mij iets overkomt.

ولا احاڡ ما ٮسركوں ٮه الا اں ٮسا رٮى سٮا

Mijn Voogd omvat alles met Zijn weten.

وسع رٮى كل سى علما

Herinneren jullie je dan niet?

اڡلا ٮٮدكروں

En hoe zou ik vrezen wat jullie associëren,

وكٮڡ احاڡ ما اسركٮم

terwijl jullie niet vrezen aan God datgene te hebben geassocieerd waarvoor Hij op jullie geen enkel gezag heeft doen neerdalen?

ولا ٮحاڡوں اٮكم اسركٮم ٮالله ما لم ٮٮرل ٮه علٮكم سلطٮا

6:81

Welke van de twee fracties heeft dus het meeste recht op de veiligheid, als jullie weten?”

ڡاى الڡرٮڡٮں احٯ ٮالامں اں كٮٮم ٮعلموں

6:82

Zij die geloofd hebben en hun geloof niet met enig onrecht bekleed hebben – dat zijn zij die de veiligheid hebben, en zij laten zich leiden.

الدٮں امٮوا ولم ٮلٮسوا اٮمٮهم ٮطلم اولٮك لهم الامں وهم مهٮدوں

6:83

En dat is Ons argument, dat Wij Ibrahim gegeven hebben tegen zijn volk.

وٮلك ححٮٮا اٮٮٮها اٮرهٮم على ڡومه

Wij verheffen in graden wie het Ons behaagt.

ٮرڡع درحٮ مں ٮسا

Jouw Voogd is gewis Wijs, Alwetend.

اں رٮك حكٮم علٮم

En Wij schonken hem Ishaq en Ja'qoeb;

ووهٮٮا له اسحٯ وٮعڡوٮ

Wij hebben hen beiden geleid.

كلا هدٮٮا

6:84

En Noeh, Wij hadden hem voordien geleid;

وٮوحا هدٮٮا مں ڡٮل

6:84

en onder zijn nageslacht, Dawoed, Soelaiman, Ajjoeb, Joesoef, Moesa en Haroen.

ومں درٮٮه داود وسلٮمں واٮوٮ وٮوسڡ وموسى وهروں

Zo vergelden Wij hen die het goede doen.

وكدلك ٮحرى المحسٮٮں

6:85

En Zakarija, Jahja, Isa en Iljas –

وركرٮا وٮحٮى وعٮسى والٮاس

allen behoren tot hen die gezond zijn.

كل مں الصلحٮں

6:86

En Isma'il, Al-Jasa', Joenoes en Loet –

واسمعٮل والٮسع وٮوٮس ولوطا

en allen, Wij hebben hen bevoorrecht boven alle wezens.

وكلا ڡصلٮا على العلمٮں

En onder hun voorouders, hun nageslachten en hun broers –

ومں اٮاٮهم ودرٮٮهم واحوٮهم

Wij hebben hen verkozen, en Wij hebben hen geleid naar een rechtlijnig pad.

واحٮٮٮٮهم وهدٮٮهم الى صرط مسٮڡٮم

Dat is de leiding van God, waarmee Hij leidt wie het Hem behaagt onder Zijn gehoorzamen.

دلك هدى الله ٮهدى ٮه مں ٮسا مں عٮاده

En als zij geassocieerd hadden, zou wat zij deden voor hen ingestort zijn.

ولو اسركوا لحٮط عٮهم ما كاٮوا ٮعملوں

6:89

Dat zijn zij aan wie Wij de Schrift, het oordeel en de berichtgeving gegeven hebben.

اولٮك الدٮں اٮٮٮهم الكٮٮ والحكم والٮٮوه

Als dezen haar dus verloochenen, hebben Wij reeds een volk voor haar gemandateerd dat er geen verloochenaar van is.

ڡاں ٮكڡر ٮها هولا ڡڡد وكلٮا ٮها ڡوما لٮسوا ٮها ٮكڡرٮں

6:90

Dat zijn zij die God geleid heeft; modelleer je dus naar hun leiding.

اولٮك الدٮں هدى الله ڡٮهدٮهم اڡٮده

6:90

Zeg: “Ik vraag jullie hiervoor geen enkele beloning.

ڡل لا اسلكم علٮه احرا

6:90

Het is slechts een herinnering voor alle wezens.”

اں هو الا دكرى للعلمٮں

6:91

Zij hebben God niet gemeten naar Zijn juiste maat, toen zij zeiden: “God heeft niets doen neerdalen op een sterveling.”

وما ڡدروا الله حٯ ڡدره اد ڡالوا ما اٮرل الله على ٮسر مں سى

6:91

Zeg: “Wie heeft de Schrift doen neerdalen die Moesa gebracht heeft, licht en leiding voor de mensen,

ڡل مں اٮرل الكٮٮ الدى حا ٮه موسى ٮورا وهدى للٮاس

6:91

die zij op perkamenten zetten, door sommige te doen blijken en er veel van te verhullen –

ٮحعلوٮه ڡراطٮس ٮٮدوٮها وٮحڡوں كٮٮرا

6:91

en men heeft jullie onderwezen wat jullie niet wisten, noch jullie noch jullie voorouders?” Zeg: “God”;

وعلمٮم ما لم ٮعلموا اٮٮم ولا اٮاوكم ڡل الله

daarna laat hen achter in hun ijdele redevoeringen, waarin zij spelen.

ٮم درهم ڡى حوصهم ٮلعٮوں

6:92

En dit is een Schrift die Wij hebben doen neerdalen, gezegend, bevestigend wat haar voorafgaat, opdat jij de metropool der steden en hen die haar omringen waarschuwt.

وهدا كٮٮ اٮرلٮه مٮارك مصدٯ الدى ٮٮں ٮدٮه ولٮٮدر ام الڡرى ومں حولها

En zij die in het laatste leven geloven, geloven erin, en zij bewaren voortdurend hun Contact.

والدٮں ٮومٮوں ٮالاحره ٮومٮوں ٮه وهم على صلاٮهم ٮحاڡطوں

En wie is dus onrechtvaardiger dan wie een leugen verzint tegen God, of zegt: “Het is mij geopenbaard”, terwijl hem niets geopenbaard is, en wie zegt: “Ik zal het soortgelijke doen neerdalen van wat God heeft doen neerdalen”?

ومں اطلم ممں اڡٮرى على الله كدٮا او ڡال اوحى الى ولم ٮوح الٮه سى ومں ڡال ساٮرل مٮل ما اٮرل الله

6:93

En als je zag, wanneer de onrechtvaardigen in de doodsstrijd zijn, en de Gemachtigden de handen uitstrekken: “Breng jullie Zelf naar buiten.

ولو ٮرى اد الطلموں ڡى عمرٮ الموٮ والملٮكه ٮاسطوا اٮدٮهم احرحوا اٮڡسكم

Vandaag zullen jullie vergolden worden met de pijn van de verlaging, omdat jullie over God iets anders dan de waarheid gezegd hebben, en omdat jullie tegenover Zijn tekenen van hoogmoed zijn opgezwollen.”

الٮوم ٮحروں عداٮ الهوں ٮما كٮٮم ٮڡولوں على الله عٮر الحٯ وكٮٮم عں اٮٮه ٮسٮكٮروں

Hier zijn jullie dan, tot Ons gekomen, geïsoleerd, zoals Wij jullie de eerste keer geschapen hebben, en jullie hebben achter jullie rug gelaten wat Wij jullie toegekend hadden;

ولڡد حٮٮموٮا ڡردى كما حلڡٮكم اول مره وٮركٮم ما حولٮكم ورا طهوركم

en Wij zien jullie voorsprekers niet bij jullie, van wie jullie beweerden dat zij geassocieerden waren onder jullie.

وما ٮرى معكم سڡعاكم الدٮں رعمٮم اٮهم ڡٮكم سركوا

De schakels tussen jullie zijn wel verbroken, en wat jullie beweerden is ver van jullie gedwaald.

لڡد ٮڡطع ٮٮٮكم وصل عٮكم ما كٮٮم ٮرعموں

God is Hij die het zaad en de kern splijt.

اں الله ڡالٯ الحٮ والٮوى

Hij brengt de levende uit de dode naar buiten, en Hij brengt de dode uit de levende naar buiten.

ٮحرح الحى مں المٮٮ ومحرح المٮٮ مں الحى

Dat is God.

دلكم الله

Hoe worden jullie dan van het spoor gebracht?

ڡاٮى ٮوڡكوں

Hij die het krieken van de dag splijt, en die van de nacht een rust gemaakt heeft,

ڡالٯ الاصٮاح وحعل الٮل سكٮا

en van de zon en de maan, een berekening.

والسمس والڡمر حسٮاٮا

Dat is de maat die vastgelegd is door de Almachtige, de Alwetende.

دلك ٮڡدٮر العرٮر العلٮم

En Hij is het die voor jullie de sterren gemaakt heeft, opdat jullie je erdoor laten leiden in de duisternissen van het vasteland en van de zee.

وهو الدى حعل لكم الٮحوم لٮهٮدوا ٮها ڡى طلمٮ الٮر والٮحر

Wij hebben de tekenen gewis gedetailleerd voor een volk dat weet.

ڡد ڡصلٮا الاٮٮ لڡوم ٮعلموں

6:98

En Hij is het die jullie uit één enkel Zelf heeft doen ontstaan – daarna een haven en een depot.

وهو الدى اٮساكم مں ٮڡس وحده ڡمسٮڡر ومسٮودع

Wij hebben de tekenen gewis gedetailleerd voor een volk dat begrijpt.

ڡد ڡصلٮا الاٮٮ لڡوم ٮڡڡهوں

En Hij is het die uit de hemel een water heeft doen neerdalen, en Wij hebben daarmee de plantengroei van alles naar buiten gebracht; Wij hebben daaruit groen naar buiten gebracht, waaruit Wij opeengestapelde korrels naar buiten brengen, en, uit de palm, uit zijn bloeischede, trossen binnen handbereik, en tuinen van wijnstokken, de olijfboom en de granaatappelboom, gelijkend en niet gelijkend.

وهو الدى اٮرل مں السما ما ڡاحرحٮا ٮه ٮٮاٮ كل سى ڡاحرحٮا مٮه حصرا ٮحرح مٮه حٮا مٮراكٮا ومں الٮحل مں طلعها ڡٮواں داٮٮه وحٮٮ مں اعٮاٮ والرٮٮوں والرماں مسٮٮها وعٮر مٮسٮه

Kijk naar zijn vrucht, wanneer hij vrucht draagt, en naar zijn rijping.

اٮطروا الى ٮمره ادا اٮمر وٮٮعه

Daarin zijn voorzeker tekenen voor een volk dat gelooft.

اں ڡى دلكم لاٮٮ لڡوم ٮومٮوں

6:100

En zij hebben aan God geassocieerden toegewezen: de Verborgenen, terwijl Hij hen geschapen heeft;

وحعلوا لله سركا الحں وحلڡهم

en zij hebben Hem, zonder enig weten, zonen en dochters toegeschreven.

وحرڡوا له ٮٮٮں وٮٮٮ ٮعٮر علم

Glorie zij Hem! Hij staat ver boven wat zij beschrijven.

سٮحٮه وٮعلى عما ٮصڡوں

Schepper zonder precedent van de hemelen en de aarde.

ٮدٮع السموٮ والارص

Hoe zou Hij een kind hebben, terwijl Hij geen metgezellin heeft,

اٮى ٮكوں له ولد ولم ٮكں له صحٮه

en Hij alles geschapen heeft,

وحلٯ كل سى

en Hij Alwetend is over alles?

وهو ٮكل سى علٮم

Dat is God, jullie Voogd.

دلكم الله رٮكم

Geen godheid behalve Hij,

لا اله الا هو

Schepper van alles;

حلٯ كل سى

gehoorzaam Hem dus.

ڡاعٮدوه

6:102

Hij is, over alles, lasthebber.

وهو على كل سى وكٮل

6:103

Het gezichtsvermogen haalt Hem niet in,

لا ٮدركه الاٮصر

6:103

maar Hij haalt het gezichtsvermogen in.

وهو ٮدرك الاٮصر

6:103

Hij is de Subtiele, de Intieme Kenner.

وهو اللطٮڡ الحٮٮر

Er zijn jullie gewis klaarzichtigheden van jullie Voogd gekomen.

ڡد حاكم ٮصاٮر مں رٮكم

Wie klaar ziet, dat is voor zichzelf; en wie blind is, dat is ten nadele van hemzelf.

ڡمں اٮصر ڡلٮڡسه ومں عمى ڡعلٮها

En ik ben over jullie geen bewaarder.

وما اٮا علٮكم ٮحڡٮط

En zo diversifiëren Wij de tekenen; en opdat zij zeggen: “Je hebt gestudeerd”, en opdat Wij het duidelijk maken voor een volk dat weet.

وكدلك ٮصرڡ الاٮٮ ولٮڡولوا درسٮ ولٮٮٮٮه لڡوم ٮعلموں

Volg wat je geopenbaard wordt van de zijde van jouw Voogd.

اٮٮع ما اوحى الٮك مں رٮك

Geen godheid behalve Hij,

لا اله الا هو

en ontwijk hen die associëren.

واعرص عں المسركٮں

En als het God behaagd had, zouden zij niet geassocieerd hebben.

ولو سا الله ما اسركوا

En Wij hebben je niet hun bewaarder gemaakt,

وما حعلٮك علٮهم حڡٮطا

6:107

en jij bent voor hen geen lasthebber.

وما اٮٮ علٮهم ٮوكٮل

6:108

En beledig hen niet die zij buiten God aanroepen, uit vrees dat zij God beledigen uit vijandigheid, zonder te weten.

ولا ٮسٮوا الدٮں ٮدعوں مں دوں الله ڡٮسٮوا الله عدوا ٮعٮر علم

6:108

Zo hebben Wij voor elke gemeenschap haar werk verfraaid;

كدلك رٮٮا لكل امه عملهم

6:108

daarna is het tot hun Voogd dat hun terugkeer zal zijn, en Hij zal hen berichten over wat zij deden.

ٮم الى رٮهم مرحعهم ڡٮٮٮٮهم ٮما كاٮوا ٮعملوں

En zij hebben bij God gezworen, met de volle kracht van hun eden, dat als een teken tot hen kwam, zij er voorzeker in zouden geloven.

واڡسموا ٮالله حهد اٮمٮهم لٮں حاٮهم اٮه لٮومٮں ٮها

Zeg: “De tekenen zijn slechts bij God”;

ڡل اٮما الاٮٮ عٮد الله

6:109

en wat doet jullie het voelen?

وما ٮسعركم

6:109

Gewis, wanneer het komt, zullen zij er niet in geloven.

اٮها ادا حاٮ لا ٮومٮوں

En Wij keren hun Bewustzijnen en hun gezichtsvermogen om, zoals zij er de eerste keer niet in geloofd hebben, en Wij laten hen achter in hun mateloosheid, waarin zij rondtasten.

وٮڡلٮ اڡدٮهم واٮصرهم كما لم ٮومٮوا ٮه اول مره وٮدرهم ڡى طعٮٮهم ٮعمهوں

6:111

En zelfs als Wij de Gemachtigden naar hen hadden doen neerdalen, en de doden tot hen hadden gesproken, en Wij alles voor hen hadden verzameld, oog in oog, zij zouden niet geloofd hebben, tenzij het God behaagt;

ولو اٮٮا ٮرلٮا الٮهم الملٮكه وكلمهم الموٮى وحسرٮا علٮهم كل سى ڡٮلا ما كاٮوا لٮومٮوا الا اں ٮسا الله

maar de meesten onder hen zijn onwetend.

ولكں اكٮرهم ٮحهلوں

6:112

En zo hebben Wij aan elke berichtgever een vijand toegewezen: de afleiders onder de stervelingen en de Verborgenen, die elkaar een vergulde uitspraak ingeven, om te bedriegen.

وكدلك حعلٮا لكل ٮٮى عدوا سٮطٮں الاٮس والحں ٮوحى ٮعصهم الى ٮعص رحرڡ الڡول عرورا

6:112

En als het jouw Voogd behaagd had, zouden zij het niet gedaan hebben;

ولو سا رٮك ما ڡعلوه

6:112

laat hen dus achter, alsook wat zij verzinnen.

ڡدرهم وما ٮڡٮروں

6:113

En opdat de Bewustzijnen van hen die niet in het laatste leven geloven ertoe overhellen, zij er zich mee tevreden stellen, en zij begaan wat zij te begaan hebben.

ولٮصعى الٮه اڡده الدٮں لا ٮومٮوں ٮالاحره ولٮرصوه ولٮڡٮرڡوا ما هم مڡٮرڡوں

6:114

Zou ik dus een andere rechter dan God zoeken, terwijl Hij het is die de Schrift, gedetailleerd, naar jullie heeft doen neerdalen?

اڡعٮر الله اٮٮعى حكما وهو الدى اٮرل الٮكم الكٮٮ مڡصلا

6:114

En zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben, weten dat zij van jouw Voogd neergedaald is in alle waarheid;

والدٮں اٮٮٮهم الكٮٮ ٮعلموں اٮه مٮرل مں رٮك ٮالحٯ

behoor dus nooit tot hen die in controverse treden.

ڡلا ٮكوٮں مں الممٮرٮں

6:115

En het woord van jouw Voogd is voltooid, in alle waarachtigheid en in alle rechtvaardigheid.

وٮمٮ كلمٮ رٮك صدڡا وعدلا

6:115

Niemand kan Zijn woorden veranderen,

لا مٮدل لكلمٮه

en Hij is de Alhorende, de Alwetende.

وهو السمٮع العلٮم

6:116

En als je je voegt naar de meesten van hen die op de aarde zijn, zullen zij je ver van de weg van God doen dwalen.

واں ٮطع اكٮر مں ڡى الارص ٮصلوك عں سٮٮل الله

6:116

Zij volgen slechts het vermoeden,

اں ٮٮٮعوں الا الطں

6:116

en zij doen niets dan gissen.

واں هم الا ٮحرصوں

Jouw Voogd kent gewis het best wie ver van Zijn weg dwaalt,

اں رٮك هو اعلم مں ٮصل عں سٮٮله

en Hij weet het best wie zich laten leiden.

وهو اعلم ٮالمهٮدٮں

Eet dus van datgene waarover de naam van God herinnerd is, als jullie gelovenden zijn in Zijn tekenen.

ڡكلوا مما دكر اسم الله علٮه اں كٮٮم ٮاٮٮه مومٮٮں

En wat is er met jullie, dat jullie niet eten van datgene waarover de naam van God herinnerd is, terwijl Hij jullie gedetailleerd heeft wat Hij jullie ontzegd heeft, behoudens datgene waartoe jullie in het nauw gedreven worden?

وما لكم الا ٮاكلوا مما دكر اسم الله علٮه وڡد ڡصل لكم ما حرم علٮكم الا ما اصطررٮم الٮه

6:119

En velen doen voorzeker dwalen door hun emoties, zonder te weten.

واں كٮٮرا لٮصلوں ٮاهواٮهم ٮعٮر علم

Jouw Voogd weet het best wie de grenzen overschrijden.

اں رٮك هو اعلم ٮالمعٮدٮں

En laat de overtreding achter, onbedekt en innerlijk.

ودروا طهر الاٮم وٮاطٮه

Zij die de overtreding verwerven zullen gewis vergolden worden voor wat zij begingen.

اں الدٮں ٮكسٮوں الاٮم سٮحروں ٮما كاٮوا ٮڡٮرڡوں

En eet niet van datgene waarover de naam van God niet herinnerd is: het is voorzeker een grensoverschrijding.

ولا ٮاكلوا مما لم ٮدكر اسم الله علٮه واٮه لڡسٯ

6:121

En de Afleiders geven voorzeker hun bondgenoten in om met jullie te debatteren;

واں السٮطٮں لٮوحوں الى اولٮاٮهم لٮحدلوكم

en als jullie je naar hen voegden, zouden jullie voorzeker tot hen behoren die associëren.

واں اطعٮموهم اٮكم لمسركوں

Wie dood was, en aan wie Wij het leven gegeven hebben, en voor wie Wij een licht gemaakt hebben waarmee hij onder de mensen loopt, is hij soortgelijk aan hem wiens voorbeeld is dat hij in de duisternissen is, zonder eruit te kunnen gaan?

اومں كاں مٮٮا ڡاحٮٮٮه وحعلٮا له ٮورا ٮمسى ٮه ڡى الٮاس كمں مٮله ڡى الطلمٮ لٮس ٮحارح مٮها

Zo werden voor hen die verloochenen de daden verfraaid die zij verrichtten.

كدلك رٮں للكڡرٮں ما كاٮوا ٮعملوں

En zo hebben Wij in elke stad de grootsten van haar afgezonderden geplaatst, opdat zij er complotteren;

وكدلك حعلٮا ڡى كل ڡرٮه اكٮر محرمٮها لٮمكروا ڡٮها

maar zij complotteren slechts tegen zichzelf, zonder het te voelen.

وما ٮمكروں الا ٮاٮڡسهم وما ٮسعروں

6:124

En wanneer een teken tot hen komt, zeggen zij: “Wij zullen niet geloven, totdat men ons het soortgelijke geeft van wat aan de gezanten van God gegeven is.”

وادا حاٮهم اٮه ڡالوا لں ٮومں حٮى ٮوٮى مٮل ما اوٮى رسل الله

6:124

God weet het best waar Hij Zijn boodschap plaatst.

الله اعلم حٮٮ ٮحعل رسالٮه

Een verlaging bij God, en een strenge pijn, zullen hen te beurt vallen die zich afgezonderd hebben, omdat zij gecomplotteerd hebben.

سٮصٮٮ الدٮں احرموا صعار عٮد الله وعداٮ سدٮد ٮما كاٮوا ٮمكروں

6:125

Wie God wil leiden, diens borst opent Hij voor de integriteit tegenover God;

ڡمں ٮرد الله اں ٮهدٮه ٮسرح صدره للاسلم

en wie Hij wil doen dwalen, diens borst maakt Hij nauw en benauwd, alsof hij in de hemel opsteeg.

ومں ٮرد اں ٮصله ٮحعل صدره صٮڡا حرحا كاٮما ٮصعد ڡى السما

Zo plaatst God het slijk op hen die niet geloven.

كدلك ٮحعل الله الرحس على الدٮں لا ٮومٮوں

En dit is het pad van jouw Voogd, rechtlijnig.

وهدا صرط رٮك مسٮڡٮما

Wij hebben de tekenen gewis gedetailleerd voor een volk dat zich herinnert.

ڡد ڡصلٮا الاٮٮ لڡوم ٮدكروں

Zij hebben het Verblijf van de Vrede, bij hun Voogd,

لهم دار السلم عٮد رٮهم

en Hij is hun beschermer, om wat zij deden.

وهو ولٮهم ٮما كاٮوا ٮعملوں

6:128

En de dag waarop Hij hen allen zal verzamelen: “O vergadering van de Verborgenen! Jullie hebben wel veel stervelingen voor jullie gewonnen”;

وٮوم ٮحسرهم حمٮعا ٮمعسر الحں ڡد اسٮكٮرٮم مں الاٮس

en hun bondgenoten onder de stervelingen zullen zeggen: “Onze Voogd, wij hebben van elkaar genoten, en wij hebben onze termijn bereikt, die U ons had vastgelegd.”

وڡال اولٮاوهم مں الاٮس رٮٮا اسٮمٮع ٮعصٮا ٮٮعص وٮلعٮا احلٮا الدى احلٮ لٮا

Hij zal zeggen: “Het Vuur is jullie onderkomen, jullie blijven daar eeuwig” – behoudens wat het God zal behagen.

ڡال الٮار مٮوٮكم حلدٮں ڡٮها الا ما سا الله

Jouw Voogd is gewis Wijs, Alwetend.

اں رٮك حكٮم علٮم

En zo doen Wij de onrechtvaardigen elkaars bondgenoten worden, om wat zij verwierven.

وكدلك ٮولى ٮعص الطلمٮں ٮعصا ٮما كاٮوا ٮكسٮوں

6:130

“O vergadering van de Verborgenen en van de stervelingen! Zijn er geen gezanten uit jullie midden tot jullie gekomen, die jullie Mijn tekenen vertelden en jullie waarschuwden voor de ontmoeting van deze dag die van jullie is?”

ٮمعسر الحں والاٮس الم ٮاٮكم رسل مٮكم ٮڡصوں علٮكم اٮٮى وٮٮدروٮكم لڡا ٮومكم هدا

Zij zullen zeggen: “Wij getuigen tegen onszelf”;

ڡالوا سهدٮا على اٮڡسٮا

en het leven hienieden heeft hen bedrogen, en zij zullen tegen zichzelf getuigen dat zij verloochenden.

وعرٮهم الحٮوه الدٮٮا وسهدوا على اٮڡسهم اٮهم كاٮوا كڡرٮں

Dat komt doordat het niet in de aard van jouw Voogd ligt steden op onrechtvaardige wijze te vernietigen, terwijl de lieden erin onbekommerd zouden zijn.

دلك اں لم ٮكں رٮك مهلك الڡرى ٮطلم واهلها عڡلوں

En voor ieder, graden, naar wat zij gedaan hebben.

ولكل درحٮ مما عملوا

En jouw Voogd is niet onbekommerd over wat zij doen.

وما رٮك ٮعڡل عما ٮعملوں

En jouw Voogd is de Rijke, houder van de welwillendheid.

ورٮك العٮى دو الرحمه

Als het Hem behaagt, voert Hij jullie weg, en Hij laat na jullie opvolgen wat het Hem behaagt, zoals Hij jullie heeft doen ontstaan uit het nageslacht van een ander volk.

اں ٮسا ٮدهٮكم وٮسٮحلڡ مں ٮعدكم ما ٮسا كما اٮساكم مں درٮه ڡوم احرٮں

Wat jullie beloofd wordt, zal voorzeker komen,

اں ما ٮوعدوں لاٮ

en jullie zullen Hem niet tot onmacht weten te brengen.

وما اٮٮم ٮمعحرٮں

Zeg: “O mijn volk! Handel naar jullie plaats; ook ik handel gewis.

ڡل ٮڡوم اعملوا على مكاٮٮكم اٮى عامل

Jullie zullen weldra weten aan wie de afloop van het verblijf zal toekomen.

ڡسوڡ ٮعلموں مں ٮكوں له عڡٮه الدار

De onrechtvaardigen slagen gewis niet.”

اٮه لا ٮڡلح الطلموں

6:136

En zij hebben aan God, van wat Hij als akker en vee heeft verspreid, een deel toegewezen, zeggend: “Dit is voor God” – volgens hun bewering – “en dit is voor onze geassocieerden”;

وحعلوا لله مما درا مں الحرٮ والاٮعم ٮصٮٮا ڡڡالوا هدا لله ٮرعمهم وهدا لسركاٮٮا

6:136

en wat voor hun geassocieerden bestemd is, bereikt God niet,

ڡما كاں لسركاٮهم ڡلا ٮصل الى الله

6:136

terwijl wat voor God bestemd is, dat bereikt hun geassocieerden.

وما كاں لله ڡهو ٮصل الى سركاٮهم

6:136

Hoe slecht is hun oordeel!

سا ما ٮحكموں

En zo hebben hun geassocieerden voor velen van de associeerders de moord op hun kinderen verfraaid, om hen tot hun val te voeren en voor hen hun Wet te verwarren.

وكدلك رٮں لكٮٮر مں المسركٮں ڡٮل اولدهم سركاوهم لٮردوهم ولٮلٮسوا علٮهم دٮٮهم

En als het God behaagd had, zouden zij het niet gedaan hebben;

ولو سا الله ما ڡعلوه

laat hen dus achter, alsook wat zij verzinnen.

ڡدرهم وما ٮڡٮروں

6:138

En zij hebben gezegd: “Hier is vee en een akker verboden: niemand zal zich ervan voeden, behoudens wie het ons behaagt” – volgens hun bewering – “en vee waarvan de rug ontzegd is”, en vee waarover zij de naam van God niet herinneren, als verzinsel tegen Hem.

وڡالوا هده اٮعم وحرٮ ححر لا ٮطعمها الا مں ٮسا ٮرعمهم واٮعم حرمٮ طهورها واٮعم لا ٮدكروں اسم الله علٮها اڡٮرا علٮه

Hij zal hen vergelden voor wat zij verzonnen.

سٮحرٮهم ٮما كاٮوا ٮڡٮروں

6:139

En zij hebben gezegd: “Wat in de buik van dit vee is, behoort uitsluitend aan onze mannelijken toe, en is onze echtgenoten ontzegd”;

وڡالوا ما ڡى ٮطوں هده الاٮعم حالصه لدكورٮا ومحرم على اروحٮا

maar als het een doodgeborene is, nemen zij er allen aan deel.

واں ٮكں مٮٮه ڡهم ڡٮه سركا

Hij zal hen vergelden voor hun toerekening.

سٮحرٮهم وصڡهم

Hij is Wijs, Alwetend.

اٮه حكٮم علٮم

Zij zijn gewis verliezers, zij die hun kinderen gedood hebben uit dwaasheid, zonder te weten, en die datgene voor ontzegd hebben gehouden waarmee God hen voorzien had, als verzinsel tegen God.

ڡد حسر الدٮں ڡٮلوا اولدهم سڡها ٮعٮر علم وحرموا ما ررڡهم الله اڡٮرا على الله

Zij zijn gedwaald, en zij lieten zich niet leiden.

ڡد صلوا وما كاٮوا مهٮدٮں

En Hij is het die tuinen heeft doen ontstaan, met latwerk en zonder latwerk, alsook de palm en de teelt, met verscheidene spijzen, en de olijfboom en de granaatappelboom, gelijkend en niet gelijkend.

وهو الدى اٮسا حٮٮ معروسٮ وعٮر معروسٮ والٮحل والررع محٮلڡا اكله والرٮٮوں والرماں مٮسٮها وعٮر مٮسٮه

Eet van zijn vrucht, wanneer hij vrucht draagt, en geef wat hem verschuldigd is, op de dag van zijn oogst,

كلوا مں ٮمره ادا اٮمر واٮوا حڡه ٮوم حصاده

maar verspil niet:

ولا ٮسرڡوا

Hij houdt gewis niet van de verspillers.

اٮه لا ٮحٮ المسرڡٮں

En onder het vee zijn er de lastdieren en die van de vacht.

ومں الاٮعم حموله وڡرسا

Eet van datgene waarmee God jullie voorzien heeft,

كلوا مما ررڡكم الله

6:142

en volg de passen van de Afleider niet:

ولا ٮٮٮعوا حطوٮ السٮطں

hij is gewis voor jullie een klaarblijkelijke vijand.

اٮه لكم عدو مٮٮں

Acht, in paren:

ٮمٮٮه اروح

schapen, twee, en geitachtigen, twee.

مں الصاں اٮٮٮں ومں المعر اٮٮٮں

Zeg: “Zijn het de twee mannetjes die Hij voor ontzegd heeft gehouden, of de twee wijfjes, of wat de baarmoeders van de twee wijfjes bevatten?

ڡل الدكرٮں حرم ام الاٮٮٮٮں اما اسٮملٮ علٮه ارحام الاٮٮٮٮں

Bericht mij erover in vol weten, als jullie waarachtig zijn.”

ٮٮوٮى ٮعلم اں كٮٮم صدڡٮں

6:144

En massieve dieren, twee, en runderen, twee.

ومں الاٮل اٮٮٮں ومں الٮڡر اٮٮٮں

Zeg: “Zijn het de twee mannetjes die Hij voor ontzegd heeft gehouden, of de twee wijfjes, of wat de baarmoeders van de twee wijfjes bevatten?

ڡل الدكرٮں حرم ام الاٮٮٮٮں اما اسٮملٮ علٮه ارحام الاٮٮٮٮں

Of waren jullie getuigen, toen God jullie dit heeft aanbevolen?”

ام كٮٮم سهدا اد وصٮكم الله ٮهدا

Wie is dus onrechtvaardiger dan wie een leugen verzint tegen God, om de mensen te doen dwalen zonder te weten?

ڡمں اطلم ممں اڡٮرى على الله كدٮا لٮصل الٮاس ٮعٮر علم

God leidt gewis het onrechtvaardige volk niet.

اں الله لا ٮهدى الڡوم الطلمٮں

6:145

Zeg: “Ik vind, in wat mij geopenbaard is, niets ontzegd aan wie zich ervan wil voeden, behoudens dat het een dood dier is, of vergoten bloed, of varkensvlees – want dat is slijk –

ڡل لا احد ڡى ما اوحى الى محرما على طاعم ٮطعمه الا اں ٮكوں مٮٮه او دما مسڡوحا او لحم حٮرٮر ڡاٮه رحس

6:145

of een grensoverschrijding opgedragen aan een ander dan God.

او ڡسڡا اهل لعٮر الله ٮه

6:145

Maar wie ertoe in het nauw gedreven wordt, zonder opstandig te zijn noch de grenzen te overschrijden – jouw Voogd is gewis Zeer Vergevensgezind, Welwillend.”

ڡمں اصطر عٮر ٮاع ولا عاد ڡاں رٮك عڡور رحٮم

En aan de Geheroriënteerden hebben Wij elke drager van een ongespleten nagel ontzegd: zowel van de runderen als van de schapenachtigen,

وعلى الدٮں هادوا حرمٮا كل دى طڡر ومں الٮڡر والعٮم

Wij hebben hun vetten ontzegd, behoudens wat hun ruggen dragen, of de ingewanden, of wat met een bot vermengd is.

حرمٮا علٮهم سحومهما الا ما حملٮ طهورهما او الحواٮا او ما احٮلط ٮعطم

Dat is hoe Wij hen vergolden hebben voor hun afpersing,

دلك حرٮٮهم ٮٮعٮهم

en Wij zijn voorzeker waarachtig.

واٮا لصدڡوں

Als zij je ontkennen, zeg dan: “Jullie Voogd is houder van een ruime welwillendheid,

ڡاں كدٮوك ڡڡل رٮكم دو رحمه وسعه

en Zijn strengheid zal niet herroepen worden ten aanzien van het volk van de afgezonderden.”

ولا ٮرد ٮاسه عں الڡوم المحرمٮں

Zij die geassocieerd hebben zullen zeggen: “Als het God behaagd had, zouden wij niet geassocieerd hebben, noch onze voorouders, en wij zouden niets voor ontzegd gehouden hebben.”

سٮڡول الدٮں اسركوا لو سا الله ما اسركٮا ولا اٮاوٮا ولا حرمٮا مں سى

Zo hebben zij die vóór hen waren ontkend, totdat zij Onze strengheid geproefd hebben.

كدلك كدٮ الدٮں مں ڡٮلهم حٮى داڡوا ٮاسٮا

Zeg: “Hebben jullie enig weten, dat jullie voor ons naar buiten kunnen brengen?

ڡل هل عٮدكم مں علم ڡٮحرحوه لٮا

Jullie volgen slechts het vermoeden,

اں ٮٮٮعوں الا الطں

en jullie doen niets dan gissen.”

واں اٮٮم الا ٮحرصوں

Zeg: “Aan God behoort het beslissende argument toe.

ڡل ڡلله الححه الٮلعه

Als het Hem behaagd had, zou Hij jullie allen geleid hebben.”

ڡلو سا لهدٮكم احمعٮں

Zeg: “Breng jullie getuigen aan, zij die getuigen dat God dit voor ontzegd heeft gehouden.”

ڡل هلم سهداكم الدٮں ٮسهدوں اں الله حرم هدا

Als zij getuigen, getuig niet met hen,

ڡاں سهدوا ڡلا ٮسهد معهم

en volg de emoties niet van hen die Onze tekenen ontkend hebben, en van hen die niet in het laatste leven geloven, en die tegenwichten stellen tegenover hun Voogd.

ولا ٮٮٮع اهوا الدٮں كدٮوا ٮاٮٮٮا والدٮں لا ٮومٮوں ٮالاحره وهم ٮرٮهم ٮعدلوں

6:151

Zeg: “Kom, opdat ik voordraag wat jullie Voogd jullie ontzegd heeft: associeer niets aan Hem;

ڡل ٮعالوا اٮل ما حرم رٮكم علٮكم الا ٮسركوا ٮه سٮا

6:151

weldadigheid jegens de twee ouders;

وٮالولدٮں احسٮا

6:151

en dood jullie kinderen niet uit schaarste –

ولا ٮڡٮلوا اولدكم مں املٯ

6:151

Wij zijn het die jullie voorzien, alsook hen;

ٮحں ٮررڡكم واٮاهم

6:151

en nader de snoodheden niet, onbedekt of innerlijk;

ولا ٮڡرٮوا الڡوحس ما طهر مٮها وما ٮطں

6:151

en dood het Zelf niet dat God onschendbaar gemaakt heeft, behoudens met goed recht;

ولا ٮڡٮلوا الٮڡس الٮى حرم الله الا ٮالحٯ

6:151

dat is wat Hij jullie aanbevolen heeft, misschien zullen jullie redeneren.

دلكم وصٮكم ٮه لعلكم ٮعڡلوں

6:152

En nader het goed van de wees niet, behoudens op de schoonste wijze, totdat hij zijn volle rijpheid bereikt;

ولا ٮڡرٮوا مال الٮٮٮم الا ٮالٮى هى احسں حٮى ٮٮلع اسده

6:152

en geef getrouw de maat en de weegschaal, met billijkheid –

واوڡوا الكٮل والمٮراں ٮالڡسط

6:152

Wij leggen aan geen enkel Zelf iets op dan zijn vermogen –

لا ٮكلڡ ٮڡسا الا وسعها

6:152

en wanneer jullie een uitspraak doen, wees rechtvaardig, al is het jegens een verwant;

وادا ڡلٮم ڡاعدلوا ولو كاں دا ڡرٮى

6:152

en wees getrouw aan het pact van God:

وٮعهد الله اوڡوا

6:152

dat is wat Hij jullie aanbevolen heeft, misschien zullen jullie je herinneren.

دلكم وصٮكم ٮه لعلكم ٮدكروں

6:153

En: dit is mijn pad, rechtlijnig; volg het dus,

واں هدا صرطى مسٮڡٮما ڡاٮٮعوه

6:153

en volg de wegen niet, die jullie van Zijn weg zouden scheiden:

ولا ٮٮٮعوا السٮل ڡٮڡرٯ ٮكم عں سٮٮله

6:153

dat is wat Hij jullie aanbevolen heeft, misschien zullen jullie je behoeden.”

دلكم وصٮكم ٮه لعلكم ٮٮڡوں

6:154

Daarna hebben Wij Moesa de Schrift gegeven, als volledigheid jegens wie het goede doet, als detail van alles, als leiding en als welwillendheid, misschien zouden zij geloven in de ontmoeting met hun Voogd.

ٮم اٮٮٮا موسى الكٮٮ ٮماما على الدى احسں وٮڡصٮلا لكل سى وهدى ورحمه لعلهم ٮلڡا رٮهم ٮومٮوں

En dit is een Schrift die Wij hebben doen neerdalen, gezegend; volg haar dus, en behoed jullie, misschien zal jullie welwillendheid betoond worden – uit vrees dat jullie zeggen: “De Schrift is slechts op twee groepen vóór ons neergedaald, en wij waren wel onbekommerd over hun studie”, of dat jullie zeggen: “Als de Schrift op ons neergedaald was, zouden wij beter geleid zijn geweest dan zij.”

وهدا كٮٮ اٮرلٮه مٮارك ڡاٮٮعوه واٮڡوا لعلكم ٮرحموں اں ٮڡولوا اٮما اٮرل الكٮٮ على طاٮڡٮٮں مں ڡٮلٮا واں كٮا عں دراسٮهم لعڡلٮں او ٮڡولوا لو اٮا اٮرل علٮٮا الكٮٮ لكٮا اهدى مٮهم

Een duidelijk bewijs is dus tot jullie gekomen van jullie Voogd, alsook een leiding en een welwillendheid.

ڡڡد حاكم ٮٮٮه مں رٮكم وهدى ورحمه

Wie is dus onrechtvaardiger dan wie de tekenen van God ontkend heeft en zich eraan onttrokken heeft?

ڡمں اطلم ممں كدٮ ٮاٮٮ الله وصدڡ عٮها

Wij zullen hen die zich aan Onze tekenen onttrekken vergelden met de slechte pijn, omdat zij zich eraan onttrokken hebben.

سٮحرى الدٮں ٮصدڡوں عں اٮٮٮا سو العداٮ ٮما كاٮوا ٮصدڡوں

6:158

Wachten zij slechts tot de Gemachtigden tot hen komen, of tot jouw Voogd komt, of tot bepaalde tekenen van jouw Voogd komen?

هل ٮٮطروں الا اں ٮاٮٮهم الملٮكه او ٮاٮى رٮك او ٮاٮى ٮعص اٮٮ رٮك

Op de dag waarop bepaalde tekenen van jouw Voogd zullen komen, zal het geloof van een Zelf het niet baten, als het voordien niet geloofd heeft, of in zijn geloof geen enkel goed verworven heeft.

ٮوم ٮاٮى ٮعص اٮٮ رٮك لا ٮٮڡع ٮڡسا اٮمٮها لم ٮكں امٮٮ مں ڡٮل او كسٮٮ ڡى اٮمٮها حٮرا

Zeg: “Wacht:

ڡل اٮٮطروا

wij wachten gewis.”

اٮا مٮٮطروں

6:159

Gewis, zij die hun Wet verdeeld hebben en facties geworden zijn, jij bent in niets met hen verbonden.

اں الدٮں ڡرڡوا دٮٮهم وكاٮوا سٮعا لسٮ مٮهم ڡى سى

6:159

Hun zaak ressorteert slechts onder God,

اٮما امرهم الى الله

6:159

daarna zal Hij hen berichten over wat zij deden.

ٮم ٮٮٮٮهم ٮما كاٮوا ٮڡعلوں

Wie met de goede daad komt, heeft recht op tienmaal zijn equivalent,

مں حا ٮالحسٮه ڡله عسر امٮالها

en wie met de slechte daad komt, wordt slechts met zijn equivalent vergolden, zonder onrecht te ondergaan.

ومں حا ٮالسٮٮه ڡلا ٮحرى الا مٮلها وهم لا ٮطلموں

Zeg: “Mijn Voogd heeft mij gewis geleid naar een rechtlijnig pad,

ڡل اٮٮى هدٮٮى رٮى الى صرط مسٮڡٮم

6:161

een rechte Wet, de leer van Ibrahim, geheel naar God toegekeerd;

دٮٮا ڡٮما مله اٮرهٮم حٮٮڡا

en hij behoorde niet tot hen die associëren.”

وما كاں مں المسركٮں

Zeg: “Mijn Contact, mijn weldadige praktijk, mijn leven en mijn dood behoren gewis aan God, Voogd van alle wezens; geen geassocieerde aan Hem.

ڡل اں صلاٮى وٮسكى ومحٮاى ومماٮى لله رٮ العلمٮں لا سرٮك له

En dat is wat mij bevolen is,

وٮدلك امرٮ

en ik ben de eerste van de integeren tegenover God.”

واٮا اول المسلمٮں

6:164

Zeg: “Zou ik een andere Voogd zoeken dan God, terwijl Hij de Voogd van alles is?”

ڡل اعٮر الله اٮعى رٮا وهو رٮ كل سى

6:164

En ieder Zelf verwerft slechts ten nadele van zichzelf,

ولا ٮكسٮ كل ٮڡس الا علٮها

6:164

en geen drager van een last zal de last van een ander dragen.

ولا ٮرر وارره ورر احرى

6:164

Daarna is jullie terugkeer tot jullie Voogd, en Hij zal jullie berichten over datgene waarin jullie uiteenliepen.

ٮم الى رٮكم مرحعكم ڡٮٮٮٮكم ٮما كٮٮم ڡٮه ٮحٮلڡوں

En Hij is het die jullie tot opvolgers op de aarde heeft gemaakt, en sommigen van jullie boven anderen heeft verheven in graden, om jullie te beproeven in wat Hij jullie gegeven heeft.

وهو الدى حعلكم حلٮڡ الارص ورڡع ٮعصكم ڡوٯ ٮعص درحٮ لٮٮلوكم ڡى ما اٮٮكم

Je Voogd is gewis snel in de sanctie,

اں رٮك سرٮع العڡاٮ

en Hij is voorzeker Zeer Vergevensgezind, Welwillend.

واٮه لعڡور رحٮم

← Index van de soera's